|
|
|
| |
| | | |
De const van rhetorike en Hoofts vroege poëzie
P. Tuynman
‘Hooft is van goeden Nederlandsen huize, ook
wat zijn kunst betreft; te eenzijdig valt soms het licht op zijn
italianità of klassicisme, te weinig herinnert men zich soms zijn
oorsprong uit de kamer In Liefde Bloeyende van wier leden hij niet
weet, of hij ze zijn ‘broeders oft sijn meesters’ noemen
zal.’ Hoewel het, sinds de beide Leendertzen en sinds Van Tricht, Hooft
niet meer schort aan gedegen bewonderaars, maakte Knuvelder hiermee in 1971
(II, 231), geloof ik, toch geen overbodige opmerking. Men zou er nog aan kunnen
toevoegen dat
Hooft ook te veel wordt voorgesteld als de vernieuwer,
met wie, terug uit Italië, de renaissance in haar volle bloei (en dan
bedoelt men de specifiek Italiaans-Franse vorm van renaissance en niet de eigen
noordelijke) haar triomfante intocht hield in Holland.
Hooft kwam niet uit den vreemde als seigneurlijke
brenger van iets nieuws: hij ging als leerling en keerde terug als broeder in
de const naar een oer-Hollandse Kamer van Rhetorike, en hij bleef ook
‘Hòllander, wortelend in een oude traditie’ (Knuvelder 286).
Wat hij meebracht was hier niet onbekend, noch het sonnet, noch
Petrarca, maar was niet aangeslagen in de kring van
volkstaal-dichters en hun publiek. En verder: Hooft was niet de enige
koopmanszoon die Italië leerde kennen en velen van zijns gelijken in
Holland waren rond 1600 dieper doorgedrongen in de klassieken.
1 Ook
Rodenburg kende tezelfdertijd zijn Italiaanse
literatuur. En dan: het zwaartepunt van het Europese humanisme en van de
respublica literaria, waar Hooft buiten stond en buiten bleef, lag niet
meer in het zuiden en al lang niet meer in Italië, maar in
Leiden. Men behoefde de renaissance niet van ver te verbeiden en
men herkende ook niet iets nieuws in het optreden van de jonge Hooft in
de
| | | |
Egelantier, hoe groot de afstand ons ook lijkt
tussen Hoofts vroege werk en dat van
Spiegel en
Roemer Visscher, hoofden van de Kamer. Er kwam geen
breuk of stroomversnelling in de literaire ontwikkeling na 1600; een breuk met
het voorafgaande wordt eerst in 1616, en dan vanuit het academische
Leiden geproclameerd, en die inaugureert ten onzent, en in
Duitsland, de barok.
2 Hoofts jeugd-spelen en -dichten
missen ook enkele van de karakteristieken die onder de kenmerken van ‘de
renaissance’ worden gesteld: zij zijn niet individualistisch en
niet aristocratisch en zij zijn wèl bedoeld voor velen: voor een
breed en eenvoudig burgerpubliek zoals vertegenwoordigd in de kamers van
rhetorijke (vgl.: Knuvelder 17 n.).
Of men één van Hoofts vroege spelen al
vóór zijn Italiaanse reis dateert of niet, in literair
Amsterdam, dat is dus: in en rond de kamer, werd Hoofts
poëzie niet als iets opzienbarends ontvangen en zelfs de opvoeringen van
de
Granida lieten vóór 1615 geen
duidelijke sporen na. Niets ook, toen of later, wijst er op dat
Hooft zelf de gedichten uit zijn meest bevlogen periode
als innoverend zag. Van reacties bij het publiek op de ‘nieuwe
ghesanghen, liedekens en sonnetten’ die achter de
Emblemata van 1611 werden gepubliceerd, weten wij
niets: niet rechtstreeks (wat ook nauwelijks te verwachten valt), maar ook niet
onrechtstreeks uit de wijze waarop het publiek bediend werd door de drukkers
‘die om strijt te printen zijn gesindt’.
3 De zangerige
vrijers en vrijsters legden geen voorkeur aan de dag voor liedteksten van
Hooft. Daarentegen wordt de
Geeraerdt van Velsen van twee jaar later
kennelijk wel ontvangen als iets bijzonders - wat overigens niet hetzelfde is
als ‘iets geheel nieuws’: het sluit (ook met zijn allegorische
personagien op het toneel?) voldoende aan bij de traditie om de heersende smaak
geen geweld aan te doen en tegelijk is het voldoende nieuw van aard en opzet om
algemeen enthousiasme te kunnen wekken; en inhoud en strekking zullen op dat
moment zijn aangeslagen. Maar waardoor ook, op dit treurspel wordt wèl
gereageerd, en onmiddellijk, tot in Rotterdam toe, met het drukken
van ongeautoriseerde uitgaven van de
Achilles en Polyxena en de
Ariadne en direct daaropvolgend van de
Brief van Menelaus aen Helena, en
dáárop wordt weer gereageerd met een
Antwoorde van een anonymus.
Het is ook pas na 1613 dat
Hooft, als dramaturg, het ‘Hooft vande Poëten
t onsen tijden’ wordt. Eerst dán neemt
Dirck Pietersz. (Pers), zelf poëet en met een fijne
(commerciële) neus voor de laatste trends in de smaak van de kopers, in
zijn nieuwe bundel
Apollo van 1615 iets meer van
Hooft op dan in zijn vorige liedboeken van 1607, 1608 en
1610: vijftien gedichten (relatief weinig) waarvan er slechts drie ook in de
Emblemata voorkomen (die geen van drieën
eerder waren gedrukt), alle | | | | anoniem op twee na (en ook
Pers hoeft van de andere niet geweten te hebben dat ze van
Hooft waren). Maar daarmee lijkt het ook meteen weer over:
van een toenemende vertegenwoordiging van Hoofts jeugdlyriek in de liedboekjes
na 1615 is geen sprake, en hoewel daarin wordt nagedrukt uit wat men maar
vangen en grijpen kon, nooit wordt iets uit de
Emblemata van 1611 overgenomen, hoewel
Willem Ianszoon (Blaeu) niet door een privilege tegen
nadrukken van deze uitgave door concurrenten was beschermd.
4 Dit alles zet het beeld aan dat
Hoofts vroege spelen, zangen en dichten voor zijn reden-rijke broeders in de
const en voor hun publiek in Amsterdam geenszins opvallend of
ànders waren, omdat zij - tenminste in hun kern - dezelfde geest ademden
als wat de hele kameristenkring toen produceerde, en omdat zij dezelfde thema's
bespeelden die opgeld deden, in elk geval aansloten bij wat de gemiddelde
burger van zijn generatie in de opkomende stad bezighield. Eerst ná 1613
wordt Hoofts werk uit deze eerste periode weer opgehaald, opgediept uit het in
wezen anonieme geheel van de rederijkerspoëzie, en dan nog eigenlijk
alleen het toneelwerk, niet de lyriek.
