terug  begin  verderprepost
[p. 164]

8 Het seksueel gedrag van de jongeren in de 18de eeuw

Inleiding

Een studie van het seksueel gedrag der jeugd in de 18de eeuw die beantwoordt aan de eisen, vandaag aan een dergelijk onderzoek gesteld, is onmogelijk. Elke onderzoeker zou graag vele bladzijden beschrijvende tekst ruilen voor één bladzijde statistieken, maar dit is een wensdroom. Toch is een uitspraak over dat gedrag niet onmogelijk.

- Er is vooreerst het feit dat de mens zekere fylogenetische kenmerken bezit die alle mensen, in elke periode en maatschappij gemeen hebben. Een van deze trekken is dat de seksuele rijpheid door een periode van experimenteren voorafgegaan wordt. Men mag als vrij vaststaand aannemen dat in elke maatschappij prepuberale seksuele activiteiten plaats grijpen, of ze toegelaten worden of niet. In de pedagogisch-moraliserende literatuur van de eerste helft der 18de eeuw vinden we nagenoeg geen verbodsbepalingen tegen deze prepuberale seksuele uitingen; in de tweede helft van die eeuw lijkt het alsof een repressieve actie inzet die voordien nooit gevoerd werd.

- Wanneer het milieu, de opvattingen en dgl. slechts kleine veranderingen ondergaan, bestaat er geen reden om te veronderstellen dat er zich belangrijke wijzigingen in het gedrag zouden voordoen. Hadden deze toch plaats, dan zou het vreemd zijn dat ze helemaal aan de aandacht van de toenmalig levenden ontsnapt zouden zijn. Zolang deze thesis niet weerlegd is, mag men voor het bepalen van het gedrag in de 18de eeuw steunen op de continuïteit van het gedrag in de perioden die aan deze eeuw voorafgaan en erop volgen.

- Men kan ook aanwijzingen afleiden uit sommige toestanden en materiële omstandigheden. Zo bv. de leeftijd waarop het huwelijk aangegaan wordt, de algemeen aanvaarde opvatting dat men de vruchtbaarheid van een meisje moet testen, dat men ‘geen kat in de zak moet kopen’, het gemakkelijk bereikbaar maken van de slaapkamers der meisjes voor het nachtelijk bezoek van vrijers, de voorzieningen in kosthuizen en internaten, het aantal voorechtelijke zwangerschappen, de geboortedatum van het eerste kind, de grondslag waarop een huwelijk gesloten wordt, het aantal gehuwden en nietgehuwden, wettelijke bepalingen, het belang van de maagdelijkheid, de dubbele moraal, het toezicht op het gedrag der jeugd, enz.

- Artsen, hygiënisten e.a. hebben theorieën geformuleerd die invloed konden hebben op het al of niet aanvaarden van de voorechtelijke omgang en

[p. 165]

andere seksuele uitingen. We kunnen nagaan in hoeverre deze opvattingen overgenomen of tegengesproken werden door de moralisten, opvoeders, ouders, overheid e.a.

- Tenslotte kan men een aantal gegevens halen uit literaire bronnen zoals volksliederen, romans, brieven, biechtboeken, schoolboeken, schoolreglementen, beschrijvingen van de zeden en de folklore, dagboeken, opvoedende geschriften e.d.

Contacten tussen volwassenen en kinderen

Bij het begin van de 15de eeuw spreekt Gerson in zijn sermoenen herhaaldelijk over ‘het schandaal der kinderen’ (le scandale des enfans) en ‘het aanraken van kinderen’ (touchier les enfans). Hij reageert tegen onzedelijke personen ‘die er behagen in scheppen kinderen die de zuiverheid van een engel zouden moeten bezitten, in woorden en daden te doen zondigen’. Het is vrij zeker dat het hier gaat om de gewoonte dat ouders en dienstpersoneel het lichaam en ook de genitalia van de kinderen aanraken, strelen en stimuleren. Het aantal vermeldingen van deze gewoonte in teksten uit de 18de eeuw is zo groot dat we mogen aannemen dat het niet om individuele gevallen maar om een sociaal verschijnsel gaat. Anderzijds vindt men ook vermeldingen voor de 16de, 17de, 19de en 20ste eeuw.

Een goede bron voor de juiste toedracht bij deze contacten is het verslag1 uit de eerste jaren van de 17de eeuw dat Heroard, hofarts van Lodewijk XIII dag na dag, uur na uur optekende. De notities zijn zo getrouw dat hij ook de kinderwoordjes, zelfs de stottertaal neerschreef. Lodewijk XIII is nog geen jaar oud, wanneer hij uit volle borst lacht ‘quand la remueuse lui branle du bout des doigts sa guillery’. Hij roept naar een page ‘d'un Hé! et se retrousse, lui montrant sa guillery’. Hij toont regelmatig zijn penis; iedereen speelt ermee en geeft er zoentjes op. Hij laat zijn penis zien aan kleine meisjes uit gezelschappen die hem bezoeken. Herhaaldelijk ligt hij bij de koning en de koningin in bed, terwijl allen naakt zijn. Als hij één jaar oud is en verloofd wordt met de infante van Spanje speelt men met hem een spelletje ‘waar is het lieverdje van de infante?’ waarna het kind de hand op zijn penis legt.

Gedurende de eerste drie jaar speelt hij dikwijls met zijn penis. ‘De marquise van Verneuil legde dikwijls haar hand onder zijn hemd; hij laat zich in het bed van zijn min leggen waar zij met hem speelt, waarbij ze dikwijls haar hand onder zijn hemd legt’. Op 12 augustus 1604 roept hij naar een dame dat zijn penis ‘ophaalbrug speelt’. Een ander spelletje uit zijn ‘genitale fase’ is ‘Monsieur, vous n'avez plus de guillery’. Waarop hij antwoordt ‘Hé, la véla-ti pas? gaiement, la soulevant du doigt’. Hij kent de coitushoudingen en bespreekt dat onderwerp met de kamervrouw. Hij vraagt aan zijn min zich te ontkleden. Zijn moeder zegt hem, terwijl zij haar hand op zijn penis

[p. 166]

legt ‘mijn zoon, ik heb uw snavel vast’. Zijn vader ligt samen met zijn zoon en dochter naakt in bed ‘waar zij elkaar zoenen, liefkozen en veel genoegen aan de koning bezorgen’. Dan vraagt de koning ‘mijn zoon, waar is het pakje van de infante? waarop de kleuter zijn penis toont, erbij zeggend 'er zit geen been in, papa... daareven was er wel een in, soms zit er een in’. Op drie jarige leeftijd leert men hem een slaapliedje over een meisje dat zozeer door koning Louis-Bourbon bemind werd dat hij haar tenslotte zwanger maakte. Wanneer hij door madame de Guise bij de koningin wordt gebracht, toont zij hem haar bed. ‘Monsieur, daar is het dat je verwekt werd. Hij antwoordt: met mama?’ Hij is dan vier jaar. Als hij 5-6 jaar oud is, laat hij het kamermeisje, juffrouw Mercier die in zijn kamer slaapt, zulke houdingen aannemen dat hij haar genitalia kan zien. Wat later betast hij ze. ‘Hij speelt met juffrouw Mercier, roept me om me te zeggen dat het Mercier is die een konijn van zo'n grootte (hij toont zijn twee vuisten) heeft en dat er water in zit’. Over het bestaan van zijn bastaardzusters was hij op de hoogte. Zijn vader spreekt er vrijuit over en vertelt over zijn maitressen. Hij gaat met zijn vader naakt in bad en maakt daar opmerkingen over diens genitalia. Als hij 7 jaar is, begint een andere opvoeding. Men leert hem behoorlijke manieren. Hij krijgt een standje wanneer hij zijn penis (guillery) aan een klein meisje toont. Heroard is verontwaardigd wanneer men hem 's morgens in het bed van zijn gouvernante en haar man legt. Elders noteert hij nog: ‘Hij laat nooit toe dat de marquise de Verneuil zijn tepels aanraakt; zijn min had hem gezegd: Monsieur, laat door niemand uw tepels aanraken, en ook niet uw penis, want men zou hem afsnijden’. Ondertussen speelt de ‘marquise’ wel met zijn penis.

 

We kunnen de opvoeding van Lodewijk XIII vergelijken met die van Gargantua. Rabelais zegt over de ‘distractions’ door gouvernantes aan Gargantua geboden dat ze een oude traditie zijn. Deze traditie is merkwaardig genoeg om er enige aandacht aan te besteden. De strenge moralisten der 16de en 17de eeuw waarschuwen herhaaldelijk tegen het onderwijs aan huis gegeven door een ‘précepteur’, een gouvernante, een gouverneur. Een van de bezwaren is de onzedelijkheid van de opvoeder of van het huiselijk milieu. ‘Sommige ouders laten hun kinderen tot twaalf, dertien jaar in de armen van minnen en gouvernantes die hen dikwijls weinig zedelijke strelingen geven’. Vanaf het einde der 17de eeuw vinden we talrijke vermeldingen van contacten tussen volwassenen en jongeren. De toekomstige kardinaal Fr. J. de Bernis, geboren in 1715, waarschuwt uit eigen ondervinding tegen het kamerpersoneel dat met een kind durft uithalen wat het niet zou durven met een jonge man. ‘Ik heb al de gevoelens van vroomheid die mijn moeder in mijn ziel gegrift had, moeten aanwenden om mijn jeugd voor een te grote verwording der zeden te behoeden’.2 In de autobiografie van K. Fr. Bahrdt (1741-1775) kan men lezen hoe de hele jeugd seksueel actief was.

[p. 167]

Hijzelf werd door de meid in het huis van een bekend geestelijke te Leipzig verleid. Rousseau en andere schrijvers over opvoeding waarschuwen herhaaldelijk tegen het huispersoneel. Men richt zich speciaal tegen de minnen. Zij worden als uiterst wellustig voorgesteld en zij geven hun overdreven zinnelijkheid langs de melk (het hart ligt dicht bij de borst)3 door aan de kinderen en zij bezondigen zich aan ‘het kittelen en wrijven der geslachtsdelen bij kinderen’.4 Zij doen dit om de kinderen beter te doen slapen en om hun welbehagen te geven. Een ‘Kinderwärterin’ mag men niet bij het kind laten slapen want zij masturbeert het en laat zich later zelf gebruiken.5 Salzmann zegt dat die zelfbevrediging geleerd wordt uit domheid of onwetendheid. Dr. J. Kämpf beweert dat kindermeisjes de geslachtsdelen wrijven om de kinderen te kalmeren en te doen slapen. 'Zelfs vele ouders wrijven en kittelen de genitalia der kinderen om ze deugd te doen, om ze stil te houden, of uit geilheid. Dit lijkt ongelooflijk, zegt Winterfeld, maar de feiten worden door alle bevoegden ‘als wahr und wichtig erkannt’. P. Villaume spreekt over een ‘wulpsche’ kindermeid die een zeer jong knaapje tot ‘onkuischheid’ verleidt.

B. Chr. Faust stelt in 1791 vast dat vele ouders niet weten dat het spelen met de teeldelen van de kinderen gevaarlijk is. De ouders zouden tweemaal 's jaars moeten verwittigd worden tijdens een vergadering die na de godsdienstige plechtigheid gehouden wordt. Enige wijze mannen zouden Leerreden moeten schrijven, zegt hij in een voetnoot, waarna hij zich tot J.H. Pestalozzi persoonlijk richt: ‘Wanneer gij het ook deedt, edele, grote, geliefde Pestalozzi!’. Men zou inderdaad verwachten dat Pestalozzi, die merkwaardige bladzijden wijdde aan de seksuele problematiek, over de masturbatie schrijft, te meer daar zijn zoon Jakob volgens de tijdgenoten gestorven zou zijn aan de gevolgen van masturbatie.

B. Chr. Faust bespreekt de opvattingen van degenen die deze aanrakingen verrichten: ‘Meer dan men zich wel verbeeldt, heerscht nog de verderflijke gewoonte, om met de teeldeelen der kinderen te speelen, en hen zelf daar mede te leeren speelen. Men denkt zelfs wel, dat men hun daar meede goed doet, ... De moeder van eenen jongen van drie jaaren oud, wiens grootmoeder waarschijnlijk het eerst met zijne teeldeelen gespeeld had, zeide mij, dat hij menigmaal zijn mannelijk lid aantastede, en zich daar mede recht wat te goed deed’.

Vanaf hun derde jaar, zegt B. Chr. Faust, trekt men de jongens een broek aan. ‘Kinderen, dienstmeiden en knechten helpen hem en trekken en speelen met zijne teeldeelen’. K.G. Bauer spreekt herhaaldelijk over de invloed van het huispersoneel dat zelfs bij opgroeiende kinderen de geslachtsdelen ‘ontbloot, bekijkt, betast, beklopt, kittelt, een gewoonte die zo verspreid is dat men er niet meer op let, dat men ze nauwelijks verbiedt. En waarom ook? De wellustige ouders doen het niet zelden zelf’. Hij haalt dan gevallen aan van jongens en meisjes die verleid werden door het personeel. Bedien-

[p. 168]

den die zich bij hun jonge heer willen ‘einschmeicheln’, leren hem masturberen. Maar buiten de bedienden, de minnen, de kindermeisjes, de huisleraren, de ouders, zijn er nog friseurs, dagloners, oudere broers of zusters en kameraden die behulpzaam zijn.6

De gevolgen van deze gedragingen zijn volgens de schrijvers der 18de eeuw vooreerst dat het kind de ‘slaaf der masturbatie’ wordt, dat het de ‘smaak van de wellust’ te pakken heeft, en verder dat het contact met meisjes of jongens blijft zoeken. Ook schaadt het de gezondheid. ‘De afschuwelijke gewoonte kinderen te kittelen’ is volgens P. Villaume de oorzaak van ‘krampachtige convulsieve zenuwschokken. De ademhaling wordt moeilijk, de spraak wordt gesmoord, nog een graad meer en het kind moet sterven. Zijn gelaat wordt blauw, en zelfs wanneer het zou lachen, ondergaat het de ergste smart’. Zelfs een zacht kittelen ontreddert de zenuwen. Villaume ziet liever dat een kind een flinke brandwonde oploopt, dat het in zijn vinger snijdt of een buil op het hoofd valt. Kittelen heeft hetzelfde effect als te veel doen lachen.

 

Deze gewoonte wordt niet steeds op dezelfde wijze beoordeeld.

- Strenge moralisten van jansenistische en andere puriteinse richtingen, vooruitstrevende pedagogen en soortgelijken reageren fel tegen de algemene onverschilligheid. Zij gebruiken dikwijls moreel afkeurende termen zoals ‘schandaal’, ‘zonde’, ‘oneerbaarheid’, ‘geilheid’ en ‘verdorvenheid’.

- We vinden enkele zeldzame aanduidingen omtrent enkelingen, die misschien één bepaalde maar niet te omlijnen sociale categorie uitmaken, en die de aanrakingen hetzij geheel hetzij vanaf een zekere leeftijd afkeuren. Zij verbieden zonder een reden te vermelden, of zij maken gebruik van vreesaanjagende elementen (zie bv. de uitspraak van de min van Lodewijk XIII).

