direkte aktie - de internationale te bern - de aktie blijft uit - luzern: de internationale wankelt - genève, 1920 - drie internationalen - mijn kritiek op de belgen - in de noorsche bergen - het vredeskongres van den haag - de eenheid hersteld - het levende lijk - duel met marchant - hoofdredakteur van het volk - de anti-revolutiewet - de partij en de ontwapening - voor de volkenbond - mijn opvatting der onafhankelijkheidspolitiek - grenzen der gemeentepolitiek - partij en vakbeweging - de verkiezingen van 1922 en de geestelijkheid - tegen de vlootwet - mijn afscheid.
In dit hoofdstuk heb ik te spreken over mijn werk in de jaren na 1918. Het zal kort kunnen zijn, omdat mijn lichamelijke zwakte mij in steeds sterker mate remde en mij noopte, minder op mijn schouders te nemen dan voorheen. Herhaaldelijk was ik gedwongen, mijn taak neer te leggen om in het buitenland herstel van krachten te zoeken; telkens moest ik belangrijke vergaderingen, zelfs het Partijkongres, verzuimen; een groot deel van mijn artikelen dikteerde ik op mijn bed. Ik was gedwongen, mij tot enkele hoofdpunten te bepalen: het politiek systeem der sociaal-demokratie en het internationale werk (herstel der Internationale, Volkenbond, strijd tegen het oorlogsgevaar). Verder zullen de aktie tegen de vlootwet en de daarop gevolgde krisis worden behandeld, die aan den politieken leider der beweging nog eenmaal groote eischen stelden.
De bespreking der laatste jaren zal sober moeten zijn, omdat op de zoo dichtbij liggende gebeurtenissen nog niet het noodige licht kan worden geworpen. De korte afstand maakt in vele gevallen het verkrijgen van een overzicht onmogelijk. En ik gevoel mij niet gerechtigd, alle te mijner beschikking staande gegevens te publiceeren, voor zoover zij betrekking hebben op personen, die op dit oogenblik nog een verantwoordelijke positie in de politiek bekleeden.
Twee opmerkingen van algemeenen aard moeten voorafgaan. Na de gebeurtenissen van 1918 verkeerde ik persoonlijk in zekere zin in een toestand van isolement. Buiten de vele vergaderingen, waar wij in goede harmonie samenwerkten, kwam ik met mijn medewerkers weinig in aanraking. Een uitzondering moet ik maken voor enkele trouwe vrienden als Ankersmit Verder moet ik noemen Sannes, wiens gelijke opvatting van het socialisme hem telkens bij de diskussies in de leiding aan mijn zijde bracht. Ons beiden verbond een warme vriendschap, gebouwd op overeenstemming van willen en voelen. Het is voor mij een groot verdriet geweest, dezen zooveel jongeren kameraad, een in alle opzichten uitstekend mensch, aan onze beweging te zien ontvallen.
In de tweede plaats kan ik in het algemeen zeggen, dat ik in deze jaren, voortbouwend op de ‘eenheidsmotie’, de lijn van 1918 heb doorgetrokken. Aan het parlementaire werk heb ik ook in deze jaren met overtuiging mijn krachten gegeven, doch meer dan ooit hadden de ondervindingen van de jaren 1914-1919 mij geleerd, de leemten en gebreken van deze strijdvorm te erkennen; meer dan tevoren wilde ik in de klassenstrijd de nadruk leggen op de direkte aktie. De macht van het gekoncentreerde bankkapitaal, het laatste krachtige bolwerk van het kapitalistisch stelsel, zetelt niet in het parlement, maar daarbuiten, in de banken, de trusts enz. Zoo is het parlement als machtsorgaan overvleugeld door de geldmacht en heeft de arbeidersklasse tegen deze overheersching van ekonomischen aard de strijd te voeren met ekonomische middelen. In mijn brochure ‘De Sociaal-demokratie na den oorlog’, het verslag van een rede, in de winter van 1920 op 1921 in een aantal plaatsen gehouden, vindt men deze gedachtengang uitgewerkt. Ik zeg daar, dat ‘in de groote momenten van haar strijd’ de arbeidersklasse dient te aanvaarden ‘het wapen der direkte aktie, de
politieke aktie der vakorganisatie.... Tegenover 't geweld van 't bolsjewisme stelt de sociaal-demokratie de direkte aktie der arbeiders organisaties.’ Ter illustratie behoef ik slechts te herinneren aan de algemeene werkstaking, waarmee in Duitschland partij en vakbeweging in enkele dagen de militaire staatsgreep van Kapp en zijn reaktionaire aanhangers deden mislukken.
Gedreven door deze overtuiging, heb ik mij na 1919 in de eerste plaats gegeven aan het opbouwen van een eigen socialistisch politiek systeem, waaraan het volgende hoofdstuk zal zijn gewijd. Zij deed mij zoo groote waarde hechten aan een goede verstandhouding met de vakbeweging, nationaal en internationaal, dat ik tegen offers om die band te versterken, niet opzag. Zij leidde er toe, dat ik - na het betrekkelijk slagen van de boykot der fascistische terreur in Hongarije door de internationale vakbeweging en van de weigering van dezelfde organisatie om wapenen en munitie te verstrekken aan de Polen in hun strijd tegen Sovjet-Rusland, (zomer 1920) - het besluit van het I.V.V. kongres te Rome (1922), de algemeene werkstaking te aanvaarden als middel, om het uitbreken van een nieuwen oorlog te voorkomen, met groote instemming begroette. Zij deed mij mijn verwachtingen vooral bouwen op de Engelsche arbeidersbeweging, die in deze jaren voor het beginsel der direkte aktie gewonnen scheen en door haar dreigen met de algemeene staking, het militair ingrijpen van Engeland in het Russisch-Poolsch konflikt onmogelijk heeft gemaakt. Zij bracht mij er toe, tenslotte, om de krachten, die mij restten, te geven aan de mondelinge en schriftelijke propaganda onder de groote massa, wier instemming en daadwerkelijke steun bij de strijd tegen de machten van het groot-kapitaal onmisbaar zijn.
Het voornemen, tegelijk met de officieele vredeson-
derhandelingen een socialistische konferentie bijeen te roepen, moest worden uitgevoerd, wilde de Internationale niet definitief van allen invloed afstand doen. Het was aan Henderson te danken, dat zij in Februari 1919 te Bern bijeen kwam, met de dubbele opgave, eindelijk de door den oorlog verbroken internationale eenheid te herstellen en, als eendrachtige macht optredend, aan de overwinnaars de vredeseischen van het proletariaat voor te leggen. Branting, voorzitter der konferentie, zeide in zijn openingsrede: ‘Zal de arbeidersklasse werkelijk invloed willen oefenen...dan moet zij eerst zichzelf hervinden.’
Dat dit te Bern is geschied, zou ik niet durven beweren. De geest van kameraadschap, die voor den oorlog de internationale kongressen had bezield, had voor kleingeestige intriges en diplomatiek geknoei moeten plaats maken. Ik kan aan deze konferentie niet zonder een gevoel van bitterheid denken. De rechtervleugel der Fransche partij kwam slechts naar Bern, om gericht te houden over de Duitsche kameraden en om met een vernietigende resolutie over het bolsjewisme naar Parijs te kunnen terugkeeren; de socialistische vredespolitiek moest door deze kwesties op den achtergrond geraken.
In de eerste bijeenkomst deed Albert Thomas een fellen aanval op de Duitschers, eindigend met het voorstellen eener resolutie, waarbij de Duitsche meerderheid buiten de Internationale zou worden gesloten. De Duitschers verscherpten de situatie door hun ontaktvol optreden; zij achtten het blijkbaar noodig, vóór alles hun prestige te handhaven en weigerden de erkenning van gemaakte fouten. Het zou misgeloopen zijn, als niet de Engelsche delegatie achter de schermen de situatie had gered. Er werd na bewogen bijeenkomsten een verklaring opgesteld, die niemand voldeed, de ‘schuldvraag’ verdagend, inplaats van haar af te doen, doch een openlijke breuk was voorkomen.
Ik stelde mij bij deze debatten in een korte rede tegenover Thomas. Op de ‘schuldvraag’ ging ik niet in, doch ik verzette mij tegen het voorstel, de konferentie een veroordeeling van het bolsjewisme te ontlokken, onder het mom van een theoretische resolutie over de vraag ‘diktatuur of demokratie’. Het moest den indruk maken van het uitvoeren van een opdracht der Ententeregeeringen. Ik verklaarde nadrukkelijk, de methoden van het bolsjewisme zonder voorbehoud te verwerpen, doch het kon, zoo zeide ik, niet op onze weg liggen, den overwinnaars wapenen in handen te geven tegen de bolsjewiki. Ik herinnerde de konferentie aan haar eigenlijke taak: het opstellen van een eigen vredesprogram en het voorbereiden van een aktie, om de regeeringen en de vredeskonferentie in onze richting te brengen.
Wat het bolsjewisme aangaat: in de resolutie-Branting, door de meerderheid der delegaties - niet door de Hollanders - onderteekend, heeft de Fransche rechtervleugel haar zin gekregen. Gelegenheid, deze resolutie door amendementen voor allen aannemelijk te maken, werd mij niet gegeven. Onze oppositie legde vooral de nadruk op de ingewikkeldheid van het probleem en bereikte tenminste zooveel, dat tot uitvoeriger diskussies op een volgend kongres werd besloten. Het was in dit debat, dat ik de vraag stelde: ‘waar ligt het zwaartepunt van de beroemde Fransche demokratie: in het parlement of in het ‘Crédit Lyonnais?’
De eenzijdigheid der resolutie leidde tot een tegenverklaring Friedrich Adler-Longuet (de leider van de Fransche linkervleugel), waarop zich de kern van de latere ‘2½ de Internationale’ vereenigde. Dat men in de Nederlandsche rechtsche pers weldra kon lezen, dat ik mij bij deze gelegenheid als bolsjewiek had ontpopt, ligt voor de hand.
Mijn eigenlijke taak op deze konterentie lag in de kommissie, ingesteld tot behandeling der nationaliteiten-
kwestie. Dat ik niet in de belangrijkste kommissie, die voor de vredesvoorwaarden en de Volkenbond, benoemd was, wat in vroeger jaren zeker zou zijn geschied, moest door mij als een achteruitzetting worden beschouwd. Door mijn gezondheid gedwongen, een nacht in Frankfort over te blijven, kwam ik een dag later te Bern aan en vernam daar, dat mijn plaats in de leiding der konferentie reeds door een anderen Hollander was ingenomen. In de pers werd de verzwakking van mijn positie toegeschreven aan November 1918. Voor de Hollandsche delegatie en enkele andere is dat ongetwijfeld juist, doch in het algemeen moet hier eerder worden gedacht aan het etiket van Duitsch-gezindheid, dat mij was opgeplakt en ik heb in de machinaties, tegen mij te Bern ondernomen, in de eerste plaats de hand van Renaudel herkend. Na 1918 lag ook in de Internationale het zwaartepunt bij de Entente-partijen en wij, die gedurende den oorlog aangewezen waren, de leiding in handen te nemen, moesten haar nu overgeven. Ik heb dat met overtuiging gedaan, daar het mij steeds duidelijker werd, dat slechts de Engelsche Arbeiderspartij de kern eener nieuwe Internationale kon zijn; in de verwarring en verdeeldheid van de volgende jaren was het deze partij, die de eenheid moest herstellen. Henderson, MacDonald, Tom Shaw, Gillies en anderen hebben deze opgave begrepen en hun werk is in 1923 te Hamburg met sukces bekroond.