Dat
Hooft in 1600 lid van de retoryckkamer geweest moet
zijn, is bekend genoeg, maar wat, aan zijn vroege werk, allereerst formeel, op
die afkomst wijst is nooit bijeengeplaatst. Niet dat dat zo belangrijk is voor
het verstaan van Hooft, en nog minder voor het waarderen van zijn poëzie.
Wie ook maar iets van hem, ‘de autonome dichter bij uitnemendheid’,
gelezen heeft, of beter: wie maar een enkele regel na lezing is bijgebleven,
die heeft niet zomaar ‘renaissance-poëzie’, met of zonder
rederijkerstrekken, in de oren geklonken, maar, om na Mak nogmaals Knuvelder te
citeren, daar waren het Hóófts verzen, daar was het zijn
stem die sprak (236 en zie 286 n.). Maar het is wèl de vraag of
Hooft zelf zijn vroege werk toen wel gelézen
wilde hebben, zeker als werk van één dichter en op naam
bijeengeplaatst, in plaats van alleen gespeeld, gezongen, voorgedragen, en dan,
verbruikt, deels opgeborgen in het archief van de Kamer, ‘de
vergetelheidt opgeoffert’ (L.-St. I, 395), zoals hij metterdaad met zijn
beide eerste spelen heeft gedaan, en bijna met de
Granida; en zoals hij in 1636 de
Ware-nar achterwege liet en bijna al zijn
jeugdwerk als definitief passé supprimeerde. Door het te isoleren van
het milieu waarin het wilde functioneren, door het met andersoortig en anders
bedoeld dichtwerk van later te verenigen, kortom door onze gefixeerdheid op
auteurs als de eenheden van de literatuurgeschiedenis, riskeren wij het
misverstaan van de intentie van Hoofts vroege poëzie èn van de
geaardheid van zijn vroege dichterschap.
‘Ick en ben geen schrijver’, zegt
Hooft in 1610 (brief Van Tricht nr. 18), en laten
wij hem op zijn woord geloven: ‘dat meent hij niet’ is een | | | | gratuite en onvruchtbare benadering. Niets zou ook wezenlijker
tegengesteld zijn aan de rhetoricale manier van het bedrijven van een
poëzie die organisch deel uitmaakt van het leven van de stadsgemeenschap,
dan zich omhangen met de geleerdentoga en als individu vanuit de boekenkamer
urbi et orbi in boeken spreken tot lezers, zoals een
‘Autheur’ doet. Een kamer-poëet schrijft geen boeken, spreekt
niet tot ‘de wereld’ en dicht niet voor de drukpers. Dat ook Hoofts
dichterschap meer dan alleen zijn ‘toevallig’ historische oorsprong
in de Kamer vond, omdat dat tegen 1600 nu eenmaal zo lag in
Amsterdam, zeker voor de intens met stad en vaderland meelevende
zoon van
C.P. Hooft, valt natuurlijk niet af te leiden uit een
aantal - te verwachten - rederijkerstrekken in zijn vroege werk. Maar hoe lang
bleef
Hooft eigenlijk in de Kamer? Wij weten het niet,
wèl dat hij in 1609 de bijschriften verzorgde voor de Vertooninghen van
d'oude Camer op de vieringhe vant Bestand (AgW I, t.o. 198), dat hij in
de (niet gedrukte)
Reden vande Waerdicheit der Poesie van
ná 1610 het toneel verdedigt (dat door de Rethorykkamers werd verzorgd),
en dat hij in 1613 een nieuwe Schick en Keuren voor de Kamer
ontwerpt (zie respectievelijk mijn editie van de
Reden p. 96-7 en 86-7, en de
Briefwisseling, ed. Van Tricht, I, 838-844).
Daarna spant hij zich in voor de opening van de Academie met de
Ware-nar als even anoniem gehouden bijdrage aan
een collectieve onderneming als indertijd Spiegels auteurschap van het
trivium van ‘Kayzer, Factoor, Prins ende Kameristen’ van
het Eglentierken. Anoniem werkt hij ook voor het repertoire van de
Academie (zie Van Trichts meesterlijk vernieuwde leven van P.C. Hooft, 1980,
86/7), en in feite heeft
Hooft zich, ook in Muiden, niet
gedistantieerd van de reden-rijkse wijze van functionele literatuurvoorziening
vóór die werkelijk àlle grond onder de voeten was
weggeslagen.
Het beginpunt van deze binding met de aloude vorm van letterkundig
leven in de moedertaal, de const van rhetorike van de kamers, is duidelijk: in
de Egelantier. Daar is allereerst Hoofts kamer-spreuk Verandren
cant. Ik gebruik met opzet het woord ‘kamerspreuk’. Het is de
kamer die, als instelling, met toneelopvoering en lied en dicht en bij
festiviteiten naar buiten treedt en de prijzen wint, niet de individuele
dichter daarbinnen. Ondertekening van dichtwerk met diens vaste kenspreuk,
geeft aan dat hij optreedt als vertegenwoordiger van een groep. Het gaat niet
om anonimiteit en het is heel iets anders dan een pseudoniem: onder een
kamerspreuk brengt men geen pennevrucht als getuigenis van eigen dichtkunst,
men levert een bijdrage af voor het letterkundig gezelschap dat een sector van
het culturele leven van de stad verzorgt: een dichtstuk om binnenskamers voor
te dragen en te | | | | bespreken (cf. Hoofts Keur 21 en 22) of
alleen maar om te circuleren in de kring, een spel om op te voeren als het
daarvoor wordt uitgekozen, een lied om te zingen, soms iets om voor kamer of
stad gedrukt te worden (zoals in 1609 de
Nieu Jaar Liedekens en Hoofts grote
Ghedicht op het Bestandt, anoniem bij de prent
verschenen; tot voor kort alleen uit de druk van 1651 bekend, nu in de eerste
uitgave beschikbaar in AgW I, 193-7). Ondertekening van poëzie met
een kameristenspreuk is meer dan een gewoonte van rederijkers, het is een
instelling tegenover het dichterschap die deel uitmaakt van een
levenshouding.
Behalve het Chanson ‘Jn Venetia. 1601’, ‘t
Amsterdam wtgegeven’ (uit handen gegeven, ingebracht in de Kamer), dat
het eerste gedicht werd in het later samengevoegde eerste rijmkladboek,
signeerde
Hooft in zijn privé-handschriften natuurlijk niet
met zijn (pas daarna vaste?) kamerspreuk: waarom zou hij ook? De zinspreuken
die wij daarin vinden, Min ist Hóóft (het eerste sonnet,
‘wt Petrarca’) en Al waelt het
(Granida, samen met de problematische datering later
toegevoegd), elk één keer, hadden kennelijk een eigen, bijzondere
betekenis voor Hooft op díe plaats.