- Daarnaast is er de groep van diegenen die deze praktijken niet afkeuren: vele ouders, minnen, dienstpersoneel e.a. Zij willen het kind ‘goed doen’, het kalmeren, doen slapen, behagen geven. Deze personen hebben geen slechte bedoelingen, zijn onwetend van gevaar voor de gezondheid en van zedelijk kwaad.

 

Do instemmende houding tegenover deze aarrakingen kan men op twee wijzen beoordelen. Ofwel keurt men ze af vanuit een vooringenomen standpunt, ofwel tracht men ze te begrijpen zoals ze door de personen van die tijd werden beleefd. Bij deze laatste, historische, interpretatie kan men rekening houden met de volgende veronderstellingen:

- Het moderniseringproces is in de 18de eeuw nog niet in alle standen doorgedrongen, zelfs niet in alle milieus van de burgerij. Slechts een toonaangevende minderheid volgt de nieuwe voorschriften. De groepen die achter bleven, worden onderworpen aan de beïnvloeding door opvoeders, artsen, letterkundigen, e.a. In deze restgroepen die o.m. de minnen, de bakers en het

[p. 169]

huispersoneel omvat, vindt men gedragingen die elders verdwenen zijn.

- De opvatting dat het kind-zijn gekenmerkt wordt door aseksualiteit is een veronderstelling die slechts in vooruitstrevende milieus ingang vond. Elders huldigt men de opvatting dat er tot aan een bepaalde leeftijd geen ‘taboo on tenderness’ bestaat. Met de zegswijze ‘een kind is een kind’ bedoelt men dat het kind als seksueel wezen niet bestaat; het kan niet in aanraking komen met datgene wat de volwassenen de seksualiteit noemen. Voor en bij kinderen zijn de genitalia hetzelfde als andere lichaamsdelen; volgens P. Villaume7 hebben ze ‘dezelfde waarde’.

In aansluiting op het voorgaande kunnen we nagaan welk onderscheid gemaakt wordt tussen de benadering van een prepuberale jongere en van een jongere die reeds ‘manbaar’ is.8 Men kan a priori veronderstellen dat aan de veranderingen rond de puberteit een wezenlijke betekenis toegekend werd. ‘Tot aan de puberteit is de mens een onvolmaakt wezen’, omdat hij zich niet kan voortplanten. Door de moraaltheologie en ook ten dele door het volk werd de seksualiteit onafscheidelijk van de voortplanting gezien. Doordat men de aandacht op deze functie richtte, was het theoretisch gezien mogelijk dat men anders oordeelde over seksuele daden die uit zichzelf niet op de voortplanting konden gericht zijn. Men kan dezelfde constructie maken voor het geval van het meisje wier maagdelijkheid overgewaardeerd werd, zodat de daden die deze maagdelijkheid niet bedreigden, minder belangrijk werden.

- Deze gedragingen maken deel uit van een groter geheel. In sommige perioden en bij sommige groepen is het bv. gewoon bij begroetingen, tijdens een dans of een gesprek over te gaan tot wat men heden intieme aanrakingen noemt. Het was normaal dat tijdens samenkomsten van jongeren, het meisje op de schoot van een jongen zat. Het tonen en bekijken van intieme lichaamsdelen werd niet nadrukkelijk afgekeurd. De huidige sterke aanrakingstaboes ontbreken. Doordat de benadering directer is, missen tal van gedragingen de symbolische betekenis die zij nu hebben. In sommige groepen leeft men daarbij dagelijks in een lijf-aan-lijf contact (visueel, verbaal, tactiel, gestueel) dat voor de huidige, geïndividualiseerde mens te promiscueus is, maar dat in vroegere tijden waarschijnlijk anders werd aangevoeld. Men denke bv. aan de promiscuïteit in de fabrieken der 19de en 20ste eeuw, die daarom geen seksuele omgang van allen met allen betekende, maar wel een grote lichaamsnabijheid. Men was minder ‘vies’ voor elkaars lichaam, voor de geur en de aanraking ervan, voor de aanraking van datgene wat contact had gekend met het lichaam van de andere, zoals kledingstukken en eetgerief. De meer geïndividualiseerde mens rechtvaardigt de afkeer voor deze contacten met hygiënische redenen maar de ware redenen liggen dieper.

- Men mag het beoordelen van deze gedragingen niet losmaken van de wijze waarop het geheel van soortgelijke gedragingen werd aangevoeld en

[p. 170]

beoordeeld. Alles wijst erop dat ondanks de dualismen, ingeprent door het christendom, de bevolkingsgroepen die niet aan een grondige christianisering waren onderworpen, ofwel een tegenstelling, een tweedeling van een andere aard kennen (bv. genot tegenover angst voor genot, of genot tegenover straf) ofwel een meer holistische wereld- en levensbeschouwing bewaarden. Zij beleefden vooreerst een andere soort van lichamelijkheid: hun lichaam was minder onderverdeeld in goede en minder goede organen, die naast en soms in strijd met elkaar een onafhankelijk bestaan leidden. Zij maakten een kleinere antithese tussen het lichaam en sommige van zijn werkingen.

- Henri F. Harlowe heeft moeilijk te loochenen bewijzen geleverd voor een algemeen-menselijke ‘need of contact’. Volkeren welker opvattingen nog niet sterk geseksualiseerd en gegenitaliseerd zijn of volkeren die het seksuele waarderen, zien geen redenen om de genitale streek van dit contactwelbehagen uit te sluiten. Cl. S. Ford en F.A. Beach, A. Edwardes en R.E. Masters geven talrijke voorbeelden die slechts weinig verschillen van de gedragspatronen in het westen vóór het einde van de 18de eeuw. Ook het gedrag van de Samoanen, de Trobrianders, de Ra'ivavae en de Muria's heeft bekendheid verkregen. Een soortgelijk patroon in Bali wordt door Marg. Mead beschreven: ‘De penis van het jongetje is een voorwerp, waarmee zijn moeder, zijn kindermeisje en alle mensen uit zijn omgeving voortdurend spelen, waaraan ze plukken, trekken en wriemelen. Deze lichte prikkeling wordt begeleid door de steeds herhaalde woorden: “mooi, mooi, mooi”, een adjectief dat alleen op mannen wordt toegepast. De vagina van het meisje wordt zacht beklopt met de bijbehorende vrouwelijke adjectiva: “lief, lief, lief”.’

- Men moet deze gedragingen ook beoordelen in een groter tijdsverband. De houding loopt ongeveer gelijk met die tegenover de zelfbevrediging, de premaritale coitus en het spreken tegen jongeren over het seksuele. Tot in de 17de eeuw wordt hiertegen slechts door enkelingen geprotesteerd. Vanaf de 18de eeuw wordt een campagne gevoerd die aan de latere eeuwen de indruk zou kunnen geven dat deze gebruiken bijzonder verspreid waren in de 18de eeuw. Het is waarschijnlijk juister te veronderstellen dat deze gebruiken ook in de vroegere tijden verspreid waren en dat men heeft moeten leren ze als onzedelijk te beoordelen.9

- De theorie van het ‘ganze Haus’ verklaart waarom het dienstpersoneel dikwijls bij deze handelingen betrokken is. Met het verminderen van hun aantal en met de wijziging van hun houding tot de leden van het ‘huis’ daalde hun belang.

[p. 171]

Seksuele spelletjes

De verdedigers van de seksuele voorlichting in de 18de eeuw uiten hun ongenoegen over het onzedelijke gedrag der jongeren en over de onverschillige houding der volwassenen. Jongeren gaan naar de kerk alleen om elkaar te zien en om te ‘liebäugeln’. Ze raken elkaar aan. De jongeren vormen groepen waarin zij elkaar verleiden of waarin handige verleiders de anderen meesleuren. Slechte kameraden zijn er genoeg. Sommige jongens coiteren vanaf 12-14 jaar. Men kust elkaar, speelt pandspelen die eindigen in zoenen, betasten en ronddragen. Peschek heeft opgemerkt dat de spelen die verdwijnen uit de wereld der volwassenen overgenomen worden door de kinderen bij wie zij nog minder thuishoren. Men speelt ook het spel ‘bruid en bruidegom’, dat o.m. weergegeven is op Breugels Kinderspelen uit 1560. ‘Ik heb met eigen ogen gezien, dat kinderen elkaar bij dit spel met een innigheid omarmden en liefkoosden dat ik er verstomd over stond’. Aan deze opmerking uit 1787 van J.F. Oest ging die van J.B. Basedow uit 1770 vooraf. Hij is tegen dat spel o.m. ‘omdat bij jongelingen en jonge meisjes de gedachte gewekt wordt dat ze weldra een minnaar of minnares zullen hebben, een gevoel dat door de algemeen verspreide schertsende houding tegenover de zonden van onkuisheid die in de maatschappij overheerst, versterkt wordt’. Bij het lezen van deze teksten mag men niet vergeten dat ze geschreven werden voor de deftige burgerij van de 18de eeuw en verder dat de schrijvers niet de jongeren maar de volwassenen verwijten maken: het is de gewoonte te schertsen over datgene wat in feite een ‘zonde van onkuisheid’ is.

P. Villaume is de enige schrijver die wijst op de fylogenetische aanleg tot zulke spelletjes: katten, honden, jonge stieren en hengsten maken bewegingen die hen nog niet toekomen omdat ze niet rijp zijn. Daarom is het niet verwonderlijk deze neigingen ook bij het kind te vinden, te meer daar de opvoeding hen prikkelt. Boerenkinderen spelen deze spelletjes bv. bij het ganzehoeden. S.G. Vogel spreekt over ‘ontuchtigheid tusschen beide sexen, waare schoffeeringen van kleine meisjes door kleine knaapen’ van 6 tot 12 jaar oud. Hij vertelt ook het volgende: ‘Zeer dikwijls heb ik gezien, dat knaapen van agt en minder jaaren op een knie van hunnen broeder of zuster, enz. reeden en schongelden, waarbij de één of ander de teeldeelen van den eersten kittelde, zo dat deeze uit volle keel lagchte. De één ging dwars over den schoot van zijne op eenen stoel zittende zuster, als te paard zitten, omhelsde haar, en nu wipten zij met elkanderen altoos voor- en achterwaards, waarbij zij zeer vergenoegd waren, en zich in deeze grap luidruchtig verheugden. Eenige gehuuwde Dames, die er tegenwoordig waren, en dit spel mede aanzagen, hadden moeite, om zich van lagchen te onthouden: doch ik dacht over de kinderen geheel anders, schoon ik juist hier mijne gedachten niet te kennen gaf. Daartegen verzocht ik korten tijd daar-

[p. 172]

na de Ouders om alles, wat hun lief was, dat zij zulke gevaarlijke bedrijven met ernst moesten beletten. Hetzelfde twaalfjarig knaapje verwijderde zich dikwijls met een klein meisje, dat nog jonger was, en zijne zuster somwijlen bezocht, en bedreef met haar de volgende ontuchtigheid: hij wilde bij haar de rol van Doctor speelen, en ... Ik onderschepte weldra, dat deeze knaap reeds een zeer geoefende Zelfbevlekker was ... Zijn verstand was ook reeds zodanig verzwakt, dat hij door geen onderwijs iets leeren en bevatten kon’. Fr. Rehm vermeldt dat hij in zijn jeugd met een groepje jongens over genitalia schertste; men plaagde ook een meisje van 6 jaar omdat ze nog geen borsten had en raadde haar aan, twee aardappelen onder haar kleed te steken; de ouders die dat hoorden lachten hartelijk om de grap. Wanneer Rehm dat in 1802 neerschrijft, bekent hij zich te schamen.

Op afbeeldingen van kinderspelen ziet men ook dat de jeugd dikwijls gemengd speelt: het is niet onwaarschijnlijk dat het verpreutsingsproces ook deze toestand beïnvloedde; de opvoeders wilden immers jongens en meisjes scheiden. Dit was nodig, wilde men de verliefdheid tussen jongens en meisjes vermijden. De tienjarige Goethe was verliefd geworden op de zuster van zijn jeugdvriend Derone. De vierjarige Hebbel op Emilie, de dochter van een schrijver, de achtjarige Byron op Mary Duff; de zesjarige Ganghofer op de vijfjarige Elsbethle. Verschillende teksten bevatten aanwijzingen omtrent de houding der volwassenen. Zelfs leerkrachten, schoolhoofden en ouders lachen om de subtiliteiten die de vooruitstrevende opvoeders willen bestrijden; zij noemen deze houding ‘pedanterie’. De onschuld wordt uitgelachen en bespot; zelfs degene die onschuld en reinheid een deugd vindt, durft ze niet te tonen. P. Villaume oordeelt daarom dat twee gelegenheden tot contact tussen de seksen gezuiverd moeten worden. Eerst het milieu van het ‘Vergnügen’ (dans, theater, romans) dat steeds onzedelijk is. Verder moet men de ‘mithleidige Umgang’ censureren: zelfs wanneer broer en zuster zich bij elkaar beklagen en hun hart uitstorten is dit gevaarlijk. Deze omgang is des te gevaarlijker omdat hij naar buiten zuiver schijnt.

 

Bij gebrek aan een exacte typering der houding tegenover deze seksuele spelletjes, menen we het volgende te mogen aanvaarden:

(1) Er bestaat een duidelijk verschil tussen de houding der volwassenen in de 18de eeuw en die in de 19de-20ste eeuw.

(2) De houding in de burgermilieus van de 18de eeuw (behalve in die waarde jongeren de progressieve scholen bezoeken) vindt men in de 19de-20ste eeuw alleen nog in de hoogste en de laagste klassen van West-Europa en de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Het Middellandsezeegebied, Azië, Afrika, Oceanië en latijns en Midden-Amerika volgen doorgaans nog het oude patroon.

(3) In de 18de eeuw, en vandaag nog in de sociale categorieën en landen die achterbleven bij het verpreutsingsproces, maakte men een onderscheid

[p. 173]

volgens de leeftijd en de sekse. Tot ongeveer 7 jaar werd geen aandacht besteed aan de seksuele spelletjes. Het al of niet bedekt zijn der genitalia had geen verband met zedelijkheid, wel met standing of bescherming. Na 7 jaar komen er geleidelijk taboes op de naaktheid of de ontbloting, eerst die van het meisje, dan die van de jongen. Stilaan wordt de afstand tussen de jongens en de meisjes groter. Vanaf de puberteit worden de sociale contacten tussen jongens en meisjes beperkt en vertrekt deze omgang van een nieuwe grondslag, onder andere voorwaarden, nl. het voorbereiden van het huwelijk. Geleidelijk gaat hij over in premaritale coitus. Dit patroon is een van de meest universele en het voldoet goed in die gevallen waar de afstand tussen de lichamelijke rijpheid en het huwelijk niet groot is. In deze fase wordt een verschil gemaakt tussen de houding tegenover het meisje en die tegenover de jongen. Men erkent waarschijnlijk impliciet het bestaan bij de jongen van een ‘Leerlaufstadium’ (de ejaculatie is mogelijk maar zij bevat geen sperma) en van het enkele jaren daarna komend ‘Funktionsstadium’ (ejaculatie met sperma).

