|
|
|
| |
| | | |
Bredero's liedboek
‘De Tijdt, die niet en rust, verandert alle
dinghen’
Marc van Vaeck
In 1930 verscheen in het decembernummer van het literair
jongerentijdschrift De Vrije Bladen Marsmans aan
Ter Braak opgedragen gedicht ‘Breeroo’. Op
het einde van de twintiger jaren liep
Marsman met de plannen rond om een leven van
Bredero in romanvorm te schrijven. Uiteindelijk is het
een ‘vie romancée in dichtvorm’ geworden met de bekende
aanhef ‘Breeroo is moe’. Het gedicht werd algemeen
geïnterpreteerd als een onmiskenbare projectie van Marsmans eigen
levensmoeheid en doodsangst; in een brief aan
Nijhoff gaf Marsman overigens zelf toe dat zijn
portret van ‘Breeroo’ te veel op hemzelf is gaan lijken:
hij zat nu, dezen avond, op zijn kamer
en werkte ingespannen bij het kaarslicht
de wervelstormen van de genade, […]
woedden in hem, en hij zag vergezichten,
berglandschappen, vrouwen en rijen van engelen
en de gevouwen handen vromer scharen,
en boven alles het almachtig licht
der eerste scheppingsdag,
dat niet vervluchtigde en niet bedaarde
voordat de avond dier verbeelding viel;
hij was alleen […], ontzet,
rillend tot in zijn beendren, in het donker,
veeg en nat van doodszweet, maar toch alleen,
zonder dat andre, zonder den vijand,
die hem langzaam afmat en die hem eenmaal
met een onmerkbaar duwen over den rand zal schuiven,
dat zal het eind zijn, nu vannacht of later -
dan liever nog vannacht; niet nog eens deze angst.
o, als ik eens temidden van Uw engelen zal staan
laat mij dan nu vannacht van hier weg mogen gaan.
1
| | | |
Daarnaast weerspiegelde het gedicht echter evenzeer de
clichés en de mythes die het Bredero-beeld in die tijd hebben bepaald en
die in het actieve literaire leven opgang hebben gemaakt:
Bredero, bij voorkeur ‘Breêroo’
genoemd, dient zich in de eerste plaats aan als een onverbeterlijke, zorgeloze
kroegloper met een even dartel als turbulent liefdesleven, als een wanhopig
verliefde maar telkens weer afgewezen minnaar, als een poète maudit of
als de uiteindelijk tot inkeer gekomen zondaar die op vroege leeftijd en in
tragische omstandigheden (een langdurige ziekte nadat hij door het ijs was
gezakt) om het leven kwam. Ik citeer nog enkele passages uit Marsmans
‘Breeroo’ ter illustratie:
langs muren, tussen tuinen, door vervuilde stegen
en door de smalle kronkelende straten
van zijn onsterfelijk, prachtig Amsterdam
doelloos en vrolijk, schuw en uitgelaten
en in zijn hart een vlam, een vlam, een wilde vlam!
rusteloos, uitgehongerd, onverzadigd
branden zijn voeten en zijn hart en nu vooral zijn keel
en uitgeput valt hij neer bij de tonnen
onder de zacht verlichte kegels van de olmen
voor een taveerne die nog open is;
- goddank, goddank, de kroegen zijn nog open,
er kan gezongen worden, gedronken en gedanst.
Breeroo, arme jongen, rokkenjager,
is die ene schim de schim van
Tesselschade?
schaadt je dat? zijn er geen honderd meiden
die je kunt ranselen en rijden, Breeroo?
- ja, die zijn er, zegt hij, maar zij is de ene
die ik niet wil ranselen en rijden
Hij zakte schaatsenrijdend door het ijs
dat hij eerst nauwlijks achtte -
en stierf drie maanden later;
hij was nog jong, maar drie en dertig jaar.