De leiding der kommissie voor de nationaliteitenkwestie, aansluitend bij mijn werk te Stockholm, heb ik met genoegen op mij genomen. Behalve Elzas-Lotharingen hield ons het lot van de vroeger in Rusland en Oostenrijk-Hongarije onderdrukte minderheden bezig. Teekenend voor de zwakheid der herstelde Internationale was, dat wel algemeene beginselen konden worden opgesteld, doch voor verschillende konkrete kwesties geen oplossing kon worden gevonden. In mijn
rede in de openbare zitting herinnerde ik aan de gevaarlijke rol, die de onderdrukking van het nationale willen van groote volksgroepen bij de toename van het oorlogsgevaar vóór 1914 had gespeeld. Slechts binnen het raam van een waarachtige Volkenbond, waarvoor onze konferentie de grondslagen had gelegd, betoogde ik, was het mogelijk, eenerzijds de kultureele onafhankelijkheid van alle nationale minderheden te waarborgen, anderzijds de internationale gemeenschap te beschermen tegen de partikularistische overdrijvingen van bepaalde kleine groepen. Te ver gedreven nationale zelfbeschikking, immers, zou tot een versnippering van staten leiden, die ekonomisch onhoudbaar was en voor de vrede evenzeer funest moest worden.
De besluiten, op de konferentie te Bern genomen, waren op zich zelf niet slecht. Organisatorisch was de Internationale, zij het in voorloopige vorm, hersteld. De Belgen hadden, tegen het advies van mannen als Huysmans en Anseele, geweigerd met de Duitschers samen te vergaderen, zoodat Huysmans slechts in zijn kwaliteit van internationaal sekretaris aanwezig was. De resoluties inzake de Volkenbond en de internationale arbeidswetgeving - de laatste vastgesteld in overeenstemming met een tegelijk te Bern beraadslagende internationale vakvereenigings-konferentie - bevatten een goede basis voor een groote socialistische aktie. Die aktie, echter, bleef uit. De wil en de moed ontbraken, om de arbeiders voor deze eischen in beweging te brengen. Ik heb wel eens gezegd, dat de ineenstorting van de Internationale gedurende den oorlog te Bern bevestigd is. Dat is te sterk uitgedrukt, doch zeker is, dat van die konferentie de misère in de tegen woordige Internationale dagteekent. Met diplomatieke handigheid werden voor een ieder te aanvaarden resoluties opgesteld, maar in de praktijk was de Internationale lange tijd tot dadeloosheid veroordeeld. De geest, die Stockholm had doen mislukken, werkte na en ver-
lamde elk aktief internationaal arbeidersoptreden. Te Bern vertoonde zich zelfs een streven, om niet meer van sociaal-demokratie, maar eenvoudig van demokratie te spreken. Eén en ander moest als een gevolg worden beschouwd van het ministerialisme, waarvoor door den oorlogs- en na-oorlogstoestand onze menschen in vele landen onvoorbereid waren geplaatst; menigmaal beschouwde een socialistisch minister zich meer als vertegenwoordiger van zijn nationale regeering dan als vertrouwensman van de socialistische arbeiders. De bourgeoisie had onder die omstandigheden niets van ons te vreezen. Ik heb, tot mijn aftreden in 1925, van het bestuur der Internationale deel uitgemaakt en voorzoover mijn gezondheid het toeliet, vier maal per jaar de vergaderingen der Exekutieve bezocht. Dat het voor een internationaal socialist aangenaam was, zich telkens weer bij de voorloopige machteloosheid der Internationale te moeten neerleggen, wil ik niet beweren. Gelukkig is in de laatste tijd een duidelijke kentering waar te nemen. De internationale eenheid der arbeiders, eenheid in willen en aktie, voortgebracht door het kapitalisme, waaronder de arbeiders aller landen gebukt gaan, kan niet uitblijven, en met vreugde konstateer ik de verschillende teekenen van herstel, tot uiting komend zoowel in de strijd tegen het oorlogsgevaar, als in het verzet tegen het fascisme en de kapitalistische machten van monopolies en bankkapitaal. Te Bern was besloten, een ‘komitee van aktie’ te benoemen, samengesteld uit ‘Hoffähigen’ in de internationale politiek, die onze eischen aan de Entente-regeeringen zouden voorleggen. Ik had voorgesteld, naast deze kommissie, waarin behalve Branting een negental socialisten uit de geallieerde landen zitting hadden, een groote kommissie te benoemen om met Branting c.s. voeling te houden, waarin de verschillende stroomingen in de Internationale vertegenwoordigd hadden kunnen zijn. Mijn voorstel was verworpen en na wat ik te Bern

NOORWEGEN, ZOMER 1921

OP EEN WANDELING IN NOORWEGEN
van de stemming der Entente-socialisten had gezien, verwachtte ik van het optreden der kleine kommissie niet veel. Tot een internationale aktie was niet besloten en tot de optimisten, die geloofden, dat de ‘big four’ te Parijs zich uit vriendelijkheid aan onze Berner besluiten zouden storen, behoorde ik niet. Mijn laatste hoop was gevestigd op de konferentie, die in April 1919 te Amsterdam zou bijeenkomen, en om deze tot krachtiger ingrijpen te nopen, hield ik te Luzern mijn rede over de ‘Politieke taak der socialistische Internationale’ en liet haar in het Duitsch en Nederlandsch als brochure uitgeven.
Ik kritiseerde het Volkenbond-ontwerp, dat in Parijs was gepubliceerd en gaf een toelichting op onze Bernsche resolutie, die de eerste taak voor de Volkenbond zag op ekonomisch terrein, waar de eigenlijke imperialistische oorzaken van het oorlogsgevaar gezocht moeten worden: ‘De Volkenbond moet zich kunnen ontwikkelen tot een orgaan, dat de voortbrenging en verdeeling der grondstoffen en levensmiddelen over de geheele wereld kontroleert’ De resolutie eischte o.a., dat de Volkenbond niet zou worden samengesteld uit gedelegeerden der regeeringen, maar uit afgevaardigden der parlementen; dat alle staten toegang tot de Bond zouden hebben; dat de Volkenbond volledige ontwapening tot stand zou brengen en nakoming zijner beslissingen zoo noodig door middel van ekonomische dwangmaatregelen zou afdwingen enz. Evenals te Bern sprak ik mijn wantrouwen uit in de bedoelingen van de overwinnende regeeringen, die in Parijs de vredesvoorwaarden opstelden. Ik toonde aan, dat men te Parijs de ontwapeningsidee feitelijk verloochende. ‘Het militarisme der wereld is niet vernietigd, het heeft alleen zijn zetel verplaatst van Berlijn naar Parijs. De geheele idee van de Volkenbond is, door wat Parijs ons daarvan voorlegt, in diskrediet gebracht.’ In mijn slotwoord riep ik de arbeiders der Entente-landen op, zich van
hun zware plicht bewust te zijn; dit was het oogenblik, om den machthebbers herstel van het militarisme door aanwending van onze geheele politieke en ekonomische macht onmogelijk te maken.
De Internationale was bij deze eerste konferenties na het uiteenvallen harer organisatie aangewezen op de materieele steun van derden. Zij vond deze bij den Amerikaanschen millionnair de Kay. Ik moet aan deze merkwaardige figuur, die zich later helaas in minder frissche affaires gestoken heeft, een enkel woord wijden. Afstammeling van den Haarlemschen bouwmeester Lieven de Key, had hij de in Amerika blijkbaar gebruikelijke weg van krantenjongen tot millionnair afgelegd. Oprecht pacifist, was hij door den oorlog van zijn land vervreemd en had nu op onze Internationale zijn hoop voor de wereldvrede gevestigd. Reeds tijdens mijn verblijf in Zwitserland in de zomer van 1918 had ik met hem kennis gemaakt. Hij begroette mij met de mededeeling, door het vooruitzicht, mij te zullen ontmoeten, drie nachten niet te hebben geslapen. Ik had reeds één en ander van zijn zwevende ideeën over wereldverbetering gelezen en antwoordde hem, te vreezen, dat ons groot verschil van opvatting, samenwerking onmogelijk zou maken. Toen hij bleef aandringen, zeide ik hem: begint u maar eens Kautsky's boek over het Erfurter program te lezen.
Bij mijn aankomst te Bern in Februari 1919 begroette hij mij met de woorden: ik heb het Erfurter program gelezen. Dat hij van deze lektuur veel profijt heeft getrokken, heb ik echter nooit bemerkt. Zijn boeken, 's nachts bij champagne geschreven, bevatten verschillende aardige gedachten, doch bleven hopeloos vaag. Het belangrijkst was ongetwijfeld het door hem uitgewerkte socialisatieplan, dat een tijd lang in de Zwitsersche pers druk besproken werd. In ieder geval was hij een niet te versmaden gastheer, noch voor de konferentie, waarvoor hij een uitgebreide ‘persdienst’ in-
richtte, noch voor mijn vrouw en mij, die zijn gasten waren in Luzern bij gelegenheid van mijn daar gehouden rede. Ook in de organisatie van de internationale konferentie, een half jaar later te Luzern gehouden, had hij een groot aandeel.
Op den duur wendde hij zich van de Internationale af, daar wij niet voldoende aandacht aan zijn stokpaardjes besteedden. Toen mij in 1920 het gerucht bereikte, dat hij in verbinding was getreden met de kontra-revolutionaire Hongaarsche terreur, verzocht ik hem in een brief om opheldering. Zijn antwoord was onvoldoende en ik heb toen voorgoed onze betrekkingen verbroken.
In het voorloopig bestuur der Internationale hadden voor Holland Wibaut en ik zitting. Het was dit lichaam, dat op 26 April te Amsterdam bijeenkwam. Mijn voorstel, de beraadslagingen in het openbaar te doen plaats hebben, het beste middel, om van deze konferentie invloed te doen uitgaan, werd om formeele redenen verworpen. De Belgen hadden ditmaal hun afgevaardigden gezonden, doch deze daad moest veel van zijn beteekenis verliezen door het uitblijven der Duitsche meerderheid, die tengevolge van onbegrijpelijke pasmoeilijkheden eerst na afloop der konferentie in Amsterdam aankwam. Door het komitee van aktie werd medegedeeld, dat het de eischen van Bern aan Clemenceau, den voorzitter der vredeskonferentie, had ter hand gesteld en vervolgens een onderhoud met den Engelschen regeerings afgevaardigde Cecil had gehad, dat zeer onbevredigend was verloopen. Bij de diskussies over een resolutie tegen het officieele Volkenbondplan, dat inmiddels te Parijs was openbaar gemaakt, pleitte ik voor een scherpen aanval op dat plan, om aan de teleurstelling, die zich overal van de arbeiders meester maakte, uitdrukking te geven. Mijn rede vond geen algemeene instemming; vooral Re-
naudel toonde zich met de Parijsche plannen minder ontevreden. De Belgen stonden op het standpunt, dat Duitschland niet tot de Volkenbond kon worden toegelaten, vóórdat het zich tot volledig herstel der verwoeste gebieden bereid verklaard zou hebben. De na veel moeite opgestelde resolutie erkende in de Parijsche plannen de kiem van een ware Volkenbond te zien, begroette met instemming de toegevoegde ‘charter van den arbeid’, waarbij de stichting van het inderdaad zeer waardevol Internationaal Arbeids Bureau te Genève was voorzien, en herhaalde de eischen van Bern. De konferentie verklaarde tenslotte, zich te zullen verzetten tegen een vrede, in strijd met de veertien punten van Wilson en droeg het komitee van aktie op, een onderhoud met de ‘groote vier’ te Parijs aan te vragen.
Merkwaardig waren de debatten over het voorstel, de organisatie van de Internationale zoo te wijzigen, dat ook de vakbeweging en de socialistische koöperaties binnen de Internationale zouden worden gebracht. Ik erkende het belang van nauwer samenwerking, vooral met de internationale vakbeweging, doch toonde mij verder over het niet voldoende voorbereide plan weinig geestdriftig. De veranderingen, noodig om de Internationale tot nieuw leven te wekken, lagen niet op het terrein van den organisatievorm! Voor het uiteengaan besloot de konferentie, op voorstel van mij, een kommissie te benoemen, ter bestudeering van het politiek systeem der sociaal-demokratie en van de socialisatie in onderling verband.