De beschermende maatregelen waarmede men het contact tussen jongens en meisjes vanaf de puberteit omringde, was ten dele geïnspireerd door de traditionele opvatting dat de seksuele potentie in deze jaren het grootst was. Le Maître de Claville sprak in 1737 van ‘de gevaarlijkste van alle leeftijden’. Buffon vermeldt in 1749 het oordeel van Aristoteles die beweert dat het meisje op de leeftijd van twaalf jaar het meest prikkelbaar is. Volgens Fénelon is ‘la pente aux plaisirs la plus forte pendant la jeunesse’. J.B. Basedow noemt de jaren na de puberteit de ‘gevaarlijke’ jaren. Volgens J.G. Schlosser is de liefde voor het meisje ‘im Jünglingsalter nur zu mächtig’. Deze opvatting is oud. In de chaldeeuwse planetarische indeling en in andere leeftijdsfasenindelingen onder astrologische invloed staat één van de zeven leeftijden van de mens onder de invloed van Venus, nl. de periode tussen 15 en 22 jaar. In W. Shakespeare's As you like it is dit het tijdperk van ‘the lover’. Chrysostomus (347-407) constateerde reeds dat na het vijftiende jaar in de jongeren een sterke seksuele begeerte ontvlamde. Cesarius van Arles (470-543) citeert een soortgelijke uitspraak: ‘ik ben in de bloei van mijn jaren en niet in staat om in onthouding te leven’.

Op het einde van de 18de eeuw begint de opvatting der volwassenen te veranderen. De personen die het progressieve zedelijkheidspatroon voorstaan, erkennen slechts dat de jeugd seksueel is om reden te hebben voor het voeren van een felle strijd. Personen die onrechtstreeks door het nieuwe patroon beïnvloed worden, zoals de medicus M.G. Daignan, verleggen de gevaarlijke periode naar later. Daignan, die uitvoerige tabellen met psychische, morele en fysische kenmerken geeft, situeert de puberteit tussen 15 en 21 jaar; het is ‘l'âge des triomphes et des désirs’. Daarna komt ‘la jeunesse’, van 22 tot 28 jaar; dit is ‘l'âge des plaisirs: l'amour, la sensualité’.

[p. 174]

Premaritale coitus

(1) Theorieën van medici en hygiënisten

In de 18de eeuw werd de theorie over de lichaamssappen van Galenus, Hippokrates, Celsius e.a. nog algemeen aanvaard. Volgens hen moest het lichaam regelmatig van de overtollige dampen, sappen en resten gezuiverd worden. Deze opvattingen leidden tot het erkennen van de noodzakelijkheid winden te laten, geslachtelijke omgang te kennen, te spuwen, op te rispen e.d. Het moderniseringsproces heeft sommige van deze uitingen op een antihygiënische wijze met taboes belegd. In 1660 schrijft J. Van Beverwijck hierover o.m. het volgende (spelling gemoderniseerd): ‘Hiertoe behoort mede het afschieten van het natuurlijk zaad. Want als dit in zijn vaten overvloedig is, zo moet het noodzakelijk bijtijds geloosd worden, ofwel bederven en een venijnige natuur aannemen, inzonderheid bij diegenen die gezond en fris van lichaam, warm en vochtig van complexie zijn, en dienvolgens een overvloed van bloed, hetwelk de materie van het zaad is, hebben’. Men moest dus zijn lichaam ‘rein’ houden, d.i. geslachtelijke omgang hebben of zich desnoods masturberen. Deze reiniging gaat ‘met grote geneugte’ gepaard.

Deze opvattingen van Galenus hebben tot in de 18de eeuw gediend om het bordeel-bezoek en de therapeutische masturbatie te rechtvaardigen.10 Zij hadden ook invloed op de beoordeling van sommige extramaritale seksualiteit. Deze theorie gold des te zekerder voor personen die na een periode van geslachtelijke omgang, ermee ophielden, zoals weduwen en weduwnaars.11 Maar zelfs na een of enkele ejaculaties zou het mechanisme van het lichaam op niet meer te stuiten wijze in beweging gebracht kunnen zijn. De onthouding wordt dus vanaf de leeftijd waarop het semen niet meer noodzakelijk is voor de opbouw van het lichaam, openlijk door de wetenschappelijke autoriteiten schadelijk genoemd. Dit fenomeen wekt verbazing want het is ongewoon dat artsen, levend in een traditioneel tijdperk, met een wetenschapsbeoefening die aanleunt bij de gevestigde waarden, waaronder het monopoliseren van alle seksualiteit binnen het huwelijk, een tegengesteld standpunt verkondigen, waardoor o.m. het celibaat van de roomse geestelijkheid in het gedrang zou komen.12 Over het vraagstuk wordt in de 18de eeuw herhaaldelijk gediscussiëerd maar het antwoord is haast altijd dat onthouding schadelijk is. Zij verstoort het lichaam, veroorzaakt hysterie bij de vrouwen en verzwakking bij de mannen. We staan dus nog ver van de freudiaanse sublimatietheorie. Diderot's oordeel in de Encyclopédie is categorisch: ‘alle practici zijn het er over eens dat de verschillende symptomen van hysterische aandoeningen bij meisjes en vrouwen voortkomen uit het niet gehuwd zijn ... Het heeft geen nut ze te baden, kalmerende middelen te geven. Hun waanzin verdwijnt slechts wanneer ze de overvloedige sappen kunnen afscheiden’. Buffon noemt in 1749 de over-

[p. 175]

vloed aan ‘liqueur de vie’, nl. zaad, schadelijk. Deze ‘liqueur’ is bestemd om van lichaam tot lichaam te gaan. J. Van Beverwijck haalt er zelfs het voorbeeld bij van de spaanse geleerde Michael Verinus die liever dood ging dan cen ejaculatie te kennen. Hij vermeldt nog andere soortgelijke, vandaag uiterst privé genoemde voorvallen om te besluiten ‘dat het wel moeilijk te begrijpen is, hoe sterke en gezonde lieden kuis en eerlijk konden blijven zonder hun gezondheid te kwetsen’. In de eerste uitgave van 1798 had Malthus als oplossing van de bevolkingsaangroei twee middelen aanbevolen, de armoede en ‘le vice’; pas in 1803 voegt hij er een derde aan toe, nl. ‘the moral restraint’.13 Hiertegen wordt echter door zijn vertaler Dr. Hegerisch geprotesteerd: er ‘dringt zich de droeve overtuiging aan mij, den geneesheer op, dat de kuische moraliteit der vrouw ... een misdaad tegenover de natuur is, die zich niet zelden wreekt door de vreeselijkste kwalen’. De progressieve moralisten en seksuele opvoeders die strijd leveren tegen alle niet-genormeerde seksualiteit, erkennen toch de onmisbaarheid van sommige uitingen.

 

- De theorie waarmee men de onthouding afkeurt, dient ook tot het aanprijzen van matigheid. ‘Het zaet is dierbaer nat’, beter dan bloed, ‘want vocht dat menschen teelt is hondert tegen een’, zegt J. Van Beverwijck in 1660. Vooreerst keurt men te veelvuldige omgang af: de Venus nimia verzwakt de mens. Een tweede regel is dat oude mensen door ‘begeerte tot versamelingh’ geen krachten mogen onttrekken die nodig zijn om in leven te blijven. ‘Datgene wat het leven verwekt dient ook om het te behouden’,14 zegt Buffon.15 Tenslotte moet hetzelfde gezegd worden over te jonge personen, die door voortijdige omgang de voor de groei noodzakelijke stoffen aan het lichaam onttrekken. Wie te vroeg paart, vermagert en wordt zelfs kleiner. Uit onrijp zaad worden zwakke kinderen en dus vooral meisjes geboren. Aristoteles had reeds geschreven dat tot op 21 jaar het zaadvocht onvruchtbaar blijft, dat de daarna verwekte kinderen zwakker zijn zoals de eerstelingen bij de meeste dieren en dat degene die te vroeg omgang heeft ook vroeg zal sterven.16 Tot in de 18de eeuw blijft men herhalen dat te vroege seksuele activiteit het zaad doet ontaarden, zodat men verschillende jaren moet wachten om kinderen te verwekken, wanneer men zich in zijn jeugd aan uitspattingen heeft overgeleverd.

Geven de medische autoriteiten ook een nauwkeurige bepaling van de leeftijd waarop de geslachtelijke omgang niet meer schadelijk is? De meeste auteurs wijzen op individuele en soms plaatselijke verschillen. Wanneer ze leeftijden geven voor het huwen, liggen de cijfers voor de man zelden beneden 25 en voor het meisje niet onder 18 jaar. Deze cijfers zijn hoog. Velen huwden op jongere leeftijd, o.m. vorsten en prinsen. Men kan deze cijfers vooreerst begrijpen vanuit het verlangen der medici om zich veilig te stellen, maar men moet ook bedenken dat zij zich uitspreken over de leeftijd waar-

[p. 176]

op men met de meeste kansen op welslagen kan beginnen aan het verwekken van gezonde kinderen, liefst jongens. Zij houden ook verband met de opvatting dat de zedelijke en lichamelijke eigenschappen, verworven door de ouders tot op het ogenblik der bevruchting, voortgeplant worden in de verwekte kinderen. Hoe volwassener de ouders zijn, hoe volmaakter de kinderen. De leeftijd waarop men veilig mocht beginnen met geslachtelijke omgang, niet bedoeld als voortplanting, kon dus lager liggen, maar toch blijft er een kloof bestaan tussen de uitspraken der medici en de leeftijd waarop vele jonge mannen en vrouwen in die tijd seksueel actief waren. J. van Beverwijck beveelt ook aan de studenten de onthouding aan omdat ‘het bijslapen de natuurlijke warmte ontijdig verslindt, het lichaam verzwakt, verkoelt en verdroogt en de behoorlijke wasdom belet, terwijl de zinnen verdraaid worden door de verlokking der wellust’. Deze theoretische, waarschijnlijk pedagogische aanbeveling sluit niet bij het reëel gedrag van de studenten aan.

 

Vanaf de tweede helft der 18de eeuw wordt de veronderstelde schade groter. Het typerende is dat moralisten theorieën ontwerpen die door de artsen overgenomen en als objectief-medisch voorgesteld worden. Hoe verder de seksuele uiting van de morele norm afwijkt, hoe groter de schade en het is de afwijking zelf die de schade verwekt. P. Villaume noemt in navolging van Dr. J. Kaempf het sperma ‘de geestelijke delen van het bloed’. Het is de ‘balsem’, de ‘drijfkracht’ van het bloed; het moet het bloed tegen ‘bederf’ beschutten. Wie het sperma te vroeg afscheidt, ‘doet het bloed in zijn omloop stremmen’. Gaat hij daarmee door, dan ‘vergiet hij tenslotte onvolmaakt zaad en tenslotte zal hij echt bloed uitstorten! Waarlijk, men schrikt!’ In de talrijke verhalen voor de jeugd, in de ‘waarachtige’ voorbeelden vindt men krasse staaltjes van sensationele ziekten ten gevolge van één misstap. De straf volgt het misdrijf op de voet, tenzij men een slepende ziekte voorspelt om diegenen bang te maken die tot dan toe geen schade hadden ondervonden.

Deze duitse protestantse geestelijke spreekt ook over de schade van vroegtijdige ejaculatie zonder sperma bij de vrouw en het prepuberaal kind. Daartoe maakt hij een vaag onderscheid tussen zaad en vocht. De man heeft zaad én vocht. De vrouw en het kind hebben alleen vocht. Maar geleidelijk krijgt het vocht dezelfde eigenschappen als het sperma. Eigenlijk is het geval van de vrouw en het kind nóg erger. ‘Daarbij komt nog dat dit vocht helemaal niet bestemd was om uitgestort te worden’. Deze uitspraken zijn merkwaardig omdat zij in tegenspraak zijn met de medische opvattingen. De artsen aanvaarden soms wel het bestaan van een vrouwelijk semen, maar niet van een ejaculatie die met die van de man gelijkgesteld kan worden. Alleen in sommige ethische en pedagogisch-moraliserende en in enkele pornografische werken spreekt men over een ejaculaat bij de vrouw. P. Vil-

[p. 177]

laume's beweringen komen ook niet overeen met de opvattingen van roomse moraaltheologen. Deze hadden de epicureïsche theorie, die het bestaan van een soort vrouwelijk semen aanvaardde, verworpen en het daarom voor onmogelijk verklaard dat de vrouw de zonde van masturbatie kon bedrijven, ‘omdat zij geen zaad heeft’, een opvatting waarin de rol van het sperma voor de ethiek duidelijk aan het licht komt.17 Naast de uitbreiding van de schade naargelang het de vrouw, het meisje en de knaap betrof, volgt ook een uitbreiding van de periode tijdens welke het zaad en het vocht in rijpende toestand zou zijn. Stilaan verdedigt men hogere leeftijden waarop het raadzaam is te huwen.

De gevolgen worden ook uitgebreid van het betrekkelijk goed controleerbare fysiologische gebied tot het psychologische. Bauer wijst niet alleen op de nooit te bereiken volledige lichamelijke wasdom, ook het karakter ondervindt schade. Daarom zijn er nu zoveel mensen zonder karakter, klare geest en betrouwbaarheid. ‘Der ganze Character von Jugendlichkeit, (wenn man diesem Begriffe ein neues Wort prägen darf) geht... durch vorzeitige Regungen und Befriedigung der Wollust zu Grunde’. Er is geen onbezorgdheid, vrolijkheid, onschuld, zelfvertrouwen, stoutmoedigheid meer, wel zwaarmoedigheid, vitterij, kleinzieligheid, zelfverachting en vrees.

Samenvattend kan men zeggen dat de artsen en hygiënisten in meerderheid een seksuele ‘outlet’ vanaf een zekere leeftijd noodzakelijk vinden maar dat zij de coitus op te jonge leeftijd afkeuren vooral omwille van de mogelijke schade aan de nakomelingschap. Een kleinere groep medici hecht weinig belang aan de schade die de jonge mannen zelf zouden ondervinden; sommigen oordelen zelfs dat er alleen schade is wanneer de coitus op te onstuimige wijze plaats heeft. In de loop van de 18de eeuw komen de theorieën der artsen meer onder de invloed van de beweringen der moralisten.

(2) Opvattingen van filosofen, ethici en opvoeders

Toen leerkrachten van volgroeide jongelingen (‘erwachsenen Jünglinge’) rond 1780 aan I. Kant de vraag stelden of de seksuele omgang voor het huwelijk toegelaten was, antwoordde hij dat de masturbatie in elk geval veroordeeld moest worden omdat zij tegen de natuur is en dat de coitus, hoewel niet tegen de natuur (die zelf de seksualiteit wekte) eveneens moet worden verboden omdat de jongere niet in de gelegenheid is zijn kinderen op te voeden. ‘Zo brengt hij de burgerlijke ordening in het gedrang’. Kant was er de man niet naar om, zoals Pestalozzi zou gedaan hebben, die ‘burgerlijke ordening’ aan te klagen. ‘Het is daarom best, ja het is plicht dat de jongeling wacht’.18 Elders wijst hij op de kloof tussen de lichamelijke en de sociale rijpheid. De jongen is op zijn laatst met 15 jaar seksueel rijp en hij kan pas huwen op zijn twintigste, soms vijfentwintigste jaar. ‘Waarmee vult hij nu deze tussenperiode van een gedwongen en onnatuurlijke onthouding? Nauwelijks anders dan met masturbatie’. De eerste uitspraak geschied-

[p. 178]

de tijdens een discussie gedurende de vier reeksen lezingen die hij afwisselend met andere professoren tussen 1776 en 1787 gaf. Wanneer deze teksten een kwart eeuw later, in 1803, gepubliceerd worden, oordeelt de uitgever het noodzakelijk er in voetnoot aan toe te voegen: ‘maar ook de vage bevrediging van zinnelijke neigingen met het andere geslacht schaadt aan de gezondheid, verhit de verbeelding, stoort de doelmatige arbeid en ondergraaft de moraliteit’. De schade die door de masturbatie verondersteld wordt, is dus uitgebreid tot de premaritale coitus.