5 Zijn
kamerspreuk staat wèl onder alles van hem in het onvolledig
overgeleverde Berlijnse handschrift, dat, met werk van
Spiegel (Numa) erin en
oorspronkelijk ook van
Roemer Visscher (Loff van de blaeuwe
scheen), van twee hoofden van de Eglantier, en met
zijn regeltelling van de
Achilles, een kopie uit de Kamer is, met
correcties uit de tijd dat
Hooft daarin een actieve rol speelde - ondanks alle
romances die er omheen geweven werden wanneer men door moderne preoccupaties
Hooft slechts kon zien als een soort verliefde
pre-tachtiger. Alles van ‘Pieter Hooft’ (die alleen buitenop met
name genoemd wordt) in dit handschrift heeft zijn kamersignatuur aan het slot:
de
Comoedia ‘van Daiphilo ende Granida’,
de
Tragoedia ‘van Achilles ende
Polyxena’ en het derde spel, ‘van
Theseus ende Ariadne’ (zie Kalff in: TNTL,
11, (1892), 260 vlgg.). Dit waren blijkbaar de kamertitels, waarmee ook de
1614-drukken van het tweede en derde spel verschenen; voor Hooft zelf heetten
zijn stukken
Granida,
Achilles,
Ariadne (cf. L.-St. II, 147). Dat die uitgevers
van 1614 buiten Hoofts medeweten drukten, zeggen zij zelf, min of meer
excuserend tegenover den Autheur, in hun voorwoorden (zie: AgW II, 68 en
109-110); hoe zij aan hun kopij kwamen is niet twijfelachtig: niet uit
spelersrollen (zoals L.-St. II, 147-8 zou kunnen, maar niet hoeft te
suggereren) met fouten van het oor, maar uit kamerkopieën als het
Berlijnse handschrift, met fouten van het oog (cf. L.-St. I, XIX-XX). De
Achilles-druk heeft ook de ondertekening met Hoofts kamerspreuk, de
Theseus niet: de Amsterdamse uitgever
Jan Gerritsz. mikte ‘hoger’, hij is de eerste
die, in 1614, ver vóór
Vondel, Hoofts spelen | | | | door kenners ‘met
de Spelen van den hoghen
Sophocles' laat vergelijken (AgW II, 66 en
cf. Van Tricht 1980, 89, die hetzelfde voorwoord, maar dan uit 1629 aanhaalt).
Behalve de drie grote spelen bevat Berlijn ook nog het Bruiloft-spel van 1602
en het lied
Verheven grootsche siel, beide gesigneerd
Verandren cant; het laatste heeft Prince boven de slotstrofe,
waardoor we aan de afkomst van het lied niet behoeven te twijfelen (cf. Mak,
Uyt ionsten versaemt, 1957, 244).
6
Er is van de
Achilles nòg een kopie die veel van wat
hiervóór gezegd is over kamer-literatuur kan illustreren. Het
heeft in van de tekst afwijkend schrift, misschien niet van de kopiist, de
regeltelling, nodig voor het vaststellen van de speelduur, en in ditzelfde
schrift de ondertekening: ‘A vander hel Verandren Cant. A° 606 den 24
apl’. Een naam verschijnt naast, zelfs vóór de
kenspreuk van de dichter. Waar dit onderschrift voor het eerst geschreven werd,
in de kopie of in het afgeschreven voorbeeld, wist men wie wie en wie wat was
en een naam is niet de auteur. Het zal dan ook één van de
organiserende leden van de eigen kamer geweest zijn of juist van een andere die
het spel in 1606 wilde vertonen en waarvoor de kopie gemaakt werd (want als
keurig geschreven kopie zal het deel hebben uitgemaakt van het archief van een
kamer; cf. Mak, o.c., 190). Later heeft iemand, die Hoofts kamerspreuk
niet herkende, de naam voor die van de auteur gehouden en ‘Anth. Van der
Hel’ buitenop gezet, boven de titel (maar hoe kwam hij van A tot
Anth.?); eronder voegde hij ‘A° 1606’, eveneens uit het
onderschrift, toe. De titel zelf lijkt van dezelfde hand als het onderschrift
en toont èn de herkomst van het afgeschreven voorbeeld, èn dat de
kamer, niet de auteur, bepaalt hoe een ingebracht stuk naar buiten
gepresenteerd wordt: ‘T' Spel van Trooijen gespeelt op de Camer in
Liefd bloeijende’. Zo kon het, doordat het geschreven was als een
spel voor de Kamer en niet als een treurspel van een ‘schrijver’,
worden tot ‘het spel van Troje’ van Van der Hel in plaats van
Hoofts
Achilles en daardoor zolang verborgen blijven in
de Haarlemse stadsbibliotheek (sign. 187 B 4).
Dit brengt ons op nog een punt dat kenmerkend is voor de
rhetorijkkunst: bij kamer-poëzie is het auteurschap niet zo belangrijk en
het ligt dan ook voor de Camerbroeders zelf niet altijd even vast. Zo
verschijnt de tot dan steeds anonieme verduytsching van de
Aulularia in 1661 als
Ware-nar ‘gerijmt door
P.C. Hooft, en
S. Coster’, welk dubbel vaderschap blijkbaar
teruggaat op een traditie in de toneelwereld. In de
Schyn-heyligh en de
Isabella (opgenomen in AgW II) had
Hooft zijn aandeel en misschien ook in oudere stukken
waarvan wij niet weten. Maar het omgekeerde is evenmin ondenkbaar: een aandeel
van anderen in werk van Hooft. Zeker in zijn beginperiode. Als in de opdracht
van | | | | 1636 dan ook voorzichtig en expliciet vermeld wordt dat de
gedichten daarin ‘zijne echte kinderen’ zijn ‘en die hy
daer voor houdt’ (L.-St. I, 395; AgW III), brengt ons dat
terug bij de Hollandse instelling tegenover het dichterschap die kenmerkend is
voor de samenwerkende broeders in de const in de cameren van rhetorica van wie
de jonge
Hooft er één was.
Dit alles bevestigt alleen maar wat nauwelijks bevestiging behoeft
als men Hoofts vroege werk niet als ‘renaissance’ en dus niet
modern-persoonsgericht beschouwt, maar terugplaatst in het begin van de eeuw
toen ook voor
Coornhert,
Spiegel,
Roemer Visscher nog gold wat Meijer in De Gids
van 1881, N°. 4, p. 11 over de jonge
Hooft schreef: ‘De waan dat hunne verzen
noodzakelijk voor de nakomelingschap moesten bewaard blijven, kon de dichters
niet zoo gemakkelijk invallen, in een tijd waarin poëzie, bij alle achting
die men voor haar had en bij alle moeite die men zich voor haar gaf, toch
eigenlijk meer beschouwd werd als een nuttige uitspanning’. Pas ná
het eerste decennium worden hun dichtwerken op naam, al of niet buiten hen om,
gedrukt en veel bleef tot onze tijd alleen in handschrift bewaard, àls
het bewaard bleef. Voor Hooft kan men zijn verschijnen in druk nu volgen in
AgW, vooral I (Emblemata en verspreide gedichten) en II (toneelspelen
1613-33). De poëzie uit zijn kamerperiode, alle spelen en misschien op een
enkele uitzondering na alle liederen, was noch particulier, noch als
lezersgemeengoed bedoeld, maar bestemd voor gebruik in het eigen
(burgers)milieu van rederijkers en hun clientèle. Dát is het
wezenlijke karakter ervan, de kern van de const van rhetoryck.