Welken indruk deze konferentie op mij had gemaakt kan blijken uit een brief aan één mijner buitenlandsche vrienden, waaraan ik het volgende ontleen: ‘Het is wel jammer, dat gij niet te Amsterdam kondet zijn, maar het heeft u groote teleurstelling en gerechtvaardigde toorn bespaard.... Het is mij zeer pijnlijk, te moeten erkennen, dat ik uw klachten over het gebrek aan or-
ganisatie en daadkracht slechts kan onderschrijven.’ Ik deelde mede, dat de verantwoordelijke personen zulk een haast hadden, weer te vertrekken, dat grondig overleg onmogelijk was geweest: ‘Toen Maandagavond, ondanks het haasten en afjakkeren, de zaak misliep, heb ik scherp tegen deze wijze van handelen geprotesteerd.... Gij zult begrijpen, hoe het mij te moede is, daar ik dit alles van nabij meemaak en mijn verantwoordelijkheid voel.’
Het komitee van aktie begaf zich naar Parijs, publiceerde daar enkele gerechtvaardigde protesten, doch een internationale aktie organiseerde het niet en tot de leiding der vredeskonferentie verkregen de afgezanten der arbeiders geen toegang: de socialistische Internationale werd te Parijs op de mat teruggewezen. Van eenig revolutionair prestige was geen spoor te bekennen.
De Nederlandsche arbeiders waren bij de vrede slechts zijdelings betrokken; het aandeel, dat van ons in de internationale protestbeweging tegen de geweldvrede kon worden gevraagd, hebben wij geleverd. Te Nijmegen, Den Haag en Rotterdam heb ik de zaak in het openbaar met groote openhartigheid behandeld. Lees ik de verslagen van die redevoeringen na, dan blijkt mij, dat ik op de revolutionaire kracht van de arbeiders in de Entente-landen mijn hoop gevestigd had. Frankrijk en Engeland werden geschokt door groote stakingen, die de verwachting wettigden, dat tegen een onrechtvaardige vrede door middel van de algemeene werkstaking zou worden opgetreden. De viering van den eersten Mei te Parijs was grootscher, de staking algemeener, dan ooit te voren.
Alle protesten konden niet voorkomen, dat de vrede van Versailles, een onuitwischbare schande voor de regeeringen, die hem oplegden, de 26ste Juni werd geteekend, In niet mindere mate dan bij het uitbreken van den oorlog faalde de Internationale bij de vrede.
Op de internationale konferentie, begin Augustus 1919 te Luzern geopend, heb ik deze nederlaag en haar oorzaken in scherpe woorden gekritiseerd. Van vele zijden is mij dat hoogst kwalijk genomen, ook door een man als MacDonald, terwijl Huysmans zijn boosheid toonde in een repliek, waarin persoonlijke hatelijkheden niet ontbraken. Ik doel hier op mijn rede in de eerste bijeenkomst; ik gispte het voorzichtig-diplomatieke optreden van het komitee van aktie: ‘Men heeft niet zijn kracht getrokken uit de aktie der proletarische massa's.... Met welk resultaat? Wij zijn vernederd en beleedigd.... Wij hebben naar boven gekeken, niet gebruik gemaakt van de krachten daar beneden. Wij hebben daardoor de achting verloren, niet alleen van een groot deel der arbeidersklasse, maar zelfs van de imperialisten der Entente, die ons als knechten behandeld hebben.... Het gaat zoo niet langer.... Welnu, ik ben van meening, dat de arbeiders weten moeten, dat wij niet een gezelschap van verparlementariseerde individuen zijn. Als wij ons rehabiliteeren willen in het oog der arbeidersklasse - en dat is noodig - dan moet gezegd worden: wij zijn geen kontra-revolutionairen, wij zijn aanhangers der sociaal-demokratische revolutie.’ Ter voorbereiding van de dubbele taak der konferentie, het stelling nemen tegenover de internationale situatie, en de reorganisatie van de Internationale, werden aan het eind van deze vergadering twee kommissies gevormd. Die keuze was altijd willekeurig en het bleek mij, dat ik na deze rede niet voor de politieke kommissie geschikt werd geacht, waarin Vliegen voor Holland werd benoemd. Dat was me te bar. Ik stelde formeel den eisch, in die kommissie te worden opgenomen, wat ook gebeurde. Vliegen werd voorzitter van de organisatiekommissie, als welker leider en rapporteur hij ook voor de toekomst hoogst belangrijk werk verrichtte. In de politieke kommissie werden twee ontwerpresoluties opgesteld; één van de meer rechtsche kommissie-
meerderheid, verdedigd door Renaudel, en één van de linkervleugel, verdedigd door Longuet.
De plaats ontbreekt mij, om op de interessante diskussies uitvoerig in te gaan. Reeds bij de behandeling van den organisatievorm teekenden zich duidelijk twee stroomingen af, evenals de twee richtingen in de Nederlandsche partij zich vooral onderscheidend door haar opvattingen over de sociale revolutie. Ik verwees in mijn speech naar de eenheid, die wij desondanks in Nederland hadden weten te bewaren, doch op internationaal gebied waren de moeilijkheden veel grooter; zoowel in de Fransche als in de Duitsche delegatie stonden de twee richtingen als onverzoenlijke vijanden tegenover elkaar. Het was klaarblijkelijk na voorafgaand overleg, dat Hilferding (Duitsch Onafhankelijk), Friedrich Adler en Longuet bijna in gelijke woorden verklaarden: wij willen geen van beide Internationalen aanvaarden, noch de tweede, die hier onder leiding van een rechtsche meerderheid wordt opgebouwd, noch de kommunistische, die in Maart te Moskou is gesticht; duidelijk stuurden zij op een tusschen-organisatie aan. Hoewel ik mij principieel tot deze groep moest rekenen en in Luzern, in tegenstelling tot Vliegen, mijn handteekening aan de resolutie-Longuet gaf, was mij de eenheid te veel waard, om met mijn geestverwanten in de richting van scheuring te sturen. Mijn politiek viel de volgende jaren samen met die van de linkervleugel der Engelsche beweging, die, in eigen land de eenheid bewarend, naar een hereeniging van alle socialisten in één internationaal verband bleef streven.
Zeer pijnlijk was te Luzern de strijd tusschen de twee Duitsche groepen. Het was Hilferding, die de meerderheid in staat van beschuldiging stelde naar aanleiding van haar weinig socialistische daden als regeeringspartij: ‘Gij zijt geen socialistische partij meer!.... Het is voor ons onmogelijk, met zulke lieden op één internationale basis samen te werken.’ Naar de verzoenende
woorden van Bernstein werd nauwelijks geluisterd. Voorzitter Henderson moest aan deze steeds hooger loopende broedertwist met geweld een eind maken. Het scheelde niet veel, of men had mij, na de ervaringen, bij mijn eerste rede opgedaan, het woord onthouden; toch gelukte het mij, mijn standpunt te verdedigen en een voorstel te doen. Mijn standpunt: de tijd van gewone hervormingen is voorbij, die van de verovering der politieke macht is aangebroken; deze macht hebben wij aan te wenden voor konstruktieven arbeid, voor opbouw in politieke en ekonomische zin; de verdeeldheid is voor een deel een gevolg van gebrek aan inzicht aangaande ons doel. Daarom was mijn voorstel: Nu eindelijk moet de Internationale de studiekommissie voor ons eigen politiek systeem benoemen, die men in 1907 te Stuttgart heeft geweigerd. Mijn voorstel is met algemeene stemmen aangenomen en het volgend internationaal kongres heeft zich inderdaad met deze kwestie beziggehouden.
De konferentie van Luzern beteekende in vergelijking met Bern en Amsterdam ongetwijfeld een stap voorwaarts. Het scherper stellen der vragen leidde voor de eerste jaren tot splitsing, maar daar moesten wij doorheen. Wij hadden weer in het openbaar durven vergaderen en besluiten genomen, die hun invloed op de internationale politiek zouden doen gelden. De eenstemmige veroordeeling van de vrede van Versailles luidde de socialistische politiek der volgende periode in: opname van de vroegere overwonnenen in de Volkenbond; herstel van de onrechtvaardigheden, in het vredesverdrag besloten; demokratische omvorming van de Volkenbond tot een ‘wereldparlement’; algemeene ontwapening.
Had ik dus scherpe kritiek doen hooren en het gebrek aan aktiviteit van sommige leidende figuren gelaakt, dit beteekende niet, dat ik voor de moeilijkheden blind was. In een brief aan een al te ongeduldigen vriend schreef

J. OUDEGEEST - DE LEIDER DER INTERNATIONALE VAKBEWEGING IN DE JAREN
NA DEN OORLOG

DE NEDERLANDSCHE DELEGATIE NAAR HET INTERNATIONAAL KONGRES VAN
HAMBURG, 1923
ik: ‘De impulsen voor ons optreden als leiders moeten wij ontleenen aan de tendenzen en gevoelens in de arbeidende klasse zelf en deze zijn het, die het oogenblik en het resultaat van onze akties bepalen. Zoo is de zwakte der beweging in deze periode van overgang van oorlog naar vrede in de eerste plaats te wijten aan het feit, dat het proletariaat in die landen, waar het groote werk van de vernietiging van de heerschende imperialistische machten van dit oogenblik moest worden verricht, niet gereed was voor de groote strijd.’
In December besloten de Duitsche Onafhankelijken, zich niet bij de te ‘rechtsche’ 2de Internationale aan te sluiten; zij zouden internationaal verband zoeken met gelijkgezinde groepen. Steun vonden zij o.a. bij de linksche meerderheid van het Fransche partijkongres te Straatsburg, Februari 1920. Misschien nog sterker dan door theoretische overeenstemming waren zij door hun gemeenschappelijken afkeer van de Duitsche meerderheidssocialisten verbonden. Tezamen met de Oostenrijkers, Zwitsers en anderen optredend, lieten zij de kommunistische Internationale links, ons rechts liggen en dienden zich als ‘rekonstrukteurs’, opbouwers van een Internationale van ‘ware’ socialisten, aan.
Zoo was de Internationale, die sedert September 1919 weer te Brussel haar Bureau had, nog slechts de schaduw van wat zij eens was geweest Het gevaar bestond, dat op het eerste na den oorlog te houden kongres, 31 Juli 1920 te Genève bijeen geroepen, de rechtsche richting het overwicht zou bezitten. Wel had het voorloopig internationaal bureau tot het kongres behalve de aangesloten partijen alle socialistische groepen uitgenoodigd, die de eenheid nastreefden, doch spoedig bleek, dat de afgescheiden partijen niet zouden verschijnen, terwijl eveneens de belangrijke Oostenrijksche partij, zonder nog uit de 2de Internationale te zijn getreden, aankondigde, niet aan het kongres te zullen deelnemen. Hoe moest onze Partij in deze om-
standigheden handelen? Dat ik niet met geestdrift naar Genève ging, ligt voor de hand. Toch verdedigde ik op het partijkongres van Mei 1920 een resolutie, waarbij onze Partij besloot, naar Genève te gaan, omdat ‘het zeer twijfelachtig is, of eenige andere internationale bespreking het gewenschte resultaat zal hebben.’ In mijn Meirede van dit jaar te Den Haag erkende ik de redelijkheid van de ontstemming en het wantrouwen, waarmee in vele landen de arbeiders de 2de Internationale beschouwden.