Onder de pedagogen verheugt K.G. Bauer er zich over dat, dank zij de invloed van I. Kant, Chr. Garve en andere filosofen, er gelukkig nog geen ‘moralische Erstorbenheit’ bestaat. Zijn tijdperk wordt volgens hem vooral gekenmerkt door een ‘duidelijk bewustzijn, het levendig gevoel van wat verkeerd is’. Het is onrechtvaardig dat vele jonge mannen en vrouwen niet kunnen huwen terwijl de maatschappij hen een stijgend aantal prikkels doet ondergaan. Zijn boek illustreert hij met voorbeelden van jongeren die premaritale omgang hebben, maar niet yan jongeren die zich onthouden. De volwassenen komen aan het woord om het gedrag uit hun jeugdjaren af te keuren, maar voorbeelden van voorhuwelijkse kuisheid worden gezocht bij de Germanen van Tacitus. Ook hij vindt als enige uitkomst uit de onhoudbare situatie het op nog sterkere wijze dan voordien stellen van de eisen der nieuwe zedelijkheid. Het nieuwe patroon der onthouding heeft echter niet alle voorstanders van een nieuwe seksuele moraal overtuigd, vooral niet diegenen die door hun beroep buiten de wereld der burgerij blijven. Zo vaart Chr. A. Peschek fel uit tegen het celibaat en bepleit hij de noodzakelijkheid van een seksuele uiting. De overheid mag niet hele standen zoals de soldaten tot het celibaat verplichten. Het recht van de natuur mag niet tegengewerkt worden. De huwelijksband moet losser gemaakt worden door het inwilligen van echtscheiding, als het beste middel om de wanordelijke extramaritale seksualiteit, het gevolg van een ongelukkig huwelijk, te voorkomen. Bordelen zijn op zichzelf slecht, maar bewijzen toch een dienst tegen de ‘onanistische dwaasheden’.19

De ordestichtende burgerij had reeds herhaaldelijk voorgesteld een zedegerecht op te richten dat bv. de voorechtelijke zwangerschap zou beoordelen. Maar onder C. Beccaria's invloed dringt deze gedachte niet door. Beccaria (1738-1794) vindt het onwijs de ontucht te bestraffen. Zij is een stroom, door geen dam tegen te houden, die alleen moet worden geleid. Men moet vooral inwerken op de oorzaken en niet doen zoals de ‘ouderwetse moraalpredikers’. De ouders mogen hun kinderen niet verbieden te huwen; de armoede en de vooroordelen moeten bestreden worden. J.H. Pestalozzi had in 1780 gevraagd dat men bij de huwelijksafkondigingen op de preekstoel een duidelijk onderscheid zou maken tussen degenen die omwille van zwangerschap gedwongen zijn te huwen en degenen die niet gedwongen zijn. Ook hij verdedigt het idee van een zedengerecht, maar dan in

[p. 179]

een menselijker vorm. ‘Gewissenbeiräte’ moeten een ‘staatliches Seelsorgeinstitut’ oprichten dat o.a. in elk dorp en stadje een ‘Sittengericht’ omvat waar een zwanger meisje in bescherming genomen wordt met als doel het te doen huwen. Maar de verleider mag niet tot het huwelijk gedwongen worden. Dit is in feite de geïnstitutionaliseerde vorm van datgene wat informeel in tal van gesloten gemeenschappen bestaat, nl. de sociale veroordeling van degenen die premaritale omgang hebben die tot zwangerschap leidt, veroordeling die goedgemaakt wordt wanneer de jongere die een meisje zwanger maakt, haar trouwt.

Tien jaar na de publikatie in 1781 van Beccaria's Dei delitte e delle pene verdedigt Peschek nog het strenge zedengerecht. Hij vindt het vooral noodzakelijk op het platteland. Het moet ook controle uitoefenen op de openbare vermakelijkheden en zelfs sommige privé-bijeenkomsten verbieden. Ook op de masturbatie moet toezicht uitgeoefend worden. Een ander voorstel van de originele Peschek is het instellen van een soort proefhuwelijk, een ‘overgangsvorm tussen huwelijk en niet-gehuwd-zijn’. Dit is volgens hem heel goed mogelijk omdat het huwelijk geen sacrament maar een civiel contract is. Het voordeel ervan is dat wat nu in losbandigheid geschiedt daardoor aan regels gebonden wordt. Meisjes ‘die ook uit vlees en bloed gemaakt zijn’ en lang ongehuwd moeten blijven, vergooien zich nu aan de eerste de beste. Door een proefhuwelijk zou er ordening komen. Jongens zien vaak geen kans om dadelijk te huwen en worden trouweloze rokkenjagers. Een proefhuwelijk zou hun helpen en tevens de vrouwen en meisjes beschermen. Het aantal verlaten meisjes zou kleiner worden, de deftige jongens zouden meisjes van lagere stand kunnen krijgen, en die jongens zouden niet teugelloos moeten worden. De seksualiteit zou vooral binnen de natuurlijke grenzen der tijdelijke monogamie gehouden worden. Hoe dit proefhuwelijk geregeld moet worden, kan volgens Peschek nog verder onderzocht worden. Het wordt in elk geval vrij aangegaan en vrij beëindigd. De partners mogen geen bestendige omgang met elkaar hebben. Ieder van hen behoudt zijn eigen naam. Overheid en kerk moeten dit huwelijk garanderen. Het zou een weldaad zijn voor ontelbare economisch nog niet zelfstandige jonge mannen in hun schoonste jaren, ‘waarin hun potentie het grootst is’. Het zou vooral een weldaad zijn voor de maatschappelijke ordening, want wat aan deze jongeren in de regel verboden is, trachten ze buiten de regel te verkrijgen, zodat wanorde ontstaat.

Dit schijnbaar revolutionaire voorstel verwekte in de 18de eeuw niet een storm van verontwaardiging zoals rechter Ben Lindsey's voorstel over het kameraadschapshuwelijk, anderhalve eeuw later. Het plan was trouwens niet nieuw. Graaf Maurits van Saksen20 (1696-1750, buitenechtelijke zoon van Keurvorst August de Sterke van Saksen en Gravin Aurora van Koenigsmarck) had reeds in een boek over het huwelijk, het proefhuwelijk aanbevolen. Rond het einde van de 18de en in het begin van de 19de eeuw

[p. 180]

worden talrijke polemieken gevoerd over de vrije liefde en andere hervormingsvoorstellen voor het huwelijk.21

 

Men kan voortgaan met het opsommen van uitspraken van moralisten-pedagogen en ethici uit Duitsland en Frankrijk. Steeds hoort men hetzelfde: de burgerlijke ordening is bedreigd wanneer men voortgaat met het toelaten van de ongeordende voorechtelijke geslachtelijke omgang. Hier wordt dus de richting der acties van filosofen, pedagogen en ethici aangegeven. Het is opvallend hoe men in die periode een duizend jaar oud gebruik met andere ogen ziet. Het probleem van de kindermoord en van de vondelingen is waarschijnlijk niet plots bijzonder groot geworden, maar ook deze eeuwenoude feiten is men gaan zien als een probleem dat men tracht op te lossen. Het optimistisch geloof in de vooruitgang, de zucht naar verbetering van de mens en van de maatschappij, de humanitaire stemming van de eeuw die zichzelf een pedagogische eeuw noemt, verklaart veel. Waarom zou men niet de seksuele wanorde, de onzedelijkheid, de sociale. plaag van de kindermoord en van de vondelingen bestrijden, wanneer rechtsgeleerden, politici, wijsgeren, letterkundigen, hygiënisten en artsen zich met bijna messianistische verwachtingen werpen op de strijd tegen de geestelijke en zedelijke verwaarlozing, de armoede, de slecht ingerichte armenzorg, de onrechtvaardige straftoemeting en de onmenselijke strafberechting. Men ijvert voor betere scholen, voor betere voeding, kleding, opvoeding van het kind. Men legt zich niet meer neer bij de onontkoombaarheid van het lijden en de ziekte. De hygiëne wordt verbeterd. Men wil de economie, de demografie, de staatkunde veranderen. Men voelt zich verantwoordelijk voor het lot van de vrouw, het kind, de blinde, de doofstomme, de gebrekkige, de slaaf, het dier. Ongeveer alle waarden van de gevestigde maatschappij, de kerk, de godsdienstzin, de staat, het vorstendom, de adel, het huwelijk, de liefde worden aan kritiek onderworpen. Men gaat op zoek naar historische dwalingen en twijfelt aan het gezag van Aristoteles en Plato. Officiële en semiofficiële organen worden opgericht, gezelschappen gesticht, prijsvragen uitgeschreven. Zovelen voelen zich filosoof genoeg om nieuwe ontwerpen van de mens en de maatschappij te maken en te goochelen met de omgeving en de mens.22

In deze opvoedingsdrang, in deze vervoering met eschatologische uitzichten, in dit sentimentsvol humanitarisme wordt ook de seksuele ellende betrokken. In deze wereld waarin velen zich graag aanstelden als een kleine verlichte despoot was er plaats en gehoor voor mensen die dweepten met de filosofie, bestond er belangstelling voor slagzinnen en wazige gedachten en geestdrift voor degenen die openlijk ketterden en zich tegen alle dwang verzetten. Cerebrale of sentimentele benaderingen van reële problemen waren haast een gezelschapsspelletje geworden. Men toonde ‘een teeder medelijden over den staat des gemeenen mans’, men gaf toneelvoorstellingen ten voor-

[p. 181]

dele van de arme zogende moeders, men liet zijn gemoed de vrije teugel in waanbeelden omtrent de natuur, ‘le bon villageois’, le bon sauvage, de serene boer. Deze algemene ‘nervositeit’ bracht op drift wat voordien vast zat en verwekte een ongenoegen, een onzekerheid, een ontmoediging soms, waardoor stevige burgerlijke waarden aan aantrekkingskracht wonnen. De resultante uit deze verschillende en soms tegengestelde krachten wees in de richting van een toenemende beheersing door de ordebrengende burgerlijke idealen. Voor het seksuele lagen deze waarden sinds lang vast. Maar op geen enkel ogenblik was de toestand wellicht zo gunstig om door middel van de machtiger wordende hulpmiddelen het afwijkende gedragspatroon in overeenstemming te brengen met het ontworpen model.

De burgerij geeft de indruk de mensheid te vertegenwoordigen, universeel of minstens europees te zijn, de hele maatschappij in haar belangstelling te betrekken. Maar zij spreekt vooral over háár belangen en waarden. Sprekers en toehoorders, schrijvers en lezers zijn hoofdzakelijk burgers die vanuit talrijke soms verafliggende contactpunten voeling met elkaar hebben zodat ze zich machtig wanen, machtig genoeg om de maatschappij te modelleren naar hun zin. Ethici, opvoeders, professoren, leraars en studenten komen uit dezelfde middenklasse. Er ontstaat een ‘cultural lag’: de burgerij distancieert zich van de zeden uit haar eigen verleden en wil of kan de zeden van de andere klassen, vooral van de lagere klassen waaruit zij zelf voortkomt en waarmee zij minst van al vereenzelvigd wil worden, niet meer begrijpen. Ze moet er zich tegen afstoten om zichzelf als klasse te bevestigen.

Er zijn stabiele eeuwen waarin weinig beweegt. Daar spreekt men zelden over toenemende onzedelijkheid. Maar zodra er een versnelling ontstaat, een beweging in de sociale krachten, zodra een nieuwe klasse zich wil vestigen, wordt het oudere ‘in Frage’ gesteld. Dat gebeurt in de tweede helft van de 18de eeuw. De oplossing van het probleem dat men stelde kon in twee richtingen gezocht worden. J.H. Pestalozzi, Chr. A. Peschek, en enkele anderen eisten een ordening van de seksuele uitingsmogelijkheden van niet-gehuwden. M.A. von Winterfeld, een ‘Hauptmann’ van het pruisisch leger, betreurt dat op het platteland vele ongehuwden de coitus interruptus toepassen om de zwangerschap te vermijden. Daaraan hebben schuld, ‘bij ongehuwden, de niet te verhinderen vrije omgang van de beide geslachten met elkaar; de verbodsbepalingen tegen de hoererij en de straffen die er in menige plaats op staan; het schelden en duivelen van domme geestelijkheden over diegenen die buitenechtelijke kinderen hebben ...’ Von Winterfeld heeft meer contact met de realiteit dan de wereldvreemde moralisten; zijn milieu staat ook achter op het verpreutsingsproces. Hierdoor kan men zijn kritiek en de oorspronkelijkheid van zijn voorstellen verklaren. De wisseloplossing vindt men bij J.H. Campe (zie de bespreking van ‘Theophron’) of bij P. Villaume. Deze geeft als formule voor ‘de liefde tussen de beide geslachten: scheiding, verwijdering, arbeid!!’ Dit zeer victoriaanse voor-

[p. 182]

schrift is de verplaatsing naar het ethische vlak van de ‘social change’. De opvattingen van deze vooruitstrevende moralisten en opvoeders verschillen duidelijk van de officieuze opvattingen van de moralisten die te midden van het volk leefden en van de gangbare mening van het volk. Het kan er de schijn van hebben dat de oude ethische norm realistischer was en dat de nieuwe in de lucht zweeft. Door zo te oordelen miskent men de verbanden tussen enerzijds beoordeling van de voorechtelijke omgang en anderzijds de sociale functie van het gezin, het huwelijk, de vruchtbaarheid, de waardering van de seksualiteit, de aard van het huwelijk (monogaam of niet, conjugaal of niet, gebaseerd op passie-liefde of niet), de grondslag waarop het huwelijk gesloten wordt (economische transactie), unieke liefdebeleving, de voorwaarden van de partnerkeuze (roof-, koophuwelijk; beslissing door de ouders of niet), de waardering van de maagdelijkheid, theorieën omtrent het verwekken der kinderen, wettelijke bepalingen, godsdienstige voorschriften, enz. Het nieuwe zedelijkheidspatroon hangt samen met het huwelijkstype van de opkomende burgerij. Men mag dus niet alleen spreken van een toenemende moralisering maar ook van een sociale verandering waaruit nieuwe morele eisen voortvloeien.