Het literaire leven heeft graag aan dergelijke clichés
vastgehouden terwijl ook het literairhistorisch bedrijf, althans niet
vóór het einde van de zestiger jaren, dit beeld nauwelijks heeft
gebruuskeerd. Bijzonder invloedrijk was hierbij de ernstig bedoelde biografie
over
Bredero van de positivistische geschiedschrijver Ten
Brink uit 1859. De literairhistorische gossip in deze studie (later heeft Ten
Brink nog een novelle aan Bredero gewijd) heeft in | | | |

Afb. 1. Titelblad van G.A. Bredero's
Groot Lied-boeck (ex. UB
Leuven).
belangrijke mate de weg geëffend voor het portret van
Bredero dat later door verschillende literatoren naar
voren werd gebracht. Ik denk hierbij niet alleen aan Marsmans
‘Breeroo’ maar ook aan Herman Poorts vroegere Bredero-verhaal uit
1918, aan Philip Exels roman uit 1942 of aan De Jongs
De dolle vaandrig uit 1947, en daarnaast ook
aan Han G. Hoekstra's verzen ‘Bij Breero's nachtlied’ (1935), aan
het gedicht ‘Breeroo’ van W.Gs. Hellinga, aan Ab Vissers rondeel
‘Brederoo sterft’ (1940), of aan Frans Babylons sonnet
‘Breero’ (1956). Het is opmerkelijk dat in de meer recente
creatieve letterkunde literaire verbeeldingen over Bredero nauwelijks of geheel
niet meer voorkomen. Een verwijzing naar Bredero vinden we wel in Ed Leeflangs
gedicht ‘Hommage’ in de bundel
De hazen en andere gedichten (1979). De
dichter, die in zijn oeuvre wel meer aan zeventiende-eeuwse kunst en literatuur
refereert, alludeert er o.m. op het ‘gestampte potachtige’ van
Bredero en op diens ‘oerhollandse dood’. In een interview met
Piryns en De Coninck noemde Leeflang Bredero's valpartij overigens een
‘heel dichterlijk ongeluk’. Toch zijn voorbeelden uit de | | | | recente literatuur beslist niet legio. Zelfs in Jan Kuijpers
verzameling
Tomben-sonnetten (1989) (met o.m. gedichten
op
Van der Noot,
Spiegel,
De Harduwijn,
Hooft,
Revius,
Vondel,
Luiken en
Huygens) komt een grafschrift op
Bredero niet voor. Kennelijk is de zeventiende-eeuwse
dichter van het literaire ‘toneel’ verdwenen en werd hij
teruggedrongen tot de wereld van de wetenschap, de kamergeleerden, de
encyclopedische kennis, het klaslokaal.
In dit opzicht lijkt
Bredero dan ook hetzelfde lot als de overige
Nederlandse zeventiende-eeuwse klassieken te hebben ondergaan. Op alle vlakken
van de cultuur leek de belangstelling voor deze auteurs sterk verminderd te
zijn, zo niet geheel verdwenen. Toch heeft deze situatie zich tijdens het
laatste decennium opnieuw gewijzigd. Teksten van de grote vier
(Hooft,
Vondel,
Bredero en
Huygens) zijn manifest terug van weggeweest in de
schoollectuur en de nefaste want onvoorwaardelijke actualiseringsdrang t.o.v.
oude teksten in het onderwijs heeft zichzelf voorbijgestreefd. Tegelijkertijd
werden er, ook in de vakdidaktiek, opmerkelijke pleidooien gehouden voor een
meer cultuurhistorische aanpak van historische letterkunde op school. De
vergetelheid die vele zeventiende-eeuwers dienden te ondergaan, heeft
uiteindelijk een heilzame werking gehad: het ‘tabula rasa’ m.b.t.
de klassieken - Marijke Spies zinspeelde erop tijdens de laatste
Vondelherdenking in 1987
2 - heeft een onbevooroordeelde herontdekking van de
zeventiende-eeuwse literatuur in de hand gewerkt.