In het P.B., waar ik mij openhartiger kon uitspreken, betoogde ik, dat herstel van de Internationale onmogelijk zou zijn, als niet een nieuwe, breedere grondslag gevonden werd. De pogingen tot ‘rekonstruktie’ wees ik af, omdat deze zoo werden opgezet, dat de Duitsche meerderheid van te voren zou zijn uitgesloten. Nu de linkerzijde uit Genève wegbleef, beschouwde ik het als de taak van onze delegatie, haar oppositie over te nemen. Met het vooroorlogsche standpunt tegenover het militarisme - de aanvaarding van de landsverdediging - had de Internationale m.i. te breken.
Over het kongres zelf kan ik kort zijn, daar mijn belangrijkste werk, dat over het politiek systeem, later zal worden besproken. Het ontbreken van vele belangrijke partijen en bekende figuren veroorzaakte, vooral de eerste dagen, eenige matheid en onzekerheid. Toch moet worden gezegd, dat het kongres, ondanks de veel te beperkte tijd en de belachelijk-onvoldoende hulpmiddelen, een gebeurtenis van beteekenis was. De sterke Engelsche delegatie gaf de toon aan en voorkwam door haar veelzijdige samenstelling een te sterke ‘rechtsche’ overheersching. Ik moest mij om gezondheidsredenen achteraf houden en kon niet deelnemen aan het eigenaardige ‘kongresleven’ buiten de officieele bijeenkomsten, dat in vele gevallen van groote beteekenis is.
Van uitnemend belang zouden de organisatorische be-
sluiten blijken. Het was Huysmans zelf, die voorstelde, het sekretariaat der Internationale naar Engeland te verleggen; zonder medewerking van de Engelsche Arbeiderspartij, immers, kon geen internationale organisatie macht uitoefenen; van haar moest dus de eenheid uitgaan. Te Londen kon zich het onmisbare internationaal orgaan ontwikkelen, dat in plaats van een administratief bureau, een centrum van socialistische aktie moest zijn. Tom Shaw, die als textielarbeider op het vasteland gewerkt had en zoowel Duitsch als Fransch sprak, was de voorzitter van het kongres.
Dank zij het breede en taktvolle optreden van Adolf Braun - zwager van de bekende schrijfster Lily Braun en van Victor Adler - die voor het eerst na den oorlog als internationaal woord voerder der Duitsche meerderheid naar voren kwam, werd hier met de onverkwikkelijke schuldkwestie eens vooral afgedaan. Inzake socialisatie nam het kongres een resolutie aan, die door algeheel gemis aan voorbereiding veel van haar waarde verloor. Van der Waerden was een half jaar te voren op mijn voorstel in een door de Internationale benoemde studiekommissie voor de socialisatie opgenomen, doch kort voor het kongres deelde hij mij mede, er verder nooit iets van te hebben gehoord!
Zonder in de gelegenheid te zijn geweest, met de Hollandsche delegatie overleg te plegen, greep ik in bij de diskussie over de vredesverdragen en het militarisme. De voorgestelde resolutie was voor mij om twee redenen onaannemelijk: 1ste, omdat de opstellers zich bepaald hadden tot de parlementaire strijd tegen het militarisme en de direkte aktie der proletarische massa hadden verwaarloosd; 2de, omdat men voor de toetreding tot de Volkenbond zoodanige eischen stelde, dat Sovjet-Rusland daarmede zou worden uitgesloten. Mijn woorden stuitten op verzet, doch de resolutie werd weer naar de kommissie verwezen en overeenkomstig mijn voorstel herzien. Terwijl ook in de resolutie inzake
het politiek systeem de direkte aktie als socialistisch strijdmiddel werd aanvaard, bevatte de militaire resolutie na haar wijziging, dank zij mijn optreden, de oproep aan het proletariaat ‘om tegen het militarisme en het imperialisme heviger dan ooit de strijd te voeren met alle politieke en ekonomische middelen, die het ten dienste staan.’
Het werk op dit kongres had van mijn krachten het uiterste gevergd, en ik had meer dan ooit behoefte aan rust in de zuivere lucht der Zwitsersche bergen. Zonder de tusschenkomst van onzen Zwitserschen partijgenoot Jean Sigg zou ik deze vakantie niet hebben genoten. De internationale atmosfeer was nog zóó sterk vergiftigd, dat ik met mijn sekretaris Johan Winkler, die mij naar het kongres vergezelde, op de Zwitsersche lijst van ‘ongewenschte vreemdelingen’ was opgenomen. Aanvankelijk waren ons slechts voor de duur van het kongres visa toegestaan en het was aan Sigg te danken, dat daar door de bezorgde Bernsche regeering enkele weken aan werden toegevoegd, die ik met mijn vrouw en sekretaris te Oberhofen doorbracht. Nog zie ik mijn jongen vriend Winkler met een groote hoeveelheid paperassen in de tuin van ons hotel aan het werk. Zijn ijver stak zoo zeer af bij mijn werklooze rust, dat de kellner hem voor den politikus Troelstra bleek te houden; zijn niet zeer weelderige haardos moet tot die verwarring mede aanleiding hebben gegeven.
Het is begrijpelijk, dat velen in onze Partij voor een verder medewerken aan de 2de Internationale weinig gevoelden. Ik heb mij tegen alle voorstellen tot afscheiding verzet; zoolang de Engelsche partij in de Internationale bleef, behoefden wij ons voor ons lidmaatschap niet te schamen. Slechts één omstandigheid zou, naar ik vreesde, een zoodanig verzet van het socialistisch geweten in onze Partij kunnen opwekken, dat
afscheiding onvermijdelijk zou worden; ik bedoel de politiek der Belgische partij en de vergaande koncessies, die haar leiders aan nationalisme en militarisme deden. Ook een man als Huysmans, in zijn hart een tegenstander van deze politiek, verzette zich in het openbaar niet voldoende. De militaire politiek der Belgische socialisten verzwakte onze anti-militaristische aktie; voor het militair verdrag met Frankrijk, dat, hoe onschuldig het mocht worden voorgesteld, op alle ware internationalisten een hoogst ongunstigen indruk maakte, hadden onze ministers mede de verantwoordelijkheid te dragen. Ik heb de steun aan dit verdrag en andere daden van de half-socialistische Belgische regeering - nieuwe militaire maatregelen, de volksstemming-komedie in de vroeger-Duitsche distrikten Eupen en Malmédy - in Het Volk openlijk afgekeurd. Aan mijn vriend Huysmans, die zich daarover verontwaardigd toonde, antwoordde ik, ‘dat ik in de Nederlandsche Partij de 2de Internationale onmogelijk zou maken, indien ik mij niet de vrijheid veroorloofde, zonder een blad voor de mond te nemen, de Belgische partij te kritiseeren voor daden, die het socialisme en de Internationale kompromitteerden.’
Wat mij, zoowel in Het Volk, als in mijn Kerstrede van 1920 tot mijn scherpen aanval op Vandervelde bracht, was het optreden van dezen socialistischen Minister van Justitie tegen anti-militaristen en Vlaamsche nationalisten. Ik herinner aan de grove behandeling, die ds. Schermerhorn bij een propagandatocht in België had te verduren, aan het gevangen houden van mannen als Wies Moens, en den sympathieken Vlaamschen socialist Jef van Extergem. Ik was door bemiddeling van mijn sekretaris Winkler van het lot der Vlaamsche veroordeelden op de hoogte gebracht en liet niet na, Vandervelde daarover te Genève aan te spreken. Hij hield zich van de domme en zeide van de zaak niet op de hoogte te zijn. Op de volgende bij-
eenkomst der Exekutieve te Londen kwam ik bij hem op de zaak terug; nu antwoordde hij, dat de publieke opinie in België de door mij geëischte amnestie zoo kort na den oorlog niet zou dulden. Over dit antwoord schreef ik in Het Volk: ‘Wij kunnen dit niet beoordeelen; maar des te ernstiger klemt voor ons de vraag, of het dan mogelijk is voor een internationaal-socialistische partij, de bevrediging van zulke wraakgevoelens mede voor haar rekening te nemen.’ En verder: ‘Hoogst pijnlijk heeft het ons hier getroffen, dat zoowel deze politieke wraaknemingen als de rechterlijke razzia tegen de aktivisten onder de firma van een socialistischen Minister van Justitie moesten plaats vinden.’ Mijn optreden ten deze vond algemeen weerklank in onze Partij; toentertijd hebben de Belgen zich er weinig van aangetrokken. Des te meer genoegen doet het mij te kunnen konstateeren, dat nu, na tien jaar, onze Belgische vrienden op hun militaire en verdragspolitiek van 1920 terugkomen.
Mijn opvatting van de taak der in Genève tot konsolidatie gekomen romp-Internationale heb ik neergelegd in een memorie, in het najaar van 1920 aan mijn medeleden in de Exekutieve toegezonden. Ons eenig doel moest zijn, schreef ik, de internationale eenheid voor te bereiden. Aan een organisatie van uitsluitend reformistische groepen zou onze Partij op den duur niet blijven medewerken. Tegenover de aanvallen, door Moskou op ons gericht, hadden wij ons te verweren door daartegenover een eigen, positief stelsel van in West-Europa passend demokratisch socialisme op te bouwen; zoo alleen konden wij de woelende zee van om nieuwe vormen en gedachten worstelende arbeidersmassa's, die nu dobberden tusschen de twee polen, Londen en Moskou, tot ons trekken. Het ‘Nur Parlementarismus’ moest verlaten worden voor direkte aktie en een eigen politiek systeem. Wij hadden aansluiting te zoeken bij de in het I.V.V. georganiseerde
vakbeweging, die tegenover het bolsjewisme haar eenheid had behouden.
Intusschen bereidden de ‘rekonstrukteurs’ de stichting eener eigen Internationale voor. De kracht dezer groep lag in de Oostenrijksche partij, die geheel door de populaire figuur van Friedrich Adler werd beheerscht. De Duitsche Onafhankelijken en de Fransche partij hadden zich niet voldoende tegen bolsjewistische infektie beschermd; het gevolg was, dat beide partijen uiteen, vielen, de eerste op het kongres van Halle, Oktober 1920 en de tweede te Tours, December 1920. De linkervleugel zou voortaan de parolen uit Moskou slaafs opvolgen; de rechtervleugel zocht aansluiting in Weenen. In Het Volk wees ik deze vierde Internationale als een ‘vermeerdering der verwarring’ af. ‘Er moet thans vóór alles worden getracht, de partijen, die op weg naar Moskou waren, maar onderweegs bemerkten, geen kommunisten, doch eigenlijk nog steeds sociaal-demokraten te zijn,’ naar de oude Internationale terug te voeren.
Met de leiders dezer partijen bleef ik in nauw kontakt en de oprichtingskonferentie der Weensche Arbeidsgemeenschap - spottend genoemd: 2½ de Internationale - woonde ik in Februari 1921 als gast en verslaggever bij. Daar dit lichaam slechts een kort leven beschoren was, behoef ik op zijn program niet diep in te gaan. Het uitblijven van een duidelijke afwijzing der bolsjewistische methoden, moet als een zwakheid dezer konferentie worden beschouwd. Beschamend was, dat zij niet de moed vond, krachtig te protesteeren tegen de overweldiging van de socialistische republiek Georgië door de Sovjet-troepen, hoewel Kautsky op overtuigende wijze het zuiver imperialistisch karakter van deze gewelddaad had aangetoond.