De
Brief van Menelaus, staal van argumenteerkunst,
rhetoricaal pleidooi, circuleerde in handschrift in de kamerkring en kon
daardoor na het succes van de
Geeraerdt van Velsen en in handen van een drukker
geraakt die - opvallend - liever anoniem bleef dan zich te adverteren, in 1615
buiten
Hooft om met een niet al te beste tekst worden gedrukt.
Het dichtstuk moet dan ook van ouder datum zijn, en indien niet van nog
vroeger, misschien als voorbeeld bedoeld zijn voor de oefeningen van de
kameristen uit de tijd dat Hooft zich opnieuw actief met hen bemoeide, die van
de
Reden of van de
Schick en
Keuren. Het lot van de
Achilles en
Ariadne dat Hooft bij de
Granida vóór was met de
Blaeu-uitgave van 1615, ‘gedwongen’ zoals hij in het
ontwerp-voorwoord zegt, trof de
Brief. Toen ook nog een
Antwoorde verscheen (opgenomen in AgW I),
liet
Hooft in 1617 dan maar een geautoriseerde versie volgen.
Hetzelfde dreigde natuurlijk eveneens het bruiloftspel (dat ook in het
Berlijnse handschrift staat) en zijn tafelspelen, als rederijkersgenre met hun
echte rhetoryck-pleidooien typisch behorend tot kamer-werk, nog in 1613
blijkens | | | | Hoofts
Keur nr. 17.
7 Bij het meervoud de
‘tegenwoordighen spelen’ die
Hooft in dit verband noemt, stond hem naast de
Granida zelf natuurlijk niet de
Ware-nar voor ogen (L.-St. II, 147), maar
wellicht een of meer van deze kleine spelen, waarvan handschriften
‘wtgegeven’ waren in het rederijkers‘circuit’ en
waarvan misschien ook privé-drukken in plano hadden bestaan (Leendertz,
Bibliographie, p. XIV). Maar alleen
Paris Oordeel, van 1608 of eerder (zie de nieuwe
Van Tricht, p. 236 n. 18), werd door Hooft later, in 1636, gepubliceerd
en het is die ongetwijfeld herziene versie die wij er alleen van kennen. - De
lof die Mak het toezwaait als een ‘meesterwerk in zijn soort’ kan
daarom niet zonder meer gelden voor 1608.
Ook alles wat van Hoofts lyriek in liedboekjes werd gedrukt, berust
via afschriften (van afschriften van afschriften) op handschriften die
Hooft als reden-rijk poëet gewoon was ‘uit te
geeven, en van handt tot handt te laaten loopen’, zoals Hooft het in de
Neederlandsche Histoorien noemt. (Op die passage
kom ik nog terug.) Drukken en nadrukken ging geheel buiten de (meestal ook niet
bekende, soms verkeerd geïdentificeerde) dichters om. Er heerst ten
aanzien hiervan een hardnekkig misverstand, waarop ik elders in zal gaan omdat
daartoe hier de ruimte ontbreekt. Iets heb ik er al in mijn
Bijdragen over gezegd en voorlopig verwijs ik
daar nu naar (p. 82, n. 142 en verwijzingen en vgl. ook het stuk over
Hooft in handschriftelijke liedbundels). Het
belangrijkste hier is, dat aard en intentie van deze poëzie wordt
misverstaan als met name Hoofts vroege verzen worden beoordeeld als die van een
19e- of 20e-eeuws dichter, en niet op dezelfde voet als alle andere liederen
van Hoofts talloze mederederijkers in dezelfde zangbundels en langs dezelfde
onbedoelde weg daarin terecht gekomen. Al wat ‘bujten sijn weten voor den
dach’ werd gehaald, dat wil zeggen door de pers gemeen gemaakt werd, dat
had
Hooft eerder zelf in de Kamer ingebracht en was in de
kameristenkring verspreid. Daardoor kon de Rotterdamse uitgever van de
Achilles een kamerkopie als de Haarlemse in
handen krijgen en konden drukkers als
Pers liedafschriften verzamelen.
Tonen kamerspreuk en verspreiding in deze gevallen de herkomst en
daarmee bedoeling en bestemming van Hoofts vroege poëzie, er zijn ook
andere rederijkerstrekjes aan te wijzen in zijn werk. Ik noem er hier maar
enkele: de hele klassieke inkleding van zijn eerstelingen is meer
rederijkers-renaissance dan de ‘echte’ en op, bijvoorbeeld, de
Electra-Iphigenia-maskerade (L.-St. I, 45) moet men ook maar niet te ver
doordenken; Mak wijst in
De rederijkers, 1944, op het dubbel- en
middenrijm (p. 142); naast een sonnet vindt men de rondeelvorm in de
Achilles (zie mijn ed. van de Sonnetten,
79, en Van der Heijdens
Achilles-ed., | | | | KLP 195, 5); op het
Prince in
Verheven grootsche siel werd hierboven al
gewezen, in Hoofts rijmkladboek begint de laatste strofe van Hoewel t
verstant met PRINCES in hoofdletters (beide verzen kwamen via de Kamer in
1607, respectievelijk 1608 in een liedboekje van
Pers); andere hebben niet deze, maar wel een soortgelijke
rederijkers-aanspraak in het laatste couplet; het deuntje van Jan en Sybrech
van 1607 is op de stok
Reine Liefd can niet vergaen, door
Coornhert in zijn
Zedekunst I, 6, 1 uit een oud liedje aangehaald
bij zijn behandeling van liefd tegenover minne (cf. L.-St. I,
342: Leendertz vergiste zich niet, maar vergat zijn bron, Coornhert, te
noemen). Maar dit zijn meer uiterlijkheden en raakt het merg van de edele
conste niet.
Wat is nu het wezenlijke van de ‘Konst van Reden-rijck’
waarin Hoofts poëzie zijn oorsprong vond? Dat is niet ‘het
rederijkersvers’. De kamers hebben de Franse maat overleefd, net als de
wending naar het purisme die wij zich nog in de vroegste gedichten van
Hooft zien afspelen, een wending die trouwens door het
in 1585 ‘Jueghdelyck groeyende Eglentierken’ zelf is
geïnaugureerd met de uitgave van de
Twe-spraack. Het zijn geen overleefde literaire
vormen die de beoefening van de const van rhetorike tenslotte
achterhaald deden zijn. Het is de proclamatie van geleerde geletterdheid als
exclusieve voorwaarde voor wat poëzie mag heten, de verbanning van de Muze
van gezelschap naar stil studeervertrek, voor dichter èn lezer beide,
die de kamers - en de kamersgewijze produktie van volkstaalliteratuur - niet
kònden overleven.