Vreemd genoeg gaat dit beeld van de waardering voor onze
zeventiende-eeuwse dichters slechts ten dele voor
Bredero op. Bredero is sinds het eerherstel vanwege de
Tachtigers nooit helemaal buiten de letterkundige belangstellingssfeer
gevallen, ook al fungeert hij beslist niet langer als muze van de huidige
dichters en is zijn aanwezigheid vooral te merken in de wereld van het toneel,
de klas en het wetenschappelijk bedrijf. Vooral beide eerste werelden zorgen
ervoor dat Bredero bij een groter publiek bekend is gebleven. In dit opzicht
bekleedt de dichter een unieke positie. Dit privilege dankt hij in de eerste
plaats aan het feit dat zijn poëzie minder geleerd aandoet en
toegankelijker lijkt dan de verzen van een
Heinsius,
Hooft of
Vondel. Daarnaast speelt ook Bredero's
actualiseerbaarheid een belangrijke rol: de mogelijkheid om de door hem
gecreëerde wereld zonder al te veel moeite als een spiegel van en voor
onze tijd te | | | | beschouwen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ter
afsluiting van het
Bredero-herdenkingsjaar 1968, de gebruikelijke
Gysbreght-vertoning op nieuwjaarsdag werd
vervangen door een opvoering van Bredero's magistrale
Spaanschen Brabander. In de daaropvolgende
maanden overwoog de Amsterdamse Schouwburgdirectie zelfs om voortaan de
nieuwjaars-première, die tot dan toe aan
Vondel was voorbehouden, aan Bredero over te dragen.
In een interview met Guus Rekers verduidelijkte regisseur Erik Vos wat hem met
deze opvoering voor ogen stond:
Vondel zelf is […] niet interessant, evenmin
als
Bredero, of
Shakespeare, of
Aeschylos. Interessant is wat onze generatie via de
gegevens van deze klassieken aan inzicht, doorzicht en begrip kan krijgen in
onze maatschappij. Klassieken moeten nu leven.
Dit ‘inzicht, doorzicht en begrip’ bleek nu, aldus
Vos, door
Bredero te worden aangedragen. Bredero's toneelwereld
van ‘armoede, vervuiling, ontucht, drank en hennep, een wereld van
fatsoensrakkers, kerkvoogden, duivelbanners en kwakzalvers, onnutte bedelaars,
hoeren, van straatjongens en kwezels, een wereld van plezier ook, van
vitaliteit en drift’ was een wereld waarin het woelige
Amsterdam op het einde van de zestiger jaren zichzelf in dacht te
herkennen. Deze wereld leek twintigste-eeuwse fatsoensnormen en taboes te
doorbreken en was bij uitstek geschikt om er het establishment mee om de oren
te slaan. Daarnaast leek zich ook een niet-puriteinse, niet door het calvinisme
aangetaste wereld te ontsluiten. Het pittige verhaal van de klucht van de
Meulenaer b.v. bood in 1983 de striptekenaar Wim
Hanssen min of meer gedurfde visuele mogelijkheden die men nu niet meteen van
een klassieke tekst zou verwachten.
Vanuit een zelfde visie bleek
Bredero de figuur bij uitstek te zijn die in het
onderwijs nog zijn diensten kon bewijzen. De actualiseringsdrang t.o.v. oude
teksten, die zo vele zeventiende-eeuwers in de klas onmogelijk had gemaakt,
leek zijn gelijk met Bredero's teksten te kunnen demonstreren. Een typisch
voorbeeld in dit opzicht is Ernés en Ten Brinkes experimentbeschrijving
uit 1974 onder de titel ‘Zo werken met oudere teksten dat er werkelijk
iets aan is’. De opdracht voor de leerlingen bestond erin om in een
tijdsspanne van vijf à zes lesuren een zeventiende-eeuws kroeglied, i.c.
Bredero's ‘Van gierige Gerrit en Modde van Gompen’ te transformeren
tot ‘een succesvol 20-eeuws singletje zo dat de basisidee, -emotie,
bewaard blijft’. In zijn kritiek op deze benadering gaf Van Assche aan
dat de historische tekst hier kennelijk ‘een startblok [was geworden] om
zelf tekst te produceren’ en dat de gevolgde werkwijze
‘confrontatie en analyse’ uit de weg gaat en er vooral is op
gericht om de ‘creativiteit en eigen produktie’ bij de leerlingen
te stimuleren. | | | |

Afb. 2. p. 10 uit G.A. Bredero's
Groot Lied-boeck, ‘Grooten Bron Der
Minnen’ (ex. UB Leuven).