Ik werd bevestigd in mijn opvatting, dat een algemeene Internationale als orgaan van gezamenlijke arbeidersaktie mogelijk was; daarbinnen zou groote theoreti-
sche en taktische vrijheid moeten worden toegestaan. De vooral bij ons, theologisch aangelegde Nederlanders, zoo sterk levende neiging, anderen als niet zuiver in de leer te verketteren, zou en zal terwille van de internationale eenheid moeten worden onderdrukt. Mijn konklusie was, dat de S.D.A.P. niet bij Weenen, maar bij Londen thuis hoorde. In Het Volk schreef ik: ‘Nog meer dan de vraag: wat wilt gij?, geldt hier de vraag: wie zijt gij? Want uit het wezen eener partij volgt duurzaam haar politiek.’ Daarom hadden wij met de Engelsche en Duitsche massapartijen in één verband te blijven, en niet, om minder zakelijke redenen van persoonlijke sympathie of theoretische voorkeur, de Weeners te verkiezen. Dat ik persoonlijk mij in taktisch en theoretisch opzicht het best bij de Oostenrijksche marxisten thuis gevoelde, heb ik ook toen onomwonden gezegd. Voor mij was en is Otto Bauer het type van den sociaal-demokratischen politikus, in wien praktische en theoretische kennis, oog voor de bestaande politieke noodzakelijkheden en een nooit-verzwakkend streven naar de socialistische toekomst, tot een harmonisch geheel zijn vereenigd.
Uit het voorgaande is voldoende duidelijk geworden, hoe ik mijn taak in de Exekutieve der 2de Internationale opvatte. De ontwikkeling der volgende jaren zal ik niet anders dan met een enkele lijn kunnen weergeven. Dat voor de toenadering tusschen Weenen en Londen tijd noodig was, bleek bij de konferenties over het probleem der herstel-betalingen, April 1921 te Amsterdam. Het I.V.V., de Weeners en wij, de 2de Internationale, beraadslaagden naast elkaar; wel brachten wij onze konklusies zooveel mogelijk in overeenstemming, doch de Weeners weigerden met ons op dezelfde verdieping te vergaderen!
Eind juli van dat jaar herdacht de Deensche partij haar 50 jarig bestaan. De Denen hadden het plan opgevat,

J.F. ANKERSMIT. - HOOFDREDAKTEUR ‘HET VOLK’

TROELSTRA VERLAAT TE APELDOORN DE KONINKLIJKE AUTO EN ONTVANGT DE
ROODE (ORANJE) DAHLIA'S. NAJAAR 1923
hun feest dienstbaar te maken aan de internationale eenheid, en daarom uitnoodigingen gezonden aan alle partijen der 2de en der Weensche Internationale. Het was voor mij een teleurstelling, dat de tweede groep in haar geheel wegbleef; hier werd wel heel duidelijk de eigen parochie boven de socialistische eenheid gesteld en bleek een kleinzielige angst voor de kommunistische ‘verraad’ schreeuwers. Over de feesten te Kopenhagen, die ik als Nederlandsch afgevaardigde bijwoonde en over de reis, die ik na afloop door Noorwegen maakte, heb ik in Het Volk een serie ‘Vakantiebrieven’ gepubliceerd.
Men had mij verzocht, op de feestmeeting te spreken en per auto begaf ik mij naar het meetingterrein. Daar wachtte mij een merkwaardige verrassing. Toen onze auto stilhield, werd het portier geopend door eenjongen man, in wien ik mijn zoon herkende; hij bevond zich voor zijn werk als kunstschilder veelal in het buitenland en was, zonder dat ik het wist, eveneens te Kopenhagen aangekomen. Mijn beide redevoeringen, gewijd aan de ontwapening en de internationale eenheid der arbeiders, hoorde hij aan en hij verzekerde mij na afloop, dat ik er zelden zoo geheel ‘in’ was geweest.
Nooit heeft het verblijf buiten mij zoo verkwikt en gesterkt als op deze reis met mijn vrouw door Noorwegen het geval was. De hooge donkergroene wouden, de kale berghoogten, de ongetemde watervallen - de statige fjords, de massieve bergen weerspiegelend, - het zijn zoovele beelden, die men zijn verder leven meedraagt. De strakke, forsche Noorsche natuur paste geheel bij mijn geest en aspiraties. Ik beschreef in mijn Volkbrief daarnaast de geweldige technische werken, door den mensch in deze woeste omgeving gebouwd, en besloot: ‘Maar wie die natuur in haar overweldigende majesteit heeft gezien, zooals wij op onze tocht door die grootsche dalen en fjorden, die zal niet, ter-
wille van hetgeen op haar en met haar behulp is gewrocht, haar zelve met de krachten, die haar vormden, in hare allesoverheerschende beteekenis voor der menschen leven en werken vergeten.’
De dringende noodzaak, stelling te nemen in de door de officieele diplomaten steeds meer vertroebelde schadevergoedingskwestie, bracht in den aanvang van 1922 de Internationalen tot elkaar. In Frankfort had een bespreking plaats tusschen de socialisten uit de betrokken landen, die mede van belang was, omdat aanhangers van Weenen en Londen samengingen. Hier en bij volgende bijeenkomsten van denzelfden aard bleek, dat de socialisten in staat waren, een afdoende oplossing voor dit, de vrede steeds nog bedreigend, probleem aan te geven. Zij bleken echter niet in staat, de regeeringen te dwingen tot het overnemen dezer oplossing, vooral tengevolge van de zwakheid der Fransche arbeidersbeweging; door kommunisme en woordradikalisme was daar, tot schade van het proletariaat en de wereldvrede, het levenswerk van Jaurès in enkele jaren vernietigd.
De Weensche Arbeidsgemeenschap had eenheid van alle partijen, inklusief de kommunisten, in haar vaandel geschreven. Zoo moest aan het herstel der 2de Internationale een onverkwikkelijke periode voorafgaan, besteed aan vruchtelooze pogingen, de kommunisten tot loyale samenwerking te bewegen. In April 1922 is te Berlijn een konferentie der drie Internationalen gehouden, die voldoende bewees, dat het ‘eenheidsfront’ onbestaanbaar was. Daarnoemde Vandervelde namens de 2de Internationale de drie voorwaarden voor onze deelname aan een hereenigingskongres der drie Internationalen: 1ste, de kommunisten moesten een eind maken aan de cellenbouw en andere pogingen, onze organisaties te vernietigen; 2de, Sovjet-Rusland moest de overweldigde randstaten (Georgië!) vrij laten, over hun eigen toekomst te beslissen; 3de, een behoorlijke
rechtspraak over onze in Rusland vervolgde partijgenooten behoorde te worden gewaarborgd. Het bruusk en beleedigend optreden van Radek en de zijnen en het negeeren van deze wel zeer bescheiden voorwaarden deed de Berlijnsche konferentie mislukken. Nog eenmaal zouden wij met de ons steeds weer ‘ontmaskerende’ en ten doode bestrijdende kommunisten in één kongres tezamen zijn. Het was op het groote vredeskongres, in December 1922 door het I.V.V. te Den Haag georganiseerd, het hoogtepunt van de vredesbeweging na de wereldoorlog. Afgezien van het onsmakelijk optreden der kommunisten was dit kongres een grootsche manifestatie van de vredeswil der massa's. Toegang hadden alle organisaties, die de algemeene werkstaking als afweermiddel tegen den oorlog aanvaardden, zoodat naast de partijen der drie Internationalen en de vakbeweging, de radikale vleugel der burgerlijke vredesbeweging vertegenwoordigd was. De regeering en het gemeente-bestuur van Den Haag meenden het kongres te kunnen negeeren, wat niet belette, dat het ook in burgerlijke kringen den noodigen indruk maakte. Het was onze beweging, die de rol van gastvrouw vervulde. In mijn begroetingsrede namens de Partij herinnerde ik er aan, dat een klein land als het onze, materieel niet meer in staat, zijn onafhankelijkheid met militaire middelen te handhaven, alleen van de ontwikkeling van de Internationale haar heil kan verwachten. ‘Geen enkele politieke partij heeft het ooit gewaagd, aan ons van nature anti-militaristisch volk, de lasten op te leggen, die voor een werkelijke militaire verdediging noodzakelijk zouden zijn.’
Na het vertrek van Tom Shaw was ik voorzitter der politieke kommissie en in het kongres verdedigde ik de daar opgestelde resolutie. Zij bevestigde de sedert 1919 door de socialisten gestelde eischen inzake herziening van het vredesverdrag en demokratiseering van de Volkenbond. Verder wees zij op de kapitalistische
oorzaken van het oorlogsgevaar, doch erkende, dat ‘die tendenz toch kan worden tegengewerkt door de doelbewuste en vastbesloten strijd der georganiseerde arbeidersklasse, ondersteund door alle krachten, die oorlog tegen den oorlog voeren.’
Van de genomen besluiten noem ik de bekende resolutie tegen het militarisme, die aan dit kongres bovenal zijn beteekenis heeft verleend. Reeds had het I.V.V. in April te Rome uitgesproken, dat het de plicht der georganiseerde arbeiders was, ‘het uitbreken van een oorlog door het proklameeren en doorvoeren eener internationale algemeene werkstaking te verhinderen.’ De resolutie van Den Haag bevestigde dit besluit en breidde het uit, door als plicht der arbeiders te noemen, het strijden tegen den oorlog ‘met gebruik van alle middelen, direkt en indirekt, binnen en buiten het parlement,’ terwijl daarnaast de nadruk op de aktie voor ‘werkelijke en feitelijke ontwapening’ werd gelegd.
Ik heb van ganscher harte mijn aandeel in den arbeid van het Haagsche kongres verricht en de resolutie, waarin de buiten-parlementaire aktie werd vastgelegd, beantwoordde aan de opvatting, die ik zonder ophouden in de jaren na den oorlog heb gepropageerd. Ik had het vertrouwen, dat deze resolutie zou worden uitgevoerd. Was dit vertrouwen misplaatst? De ongeduldigen, zij, die meenen, het socialisme te dienen, door het ‘alles of niets’ in hun vaandel te schrijven, zullen, wat na 1922 ter uitvoering dezer resolutie is geschied, begroeten met hoon. Het valt niet te ontkennen, dat onze beweging voorzichtiger is geworden met haar voorspellingen en beloften. Zeker, de methode, in de resolutie van 1922 neergelegd, is de juiste, maar het komt er op aan, dat de arbeiders van alle bij het oorlogsgevaar betrokken landen, tot het opvolgen van de stakingsoproep gereed en bereid zijn. Men mag nooit vergeten, dat het de geestesgesteldheid der massa's
was, die het ons in Juli 1914 onmogelijk maakte, op te treden. Op de socialistische beweging van ieder land rust de plicht, door rustelooze propaganda de arbeiders voor deze zware taak gereed te maken; men mag konstateeren, dat de Nederlandsche beweging ten deze in de Internationale een goed figuur maakt.
Tijdens dit kongres kwam de eenheid der Internationale tot stand. Reeds in Mei 1922 waren vertegenwoordigers van het I.V.V., Londen en Weenen te Amsterdam tezamen geweest, om te overleggen over de situatie in Duitschland, waar na de laffe, gemeene moord op Walther Rathenau, optreden tegen de reaktie dringend geboden was. Onder de druk dezer gebeurtenissen was in September de hereeniging tusschen de Onafhankelijken en de Duitsche meerderheid verkregen. In Den Haag kwamen de besturen van Londen en Weenen tot definitieve overeenstemming. Het uur, waarnaar wij sedert 1919 hadden gesnakt, was eindelijk aangebroken. Het mag wel eens nadrukkelijk worden gezegd, dat deze gelukkige oplossing door de bemiddeling der internationale vakbeweging, door het bij uitstek taktvolle optreden van haar toenmaligen sekretaris, Oudegeest, belangrijk is bespoedigd.
Pinksteren 1923 kwam het hereenigingskongres te Hamburg bijeen. In Het Volk schreef ik, geen reden te zien om het herstel der Internationale ‘met fanfares en optimistische profetieën te begeleiden.’ Daarbij wees ik op de onvermijdelijke zwakheid der Internationale, tengevolge van de ‘ongelijke beteekenis in macht en politieke positie der socialistische partijen in de verschillende landen’ en van het gemis aan taktische en theoretische overeenstemming. ‘Pogingen om deze door machtspreuken te forceeren hebben gemeenlijk een tegenovergesteld resultaat.’ Alleen uit de praktische samenwerking van rechter- en linkervleugel, was, schreef ik, ‘dat gezonde lichaam te verwachten, waarin wil en daad, idealisme en praktische zin,
revolutie en hervorming, tot één harmonisch geheel samengroeien.’