Het essentiële dan van de ‘edele conste’ van de
rhetorisijnen van toen is gelegen - ik probeer een formulering - in het
werkelijk grondbeginsel van de echte rhetorica: het zich richten op
toehoorders, en naar die toehoorders, en dan geen willekeurig publiek en zeker
geen lezers, maar een ‘gehoor’ dat een blijvende gemeenschap
vertegenwoordigt: de burgerij van de eigen stad of een beperkter
politiek-sociale gemeenschap of groep daarbinnen. Ook al reikt de kennis van de
rhetorica bij onze rhetorykers in de praktijk niet verder dan misschien wat
siermiddelen en kunstgrepen waarvan ook de orator zich kan bedienen om zijn
gehoor te effectiever aan te spreken (al wilde juist de Egelantier
onder
Spiegel, en al wilde
Van Hout in Leiden dat anders), zij staan
wat hun instelling betreft tegenover de eigen teksten die zij den volke
presenteren dicht bij de bron van de rhetorica. En dat wil in de eerste plaats
zeggen (om voor onszelf nog eens te herhalen wat de 16e- en 17e-eeuwer niet
eens zou begrijpen): dat zij niet gericht zijn op de artistieke expressie van
eigen individueel gemoed of zieleroersel of van wat een kunstenaar op zijn
eentje ervaart als doorzicht in goddelijke of menselijke gesteldheid. Er is | | | | inderdaad géén ‘spontane hartelijkheid’ (in
de erotische poëzie, van ook
Hooft) en géén ‘onmiddellijke’
(persoonlijke) ‘gevoelsuitstorting’ in het lied van de aloude
traditie (waarbij Hooft aansluit).
8 De rederijker, ook de
reden-rijke Hooft, heeft het niet over zichzelf, maar heeft wel deel aan de
gevoelens, gevoelswaarden en -verhoudingen die hij schetst in de
genre-schetsjes die zijn zangen en liedekens zijn. Alleen de moeizame
Claech-Leidt is persoonlijk, maar onaf en ook
al geen gevoelsuitstorting.
Ik ben hiermee alweer overgestapt op
Hooft en zijn lyriek ter karakterisering van wat een
wezenlijke eigenschap is van de rederijkerskunst. Omgekeerd parafraseer ik nu
als in essentie een rederijkerstrek wat
Huet over Hooft opmerkte: de amoreuse liedekens (zoals
Roemer Visscher die van Hooft noemde in zijn
Sinnepoppen 50) vanaf de ‘nieuwe
liedekens’ in het Antwerps Liedboek tot in de eerste decenniën van
de 17e eeuw, ontlenen hun charme voor de tijdgenoot niet aan de persoonlijke
gevoelens van de dichter voor deze of gene schone, maar aan de
‘uitdrukking der natuurlijke en maatschappelijke betrekking tusschen
jongeling en meisje, man en vrouw, in het algemeen’ (Knuvelder 246). De
‘bewogen gevoelsstroom’ (o.c. 247) in de liedjes in het
amoureuze is, al of niet innerlijk doorleefd, niet hoogst-privé, maar
heeft betrekking op meer objectieve levenssituaties: van allen die behoren tot
de kring waarbinnen, waarvoor en waaruit men dicht. Het gaat er om dat de
liedtekstschrijver een (dan populair) thema als het ware
‘behandelt’, en soms wordt het ook een echte verhandeling die, in
de zin van de rhetorica, wil beïnvloeden, opinievormend,
‘moralistisch’ is, als Hoofts
Weet yemant beter saus van 1603 of
Isser yet netters van 1606 (het jaar waarin de
Achilles op de Kamer werd gespeeld), wat ware
kamerdichten zijn, of
Hoewel t verstant, en heel veel meer op het dan
(al langer) actuele thema van liefde en heusheit tegenover
minne. Of het wordt een behandeling ‘voor’ en
‘tegen’, zoals de al vaker genoemde Sang
Verheven grootsche siel en het tegen-Liedt
Medea onbeweecht, die als pro- en contrarefreinen
tot de traditionele rhetorische oefeningen behoren. Als onmiskenbare
rederijkerspoëzie behoren zij samen tot Hoofts kamerdichten; langs die weg
kwamen ze beide al vroeg, in 1607, in een liedboek terecht. (Hooft
drukte ze achter elkaar in 1611.) Voor de vraag of uit deze
‘DIA’-verzen het gevoelsmatige verloop van een persoonlijke
verhouding kan worden afgelezen, is dit van geen gering gewicht.
9 Een voor en tegen in
één gedicht is
Deianira', ick kent, dat in de
Apollo terechtkwam. Alles van Hooft in
liedboekjes is algemeen van strekking en bedoeling.
10
De dienaren van Rhetorica vinden hun stof en thema's in wat er
omgaat in het gemeenschapsleven, in de geesten en harten van de groep | | | | waar zij zich deel van voelen en waartoe zij zich richten, en het is
deze zelfde sociale en communicatieve essentie van hun activiteit waarin voor
hen ook het motief tot dichten verankerd ligt, en, dieper nog, waarmee de
aandrift ertoe staat of valt. Er is geen scheiding in de rhetoricale beoefening
van de dichtkunst tussen subjectief en objectief: zij vallen in de
reden-rijcke-kunst samen in een ondeelbare eenheid. Uit kamerstukken en
liedekens, ook die van
Hooft, kan men niet ziften wat persoonlijk en wat
algemeen is in de tafereeltjes en ervaringen die zij beschrijven, met
dichtgesmeten deuren en kusjes op een speelreisje en al. Het is maar goed dat
Hoofts
Galathea nog niet te beurt viel wat
Sal nemmermeer gebeurde: een
persoonsidentificatie als die van
Spiegel zou ook daar op een onjuiste interpretatie van
pennestreken berusten, in dit geval in de initialen er onder. Zowel Leendertz'
‘J.C.B./Galathea’ daar en onder
Vluchtige nimph, als ook
‘J.P.L./Phillys’ onder
Demophoön, zijn alle dezelfde initialen:
J.G.B.
De beoefenaar van de const past zijn kunstvaardigheid in de
Rethorykkamers toe - en dat is misschien wel het meest fundamenteel rhetorische
(of, met een voor òns minder door negatieve connotaties beladen en
daarom juistere term: het meest rhetoricale) - op thema's en situaties (vooral
uit intermenselijke verhoudingen) in het burgerleven om zich heen, en soms
zullen die thema's ook gemeenschappelijk in de kamer besproken zijn. Net als de
orator die zijn kunst en kunde in dienst stelt van een buiten hem om ontstane
‘zaak’ (causa), of van een cliënt of een
maatschappelijke institutie of groepering, put de rhetoryker zijn onderwerp
(materies) niet uit zichzelf. Hij dicht, ideëel gesproken, in
opdracht van 't Gemeen, ook als het niet rechtstreeks voor of naar aanleiding
van een bepaalde gebeurtenis of gebeurlijkheid in het openbare leven is. In
deze zin maakt hij, als de orator, altijd ‘gelegenheids’-stukken.