Het feit dat
Bredero vanaf het midden van de negentiende eeuw
onafgebroken, zij het met steeds wisselende accenten in de belangstelling is
gebleven, bracht met zich mee dat Bredero niet, zoals andere zeventiende-eeuwse
dichters en bij uitstek
Vondel, heeft kunnen genieten van het tabula
rasa-effect waarop ik daarstraks reeds alludeerde. Het nadeel hiervan is
dat taaie mythes en meningen over Bredero (en dit niet alleen bij een breder
publiek) blijven voortleven of een vernieuwde wetenschappelijke visie op de
dichter in de weg staan. Het dubbelspoor in de waardering van de dichter zal
nog geruime tijd voortbestaan: met aan de ene kant het geromantiseerde beeld
van de levenslustige, zwaar verliefde en uiteindelijk berouwvolle losbol versus
een meer wetenschappelijke, vooral cultuurhistorisch geïnspireerde visie
wars van alle vermeende biografische feiten. Of liever, beide beelden
beïnvloeden elkaar wederzijds: de wetenschappelijke Bredero blijft
romantisch ingekleurd, de romantische Bredero wordt wetenschappelijk
afgezwakt.
Ik illustreer dit laatste met de wijze waarop
Bredero in 1985, het | | | | vierhonderdste
geboortejaar van de dichter, werd herdacht. Op dat ogenblik was de monumentale
zeventiendelige Bredero-uitgave, waarmee in 1968 een aanvang was gemaakt, bijna
volledig voltooid. Het wetenschappelijke Bredero-onderzoek had daarbij enkele
taaie mythes op spectaculaire wijze weerlegd. Tijdens zijn rede bij de
herdenking te Amsterdam in 1968 bracht Keersmaekers aan het licht dat
verschillende van Bredero's Margriete-gedichten slechts bewerkingen van
vertalingen uit het Frans waren. En precies aan de hand van deze gedichten had
o.m. Knuttel in 1949 met Holmesachtige precisie Bredero's werkelijke
liefdesleven weten te reconstrueren (een monografie die overigens nog in 1968
werd herdrukt!). Op dezelfde wijze kon Bredero's ‘Aendachtigh
gebedt’, dat reeds geruime tijd gold als een verslag van Bredero's inkeer
op het einde van zijn tumultueuze leven, niet langer meer in autobiografische
zin worden gelezen. Daarnaast kon ook het beeld van Bredero als jolige, dolle
vaandrig niet meer hard worden gemaakt; het berustte slechts op een niet te
verdedigen biografische lektuur van Bredero's verzen (o.m. door Ten Brink en
Prinsen).
Ondanks deze wetenschap bleek het herdenkingscomité het in
1985 niet aan te durven om voor het grote publiek een andere
Bredero te presenteren. Het officiële
herdenkingsboekje bestempelde het romantische beeld van Bredero weliswaar als
‘te eenzijdig’ maar de suggestieve tussentiteltjes in de tekst van
de brochure zorgden ervoor dat het traditionele beeld van de dichter intact
bleef. Ik doe slechts een greep uit het aanbod: ‘Bredero en de
vrouwen’, de ‘Levensblije zanger’, het ‘Zingen in de
kroeg’, de ‘Dichter en feestvierder’ of nog ‘De
verliefde Bredero’. En de groots opgezette manifestaties aan de
Nes en op de Oude Burgwallen te Amsterdam op
16 en 17 maart deden er nog een schepje bovenop. In de krantenberichten leest
men over de bij die gelegenheid opgevoerde massaspektakels waarbij Bredero's
wereld werd gereduceerd tot een wereld van hoeren en bedelaars, van beulen en
terechtstellingen, van marktroepers, van herbergklanten, van kroegen en van
vechten tegen de bierkaai. ‘Vechten tegen de bierkaai’ moet in die
dagen ook het gevoel zijn geweest bij de inrichters van de mooie, bescheiden
maar nauwelijks bezochte overzichtstentoonstelling in de Amsterdamse Brakke
Grond. Het Bredero-festival 1985 was alleszins een gemiste kans om bij een
breder publiek een gewijzigd Bredero-beeld ingang te doen vinden.