(3) Beoordeling door de christelijke kerken

De opvatting van de christelijke kerken over de voorechtelijke coitus is duidelijk: het is een zonde, soms een doodzonde, die met zware sancties bestraft kon worden. Toch bestaan er, ondanks de onmiskenbare stellingname der kerken, nog in de 20ste eeuw sociale groepen die zichzelf christelijk noemen, andere normen volgen en deze zelfs openlijk verdedigen. We moeten het voor waarschijnlijk houden dat de kerk de situaties niet heeft kunnen wijzigen zoals zij dat wenste. Leest men het artikel ‘fornication’ in de Dictionnaire de théologie Catholique dan constateert men dat sommige christelijke secten de vrije liefdesverhoudingen niet afkeurden en dat de premaritale coitus tenminste in sommige perioden en gewesten slechts een klein vergrijp was, waarvoor men een kleine boete verschuldigd kon zijn. Hiermee beweren we niet dat de kerken niet gepoogd hebben in sommige perioden en onder de invloed van enkelingen deze toestanden te kerstenen. Doordat deze pogingen slechts gedeeltelijk succes hadden, blijven gedurende vele eeuwen, en feitelijk tot op vandaag, verschillende normsystemen naast elkaar bestaan. De situatie wordt nog ingewikkelder wanneer men bedenkt dat tot in de 16de-17de eeuw de overgang tussen niet-gehuwd en gehuwd zijn, niet duidelijk afgebakend was. Er bestonden verschillende soorten huwelijk, onder meer het vrije huwelijk, aangegaan door de jongeren, gewoon door onderlinge toestemming, zonder dat daarbij de toestemming der ouders, een kerkelijke inzegening of een burgerlijke formaliteit te pas kwamen. Hierdoor worden de grenzen dus vervaagd zodat men het begrip premaritaal niet duidelijk kan afbakenen. Over de premaritale

[p. 183]

seksualiteit vindt men weinig gegevens in het werk van Thomas Aquinas.23 Volgens het middeleeuws canoniek recht gaven verloofden die seksuele omgang hadden daardoor hun wil tot huwen te kennen. Het duurt waarschijnlijk tot in de 16de eeuw vóór de kerken een duidelijke strijd tegen de voorechtelijke omgang voeren. De acties der godsdienstige groepen waren gericht op twee doelstellingen:

- Het verminderen van het belang der verloving en het doen erkennen van de primauteit van het huwelijk. De huwelijksplechtigheid was nog in de 17de-18de eeuw slechts een formaliteit die na de veel belangrijker verloving kwam. Deze toestand betekende (1) dat de kerken die wél betrokken werden bij het huwelijk maar niet bij de verloving, graag de schaal deden overhellen in de richting van de alleengeldigheid van het huwelijk, en (2) dat men door deze acties alle seksualiteit binnen de perken van het huwelijk wilde monopoliseren. Aanvankelijk kon de kerk deze eisen niet sterk uiten. Tertullianus zei in de eerste eeuwen bv. dat de kerk de niet-ingezegende huwelijken niet verbiedt maar wel afkeurt. Na een langzame ontwikkeling wordt het huwelijk pas in de twaalfde eeuw als sacrament erkend. Op het concilie van Trente, 1563, moet deze stellingname nogmaals uitdrukkelijk bevestigd worden. Hierdoor werd het mogelijk om strenger op te treden. De provinciale synode van bv. Aix in 1585 ‘slaat in de ban van de kerk en bestraft met andere straffen de verloofden die vóór hun huwelijksplechtigheid samen enige criminele handeling bedreven hebben’. Luther steunde aanvankelijk het ouderlijk gezag tegen de kerk in. Bijslaap maakte de verloofden ‘voor God’ tot een echtpaar. Hij bestreed wel de geheime verlovingen, wat dus een aanvaarding van het bindend karakter der verloving betekende. Maar vele protestantse kerken namen besluiten waardoor het belang van de verloving verminderd werd. Een van de resultaten van deze strijd was dat de duur en de seksuele activiteiten gedurende de verloving gereglementeerd werden. Het volk vroeg soms een proefhuwelijk van één jaar, maar de kerken beperkten deze periode.24

- De huwelijken aangegaan zonder de toestemming der ouders werden bestreden. Reeds in het Eeuwig Edict van Karel V worden straffen vermeld tegen de ‘heymelijke houwelijcken’ van de jeugd. Herhaaldelijk moet men nieuwe verordeningen uitvaardigen. Etienne Pasquier, een verdediger van het gezag van de pater familias, verzet zich tegen de kinderhuwelijken die soms door geestelijken gelegitimiseerd worden tegen de wil van de ouders in. Er is niet veel bekend omtrent het slagen van deze acties. Wel is het een feit dat de kerkelijke en de wereldlijke overheid meer en meer het toezicht over de verloving en het huwelijk aan zich hebben getrokken. Maar in de 18de eeuw zijn daarover nog vele conflicten gaande, vooral in de protestantse landen en speciaal in de boerengewesten waar de behoudsgezinde landbouwers en veetelers zich tegen een toevallig actieve dominee of bisschop verzetten. Evenmin kan men zeggen in welke mate de kerkelijke strijd

[p. 184]

om de voorechtelijke omgang te beletten, slaagde. Het is niet onwaarschijnlijk dat plaatselijk en tijdelijk enige verandering in het gedragspatroon werd bereikt. Maar belangrijke wijzigingen in het gedrag schijnen slechts op te treden ten gevolge van factoren zoals de sociale desintegratie, de industrialisering en de urbanisering. Uit het voorhuwelijks seksueel gedrag van de adel, de soldaten, de boeren, de studenten in de 18de eeuw kan men moeilijk afleiden dat het op essentiële wijze door het christelijk-moreel systeem werd bepaald.

(4) De gangbare opvattingen

Om het oordeel van de verschillende standen over de premaritale omgang weer te geven, kan men zich behelpen met een attitudeschaal van vijf punten, gaande van volledige goedkeuring tot totaal verbod.

1 Volledige goedkeuring: elke beperking ontbreekt, d.i. de jongeren beginnen vanaf om het even welke leeftijd seksuele daden te stellen; het aantal partners is niet beperkt. De volwassenen oefenen geen toezicht uit maar treden als raadgevers en helpers op. Soms wordt op de jongeren die aan de activiteiten niet zouden deelnemen sociale druk uitgeoefend. Er worden ook materiële voorzieningen getroffen om de omgang beter mogelijk te maken, zoals het bouwen van een jongerentehuis.

2 Aanvaarding van de voorechtelijke omgang mits zekere beperkingen: men verbiedt bv. te grote promiscuïteit, te vroegtijdige omgang, te veelvuldige of prostituele omgang, te snelle evolutie van precoitale naar coitale omgang; er is sterke controle door de jongerengroep, soms enige controle door de volwassenen en sociale druk op degenen die niet aan de activiteiten deelnemen; het contact vindt in al of niet geïnstitutionaliseerde vormen plaats.

3 Het aantal der beperkingen wordt groter zoals de afkeuring van de omgang met een andere partner dan de verloofde, afkeuring van het in de steek laten van een zwanger meisje, afkeuring van te snelle overgang van necking naar petting en coitus; het testen van de vruchtbaarheid wordt in feite aanvaard hoewel het niet openlijk verdedigd wordt; de betrekkingen vinden plaats in zwak geïnstitutionaliseerde vormen.

4 Negatieve houding: de voorechtelijke omgang wordt mild veroordeeld als het uit zwakheid toegeven aan een te sterke drang; het voorechtelijk gedrag wordt gekanaliseerd in stereotypieën die in overeenstemming zijn met het ideaal der onthouding; de omgang die toch plaats heeft, geschiedt in het geheim; wanneer deze ontdekt wordt, is er niets onherroepelijks gebeurd maar werd schade toegebracht aan de ‘goede faam’; in geval van zwangerschap voelen de betrokkenen en hun ouders zich zeer onaangenaam getroffen.

5 Volledig verbod op elke vorm van voorechtelijke seksualiteit.

Vooreerst moet aangestipt worden dat de attituden 1 en 5 slechts in theorie

[p. 185]

bestaan. Een volledig verbod op alle seksuele activiteiten wordt soms opgelegd, maar werd in geen enkele maatschappij doorgevoerd. Zelfs de zwaarste straffen op de premaritale coitus hebben niet belet dat de norm werd overtreden. Anderzijds is de absolute vrijheid eveneens een utopie. Het gaat bij het premaritaal contact om meer dan seksuele ‘outlets’. ‘Courtship is play, a game; even its combats are often to a large extent, mockcombats; but the process behind it is one of terrible earnestness, and the play may at any moment become deadly’ (Hav. Ellis). Zelfs bij zgn. volledige vrijheid wordt de keuze van de partners nog vooraf of achteraf, rechtstreeks of onrechtstreeks beïnvloed. Elk vrijen impliceert een markt, dus een mogelijke organisatie en dus ook regels.

 

Welke houding nam men in het westen aan? Een antwoord op deze vraag moet onderverdeeld worden volgens de periode, de sociale klasse, de leeftijd en de sekse van de betrokkenen. Vooruitlopend op wat we hierna in detail beschrijven, kunnen we voor de 18de eeuw zeggen:

-In de deftige burgerij is de attitude 5 het ideaal. De praktijk schommelt dikwijls tussen type 3 en 4.
-De adel huldigt als ideaal het type 2 en de praktijk schommelt tussen 1 en 2.
-De jonge boeren en boerinnen hebben als ideaal het type 2 bij de veetelers wier vee tijdens de zomer in het hooggebergte verblijft en de types 3 en 4 bij de landbouwers. Slechts in de 19de en 20ste eeuw komen zij onder invloed van het type 5.
-De meerderheid der studenten aanvaarden tot in het begin van de 20ste eeuw het type 2 zowel als ideaal als in de praktijk. Een kleine elite maakt hierop vooral sinds het einde der 18de eeuw een uitzondering.
-De grote groep van degenen die niet of zeer laat huwen (soldaten, dienstpersoneel, boeren, geleerden, enz.) hebben een gevariëerd seksueel gedrag, gaande van type 2 tot 5.

 

De leeftijd waarop men aanvaardt dat iemand seksuele omgang kent, staat in verband met de mate waarin de jongere beïnvloed is door het infantilisatieproces. Daarom zijn de jonge adel, de boeren, de handwerkers en de soldaat seksueel actief op jongere leeftijd dan de jongeren der burgerij. We stellen ook vast dat in alle standen de zonen een grotere vrijheid krijgen dan de dochters. Of er een verband bestaat tussen godsdienstige opvattingen en seksueel gedrag kan men moeilijk aantonen, behalve bij enkele kleinere en overtuigde secten zoals de piëtisten.25 Personen die een behoorlijk godsdienstig leven willen leiden, klaagden er bij J. Gerson over dat ‘het hen onmogelijk was kuis te leven’. In een andere passage vernemen we de gangbare mening ‘de jonge jaren moeten voorbijgaan; en wat er gebeurt is de kleinste zonde die er bestaat’ (y falloit que jeunesse passas; et que c'estoit le

[p. 186]

moindre pechié qui feust). Deze teksten uit de 15de eeuw drukken de houding uit die men ook in de volgende eeuwen aantreft. Vooreerst wordt beklemtoond dat de voorechtelijke onthouding niet mogelijk is. De levensregel van Erasmus en van andere bedachtzame mensen was ‘si non caste, tamen caute’, indien niet kuis dan toch voorzichtig. Hiermee houdt de gedachte verband dat de onthouding schadelijk is. Nog op het einde van de 18de eeuw vertelt Peschek dat heel het volk, zowel de hogere als de lagere standen, het vooroordeel huldigt dat onthouding schaadt. Dit wordt ‘voor blote waarheid erkend’. Zelfs artsen steunen deze opvatting met hun gezag.26 Peschek geeft, ondanks zijn kritiek, zelf toe dat een seksuele uitingskans voor ‘junge Leute’ soms noodzakelijk is, al mag men er geen algemene regel van maken. Buffon beweert dat een te langdurige onthouding ziekten, stoornissen en begeerten veroorzaken waartegen de rede en de godsdienst nauwelijks bestand zijn. Goethe heeft, zoals vele jongeren, een Bettschatz; zijn moeder weet het. Hij zelf oordeelt ‘jong is jong’, en aangezien de mens nooit helemaal de baas van het lichamelijke wordt, maakt het een geweldig verschil of hij in zijn lichaam een bondgenoot of een tegenstander vindt. Samenslapen vóór het huwelijk wordt door hem waarschijnlijk bepleit in de woorden ‘daarom moet diegene die zich voor eeuwig bindt, proberen of hart bij hart past’ (‘drum prüfe, wer sich ewig bindet ob sich das Herz zum Herzen findet’).

Het andere argument uit de 15de eeuw was ‘dat de jonge jaren voorbij moeten gaan’. Deze opvatting vindt men terug tot in de 20ste eeuw. Men moet ‘zijn wilde haren kwijt spelen’ wanneer men jong is, anders komen de moeilijkheden op een latere leeftijd. Hieraan wordt de gedachte gekoppeld dat de jeugdjaren, prettige jaren moeten zijn. De Engelsman Steele noemt in 1711 de voorhuwelijkse jaren ‘the best years of our life’; het zou dwaas zijn die periode niet lang te laten duren. In Duitsland zei men ‘jung gefreit, nie bereut’.

En het oordeel van het volk over dit gedrag? We lezen het nogmaals bij Gerson: ‘het is de kleinste zonde die bestaat’. Voorechtelijke omgang werd inderdaad milder beoordeeld dan niet-huwen of dan gehuwd zijn en geen kinderen hebben. Rousseau zegt dat de ‘gouverneur’ voor zijn leerling een uitingskans zoekt. Hij zelf werd in de geslachtelijke omgang op 21-jarige leeftijd ingewijd door de 35-jarige Mme de Warens. Wanneer hij in Parijs of Venetië verbleef, brachten zijn vrienden hem naar de courtisanes.27 De mentaliteit in het Nederland van de 18de eeuw wordt in de Spectator getypeerd: ‘Een man, die de kuischheid met voeten treedt, wordt versierd met den zwierigen naam van een hoflijk en galant man, ten minste zoolang hij ongehuwd is. Doch een eerbaar jongeling, al was hij begaafd met de treflijkste hoedanigheden, indien men bespeurt, dat hij alle aanleiding tot onkuischheid tracht te mijden en zijne driften te beheerschen, wordt voor een koelen bloed en voor een nul uitgekreten.’ Noemde men in de 17de eeuw

[p. 187]

de volwassen jongelieden niet ‘vrijsters en vrijers’? Een van hun vermaken was: ‘Mit een schuytje over het meertjen, Mit een moy meisjen in dat riet...’

 

In alle Europese landen vindt men een soortgelijk gedrag. Wanneer Rousseau de onthouding vóór het huwelijk eist, voegt hij erbij dat deze kuisheid niet ‘het voorbeeld is dat in zijn jeugd gegeven werd’. Dit ideaal is ‘een opvatting die tegengesteld is aan onze zeden’. In Engeland schrijft Alexander Niccholes, uit de 17de eeuw, dat ‘the forward virgins of the day’ geloven dat de maagdelijkheid iets is dat vroeg moet worden vergeten, liefst op 14 jaar en beter nog op 13. Rond dezelfde tijd betreurt Philip Stubbes dat ‘every sawcy boy of ten, fourteen, sixteen or twenty years’ erop uit is een vrouw te pakken te krijgen en haar te huwen, zonder vreze Gods.28 Bij de viering van de meiboom wordt er gekust en gevrijd, en van de meisjes die daarna de bossen intrekken, keert volgens zijn schatting slechts een derde maagdelijk huistoe.

