De Mierikswortel is een overblijvende plant met groote, smalle bladeren en een dikken langen wortel van een sterken, scherpen, niet onaangenamen smaak; ook peperwortel genoemd wegens de prikkelende, opwekkende eigenschap bij het gebruik als specerij. De vleezige wortel wordt in schijven
of stukjes gesneden en toegevoegd bij het bereiden van verschillende spijzen en zuren. Dit gewas verloochent zijn wilden aard niet. De wortels woekeren soms zóó voort, dat ze schier niet meer uit te roeien zijn. De Mierikswortel wordt nimmer door zaaiïng verkregen. De voortkweeking geschiedt behalve door de zijscheuten, zooals bij de teelt in het groot, ook door verdeeling van de wortels. Gedijen ze in elken goeden, diep omgewerkten grond, een bemeste, vochtig-zandige bodem is het best. Men kan ze desnoods een eenigszins beschaduwde plaats geven. De planten moeten 25 c.M. van elkaar staan om dikke wortels op te leveren. Ten einde er ook in den winter over te kunnen beschikken, is een bedekking noodig om den grond onbevroren te houden. Doelmatiger is het om het benoodigde in het najaar uit te graven en in zand ingekuild, op een vorstvrije plaats te bewaren.