Waar poëzie een zelfde sociale functie vervult als - in de oudheid - de
openbare redenaar, behoort zij inderdaad daardoor alleen al tot het domein van
de rhetorica. Dat geldt ook, op een ander plan, voor de meeste, zo niet alle
Neolatijnse humanistenpoëzie. Functie en doelstelling van de dichtkunst
bepalen of men in wezen orator en dus rhetorisch is of dat niet hoeft te
zijn. De reden-rijke rijmer legt, soms in directe wedijver, zijn toneeldicht
voor aan de kamer (die het al of niet wil spelen) en als hij dat met liedekens
niet doet, blijft toch - en dat is de rhetorische kern van de const - de
ontvangst bij zijn publiek van zangers en zangsters het criterium voor wat
geslaagd, wat niet geslaagd is. Want de nieuwe ghesanghen en liedekens, ook die
van
Hooft, zijn alleen gedicht om in gezelschap, door velen,
gezongen te worden op bekende wijsjes; zij zijn bedoeld voor de zich steeds
herhalende gelegenheid van | | | | ‘bruyloften (en) andere eerlijcke
vergaderinghen van oude oft jonghe lieden’, waar men ‘Musijck en
Rethorijck’ voortbrengt.
11 Daarom komen de thema's
voort uit het gangbare repertoire of sluiten er bij aan, en dát maakt
dat al die liedjes in
Nieuwen Lusthof,
Bloem-hof,
Princesse Liet-boec en hoe ze verder heten, zo
op elkaar lijken en dat in de zangbundels maar heel langzaam een echt
àndere toon werkelijk dóórbreekt, even langzaam als
maatschappelijke verschuivingen hun beslag vinden. Als rond het midden van de
eeuw de letterkundige bloemlezing haar intrede doet, voor een lézend
publiek, sterft het genre mèt de kamers uit, zakt het af tot een
subcultuur. Lezers en auteurs worden individuen; gezelschap en poëzie,
aaneenvertuit in de rederijkerij, gaan ten slotte definitief uit elkaar.
Terug naar
Hooft en ‘die van Rhetorica’ toen het
liedboek nog aan zijn opgang moest beginnen. Wanneer men zijn minnezangen in
hun natuurlijke context tegenkomt tussen de vele, vele andere van zijn
medepoëten, onderscheiden zij zich wel, maar niet als andersoortig, niet
in thematiek en niet door de ‘boodschap’ die zij bevatten, alleen
door beter ‘maaksel’ en meestal, niet altijd, iets zinrijker
uitwerking van de gedachte. Maar men moet er niet teveel van achter elkaar
lezen, dan wordt het voor òns, nú, zelfs bij Hooft teveel
‘hetzelfde’: alleen op actuele, modieuze thema's verdraagt men
eindeloze variaties. Dat geldt voor nu, en evenzo voor toen. Er zijn trouwens
ook andere dan die van Hooft die ons in hetzelfde genre op kunnen vallen door
andere kwaliteiten, zoals het geestige lied van een onbekende dichter dat in de
Apollo van 1615 op Hoofts
Galathea volgt: ‘Ick kniel Iofvrou in uwe
dove stoep, / Daer ick u met benaude stem aenroep /’, enzovoort, en
verderop ‘Vindt ghy u stoep des morghens niet bedout / Als ghy my 's
avondts u ghesicht onthoudt?’; voorloper (of voorbeeld?) van
Piet Paaltjens' onsterfelijk ‘Wel menigmaal zei de
melkboer’, enzovoort.
Wat de rederijker schrijft is niet aeternitati, niet voor de
eeuwigheid, maar direct voor gebruik. Hij dient de stad bij de opluistering van
officiële ontvangsten (zoals
Hooft in 1613 en nog in 1638), bij feestelijkheden
(zoals Hooft deed voor de viering van het Bestand in 1609), of als de stad zich
naar buiten toe presenteert (zoals met de prenten van de nieuwe beurs van
1608/1609 en 1612, met een bijschrift van Hooft). Hij schrijft toneel voor de
Kamer, die zelf zijn stuk, als het de leden bevalt, vertoont. Maar ook als hij
vrijer is in zijn onderwerp, rijmt hij niet ‘voor zichzelf’ en niet
‘voor’ een bepaald persoon, ook niet voor één bepaald
liefje. Hij schrijft, binnen of buiten de Kamer, ‘tot vermakelyckheyt
ende stichtinge’ (in wisselende dosering) voor de gemeenschap waartoe hij
behoort en die er even direct plezier aan beleeft als hij in het dichten | | | | en in dat plezier heeft: hij dicht ‘om de geneuchte’, zoals
Hooft in 1610 over zichzelf sprekend zegt tegenover een
echte ‘schrijver’ (auteur), de dichtende humanist
Daniel Heinsius, ‘Professor inde vermaerde
Universiteit, tot Leiden’, en het gaat dan over diens
Latijnse
Auriacus, die uiteraard wèl bedoeld was
om ‘onder de gemeente’ verbreid te worden, in druk algemeen bekend
te worden (en te blijven) als treurspel van de beroemde Heinsius.
12 De rederijker-dichter heeft geen pijn aan poëzie en kwelt
zich niet om roem.
Het is geen bescheidenheid als
Hooft in deze begintijd niet zelf publiceert (in de zin
die pas daarná ook voor volkstaalpoëzie regel werd: in druk), wat
alleen bedoeld was rechtstreeks onder ogen van het (kamer)publiek te komen:
‘geschaepen om maer over een toonneel getrocken te werden’, zoals
hij de drucker in de mond legt in het - niet gedrukte - ontwerp van een
voorwoord voor een in elk geval eerst ná 30 juli 1614 voorgenomen,
uitdrukkelijk anonieme uitgave van de
Granida (L.-St. II, 147-148). Het is geen
bescheidenheid als hij tot de Leser zegt dat het geen stand kan houden
‘onder d'ooghen des werelds’ (en dan bedoelt hij willekeurige
lezers, waar dan ook, nu en in de toekomst) en dat hij ‘er dat
niet mede voor’ had, dat hij het niet ‘verdaedighen wil als oft het
wat besonders waere’. Wij behoeven ook niet te gissen naar de achtergrond
van deze plaatsbepaling van de Granida (die a fortiori geldt voor de
buiten
Hooft om ‘voor den dach’ gehaalde
Achilles en
Ariadne), en wij behoeven vooral niet het beter
te willen weten dan wat Hooft de drucker wilde laten zeggen: het voldoet niet
aan de klassieke normen van ‘ordre’ die gelden voor wat men voor de
eeuwigheid laat drukken en de dichter heeft dat ‘willens nagelaeten
den volcke deses tijds te geval’. Ook de ‘becommering’
om wat vóór 1610 van zijn ‘gesangen’, gedicht om maar
(ik parafraseer) in gezelschap gezongen te worden, ‘bujten sijn
weten’ was gedrukt, is geen bescheidenheid, en zeker geen persoonlijke.