Het beste bewijs van de ruime verspreiding van de premaritale coitus vinden we in half-officiële en geïnstitutionaliseerde vormen van contact die in grote gebieden van Europa bestaan. Alvorens deze te bespreken, zoeken we een verklaring van het traditionele gedragspatroon. De verspreiders der nieuwe zedelijkheid hadden moeite om te begrijpen dat het gedrag dat zij afkeurden, niet onzedelijk was. Zij hadden geen zicht op de samenhangen tussen de voorechtelijke omgang, de socio-economische toestand en de opvattingen van de mensen. Elke periode en soms zelfs elke groep, heeft een eigen opvatting van de wereld en het leven, een eigen ontologie en cosmologie. De vernieuwers van de moraal stootten op een bevolking die in de 18de eeuw de natuur meer zag als één geheel, een opvatting die o.m. de vooruitgang van de analytisch werkende wetenschap gehinderd heeft. Volgens deze opvatting bestaat er een solidaire samenhang tussen natuur en bovennatuur. De mens moet de tekens die in de natuur verborgen liggen, begrijpen. De natuurverschijnselen zelf vormen een ketting. Eenzelfde wet regelt de loop der sterren, de cyclus der seizoenen, de cyclus der levensfasen, de werking van het lichaam. Het leven moet zijn loop krijgen, van geboren worden tot sterven. Leven wil zeggen, positief deelnemen aan de organisch-samenhangende wereld. Het lichaam wordt niet tegengesteld aan de geest. De functies van het lichaam zijn nog niet in losstaande stukken geanalyseerd. De seksuele drang is endogeen en niet te scheiden van andere behoeften. De ejaculatie, die men soms ook bij de vrouw veronderstelt, is een van de vele afscheidingen van vochten. De genitalia zijn geen zelfstandig orgaan. De seksuele onrust is te vergelijken met andere stemmingen die de mens overvallen en waarvoor hij niet verantwoordelijk is. De passies kunnen niet moreel beoordeeld worden want zij zijn het gevolg van de werking van blinde, mechanische krachten zoals de voeding, de seizoenen en soms liefde-

[p. 188]

filters. Door veel wilskracht kan de mens ze enigszins beheersen, er greep op krijgen, zonder ze echter uit te roeien. De seksuele drang wordt niet uitsluitend aangezien als een op lustbevrediging gerichte en nogal autonome behoefte, maar als een onderdeel van datgene wat de man naar de vrouw drijft, datgene wat dient ter voortplanting, datgene wat het huis met nakomelingen vult. Een afzonderlijke seksuele ethiek bestaat niet, evenmin als er een wezenlijke scheiding bestaat tussen natuur- en zedenwet. Deze opvattingen vindt men terug in de volksgebruiken, de gepopulariseerde voorschriften der hygiëne en het bijgeloof. Zelfs de geleerden zijn er niet helemaal van losgekomen.

Voor de gewone man van de 18de eeuw is de wereld dus een fluïdum waarin niets duidelijk is afgebakend. De inwerking van de zintuigen is nog globaler. Horen, ruiken, tasten en zien, vormen een onduidelijk geheel. Het innerlijke van de mens is vaag van structuur. Het is nog niet duidelijk afgescheiden van de omgeving. Er is minder scheiding tussen binnen en buiten, tussen gedachten en dingen, tussen bewust en onbewust. Het ‘self’ is weinig ontwikkeld. Zolang de individuatie weinig gevorderd is, kan men moeilijk aan iemand doen geloven dat de drijfveren van zijn daden, en dus ook de verantwoordelijkheid ervoor in hemzelf liggen. Zijn gedrag wordt van buitenaf geregeld. Hij heeft niet de indruk dat de wilsbesluiten, de begeerten en strevingen hun oorsprong in de mens vinden. Hij is seksueel, daaraan is niet te ontkomen, tenzij men abnormaal is of van God een magische, sacramentele kracht krijgt om in onthouding te leven. En zelfs aan dit celibaat wordt niet te veel geloof gehecht; het seksuele schijnt soms machtiger dan de genade. Zelfs de heiligen hadden er bestendig mee te kampen. In deze periode van pre-individuatie (of van pre-individualisme om in plaats van de psychologische, de sociologische term te gebruiken) is er geen grote tegenstelling tussen individu en maatschappij. Niet de enkeling lost zijn seksueel probleem op, hij schikt zich in de oplossingen die in zijn maatschappij bestaan. De pedagogische schrijvers van de tweede helft der 18de eeuw spreken bijna steeds over de onzedelijkheid in groepen, een groep soldaten, internaatsstudenten, herders, herderinnen.

In de onderste bevolkingslagen van het westen en in afgezonderde relictgebieden vindt men vandaag nog overblijfselen van dit substraat dat misschien duizenden jaren oud is. Gedurende de hele westerse geschiedenis kwamen de elitegroepen het eerst tot een andere visie op het leven en een andere opbouw der persoonlijkheid: groepen van wijsgeren en door hen beïnvloede personen in de Griekse en Romeinse oudheid, de elite van godsdienstig beinvloede groepen in de middeleeuwen, klerken en geletterden van de late middeleeuwen en de renaissance. Eerst vanaf de tweede helft der 16de eeuw krijgt het nieuwe type een grote verspreiding. Maar al liggen er slechts twee eeuwen tussen de 20ste en de 18de eeuw, - de afstand is te klein om gemakkelijk te begrijpen hoe totaal de mens van de 18de van de huidige ver-

[p. 189]

schilde - toch mag men niet vergeten dat de mens op ingrijpende wijze gedurende die twee eeuwen veranderde onder invloed van de veranderde materiële omstandigheden, van een langdurig onderwijs, van een letterkunde die zich ook richtte tot de gewone man, van een zich uitbreidend staatsbestel, van de ontelbare verenigingen, van de staatkundige, godsdienstige en morele acties, van de toenemende sociale en geografische mobiliteit. De huidige ‘proletarische achterhoede’ leeft volgens een model dat vele gelijkenissen vertoont met het patroon van de meerderheid der mensen uit de 18de eeuw. Een godsdienstig-moreel-pedagogische werking kon slechts invloed hebben wanneer de mensen anders gingen wonen, zich anders kleedden, andere opvoeding ontvingen, meer wetenschappelijk inzicht kregen waardoor het bijgeloof verdrongen werd, andere betrekkingen tot zichzelf en tot de medemens kenden.

(5) Invloed van het huwelijk op het voorechtelijk gedrag

Het probleem van de voorechtelijke omgang kan niet los gezien worden van het huwelijkstype. Het zou zich anders stellen wanneer het bv. zou gaan om kinderhuwelijken. Deze in de 18de eeuw minder voorkomende gewoonte kende in vroegere eeuwen een zekere verspreiding. Het gebeurde dat de huwelijkspartners elkaar vóór de dag van hun huwelijk niet hadden gezien. In dit geval zouden we alleen kunnen spreken over een mogelijke omgang met andere partners. In vele gevallen deden de ouders de partnerkeuze. Hierdoor veranderde eveneens de aard van het voorechtelijk gedrag. Deze geschiedde doorgaans op grond van economische overwegingen. De rijkere boeren brengen vee en akkers samen; de echtgenote moet in de eerste plaats boerin zijn, meesteres van de hof; de liefde blijft daaraan ondergeschikt. Vorsten brengen landen en gewesten samen. De adel sluit soms een geldhuwelijk met de burgerij, de burgerij een titelhuwelijk met de adel. Het belang dat men aan de vruchtbaarheid hechtte beïnvloedt eveneens de premaritale fase: tot op het einde van de 19de eeuw is waarschijnlijk een derde tot de helft van alle geboorten buitenvoorechtelijk of voortijdig. Een deel van deze zwangerschappen was bewust gewild.

Naarmate het huwelijk meer conjugaal wordt, d.i. gesteund op de wederzijdse liefde en waardering van de individuele eigenschappen van de partner, daalt de beïnvloedingskans der ouders en verandert de aard van de premaritale periode. De partners kunnen er in dit geval naar streven geen omgang te kennen met anderen en zelfs de eerste omgang uitstellen tot na de huwelijkssluiting. Belangrijk zijn ook de gebruiken en gewoonten die het sluiten en het ingaan van het huwelijk regelen. Wanneer bv. aan het huwelijk zelf minder belang gehecht wordt dan aan de handslag, het afsluiten van het contract en de verloving, dan is de grens tussen gehuwd en nog niet gehuwd zijn minder goed afgebakend en zelfs verplaatst. Ook het verschil in huwelijksleeftijd der partners is belangrijk. Wanneer het meisje bv. huwt op

[p. 190]

14-15 jaar en de man op 30, zal het patroon van hun beider voorechtelijk gedrag verschillen.

 

In alle variaties vinden we dezelfde kern terug: de ouders dulden vrijheid maar wensen zekerheid omtrent de huwbaarheid en de huwelijkskansen van hun kinderen omwille van de grote belangen die op het spel staan. Dit misschien wel universele streven heeft ook het westers voorechtelijk gedrag bepaald. Dit patroon is het best gekend voor de landbouwgewesten waar het gedurende vele eeuwen weinig veranderingen onderging. Daar de landbouwers tot in de 18de eeuw 80 tot 90 % van de bevolking der continentale landen uitmaakten en vele stadjes een agrarisch karakter hadden, is dit patroon veruit het meest verspreide. Men kan er drie stadia in onderscheiden. De huwelijksmarkt wordt verkend tijdens de wervingsperiode; daarop volgt de verloving met de geschikt bevonden partner; het huwelijk is de ceremonie waardoor het geheel wordt afgesloten. De eerste en de tweede fase zijn gekenmerkt door een geleidelijke overgang van korte relaties met talrijke partners naar exclusiever en langduriger omgang. In de eerste fase wil men vooral zekerheid krijgen omtrent wie met wie is. Geleidelijk wordt de controle strenger en de sociale sancties tegen diegenen die paren zonder werving, of buiten de regels en het toezicht van de jongerengroep om, zijn soms streng. De jongere kon slechts vrijheid krijgen indien hij zich aan de regels onderwierp. De regels waren erop gericht de verhandelingen van de huwelijksmarkt ordelijk en min of meer openlijk te doen verlopen. Was na een fase van verkenning en werving, de verhouding tussen een jongen en een meisje vast (‘gewiss’), dan wist heel het dorp het en waren de betrokken ouders doorgaans akkoord. Was een verhouding eenmaal vast, dan bestond er weinig kans dat zij zou worden afgebroken, tenzij men dacht dat het meisje onvruchtbaar was. In deze toestand van zekerheid omtrent een a.s. huwelijk, was de voorechtelijke omgang niet het te vroeg prijsgeven van iets onherstelbaars, maar het bevestigen van het succes bij de werving, het in bezit nemen van het veroverd gebied en het testen van de vruchtbaarheid. De openbaarheid die, hoewel niet formeel, toch in overeenstemming was met de gewoonterechtelijke toestand, was een waarborg die in de huidige tijd slechts door het formeel huwelijk verkregen wordt. Het afsluiten der werving geschiedde door een openlijke bevestiging (Ja-Trunk, handslag, ja-öl). Hiermee bedoelden de ouders dat de onderhandelingen afgesloten waren, dat de overeenkomst vastgelegd was. Een officieel huwelijk of een officiële verloving was onder deze omstandigheden, waarin de kern een transactie was tussen twee families en dus eerder een privé-aangelegenheid dan een zaak die de kerk of de maatschappij aanging, van bijkomstig belang. Dit huwelijk kon slechts de bestaande toestand bevestigen. Het kon een waarborg méér zijn, maar deze werd vooral geëist door degenen die meer invloed op het volk wensten, aanvankelijk de kerken, later de staat. Voor het

[p. 191]

volk was dit huwelijk slechts een definitieve ‘traditio puellae’, het overhandigen van de vrouw aan de man, en het begin van het soms afzonderlijk (neolocaal) wonen. Enkele maanden nadien was het soms reeds een gezin. De premaritale coitus was dus subsidiair ten opzichte van datgene wat reeds was vastgelegd, de bevestiging van de consensus matrimonialis. Het ‘op proef liggen’, het ‘gaan proberen’ was niet het begin van een relatie maar vloeide uit de andere regelingen voort. De toestemming der ouders voor het nachtbezoek was daarom onontbeerlijk, niet omwille van de seksuele maar van de economische implicaties.

Eeuwen lang hebben de kerken conflicten met het volk gehad omdat zij aan het huwelijk dé grote waarde toekennen. Totnutoe had de kerk slechts de plechtigheid die de zaak afsloot in handen. Een eerste bevestiging van de sacramentele aard van het huwelijk was het trouwen wat eerst vóór de kerkdeur (ante foras ecclesiae) plaats had binnen in de kerk te doen gebeuren. Maar dit was niet het belangrijkste. De verloving moest gedevalueerd worden zodat de inzegening plaats kon vinden vóór de paring, die het ‘Realmoment’ van de ‘Konsensehe’ was en er een juridische betekenis aan gaf. De coitus was de bevestiging die het hoogtepunt van de werving, nl. de handslag, de Handgabe afsloot. Het huwelijk betekende de legitimatie van de gevolgen van de coitus.

De langzame evolutie is in de 18de eeuw nog niet voltooid. Vooral in de meer afgelegen landbouwgebieden waar geen sterke godsdienstige acties gevoerd werden, houdt men in de praktijk nog aan de opvatting vast dat de verloving het eigenlijke huwelijk is, zodat de coitus vóór het huwelijk begint. Strikt genomen kan men zeggen dat volgens de volkenrechtelijke overlevering de voorechtelijke coitus een echtelijke coitus is. Voor de kerken was hij echter steeds premaritaal. De premaritale omgang was dus niet, zoals de moralisten der 18de eeuw beweerden, een uiting van losbandigheid. Slechts in die gebieden waar de regulering en controle in de groep door de sociale desintegratie verstoord werden, kende men soms een ‘losbandigheid’ met als gevolg een groter aantal ongehuwde moeders.

(6) Het gedrag van enkele sociale groeperingen

Adel - Een uitvoerige bespreking van het gedrag van de adel is overbodig. Het moderniseringsproces had bij deze stand slechts weinig invloed op het seksueel gedragspatroon dat sinds eeuwen dezelfde constanten vertoonde. We hoeven slechts de oude ridderverhalen, maar dan in de voorchristelijke versie, te lezen. De jonge edelman kent een langdurige periode van premaritale ervaringen. De ouders helpen soms bij het kiezen van de courtisanes of adellijke weduwen die de jongere moeten inwijden in de ‘edele manieren’ bij de omgang met het andere geslacht. Daarna kan hij verder experimenteren met meisjes van alle slag, behalve de goed bewaakte adellijke meisjes. Malthus schrijft in 1798 dat de hoogste sociale klassen niet graag huwen,

[p. 192]

omdat daardoor hun plezier beperkt wordt. Barbier (Journal, januari 1751) beweert dat de kinderen van de hoge franse adel ‘hun jonge jaren in de weelde, de vermaken en de losbandigheid bij de vrouwen doorbrengen.’ Dit gedrag wordt begrijpelijk wanneer men rekening houdt met het milieu waarin deze jongeren opgroeien of waaraan zij vroeg deelhadden, bv. door de dienst als page, als hoveling of in het leger. De partnerkeuze was bij de adel minder vrij dan in andere standen en het huwelijk was niet op liefde gegrondvest. Een gezinsleven zoals in de lagere standen was ondenkbaar. De edelman beriep zich op zijn verplichtingen aan het hof of in het leger om veel afwezig te zijn. Zijn vrouw ging op in haar ‘vie mondaine’ en liet de kinderen die nog thuis waren aan het dienstpersoneel dat doorgaans in een intiemere relatie met hen stond dan de ouders.