Dat de hier door mij aangewezen oorzaken van zwakheid zich in de jaren, die sinds Hamburg zijn verloopen, sterk hebben doen gelden, valt niet te ontkennen. Jarenlang heb ik met vele anderen mijn beste krachten gegeven, om de Internationale van de dood te redden; wij zijn daarin geslaagd. Doch de taak, haar weer volledig tot gezond, daadkrachtig leven te wekken, is nog slechts voor een klein deel volbracht.
Mijn eerste rede na mijn terugkeer in de Kamer, Mei 1919, gold het vrouwenkiesrecht. Het was één van de eischen, door de Novembergebeurtenissen plotseling rijp voor inwilliging geworden. Onze poging, bij deze gelegenheid tevens een tweede Novembereisch, de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd binnen te halen, kon niet slagen.
De eerste belangrijke worsteling met mijn tegenstanders had veertien dagen later plaats, bij de behandeling van een voor de burgerwachten aangevraagd krediet. Het standpunt der eenheidsmotie, waarbij wij weigerden de revolutionaire methoden voor alle gevallen af te zweren, had ik in mijn 1-Mei-rede te Amsterdam nadrukkelijk onderstreept: ‘Als zij (n.l. de sociale revolutie) aan de poorten van ons land komt, zullen wij haar begroeten als het groote, historische werk der arbeidersklasse.’ De tegenstanders vonden zoowel in deze woorden, als in mijn volgens hun verontruste voorstelling ‘pro-bolsjewistisch’ optreden op de konferentie te Bern, goede uitgangspunten voor hun aanval op mijn persoon en mijn positie in de beweging. Ik stelde vast, dat een internationale revolutie niet door de burgerwachten van den heer Ruys zou worden tegengehouden en tartte bovendien de regeering, nu eens voor den dag te komen met haar wetenschap over z.g. geheime oproerplannen, waarmede zij en haar aan-
hangers het volk in voortdurende onrust hielden. Wat onze Partij wilde, kon na de openlijke besprekingen op het Paaschkongres een ieder bekend zijn.
De eigenlijke strijd om mijn positie zou ik hebben te voeren bij het begrootingsdebat in het najaar. In mijn openbare uitlatingen in de voorafgaande maanden in te binden, lag niet in mijn lijn. Ik liet steeds dezelfde toon hooren, zoowel bij de viering van het 25-jarig bestaan onzer Partij, als in mijn rede op de feestvergadering der Amsterdamsche timmerlieden ter viering der verovering van den achturendag door de bouwvakarbeiders in die stad. Dat deze arbeiders behoefte gevoelden, na November juist mij als spreker te laten optreden, werd door mij zeer gewaardeerd. In den door van der Lende onderteekenden uitnoodigings brief schreven zij: ‘Én als dank voor uw optreden èn als een openlijke betooning, dat wij Uw zijde kiezen, wenschen wij, Amsterdamsche bouwvakarbeiders, U gaarne in ons midden te zien, als wij het feest van onze en Uwe overwinning vieren.’
Ik beleefde het twijfelachtige genoegen, dat bij de algemeene beschouwingen mijn persoon in het middelpunt der debatten stond. Ik begon mijn eerste speech als een doode, heel mak en sprekend over zakelijke onderdeelen van het regeeringsbeleid; mijn hoorders liepen er in, doch ik was voornemens aan het slot weer zoo levend te zijn als ooit. Ik besprak o.a. onze socialisatie-eisch, niet als een punt, dat straks door een kapitalistische regeering zou kunnen worden uitgevoerd, maar als òns stelsel, waartoe wij de macht moesten veroveren. De Fransche revolutie had het politieke gedeelte der ‘publieke zaak’ uit de kring van het partikulier belang gehaald, thans was het de tijd, de produktie aan de willekeur van enkele personen te onttrekken. Dat opvoering der produktie noodig zou zijn, wilde ik niet ontkennen, evenmin, dat de arbeiders daarmede rekening hadden te houden; doch de toenemen-
de duurte was niet aan de hooge loonen te wijten, maar aan de steeds scherper werkende fouten van het kapitalistisch produktiestelsel. Het kon nooit op onze weg liggen, de verantwoordelijkheid voor de fouten van het kapitalisme te aanvaarden.
De aanvallen op mijn persoon kwamen vooral van de rechterzijde; naast den heer Rutgers, die mijn partijgenooten uitnoodigde, zich van mijn kompromitteerend gezelschap te ontdoen, onderscheidde zich de heer Beumer door enkele ‘beneden-peilsche aardigheden’, zooals de Maasbode het uitdrukte. De speeches van Dresselhuys en Treub brachten de zaak van kleinzielig-persoonlijk op algemeen-politiek peil. Bij de persoonlijke belagers voegde zich de heer Marchant, die zich hier niet van zijn beste kant het zien. Lees ik mijn repliek op de felle aanvallen over, dan zie ik, dat ik weer geheel op oude kracht was: een bloemlezing makend uit de redevoeringen, waarin ik was doodverklaard, mocht ik konstateeren, dan toch in ieder geval ‘een levend lijk’ te zijn. Ik vervolgde: ‘Mijne heeren, vergist u omtrent de positie, welke ik in het parlement inneem, niet.... Iemand, die het vertrouwen heeft van het vierde gedeelte van het Nederlandsche volk.... is in zijn positie in het parlement niet afhankelijk van de welwillendheid of onwelwillendheid van zijn medeleden.’ De toon van mijn optreden zou ik niet laten bepalen ‘door mijn tegenstanders, ja, ik mag tegenwoordig wel zeggen: door mijn vijanden.’ Aan Dresselhuys, die weer eens van onze Partij de afzwering van de revolutie had verlangd, antwoordde ik: ‘Het woord, dat gij van mij wenscht te hooren, kan en zal ik niet spreken.’ Mijn positie tegenover de meeningsverschillen binnen onze beweging, omschreef ik aldus: ‘Men kan naar mijn opvatting niet optreden als leider van een partij en tegelijk als niet anders dan propagandist van een bepaalde richting in die partij.’ Als vertegenwoordiger van de geheele Partij wenschte ik te worden beschouwd



TROELSTRA AAN HET WOORD OP DE ANTI-VLOOTWETMEETING, SEPTEMBER 1923
- (SERIE GENOMEN DOOR DEN FOTOGRAAF VAN ‘HET LEVEN’).

TROELSTRA AAN DE KOP VAN DEN ANTI-VLOOTWETOPTOCHT, SEPTEMBER
1923
en zou ik mijn houding bepalen. Het was van groot belang, dat ik hierbij kon wijzen op mijn benoeming tot hoofdredakteur van Het Volk.
Den heer Marchant gaf ik een antwoord, dat aan scherpte voor zijn aanval niet onderdeed. ‘Maak eerst uw partij tot iets’, voegde ik hem toe, en wijd u liever aan de belangrijke politieke problemen, door deze tijd gesteld, dan aan ‘een onvruchtbaar, bekrompen parlementair geschermutsel, waarin de heer Marchant te mijnen, misschien te zijnen eigen koste, deze debatten heeft doen ontaarden.... Laat hij bedenken, dat, wie de leider wil zijn van een partij van de vooruitgang, niet tegelijk kan zijn de klown der reaktie.’ Reeds in zijn antwoord legde Marchant de grondslag voor de weldra ingetreden toenadering tusschen ons beiden. De vrijzinnig-demokraten hebben van hun anti-socialistischen ijver na November 1918 weinig plezier beleefd. De politieke ontwikkeling in ons land heeft hun partij steeds vaker naast de onze geplaatst en ook de persoonlijke verhouding tusschen den heer Marchant en mij werd weldra door wederzijdsche waardeering gedragen. Dat hij boven persoonlijke rankune verheven was, bleek enkele maanden later bij mijn 60ste verjaardag. Terwijl deze dag door alle andere burgerlijke politici zorgvuldig werd genegeerd, ontving ik op het diner, dat ik bij die gelegenheid aan een aantal vrienden aanbood, een telegram met ‘hartelijke gelukwenschen van den klown der reaktie’.
Ik stap hiermee van mijn veel-besproken positie na 1918 af. Dat wil niet zeggen, dat de zaak niet meer ter sprake is gekomen. Voor tweede- en derderangs politici in de Kamer, die vroeger één en ander van mij te verduren hadden gehad, en voor aan gedachten arme skribenten in kleine en groote bladen, bleven de Novemberdagen een blijkbaar onuitputtelijke bron van hatelijkheden en getreiter. Zelfs vonden deze heeren stof voor anti-revolutie-beschouwingen in het
feit, dat mijn zoon, in 1920 van een reis door Finland terugkeerend, bij de visitatie te Oldenzaal in het bezit bleek van enkele fraaie dolkmessen, waarvan één bestemd was voor zijn gevaarlijken vader - als boekopensnijder.
Mijn zestigste verjaardag vierde ik in de kring van vrienden en strijdmakkers. De Haagsche beweging had het initiatief tot een viering op ruimer schaal genomen; 's middags mocht ik in het Volksgebouw een overvloed van hartelijke woorden aanhooren; 's avonds zag ik duizenden voor mijn huis verzameld. Hecht als altijd, hechter dan ooit was mijn Verbond met de arbeiders, die mij bij mijn politieke aktie hun steun moesten verleenen. Het mooiste moment van de dag was voor mij de komst van een aantal Rotterdamsche bootwerkers. Van hun schamele stakersuitkeering hadden zij een eenvoudige bos roode bloemen voor mij gekocht; in de nacht op weg gegaan, waren zij te voet naar Den Haag gekomen en stonden 's morgens om negen uur voor mijn woning.
Het is mij niet mogelijk, een overzicht te geven van alle redevoeringen, door mij in deze jaren van intensieve propaganda gehouden. Een uitzondering moet ik maken voor mijn speech te Maastricht, op 12 Mei 1920, ter voorbereiding van de eerste raadsverkiezing onder het vrouwenkiesrecht. Het was een enthusiaste vergadering. Diep was ik getroffen door de woorden van een eenvoudigen arbeider, die op het podium kwam om mij ‘voor 1918’ te danken.