Hooft verwoordt in dit alles wat toen nog algemeen de
instelling tegenover en bij het dichten was in de wereld van de
volkstaalpoëzie, het letterkundig leven dat zich in en rond de
Rethorykkamers afspeelde, náást de aparte wereld van de
lees-literatuur, de klassieke en Neolatijnse.
13 Het proces
waardoor deze scheidslijn verlegd wordt naar binnen de landstaalpoëzie is
dan al aan de gang: de keuze van het woordje ‘nalaeten’ duidt
daarop. Kenmerkend voor
Hooft is echter noch het oude literaire stelsel dat hij
hier tekent, noch de nieuwe ontwikkeling, maar het feit dat zijn dichterschap
zeker tot 1613, mèt het nieuwe geluid dat wij er nu in beluisteren, zo
diep verankerd lag in het leven van de Kamer en voor hemzelf en de tijdgenoot
zo volkomen en onopvallend paste in sfeer en klimaat van de rederijkerskunst
van rond 1600, dat het naar zijn (dienstbare) | | | | geaardheid haast
karakteristiek lijkt voor de Konst van Reden-rijck van toen. Vijf jaar na de
Geeraerdt van Velsen, als de Academie-opzet van
poëzie en wetenschap (of liever: geleerdheid) náást elkaar,
getorpedeerd is en de edele conste definitief naar kroeg en dorp verwezen
wordt, wendt Hoofts kunstenaarschap zich tot een ander medium: het proza van de
(dienende) nationale geschiedschrijver.
Het zijn - ook bij
Hooft - geen ‘ideeën’ of
‘opvattingen’ of ‘idealen’, het is het sociale leven
dat het dichter-zijn en het dichterschap in de kring van de volkstaaldichters
nog in het begin van de 17e eeuw bepaalt, niet de intellectuele
beschouwelijkheden uit de ‘hogere’ cultuur van hun tijd en niet
‘de literatuur’ (van hier of elders) als iets op zichzelf staands,
zeker niet de literaire erfenis van de oudheid. Als, in terugblik en met het
globale overzicht dat de verre nazaat heeft vanuit wat dán nog toekomst
is, met Hoofts
Achilles en Polyxena ‘een nieuw tijdperk
werd ingeleid van de dramatische kunst in de Nederlanden’ omdat daarmee
‘het classieke treurspel’ zijn intrede doet (zie: Knuvelder 232),
dan was dat niet naar de antieke literatuur, maar naar de dan vanouds populaire
verhalen van Dictys en Dares van op zijn minst twijfelachtige classiciteit, en
voor de tijdgenoot bleef het wat het in het Haarlemse handschrift is: een
gewoon kamerstuk, een ‘spel van Troje’, dat aansloot bij de vele
klassieke rederijkersspelen en dat pas als
Hooft in 1613 ineens een (gevierd) ‘Autheur’
geworden is, voor den dach gehaald wordt. Het heeft een volkomen losstaand
vijfde bedrijf, ondanks vernuftige, soms àl te ver gezochte en zeker te
geleerde pogingen het theoretisch te redden als renaissancetoneel. Voor de
Rotterdamse drukker van 1614 behoort het stuk tot de rederijk-kunst en hij
beveelt het in zijn titel aan als Achillis en Polyxenas Treur-spel.
[Punt. P.T.] Met Ayax en Vlisses Reden-strijdt. (AgW II, 107, en
cf. mijn editie van de Sonnetten, 79). Een Redenstrijd, zo
rhetoricaal als maar kan zijn met argumenten en weerlegging van twee
standpunten, even verleidelijk als de beantwoording van Menelaus' brief bleek
te zijn voor de anonymus van 1616, hier ‘den volcke deses tijds te
geval’ als een extra bij het spel. Wat het ook wàs, staand in een
eigen rederijkerstraditie van afzonderlijke behandelingen van dergelijke
thema's, zoals in
Den Nederduytschen Helicon van 1610 Beheyts
Redenen van Menelaus ende Agamemnon (Versl. Med. Kon. Vl. Ac. 1967,
5-30), en zoals de latere Reden-strijd van Ajax en Ulysses van
Chr. Pierson. En of de drukker van 1614 dit nu overnam van
de kopie die hij had bemachtigd, een kamerhandschrift als Berlijn
of Haarlem, of dat hij - wat onwaarschijnlijk is - zelf de
scheiding maakte (die in zijn tekst niet te zien is) en deze titel aan de
vijfde handeling gaf, in beide gevallen toont deze dat en hoe de
Achilles binnen de const van de Retoryckkamers
lag.
| | | | Typerend voor alle literatuur die rond de kamers van rhetorijk
ontstaat - en er zijn dan geen eenlingen in Amsterdam en er is
geen andere geletterde kring -, is dat zij naar inhoud en vorm voldoet aan
één criterium: zij is verstaanbaar voor de broeders in de const
en de ‘spelende gesellen’; zij wil beoordeeld kunnen worden door de
‘scholieren’ (zoals Hooft ze in zijn voor de ‘dichtschool
In Liefd Bloeiende’ gemaakte
Schick en
Keuren in 1613 noemt)
14; zij is te meten aan de normen voor vorm en inhoud die zíj
hanteren. Die ontlenen zij niet aan een theorie, maar aan de praktijk van de
kamer waar zij zich bij aansluiten; en de uitgewerkte gedachte in ‘Spel,
Taefelspel, lieden, oft anders’ (Keur 17) is niet diepzinniger of
geleerder dan wat binnen de horizon ligt van het kameristenmilieu: de
gemiddelde (kleine) burger. Aan dit criterium van deze ‘min of meer
gemeenschappelijk beoefende’ gemeenschapskunst (ik citeer Van Rijnbach),
voldoet ook al Hoofts vroege poëzie. Wat telt is de boodschap, hoe
minimaal ook, afspiegeling van de problematiek die actueel was bij de gewone
burger in het sociale leven, of alleen maar in de mode, zoals ‘liefde en
min’; en het kleed, de taalmuziek, voor ons in de vroege
Hooft (maar misschien voor hemzelf niet) het meest
bijzondere en opvallend nieuwe, is voor de const en haar publiek (blijkbaar)
geen doorslaggevend criterium voor schoon of onschoon: het is aanpasbaar,
‘te verbeteren’, zoals Hooft zelf voor zijn bundel van 1636 juist
dát in zijn oudere verzen ‘verbetert’.