Een mooie illustratie van de opvattingen over het premaritaal gedrag vindt men in de reeds ten dele besproken brieven die de graaf van Chesterfield (1694-1768) gedurende twintig jaar schreef aan Philip Stanhope (1732-1768), de bastaardzoon die hij had van een franse maitresse. In de brief uit 1748, Philip is dan 16 jaar, geeft hij raad over de vrouwen. Ze zijn grote kinderen, men mag ze niet vertrouwen. Men moet er zich alleen maar mee vermaken. Wat later zegt hij dat de vrouwen slechts twee passies kennen, ijdelheid en liefde. Daarom moet men ze vleien. ‘Hij die ze meest vleit, bevalt hen het best. En ze zijn het meest verliefd op de man van wie ze denken dat hij hen aanbidt.’ Wanneer Philip 18 is, maakt de vader zich bezorgd over het feit dat zijn zoon nog geen maitresse bezit. Hij dringt erop aan dat hij een ervaren oudere vrouw zoekt die hem de galanterie leert. ‘Niets zou u meer goed doen dan zo'n verliefdheid’. Toen ook dit niet hielp, kwam hij met een concreet voorstel voor de dag. ‘Ik ben er van overtuigd dat Madame de Blot... buitengewoon lief is; en dat, vooral dat, ze tot nu op een scrupuleuze wijze aan haar man trouw is gebleven, hoewel ze al meer dan een jaar getrouwd is’. Ook dit brengt geen baat, zodat de graaf de kunst der verleiding in detail uiteenzet. Men moet verliefde blikken werpen, aanhoudende blijken van attentie geven, soms met kracht optreden, vurige liefdesverklaringen afleggen. Indien een eerste poging niet tot succes leidt, probeer het een tweede, een derde, een vierde maal. Indien de vesting niet reeds bezet is, wees er zeker van, ze kan ingenomen worden. Deze vergelijking met de strategie is typisch voor de 18de eeuw. De verovering der vrouw vraagt even veel krijgslisten als het innemen van een vesting. In beide gevallen moet men er zelf zo ongeschonden mogelijk uit komen. Chesterfield geeft daarom aan zijn zoon ook de raad zich niet te fixeren op één vrouw. Dat gebeurde echter wel. Philip stierf op 36 jarige leeftijd en was in het geheim gehuwd met een onaantrekkelijke vrouw van lagere herkomst. Chesterfield was misschien de bestgemanierde Engelsman van zijn tijd; hij was geletterd, een bekend diplomaat, o.a. ambassadeur in Den Haag. Niet alle vaders hebben zich zozeer om de opvoeding van een zoon bekommerd.

[p. *13]
[p. *14]
[p. 193]

De premaritale periode van de hele europese adel was, indien men er geld genoeg voor bezat, gevuld met libertinage; in hedendaagse termen zou men spreken van dolce vita, of play-boy-philosophy. Na deze ‘éducation sentimentale et morale’ bekeerde men zich tot het huwelijk of werd men een roé. Typische kenmerken van het premaritaal gedrag van de adel zijn de dubbele moraal (een verschillende norm voor de vrouw en voor de man) en verder het feit dat men zich onthoudt van omgang met het meisje met wie men zal huwen. Deze eisen worden heden nog gehandhaafd in de hogere en de middenklassen van de Middellandsezeewereld, en van de hispanoamerikaanse gebieden.

 

Soldaten - Van oudsher bezaten de soldaat en de student bijzonder seksuele prerogatieven. In Pruisen waar toestemming om te mogen huwen vereist was, waren er op het einde van de 18de eeuw honderdduizenden soldaten die volgens de getuigenissen van eigentijdse auteurs een bron van verderf voor het hele volk waren. Zij kwamen op jeugdige leeftijd in militaire dienst, woonden dicht bijeen, kregen een flinke lichamelijke maar een slechte morele vorming, veel geld en een ‘teugelloos diëet’. Hun kazernes lagen in de grotere steden waar meer kans op losbandigheid was. ‘De esprit de corps onder de soldaten ziet geslachtelijke omgang met deernen als iets zo gewoons, natuurlijks en noodzakelijks als eten en drinken. Men gaat fier op het verleiden van een maagd of een gehuwde vrouw. Beheersing en kuisheid zijn een schande, een bewijs van domheid, van vrees en impotentie.’ Over Montaigne wordt in een werkje van 1780 als merkwaardigheid vermeld dat hij, hoewel opgevoed tussen soldaten, onbevlekt bleef. De venerische ziekten zijn volgens Bauer algemeen verspreid. Deze typering van Bauer, vindt men terug bij Salzmann, Basedow, Pestalozzi en bij andere schrijvers. In de tweede helft der 18de eeuw waren adel en hogere burgerij in Pruisen van dienstplicht ontslagen. De vrijstelling werd ingetrokken voor de burgerjongens die hun studies niet mochten voortzetten wegens ‘Liederlichkeit der begangenen Exzesse’ of wegens ‘Unwissenheit beim Examen’. De recrutering uit deze klassen was dus selectief in deze zin dat de losbandigen en mislukkelingen van de burgerij als straf ‘Cantonpflicht’ kregen. De adel oriënteerde zich op een tijdelijke of vaste officiersdienst. Het verschil tussen het gedrag van de pruisische en de franse soldaat hebben we niet onderzocht. Waarschijnlijk zijn er geen belangrijke verschillen. Het seksueel gedrag wordt immers vooral bepaald door de sociale klasse waartoe men behoort.

 

Platteland - Zoals het leven van de landlieden nl. de boer, de dagloner, de kleine ambachtsman, de herder gedurende vele eeuwen vrij ongewijzigd bleef, zo veranderde ook hun seksueel gedragspatroon weinig. Er bestaat waarschijnlijk meer overeenkomst tussen de toestand van het einde der 18de

[p. 194]

eeuw en bv. die in de 14de eeuw, dan tussen de 18de en de 20ste eeuw, al mag men zich niet laten misleiden want traditionele maatschappijen geven soms een indruk van onveranderlijkheid, terwijl er in feite een zeer langzame verandering plaats grijpt. Een groot deel van de boeren verkeerde op het einde van de 18de eeuw nog in een toestand van horigheid, was verplicht tot diensten, was arm en bekrompen. De beste en soms alle weiden waren ingenomen door de heren. De kinderen waren slecht gevoed, slecht opgevoed, gingen niet naar school wanneer ze het vee moesten hoeden of bij de landbouw betrokken werden. De school sloot 's zomers of diende als kinderbewaarplaats voor de kleinsten die ‘voor geen enkele arbeid deugen’. De meerderheid der woningen was klein en onhygiënisch; mensen en dieren leefden er samen. Deze toestand vindt men nog vandaag in de achtergebleven gebieden van Europa. Iselin schrijft in zijn Geschiedenis der menschheid: ‘Het gemeenvolk is in de meeste Europische Staaten bijna nog zoo barbaarsch, zoo bijgeloovig, zoo ruw, zoo onredelijk, als het ooit in de middeltijden mag geweest zijn’. Daarbij was het ook vuil; velen waren lelijk, hadden een huid geschonden door littekens van ziekte. Toch projecteren de met de natuur dwepende adel en burgerij op hen het beeld van ‘pureté, sérénité, joie’. Ook Faust heeft het over ‘de landlieden, waar de onschuld en goede zeden nog heerschen’, wat niet belet dat hij elders in zijn boek deze stereotypie tegenspreekt.

Ook de stedelingen van de 20ste eeuw vervormen het beeld van de seksualiteit op het platteland. L. von Wiese spreekt echter van ‘een ruwe, naïeve liefde- en vreugdeloze seksualiteit’. Het seksuele leven kan inderdaad niet sterk geërotiseerd zijn omdat de Daseinsentlastung kleiner is. E.H. Meyer zegt in 1898 dat van Oost-Friesland tot aan de Alpen, het volk het woord ‘lieben’ niet kent en in de plaats ervan woorden gebruikt die de meer zinnelijke zijde van de seksualiteit aanduiden. K.R.V. Wikman vindt deze negatieve beoordeling overdreven. De seksuele prikkels zijn wel krachtiger en massiever, maar daarom is er nog geen grofheid en liefdeloosheid. Volgens hem is er wel minder romantische liefde, minder fantasiebeleving; de duur van de coitus is beperkter, en deze is niet gericht op het genot, maar op de voortplanting; de voorbereiding van de coitus bestaat haast niet en men vindt het niet mannelijk tederheid te tonen. In Oost-Duitsland, en vermoedelijk ook elders, werd tijdens de 19de eeuw in het boerenhuwelijk nauwelijks gekust. Wikman zegt dat spreken over kussen vroeger in Zweden onbetamelijk was; het kussen was zoals in het oude Japan, alleen toegelaten tussen moeder en kind.29 Wikman verklaart deze achterstand doordat de boer zich in een vroeger stadium van de evolutie zou bevinden. Maar er is geen automatisch functionerende entelechie die leidt naar een meer gecultiveerde benadering tussen man en vrouw. Een ‘hoger’ stadium wordt niet bereikt doordat de gehele cultuur een trap verder zou staan in haar ontwikkeling. Wanneer de benaderingswijze van de lagere volksklassen ge-

[p. 195]

tuigt van onhandigheid in het uiten van spontane tederheid dan komt dit vooral doordat zij zich niet hebben kunnen vrijmaken van de anti-lichaam-, anti-lust- en anti-seksuele inslag van de westerse cultuur, en doordat zij geen andere benaderingswijze leerden.

 

De boerenjeugd, de kinderen van de kleinstedelijke ambachtslui, van de dagloners op het platteland werden vroeg opgenomen in de wereld der volwassenen. Daardoor schenen ze ‘vroegrijp’ in vergelijking met de jongeren der internaten. Daar er weinig beroepskennis vereist was, konden ze jong meehelpen bij de arbeid op het veld, bij het bewaken van het vee, bij de karweitjes op de hoeve of bij de uitoefening van een vak. Men werd als man erkend wanneer men het vormsel (de confirmatie) achter de rug had of wanneer men arbeidsprestaties kon leveren als een volwassene, een zware steen kon tillen, een boomstam ver weggooien, of wanneer men de wapens gedragen of zijn leertijd voltooid had. Vanaf dit ogenblik mocht men deelnemen aan het bezoeken van de meisjes.

Bij het bespreken van het seksueel gedrag van de boerenjeugd moet een onderscheid gemaakt worden tussen de jongeren van veetelers en die van landbouwers. De Siedlungshistorici van Göttingen hebben het verschil tussen beide types aangetoond, en gewezen op de gevolgen van de overgang van het ene naar het andere type. Veeboeren hebben een kleine behuizing, bestaande uit een stal en een woonkamer-slaapkamer. Zij komen niet dagelijks naar huis. De zeden in en buiten het dorp zijn anders. De jongens hebben recht op de herderinnen op de bergweide of in de stal. De boer bezoekt niet alleen zijn vee maar ook de ‘Sennerin’. Men zegt dat haar eenzaamheid en haar weinig actief leven een grotere fantasie voeden. De graanboer leeft op zijn erf dat een autarkische wereld moet zijn. Zijn ideaal is zelfstandig te leven, al zal hij dat zelden bereiken want de armoede verplicht hem deel te nemen aan en zelf voordeel te hebben van het werk dat bij gebrek aan betere hulpmiddelen, gezamenlijk gedaan wordt: wijnmaken, bomen hakken, ploegen, oogsten, enz. Het nachtvrijen heeft bij de graanboer een meer individueel karakter. In tegenstelling tot het bezoek in groepen van de herders aan de groepjes herderinnen, berust het meer op losse vriendschap. De meisjes van de graanboeren slapen elk in een kamertje en krijgen individueel bezoek.

De cultuur van de landbouwers is echter overwegend één. Zij hebben dezelfde waarden, levensvisie, economische doelstellingen, gezinstype. Reeds in de 18de eeuw werd opgemerkt ‘dass die Bauern wie ein Corpus agieren’. Hun premaritaal gedrag vertoont dezelfde eenheid die men ook terugvindt in de gelijkvormigheid in de volkskunst, het volkslied, de volksdans. Bij de talrijke gegevens kan men onderscheid maken tussen het nachtvrijen, de groepssamenkomsten en het tijdelijk huwelijk. Dit onderscheid kan niet strikt doorgevoerd worden. De gedragspatronen en de normen van het

[p. 196]

nachtvrijen en die van de omgang tijdens en na de feesten zijn dikwijls dezelfde. Het nachtvrijen en het tijdelijk huwelijk kunnen we ook niet altijd van elkaar onderscheiden.

 

Het nachtvrijen - In het nachtvrijen (het ‘kweesten’, de ‘Kiltgang’, het ‘fensterl’)30 vindt men het patroon van een semi-geïnstitutionaliseerde, geleidelijke en gecontroleerde benadering der twee geslachten. Het bezoek van de jongen begint aan het raam van de meisjeskamer. Daarna mag hij in de kamer, dan op het bed, en tenslotte in het bed. Deze gebruiken veranderen alnaar de plaatselijke situatie. Soms moet men het meisje bezoeken in de Sennerei, in de stal, in de schuur, op een zolder of in de gemeenschappelijke slaapplaats. Dit bezoek duurt aanvankelijk kort, daarna de hele nacht. Vrijers die door de ouders gewaardeerd worden, blijven soms nog de volgende dag op de hoeve.31 Het nachtvrijen beperkt zich tot de zaterdagavond, behalve voor paren die een vaste verhouding hebben.

In de gewesten met collectief ingerichte contacten begint het vrijen met een groepsbezoek aan de meisjes. Men zingt, danst, voert spelletjes op, schertst, drinkt, eet en verkent de toestand. Geleidelijk vallen van de groep enkelen af die ofwel achterblijven bij het meisje bij wie zij een kans maken, of die elders hun kansen wagen. Er bestond een ritueel waaruit men kon opmaken welke partners door het meisje aanvaard werden. Wanneer bv. een jongen uit de groep op haar bed kwam zitten en zij draaide zich naar de muur, wist hij dat hij elders moest gaan. Zoals ook bij het individueel bezoek moest de jongen soms uren op de ladder voor het raam wachten en bepaalde formules uitspreken alvorens het venster geopend werd. Dan kreeg hij bv. een ‘bedwarme’ hand, of werd het raam helemaal geopend en praatte men zo verder, of mocht hij de kamer binnen. Het geven en aanvaarden van bepaalde geschenken had een symbolische betekenis: de boerenjeugd sprak minder met woorden dan met gebaren en daden. Meisjes stallen openlijk de geschenken uit en zijn er fier op wanneer deze talrijk zijn. Het verblijf in de kamer, op en in het bed was aan strikte regels onderworpen. De volgorde van de houdingen die men mocht aannemen en van de kledingstukken die men mocht uitdoen was nauwkeurig bepaald. De jongen lag op of in bed, met op zijn uitgestrekte arm het hoofd van het meisje. Vaak waren beiden zo vermoeid dat ze vlug insliepen. In bed mocht hij zijn broek niet uittrekken. De kleding van het meisje in bed verschilde niet veel van de lichte zomerkleding. Soms maakte men speciale kledingstukken.