Aan herhaalde verzoeken, mij weer als hoofdredakteur van Het Volk beschikbaar te stellen, had ik, vooral met het oog op mijn gezondheid, geen gehoor gegeven. Kort voor het Paaschkongres van 1919 was het de gezamenlijke aandrang van Wibaut en de leiding van het N.V.V., die mij deed besluiten, toe te stemmen. Mijn bedoeling was, de journalistieke en politieke leiding
der krant op mij te nemen, naar Amsterdam te verhuizen en, daar deze funktie den geheelen persoon zou eischen, als lid der Kamer te bedanken. Het was tegen dit laatste deel van het plan, dat in de huishoudelijke zitting van het kongres van 1919 zóó'n storm van verzet rees, dat ik niets anders kon doen, dan beloven, naar de Kamer terug te keeren. Daarmee was voor mij de kwestie van het hoofdredakteurschap van de baan. Het P.B. benoemde enkele weken later als zoodanig de Roode. Intusschen zou de zaak spoedig opnieuw aan de orde komen, tengevolge van de oprichting van een eigen socialistisch dagblad te Rotterdam, de ‘Voorwaarts’. Het benoodigde kapitaal werd voor een deel verschaft door onzen te Berlijn wonenden partijgenoot Julius Barmat. Men weet, dat deze man later het slachtoffer is geworden van een afschuwelijke rechterlijke komedie. Ik heb voor Barmat steeds groote genegenheid gevoeld en nooit geaarzeld, in het openbaar te verklaren, dat ik hem ten volle vertrouwde. Achteraf is aan een ieder, die van het geval heeft kennis genomen, wel voldoende gebleken, dat van ‘schuld’ bij hem geen sprake was; de reaktionaire rechters van het republikeinsche Duitschland hebben in Barmat niet den overtreder van de wet, maar den sociaal-demokraat en den jood willen treffen. De Rotterdamsche partijgenooten verzochten mij in het najaar van 1919, als hoofdredakteur van ‘Voorwaarts’ op te treden. Ik had daar wel ooren naar. De uitsluitend politieke leiding van het blad kon ik met mijn Kamerwerk kombineeren. In mijn antwoord aan de Rotterdammers schreef ik, zeer wel te begrijpen, dat men er in de Partij aanvankelijk bezwaar tegen zou hebben, mij niet in Het Volk, maar in een plaatselijk orgaan politieke leiding te laten geven. Ik vervolgde: ‘Het zal gewenscht zijn, bij verschil van toon of van meening over bepaalde punten tusschen het nieuwe blad en Het Volk wederzijds de uiterste beperking in acht te nemen.’ Slechts op het gebied der buiten-
landsche politiek zag ik voor het Rotterdamsch blad een eigen rol weggelegd: ‘De wederopbouw der Centralen is, behalve een algemeen socialistisch, ook een dringend Rotterdamsch belang. De door mij steeds gevolgde buitenlandsche politiek, zoowel gedurende als na den oorlog, is hiermede in overeenstemming. Het is mede daarom, dat ik voor het blad mijn hoofdredaktie van belang acht.’
Te Zürich, waar ik mij voor eenige weken van ongestoorde studie had teruggetrokken, ontving ik de notulen van de P.B. vergadering, waar tegen deze oplossing onoverkomelijke bezwaren waren gerezen. Het was de Roode, die daar onder algemeene instemming zeide: het P.B. kan er niet mede volstaan, Troelstra de hoofdredaktie van het Rotterdamsche blad af te raden, maar moet nu een poging doen, hem aan Het Volk te verbinden. Ik schreef daarop een brief aan de Roode, waarin ik mijn ouden vriend voorstelde, samen de hoofdredaktie van Het Volk op ons te nemen. Het was voor deze oplossing, dat zonder veel moeite algeheele overeenstemming gevonden werd.
De samenwerking met de Roode was slechts van korten duur; om redenen, geheel buiten onze persoonlijke verhouding gelegen, zag hij zich genoopt, in het voorjaar van 1920 de krant te verlaten, om te Genève aan het Internationaal Arbeidsbureau een betrekking te aanvaarden. In zijn plaats werd op mijn voorstel Ankersmit benoemd. Met hem heb ik vijf jaar samengewerkt, waarbij onze vriendschap steeds hechter is geworden; ik had in hem een trouw, loyaal vriend en een mede-hoofdredakteur, die met genoegen het leeuwendeel van het werk op zich nam. De redaktievergaderingen woonde ik geregeld bij, doch verder bepaalde zich mijn werk tot het schrijven van politieke hoofdartikelen. Een rubriek ‘Uit de Internationale’ werd onder mijn leiding door mijn sekretaris verzorgd. Het Populair Wetenschappelijk Bijvoegsel kwam op mijn
initiatief tot stand. Ik had daarmee een dubbele bedoeling; in de eerste plaats de zeer noodzakelijke wetenschappelijke vorming van het politiek inzicht van het partijkader onder leiding der redaktie; in de tweede plaats het scheppen van een vrije tribune voor afwijkende meeningen binnen de Partij. Het Bijvoegsel is op den duur van karakter veranderd; als veiligheidsklep voor aparte ideeën doet het nog steeds dienst, maar ook de behoefte aan populaire wetenschappelijke voorlichting is in onze dagen dringender dan ooit en men zal een weg hebben te vinden, om in die behoefte te voorzien.
Ik ontving als hoofdredakteur geen salaris, slechts een vergoeding, die mij in staat stelde, in den persoon van Johan Winkler een bekwamen sekretaris aan te stellen. Voor mijn werk vond ik in hem een waardevolle steun. Hij was een man, wien ik met vertrouwen verantwoordelijken arbeid kon overlaten; zoo was de herziening en bij werking van mijn program-brochure ‘De S.D.A.P., wat zij is en wat zij wil’, grootendeels zijn werk. Aan hulp van een sekretaris had ik te meer behoefte na de opheffing van het op mijn voorstel gestichte fraktiebureau. Ik ben nog van meening, dat een behoorlijk ingericht bureau voor de Kamerfrakties, met een ruimopgezet archief, noodzakelijk is, o.a. voor de voorbereidende studie van aanhangige wetsontwerpen en het geregeld kontakt met de frakties in het buitenland. Dat het bureau moest worden opgeheven, was een gevolg van het eeuwige geldgebrek. IJzerman, die in 1918 terwille van het direkteurschap van dit bureau zijn oorspronkelijke loopbaan had opgegeven, heeft ruim twee jaar met onbezweken opgewektheid van dit werk gemaakt, wat er bij het volkomen gemis aan hulpmiddelen van te maken was. Het was voor hem een geluk, toen in 1920 de ‘Voorwaarts’ hem gelegenheid gaf, op vruchtbaarder wijze zijn scherpe geest in dienst onzer beweging te stellen.
In de anti-revolutie wet trachtte de regeering-Ruys van haar kant haar oogst van November 1918 binnen te halen. Een treurig staaltje van gelegenheids wetgeving, dat òf moest leiden tot onderdrukking van de openbare aktie der socialistische beweging - welke aktie dan onvermijdelijk in het geheim zou zijn voortgezet - òf moest blijven een ijdel politiek gebaar; het laatste is het geval geweest. Hoe moest onze houding tegenover dit voorstel zijn? Bij de voorbereidende besprekingen in het P.B. en met het N.V.V.-bestuur bleek geen eenstemmigheid te bestaan. Terwijl het naar mijn meening onze plicht was, de toegeworpen handschoen op te nemen, wilde de meerderheid der leiding het in de grond onschuldige ontwerp en bagatelle behandelen. Een konklusie werd niet genomen: wij zouden afwachten, hoe de massa op de wet en den inzet onzer aktie - protestvergaderingen in de vijf groote steden - zou reageeren.
Op de meeting te Amsterdam sprak ik met Stenhuis, destijds voorzitter van het N.V.V. Terwijl ik eenerzijds de dwaasheid en onuitvoerbaarheid der voorgestelde wetsbepalingen in het licht stelde, zette ik anderzijds de deur voor het uiterste verzet-middel - de algemeene proteststaking - wijd open. Stenhuis ging in dat opzicht nog wat verder, zóó ver, dat wij nauwelijks terug konden. Daarop besloot het N.V.V., de arbeiders in de drie groote steden op te roepen tot de algemeene staking op de dag, dat het wetsontwerp in de Kamer zou komen.
Dat een deel der arbeiders door den aanval der regeering op de organisatievrijheid in sterke gisting was gekomen, kan niet worden ontkend. Ik begroette het stakingsbesluit met groote vreugde; na een periode van slapte in de beweging had ik eindelijk het gevoel, weer wind in de zeilen te hebben. Het resultaat van de stakingsoproep was in zekere zin een teleurstelling. Toch heb ik steeds geprotesteerd tegen hen, die van
een mislukking spraken; gezien de geringe mogelijkheid van voorbereiding, was de deelneming aan de staking groot genoeg. Remmend werkte de opvatting van velen, dat het met toepassing der wetsbepalingen zoo'n vaart niet zou loopen; een opvatting, die overigens door de feiten bevestigd is.
Ik was daar in die dagen niet zoo gerust op en vond bij de Kamerfraktie instemming voor mijn voorstel, ons verzet zoo scherp mogelijk te maken. Het begon met een paar dagen obstruktie, die tenminste dit resultaat had, dat voldoende spreektijd werd gegeven voor de behandeling van de bij het ontwerp betrokken problemen van revolutie en reaktie.
Op de behandeling van het ontwerp zelf had ik mij grondig voorbereid. Na scherpe kritiek in de juridische vakpers, had de regeering verschillende verzachtingen aangebracht, die den liberalen een welkom voorwendsel boden, ten slotte vóór te stemmen. De vrijzinnigdemokraten hielden zich goed en handhaafden hun verzet. Ik gevoelde behoefte, in mijn groote rede over het ontwerp boven de obstruktie-sfeer uit te komen en plaatste het in het kader van de politieke en ekonomische onzekerheid der na-oorlogsche wereld. Ik besprak de socialistische opvatting van de demokratie en verwerkte in mijn speech mijn ideeën over ons politiek systeem. De politieke beteekenis der socialisatie was, betoogde ik, hierin gelegen, dat zij is ‘een zuivere uitdrukking van het belang van de overwegende meerderheid van het volk tegenover een betrekkelijk kleine groep.’ Ik wees er op, dat ook zonder deze nieuwe bepalingen, de regeering mij in 1918 gerechtelijk had kunnen vervolgen; doch in zoo'n periode beslissen de politieke krachten, niet een wetsartikel. De hervormingsijver, na November 1918 in het regeeringsbeleid aan den dag getreden, maakte, naar ik aantoonde, steeds meer plaats voor reaktie. Tenslotte gaf ik een schets van het sociale en demokratische program, dat een
regeering zou moeten uitvoeren, die werkelijk rust onder het volk wilde brengen. Wie dat nastreeft, besloot ik, ‘ga niet tegen de stroom des tijds in, maar geve leiding aan de stroom des tijds, die make geen wetten - machtelooze wetten, als het er op aan komt - tegen de revolutie, maar geve leiding aan de revolutionaire beweging zelf.’
De heer Lohman kenschetste mijn rede als ‘een kollege in revolutionair staatsrecht.’ Ik behoef op de verdere debatten niet in te gaan; niet op de redevoering van den heer Bomans, die onbestreden het laagtepunt van socialisten-bestrijding bereikte; evenmin op de griezeltafereelen, door minister Heemskerk en anderen van de dreigende bolsjewistische gewelddaden opgehangen. Ik wil volstaan met de mededeeling, dat behalve de vrijzinnig-demokraten en de heer van de Laar alle burgerlijke afgevaardigden bereid bleken, de regeering haar anti-revolutie-artikelen te gunnen.
Ik heb reeds vermeld, hoe in de loop van den oorlog bij een steeds grooter deel onzer Partij, zeker bij mij persoonlijk, de overtuiging rijpte, dat wij ons standpunt tegenover de landsverdediging hadden te herzien, (zie blz. 82 en 90). Ook in de Kamer had ik nog tijdens den oorlog herhaalde malen op de onmogelijkheid gewezen, onze onafhankelijkheid met militair geweld te verdedigen. Voortzetting van de politiek van militaire landsverdediging werd meer en meer ondoenlijk, èn om de materieele onmogelijkheid, een leger van werkelijke beteekenis te onderhouden, èn ten gevolge van de uitgesproken anti-militaristische geestvan een steeds grooter deel van ons volk. Hadden wij, Nederlandsche socialisten, ons vroeger bij den eisch der Internationale, het volksleger, aangesloten, wij moesten ons daarvan nu losmaken om de eenzijdige, nationale ontwapening in ons program te schrijven.
Toch hebben wij met het openlijk stellen van dezen

TROELSTRA OP HET BINNENHOF OP WEG NAAR DE
VLOOTWETDEBATTEN

NA DE VERWERPING VAN DE VLOOTWET - DE MASSA VOOR TROELSTRA'S HUIS -
VOORAAN OP HET BALKON VAN LINKS NAAR RECHTS: DREES, TROELSTRA, VAN
LANGEN, DUYS
eisch tot na het kongres van Genève gewacht. De aktie in ons land, immers, moet als een onderdeel van de strijd der internationale arbeidersbeweging voor algemeene ontwapening worden gezien. Het lag voor de hand, dat het vooreerst niet mogelijk zou zijn, alle socialistische partijen op ons standpunt te brengen, doch de socialisten der kleine neutrale landen moesten in de Internationale het voorbeeld geven en dat dit voorbeeld werkt in de andere partijen, kan door niemand worden ontkend.