Er is geen rechtstreekse verbinding tussen de Konst van Reden-rijck,
ook die van
Hooft, en een kunsttheorie of de rhetorica van oudheid,
renaissance, humanisme, al worden nieuwe vormen en procédés, naar
de laatste mode, in een voor ons verwarrende mengeling ingebed in een zich
langzaam, maar niet fundamenteel wijzigende, oudhollandse traditie - en men
begrijpt het ongeduld van hen die in 1616 vanuit de Europese respublica
literaria, ten onzent dus vanuit de Leidse academiekring, nu eindelijk eens het
vaderland en de eigen nationale taal voor de dag willen zien treden met
literatuur van internationale snit en allure, op het verheven plan en naar de
standaard van de Neolatijnse poëzie. En toch zijn de rhetorykers in hun
hantering van de dichtkunst in de grond van de zaak zoals zij zichzelf, ook in
de eerste helft van de 17e eeuw, blijven zien: rhetoricaal, de echte opvolgers
van de (profane) redenaar die zich richt tot en naar ‘de gemeente’.
Zo tekent
Hooft ze zelf in zijn
Neederlandsche Histoorien van 1642, bij het jaar
1562, p. 37-38 (AgW IX, 325-6) en hij zag ze als van ‘geenen
geringen dienst’ voor de ‘Majestraat’, vooral met het toneel,
als tegenwicht ‘teeghens 't gezagh der geestelyken’, mits de
stedelijke ‘overigheyt de maat slaa’. Voor een rymkonst met die
functie is geen plaats in de binnenkamer en als de | | | | rijker geworden
burger zich uit het volk en uit het stadsleven terugtrekt in 't salet en in het
studeervertrek en het keurig geworden deel van de literatuur daarheen meeneemt,
blijven in de kamers alleen de rijmelaars en amateur-toneelspelers uit de
middenstand over. Tot ook daar in de steden geen plaats meer voor is.
De sociale scheiding die zich in de burgerij van de Hollandse steden
na 1610 begon te voltrekken, niet een artistiek-literaire ontwikkeling,
betekende het doodvonnis voor de reden-rijke const. Het was
Scriverius die dit vonnis in 1616 velde. Maar het was
niet
Hooft en niet Hoofts poëzie van voor 1613, en maar
nauwelijks de
Geeraerdt van Velsen, waarop hij daarbij kon
steunen. Daarvoor stond de wezenlijke geaardheid van Hoofts kunstenaarschap in
de weg. Hoofts poëzie verschijnt te midden van wat dan
‘Rethorijck’ heet, op kamertoneel, in kamerliederen en in gedrukt
en handschriftelijk liedboek, en gaat daar voor de tijdgenoot in op. Als
rhetoryk reflecteert zijn vroege dichtwerk, als medium, wat er leeft in het
rederijkersmilieu in de stad. De drukker die in 1614 Hoofts
Achilles en Polyxena voor het eerst op de markt
brengt, ziet, ook dan nog, hoe ‘de Konst van Reden-rijck in ons
lieve Vaderlandt zeer bloeyende opgaet, ende met zulcke kracht ende snellicheyt
oprijst, dat elck reed'lievend’ hert hem met verwonderinge daer in
verblijdt’. Ook Hoofts poëzie, eigen en zelfstandig tegenover
traditie èn renaissance-vormen van elders,
15 illustreert en heeft mede bewerkstelligd dat de
letterkunde in Amsterdam in de eerste helft van de 17e eeuw zich
‘langs lijnen van geleidelijkheid uit de meer middeleeuwse
cultuurvormen’ ontwikkelt en dat die ontwikkeling ‘niet zozeer
beheerst wordt door het humanisme’, noch door Italiaanse of Franse
renaissance, ‘als wel door de zich geleidelijk evoluerende
rederijkerskamers’ (Knuvelder 197/8). Bron en kern van zijn artistieke
aandrift èn gaven zijn altijd zijn binding met de gemeenschap gebleven:
hij schreef, poëzie en proza, alleen als dat een directe functie vervulde
in een vaste groep uit de Hollandse samenleving, of in een gezelschap. Daarin
bleef hij de broeder in de const van rhetorike die hij was in het begin. En al
liep zijn levensweg gelijk met die van zijn stand, van nog volksaardige
Rederijkerskamer tot hoofse en erudiete Muiderkring,
Hooft heeft niet alleen de Breero's, maar ook de Warnars
en de Leckers en de Rijckerts nooit laten vallen: zij zijn de hoofdfiguur en
inspiratiebron van zijn Historiën. Hooft was geen nieuwlichter, geen
geestelijk leider en geen kunstrechter. Burger van de nieuwe republiek en
bouwer van de landstaal, was hij, begenadigd woordkunstenaar, een dienaar van
de konst, met onnavolgbaar eigen stem.
|
1Vgl. bijvoorbeeld het reisjournaal van
Merens, leerling van
Schonaeus, in 1600 ook in Italië (ed. in Med.
Ned. Hist. Inst. Rome 1937).
2Ik bouw in dit artikel voort op mijn
‘Petrus Scriverius’ in: Quaerendo, 7 (1977),
met name blz. 13-20 (‘Literary politics’) met (hier achterwege
gelaten) verantwoording blz. 36-45.
3Blz. 420 in dl. I van P.C. Hooft,
Alle de gedrukte werken 1611-1738, 9 dln.,
Amsterdam 1972, af te korten als AgW ( niet HgT); een volledige
documentatie van Hooft in druk, met in dl. I en IX allerlei (tot dusver
onopgemerkt) nieuws t.o.v. Leendertz' Bibliographie.
4Zie mijn
Bijdragen tot de P.C. Hooft-filologie,
Amsterdam 1973, blz. 19 met n. 67.
5Omnibus idem, pendant van Huygens'
Constanter, is van later (1621) en van andere aard.
6Het jongste gedicht in Berlijn, buitenop vermeld
maar er uitgesneden, was de ‘bruyloft sang’ voor
Jda Cornelis Quekels van midden 1605 (plano in
AgW I, 184).
7Zie ook: J.J. Mak, ‘ De
tafelspelen van Hooft’, in: Ntg 40, herdrukt in Uyt
ionsten versaemt, 1957, blz. 202-210.
8Contra Knuvelder 247, maar pro
wat daar volgt (Hoofts ‘beweeglijke taalmuziek’, óók
in de rhetorische betekenis movens).
9Zie mijn Bijdragen, blz. 24-6 en de daar
besproken literatuur en vgl. n. 65.
10De nieuwe ed. Tuynman-Zwaan van Hoofts lyrische
poëzie (naar de hss.), die naar wij hopen eindelijk in '81 verschijnt,
bevat overzichten van wat gedrukt werd en wat niet.
11AgW I, 181 en 421, met het prentje;
vgl. ook mijn Bijdragen, blz. 21 (b).
12Met ‘onder de gemeente geraeckt’
(dezelfde brief nr. 18) is uiteraard niet bedoeld ‘in de
kameristenkring bekend geworden’: Hooft schreef (toneel) voor de
kamer.
13Het Neolatijnse schooldrama is een didactische
schoolaangelegenheid en staat buiten dit alles (ten onzent).
14Zie ook: Mak, Uyt ionsten versaemt, blz.
216-7.
15Ik sluit mij aan bij Mak en Smit; zie: Knuvelder
239 n. en 247 n.
|
|