De leeftijd waarop men mocht meedoen werd niet in jaren geteld maar viel samen met de opname in de groep van de ongehuwde jongeren. Eén of twee jaar na de puberteit had de jongere deze status bereikt. Hij ging dan vrij waar hij wilde. De algemene opvatting over de inhoud van het nachtvrijen was dat men ‘in eer en deugd’ (‘auf Treu und Glauben’, ‘auf Ehre und Treue’, på tro og love, in de 16de eeuw soms ‘schlufen bei uf Gelderischen

[p. 197]

glauben’ genoemd) moest samenliggen. In een milieu waarin de seksualiteit die niet leidt tot echtelijke vruchtbaarheid weinig gewaardeerd wordt, is het samenslapen waarbij men niet meer krijgt dan wat tederheid reeds waardevol. De jongeren wisten daarbij ook dat zij, naarmate een verhouding vaster werd, grotere vrijheid kregen die overging in voorechtelijke coitus. De duur van een verhouding was minstens 2 jaar; 4-5 jaar werd aangezien als normaal; en een halfjaar als verdacht kort.

Het toezicht op het nachtvrijen werd soms door de ouders uitgeoefend. Dit was bv. mogelijk wanneer de jongen op bezoek moest komen in de gemeenschappelijke familieslaapplaats. In andere gevallen werd de deur van de meisjeskamer van een opening voorzien, of mocht die deur niet op slot zodat de ouders toevallig konden binnen komen om bv. wat drank te brengen. De meisjes sliepen niet graag in de gemeenschappelijke slaapplaats of met een ander meisje op hun kamertje omdat dit sommige vrijers zou afschrikken en omdat ze zich geremd voelden. De ‘Sennerinnen’ waren blij wanneer ze in de lente naar de hutten in de bergen konden trekken, en dit niet alleen om aan het ongedierte te ontkomen. De bergweide was een vrijplaats in de dubbele betekenis van dit woord. De meest effectieve controle werd uitgeoefend door Alterklasse-organisaties der jongeren zelf. Deze ‘Burschenverbande’, ‘Zeche’, ‘sociétés de jeunesse’, ‘abbayes’, ‘confrairies’, hadden een militaire, een politierechtelijke functie die zich uitbreidde tot het seksueel gedrag. Deze sociologische groepering der jongeren kwam soms in botsing met de volwassenen. Zij vormde een correctief op het despotisme van sommige boeren. Wanneer een meisje niet met een jongen mocht vrijen en de jongerengroep dit verbod ongewettigd vond, moest de boer afrekenen met plagerijen en ridiculisering. Deze groep omvatte alle ongehuwde mannen die geen hofstede konden krijgen (‘zonder aar of halm’); zij vormden een blok tegen de gehuwden die ‘the keys of the kingdom’ in handen hadden. In zekere zin ging het om de tegenstelling bezittende tegen niet-bezittende. De groep vertoonde een democratische inslag: boerenzoon en knecht waren in theorie gelijk. De zoon van een rijke boer kende minder gezag dan een arme jongen die bijzondere karaktereigenschappen had. Soms was de jongerengroep gesplitst in een jongens- en een meisjesgroep die wel eens met elkaar overhoop lagen, bv. wanneer de jongens gezamenlijk naar een naburig dorp gingen vrijen. De regel was dat de meisjes van een dorp het bezit waren van de jongens. Contact met jongens van buiten het dorp werd verboden, tenzij deze jongens het dulden van hun aanwezigheid afkochten, bv. door drank. Men verzette zich eveneens tegen het binnendringen in de groep van vreemden en soldaten. Het nachtvrijen had een endogaam karakter. Slechts dank zij deze seksuele autarkie, de cohesie van het dorp, de buurt, en het aanvaarden van dezelfde normen door de hele groep, kon men een ruimere vrijheid dulden. De belangrijkste functie van het jongereninstituut was het controleren van de zwangerschap. Al streefden enkelin-

[p. 198]

gen soms geheimhouding na, doorgaans wist men wie met wie was. Werd een meisje zwanger dan kende men de vader. Het toezicht van de groep was er o.m. op gericht te vermijden dat een meisje zwanger werd van iemand die zij niet als vader van haar kind wilde of die zijn verantwoordelijkheid niet zou opnemen. Dit systeem gaf enerzijds een grotere en kleinere vrijheid dan vele groepen jongeren heden bezitten.

De ‘Knabenschaft’ verdeelde soms de jongens over de meisjes. De jongsten moesten zich tevreden stellen met de minder aantrekkelijke meisjes. Een van de ouderen trad op als kwartiermeester, ‘lieutenant’, ‘capitaine’, ‘abbé de jeunesse’. Hij wist wie ergens op bezoek ging, hij kon eisen dat de vrijer zijn identiteit bekend maakte, hij mocht controleren of men zich niet te veel ontblootte en of men niet te dikwijls, te langdurig en buiten de gestelde tijden uit vrijen ging. Andere jongens traden op als makelaar. Deze bemoeiïng in intieme zaken vond men niet aanstootgevend. De persoonlijke binding, de liefde tussen de jongeren was kleiner, dus ook de behoefte aan een privé karakter van de relatie.

De boerenseksualiteit is niet zeer verfijnd. Men kan dus in zekere zin iemand in de seksualiteit duwen en die seksualiteit ook controleren omdat de schaamtegrens verderaf ligt. Een belangrijk element is dat de boerenseksualiteit gericht is op de voortplanting. Men controleert dus niet de premaritale technieken maar wel de gang van het boerenleven. Wie de regels overt ad, werd beboet. Hij moest bv. drank schenken; de sterke drank speelt een belangrijke rol; alle jongeren hebben een flesje bij zich. Anderen worden in het water geworpen, op een mestkar gebonden, hun laarzen worden met water gevuld. Te brutale jongens of te gemakkelijke meisjes worden collectief geboycot. Een meisje dat tegelijkertijd twee jongens aan het lijntje hield, werd uitgestoten als een hoer. Het aanzien van een meisje steeg naarmate ze meer en betere aanbidders had. Van belang hiervoor waren de eerste partners. De kansen die men maakte tijdens de eerste vrijerijen waren bepalend voor die der volgende beurten. Jongens en meisjes daalden in aanzien door minderwaardige partners te aanvaarden of op te zoeken. Meisjes werden begeerd wanneer ze van goede afkomst waren, of een streng gedrag kenden, of een prettige persoonlijkheid en andere waardevolle karaktereigenschappen bezaten.

Deze gewoonte van het nachtvrijen, de ‘Kiltgang’, vindt men in heel Europa tot aan de Oeral; ook in niet-europese gebieden bestaan er equivalenten. Dit gedragspatroon blijft bestaan tot in de 19de en zelfs de 20ste eeuw. Het ontstond en kreeg zijn vorm door socio-economische omstandigheden zoals bv. kleine woningen, weinig brandstof en verlichting, lange werkdagen, het belang der vruchtbaarheid, een bepaald type huwelijk en gezin. Het verdween doorgaans wanneer deze veranderden. Het duidelijkst is het in de 18de eeuw nog zichtbaar in de gebieden met extensieve veeteelt, bij de halfnomade galactofage volkeren. In deze ‘Sennwirtschaft’ is het zomerge-

[p. 199]

drag verschillend van het wintergedrag. Het is niet onmogelijk dat het bezoek aan de meisjes die alleen op de zomerweiden waren het begin betekende van de rechten en vrijheden die tijdens de winter gehandhaafd bleven. Het nachtvrijen is geen rest van de zgn. oerpromiscuïteit maar waarschijnlijk een overblijfsel van de zgn. vrije liefde die in de duizendjaren oude jeugdgroepen heerste. Deze ‘vrije’ liefde werd nauwkeurig geregeld. Op andere plaatsen ziet men dat de nachtwake bij de paarden het vrijen doet ontstaan of polariseert. Bij het nachtelijk vuur wordt er gedanst en gezongen en men legt zich gezamenlijk te slapen.

 

Samenkomsten in groep - Om vuur en licht te sparen kwam men regelmatig samen in spinningen (Lichtstube, lekstuga, Lichtengänge). Soms gebeurde dit in aanwezigheid van de ouders, de kinderen, het dienstpersoneel en de buren. In andere gevallen verzamelde zich alleen de jeugd. Volgens de moraliserende auteurs der 18de eeuw ging het er onzedelijk toe, ook in het milieu waar de volwassenen aanwezig waren. Peschek klaagt over de onzedelijkheid wanneer het licht werd uitgeblazen en over wat er gebeurt wanneer de jongens de meisjes naar huis brengen.32

Er werden ook ‘Spielstube’ ingericht. Dan werd er gedanst en gezongen. Dit eindigde met samenslapen. De jongen sliep bij het meisje op wier schoot hij tijdens de avond gezeten had. Peschek klaagt ook over dans- en bieravonden die in de dorpen op het einde der 18de eeuw gehouden werden. Hierna vergezelde de jongen zijn meisje naar huis en bracht hij de nacht bij haar door. De uitverkoren danser werd diegene met wie zij de nacht doorbracht. De ouders waren fier wanneer hun dochter succes had. Peschek zegt dat zij gewillig het jonge paar uit de weg gingen. Na enkele maanden veranderde het meisje van partner. Volgens deze auteur zou de overheid moeten ingrijpen want het gedrag is te promiscueus.33

De eentonigheid van het bestaan werd onderbroken door talrijke feesten. Daarna overnachtte men gezamenlijk. Hierbij maakte men een scheiding tussen de groep der gehuwden en der ongehuwden. Peschek schrijft dat de gewone ‘Volkslustbarkeiten’ een bron van onkuisheid waren. K.G. Bauer protesteert tegen de kerstnachtgebruiken. Men overnachtte ook samen na de jaarmarkten, na de kerkgang in die gebieden waar men zelden ter kerke kwam omwille van de grote afstanden, en bij de lentefeesten (de ‘Bachelleries’ in Frankrijk)34 en de oogstvieringen. De seizoenarbeid deed soms seizoenhuwelijken ontstaan. Iets dergelijks vindt men terug in de ‘Maibuhlschaften’, of de ‘Mailehen’ in Duitsland. Ook na een bruiloft sliep de jeugd samen, wat de boerenspreuk ‘van bruiloft komt bruiloft’ in het leven riep.

 

Probeernachten en proefhuwelijk - F.C.J. Fischer schrijft in 1780 dat de probeernachten een ‘Ursitte der Menschheit’ zijn. Men vindt ze bij alle standen en in alle landen. Zijn beschrijving schijnt echter meer te doelen op

[p. 200]

het nachtvrijen. F. Henriquez beweert van zijn kant dat de probeernachten en het proefhuwelijk meer verspreid zijn dan het nachtvrijen, dat volgens Fischer overal te vinden was. Tussen beide vormen kan men niet altijd een duidelijk onderscheid maken. Men mag aannemen dat het nachtvrijen leidt tot probeernachten en dat voor deze laatste andere regels golden. Zo waren ze minder gebonden aan de zaterdag- en zondagavond. Ook waren ze individueel. Tussen een proefhuwelijk en de probeernachten kan men ook moeilijk een onderscheid maken wanneer men niet de afbakening van het proefhuwelijk tot één of enkele jaren als criterium neemt.

De probeernachten (alleen reeds de term klinkt heden nogal direct) en het proefhuwelijk dienden om de vruchtbaarheid te testen. In Yorkshire was de gebruikte formule bij de plechtige aanvang van dit huwelijk ‘if thee take, I take thee’: men huwt als het meisje zwanger is. De kerkelijke overheid verzette er zich herhaaldelijk tegen. Ze bedreigde de man die een zwanger meisje in de steek liet soms met excommunicatie. De ‘Mailehen’, de ‘Valentinehen’, het oud-Iers jaarhuwelijk en het Schotse ‘handfasting’ (‘for twelve months and a day’) waren zulke proefhuwelijken. Men verneemt meer over hun bestaan door de getuigenissen van het verdwijnen of de desintegratie. Thomas Hardy vermeldt in The well-beloved, dat speelt in Portland circa 1850, dat het gebruik uitsterft. Het kwam voor bij alle lagen van de bevolking op het eiland. De bedoeling was, volgens Hardy, erfgenamen voor het familiebezit te krijgen. Het gebruik verdween door de komst van vreemde arbeiders die de regels niet volgden. Maar anderzijds ziet men dat het in de 19de eeuw van de agrarische naar de industriële maatschappij overgaat. De arbeiders nemen het over uit economische overwegingen, de intellectuelen om principiële. Op het ogenblik dat seksuele hervormers een openlijke erkenning van het kameraadschapshuwelijk (B. Lindsey), van de Zeitehe (Charlotte Buchow-Homeyer, 1928) of van het proefhuwelijk (bv. Dr. med. Urbantschitsch's voorstel dat in Oostenrijk een wetsvoorstel wordt) vragen - ditmaal echter niet bedoeld als vruchtbaarheidstest maar als test van de compatibiliteit der partners, waarbij de zwangerschap moest vermeden worden - blijft in achtergeblevengebieden het oude type voortbestaan.35

 

Wijzigingen in de tweede helft van de 18de eeuw - Kerken en moralisten hebben gedurende eeuwen gepoogd veranderingen aan te brengen in het voorechtelijk gedrag. De mate waarin dit gelukte staat in verband met de mate waarin het moderniseringsproces gevorderd was, en dus ook met de wijzigingen in de socio-economische omstandigheden. Ten gevolge van deze wisselwerkingen was het nachtvrijen en het proefhuwelijk als openlijk en geinstitutionaliseerd gebruik in sommige gewesten verdwenen.

J.H. Pestalozzi schetst het desintegratieproces en toont aan hoe het vacuüm dat ontstaat, gevuld wordt met niet-geïnstitutionaliseerd, dus ‘onzedelijk’ gedrag. In Lienhard und Gertrud bespreekt hij een ‘Volksphilosophie über

[p. 201]

den Geschlechtstrieb’. In het verzonnen dorp Bonnal geven de boeren een goede opvoeding aan de jongeren door zelf het voorbeeld te geven. De meisjes wedijveren niet in het behagen maar in bekwaamheid. Vreemden worden geweerd en desnoods ter afkoeling in de bron geworpen. ‘Die Amtmanns-Söhne, Pfarrer-Söhne, Schreiber’ moeten met ernst door de overheid op drie passen van de boerendochters verwijderd gehouden worden. Zaterdag- en zondagnacht houdt men ‘Liechtstubeten’ in de kamer van het meisje en men gedraagt zich volgens door de jongeren zelf opgestelde regels. Deze worden beter gevolgd dan wanneer de overheid ze zou opleggen en controleren. Een jongen