Na het kongres van Genève was het noodig, snel tot een konklusie te komen. Onze fraktie had sedert 1918 niet anders dan een halfslachtig standpunt kunnen innemen. In een fraktie-vergadering van September 1920 bleek, dat men algemeen naar de nationale ontwapening wilde. Evenmin vond de ontwapening tegenstanders in het P.B.; besloten werd, in November een vergadering van de Partijraad tot voorloopige behandeling van dit punt bijeen te roepen; als grondslag voor de besprekingen zou een door mij op te stellen memorandum dienen.
Ik heb dit stuk vrijwel ‘aus einem Gusz’ aan mijn sekretaris gedikteerd. Ik herinnerde allereerst aan de funeste gevolgen, die het aanvaarden der landsverdediging in het begin van den oorlog voor de socialistische partijen had gehad, gevolgen, die in de door den oorlog getroffen landen nog nawerkten. In ons land was in 1914 duidelijk gebleken, ‘dat de houding, als door het internationale en ons eigen Nederlandsch partijprogram voorgeschreven, de arbeiders in en buiten de Partij niet bevredigde.’ En verder: ‘de handhaving der nationale onafhankelijkheid blijft ook voor ons, socialisten, de grondslag, waarop wij onze strijd voeren en onze macht opbouwen.... Het belang van het volk in zijn geheel bij de handhaving der nationale zelfstandigheid en van het grondgebied van de staat valt (dus) samen met een hoofdeisch der sociaal-
demokratie in de klassenstrijd.’ Deze gezindheid van het volk, schreef ik, wordt echter door de heerschers misbruikt voor imperialistische doeleinden, daarom moet naar andere waarborgen voor de nationale zelfstandigheid worden gezocht. Deze eisch klemt dubbel voor een klein volk, dat niet in staat is, een voldoende weermacht te scheppen. ‘Wat wij op militair gebied zouden moeten presteeren, laat zich in technisch opzicht slechts denken als deel van een militair bondgenootschap met andere landen,’ doch zoo'n bondgenootschap moet afstuiten ‘op een hardnekkige tegenstand in alle kringen der bevolking.’ Ik zinspeelde op de ervaringen uit de oorlogsjaren, in het derde hoofdstuk van dit boek door mij uitvoerig beschreven, en trok daaruit de konklusie, ‘dat de handhaving onzer nationale onafhankelijkheid met militaire middelen een gevaarlijke fiktie is, die ons volk op steeds ondragelijker finantieele lasten komt te staan en op het beslissend oogenblik duizenden en duizenden jonge mannen als weerloos kanonnenvleesch drijft in de vruchtelooze dood. Met die fiktie konsekwent te breken, schijnt ons eerste eisch eener reëele, verantwoordelijke politiek.’ Tenslotte wees ik op de waarborgen, in de tegenwoordige wereld voor onze nationale onafhankelijkheid aanwezig: de Volkenbond, en vooral: de internationale arbeidersbeweging. ‘Het zijn deze geheel nieuwe perspektieven, waaruit wij voor de handhaving van de onafhankelijkheid van een land als het onze betere waarborgen afleiden, dan ons eigen militarisme geven kan.’
Mijn konklusie was: ‘De S.D.A.P., de handhaving der nationale onafhankelijkheid aanvaardend, verwerpt de militaire defensie als middel daartoe.’ In de Partijraad van 17 Oktober had een belangrijke diskussie plaats over onderdeden der kwestie. Er was zeker verschil in toon, maar over de noodzaak van den ontwapeningseisch bestond bij niemand twijfel. Een deel
der woordvoerders verwachtte het meest van de Volkenbond, een ander deel had zijn hoop vooral op het internationaal proletarisch verzet gebouwd; de enkelen, die voor het laatste slechts spottende twijfel over hadden, moesten zoowel van Wibaut als van mij een fiksche afstraffing ondergaan. Met algemeene stemmen besloot de Partijraad, mijn konklusies te aanvaarden en het kongres voor te stellen, de militaire passage in ons strijdprogram voortaan aldus te doen luiden: ‘Aktie voor internationale en nationale ontwapening. Deelneming aan en bevordering van de internationale aktie der georganiseerde arbeiders ter verhindering van den oorlog’, waaraan de eischen van demokratiseering van de Volkenbond en het vrijhouden van het volksonderwijs van nationalisme en militarisme werden toegevoegd.
Op het Paaschkongres van 1921 werd dit voorstel door Sannes toegelicht in een magistrale, hartstochtelijke rede, die op alle aanwezigen onvergetelijken indruk heeft gemaakt. Ook hier werd de voorgestelde programwijziging met algemeene stemmen goedgekeurd.
Zoo had onze Partij de strijd aangebonden voor nationale ontwapening, een strijd, die zij zal winnen, zooals ze die voor het algemeen kiesrecht en voor den achturendag gewonnen heeft. De tegenstanders, blijkbaar verlegen om argumenten, plegen de laatste tijd met citaten van mij te komen uit de periode, dat ik nog aan het oude programpunt gebonden was. Het is daarom niet overbodig, hier te verklaren, dat ik aan deze wijziging van het partijstandpunt met volle overtuiging heb meegewerkt. Ik mag zeggen, dat het eenstemmig besluit, voortaan dezen eisch in onze aktie voorop te stellen, voor een belangrijk deel door mijn toedoen tot stand is gekomen. Door de partijgenooten werd het loslaten der landsverdediging gevoeld als een verlossing; de ontwapeningseisch, geboden door over-
wegingen van politiek beleid, bevredigt tevens de behoefte aan idealisme der massa. De weergave van mijn memorandum ontslaat mij van de plicht, melding te maken van de vele redevoeringen, die ik in de Kamer - voor het eerst uitvoerig op 9 Juni 1921 - en daarbuiten, aan de zaak heb gewijd. Reeds bij de begrootingsdebatten in het najaar van 1921 kon ik de voorspelling wagen, dat de vrijzinnig-demokraten, die ons nu nog bestreden, weldra ons standpunt zouden moeten overnemen. Van de vele artikelen, die ik als hoofdredakteur van Het Volk over ontwapening heb geschreven, noem ik mijn antwoord aan De Tijd, die uit het feit, dat wij ons bereid hadden verklaard, terwille van een regeeringsakkoord met andere partijen tijdelijk genoegen te nemen met een vergaande vermindering van de bewapening, had afgeleid, dat het ons met dezen eisch ‘geen ernst’ was. Bij alle in de loop der jaren door ons gestelde eischen hadden wij, antwoordde ik, zoodra de mogelijkheid zich voordeed, gebruik gemaakt van de steun van andere groepen ‘tot het bereiken van partieele resultaten in de gewenschte richting.... Het is niets dan kwade trouw, uit deze, door voorwaarden van binnenlandsche politiek gebodene, methode van geleidelijke nadering tot het einddoel af te leiden, dat dus dat einddoel opgegeven wordt.’
Begin 1926 is het grondige en belangrijke rapport over ‘Het Militaire Vraagstuk’ verschenen, opgesteld door een kommissie uit Partij en vakbeweging. Ik heb van die kommissie deel uitgemaakt en het rapport onderteekend, maar aan het eigenlijke werk der kommissie heb ik, om gezondheidsredenen, slechts in geringe mate kunnen deelnemen.
In dit verband past een opmerking over mijn houding tegenover persoonlijke dienstweigering. Reeds op 20 November 1917 had ik in de Kamer een wet geëischt, waarin met de gewetensbezwaren van dienstplichtigen rekening zou worden gehouden. Toen, in Mei 1923,
deze wet in behandeling kwam, heb ik geprotesteerd tegen de scheiding, door de regeering gemaakt tusschen godsdienstige en zedelijke bezwaren eenerzijds, z.g. politieke of sociale bezwaren anderzijds. Alsof politieke bezwaren niet van uitnemend zedelijken aard kunnen zijn! Ik zeide: ‘Ik vindiceer dus voor diegenen, die wegens hun strijd tegen, wegens hun opvatting van het kapitalisme, niet willen dienen - hoewel ik, als sociaal-demokraat, als politikus, met alle kracht zal waarschuwen, niet wegens die overtuiging tot persoonlijke daden over te gaan - dezelfde bescherming.’ Uit dit citaat blijkt reeds, dat ik, afgezien van mijn persoonlijke waardeering voor de moed van die jongeren, bij wie de dienstweigering uit een onweerstaanbare drang van het geweten voortspruit, als politikus de persoonlijke aktie ten deze niet aanvaard. Politieke beteekenis kan slechts worden toegekend aan massale dienstweigering in buitengewone gevallen, aansluitend aan de direkte, ekonomische aktie tegen den oorlog, zooals deze in de resoluties van Rome en Den Haag is voorzien. Persoonlijke dienstweigering is een in wezen anarchistisch strijdmiddel, dat door ons als af te keuren krachtsverspilling moet worden tegengegaan op dezelfde gronden, waarop wij een wilde staking, buiten de vakbeweging om, verwerpen.
In Branding, (blz. 307), heb ik reeds uiteengezet, dat ik groote waarde hecht aan het bestaan van de Volkenbond, hoe onvolkomen in opbouw, hoe zwak in kracht, hij voorloopig moge zijn. Mijn bezwaren tegen de Volkenbond van Versailles zijn in de voorgaande bladzijden over mijn werk in de Internationale voldoende besproken. Zij hebben mij niet weerhouden, om, toen de toetreding van Nederland aan de orde kwam, onze Partij op de weg van medewerking aan de Volkenbond voor te gaan. Wij hebben ons niet onttrokken aan de burgerlijke parlementen, ook niet in de periode, vóór-
dat met het algemeen kiesrecht de formeele demokratie goeddeels was verwezenlijkt; evenmin kan de socialistische beweging de Volkenbond negeeren, die juist door onze aktie moet worden versterkt en verbeterd. Hij heeft de vervulling gebracht van een program, dat reeds voor den oorlog door de Internationale was ontworpen, en in de oorlogsjaren herhaaldelijk door mij in de Kamer was ontvouwd. Bovendien is de aansluiting bij de Volkenbond door ons aanvaard als een middel, om aan onze nationale ontwapeningspolitiek een internationale grondslag te geven.
Ik verdedigde deze opvatting in het najaar van 1919 eerst in de fraktie met de woorden: ‘De Volkenbond is geen burgerlijke organisatie van pacifisten, doch een stuk realiteit, dat wij evenmin kunnen negeeren als de burgerlijke staat.’ Het resultaat der besprekingen was, dat wij in het algemeen bereid waren tot de aansluiting mede te werken, doch dat wij eerst wilden afwachten, welke volgens de regeering de militaire konsekwenties waren.
Daarop besloot het P.B., de kwestie in de Partij ter diskussie te stellen. Dat er stemmen opgingen voor een negatief standpunt, is begrijpelijk. De door en voor de overwinnaars ontworpen Volkenbond, die het vóór alles belangrijke ontwapeningsvraagstuk in nevelen liet en niet in staat of bedoeld bleek, om de imperialistische oorzaken van het oorlogsgevaar aan te tasten, was weinig geschikt, om de socialistische arbeiders te bevredigen. Zoo werd deze redeneering vernomen: wij hebben met Genève niets te maken, de socialistische Internationale is de ware Volkenbond. Hoe verleidelijk deze gedachtengang oppervlakkig mag schijnen, hij is onjuist, omdat socialistische Internationale en Volkenbond geen tegenstellingen zijn, maar twee voor de vrede onmisbare krachten, waarbij de eerste steeds krachtiger op de tweede inwerkt.
Ook over d