Maar ook het literairhistorisch bedrijf kan zich in die jaren
nauwelijks van het traditionele Bredero-beeld ontdoen. Ter illustratie verwijs
ik naar de monumentale editie van Bredero's bekende
Groot Lied-boeck die in de periode 1975-1983 werd
gepubliceerd. De uitgave bestaat uit drie delen. | | | | De eerste band
brengt een wetenschappelijk verantwoorde editie van de liedbundel en voorziet
deze van beknopte annotaties. In een tweede band werden de melodieën van
de diverse liederen verzameld, uitgegeven en, wat meer is, op een magistrale
wijze toegelicht door de Amsterdamse musicoloog F.H. Matter. En in 1983
verscheen tenslotte het reeds lang aangekondigde en controversiële deel
met enkele grondige inleidende studies en vervolgens bijzonder uitvoerige
aantekeningen bij de liederen. De stuwende kracht achter deze indrukwekkende
onderneming was de Bredero-kenner Garmt Stuiveling, bijgestaan door de
professoren Keersmaekers, Stutterheim, Veenstra en Zaalberg. De commentaren
zijn lang niet altijd in grote eensgezindheid geschreven: Zaalberg had het
later over ‘het in gelukkige vriendschap kibbelende vijftal dat de
kommentaar op het
Groot Lied-boeck heeft samengesteld’.
Dit commentaar heeft dan ook vaak de vorm van een compromis: een
biografische lectuur van de liederen wordt principieel afgezworen, maar in de
praktijk blijven dergelijke lezingen een rol spelen. In de stellingen die
Stuiveling vooraan in zijn ‘Bredere aantekeningen’ had opgenomen en
die later nog door Zaalberg met veel instemming werden herhaald, klonk het
nochtans formeel: ‘Het populaire beeld van
Bredero als een zorgeloze losbol die in ellende bekeerd
jong stierf, berust op een misverstand inzake het werkelijkheidsgehalte van
zijn poëzie en op een onkritisch geloof in de ordening van het Groot
Lied-boeck’. En een andere stelling luidde: ‘Het genre waartoe
Bredero's gedichten merendeels behoren, namelijk het lied, houdt in dat men
slechts bij uitzondering te maken heeft met een uiting van autobiografische
aard’ (p. 83).
In de commentaren evenwel wordt herhaaldelijk de poort opengehouden
voor een interpretatie van de liederen als ‘moderne
belijdenislyriek’ (p. 29). Bij het inkeerlied met de overbekende
beginstrofe:
(God betert) door 't versoecken:
Want ick heb daer verkeert
geeft de annotator terecht toe dat het niet meer valt uit te maken
‘in hoeverre dit lied dat zo autobiografisch aandoet, het ook werkelijk
is’. Maar even verder bij de versregel ‘Nu heb ick 't al
versocht’ (beproefd, doorstaan; v. 13) acht diezelfde annotator het dan
toch verantwoord om het lied ‘tot de latere fase van Bredero's
dichterschap te rekenen’ (p. 444): een ernstige
Bredero is voor Stuiveling onmiskenbaar een oudere
Bredero. In een ander, ditmaal amoureus lied (lied 20) is het dan weer een
verliefde | | | | Bredero die in de Bredere aantekeningen aan de orde
wordt gesteld. De minnaar, de ‘ik’, is er aan het woord en richt
zich tot een rijk, knap maar bijzonder hooghartig meisje. De verzen wekken, zo
luidt het commentaar, ‘de indruk tot op zekere hoogte autobiografisch te
zijn’ (p. 234). De tekstbezorger gaat hiermee voorbij aan het bekende
genre van de minnaarsklacht en aan de specifieke moraal op het einde van het
lied: het meisje krijgt er haar verkeerde gedrag flink ingepeperd wanneer de
minnaar er verwijst naar de vergankelijkheid van haar rijkdom en schoonheid.
Nog andere staaltjes zouden kunnen worden aangehaald. Bijvoorbeeld: wanneer de
‘ik’ het in sommige liederen heeft over zijn ‘jonge
Jeught’ dan wordt dit in de commentaren graag verbonden met de
jongelingsjaren van Bredero zelf (vgl. b.v. p. 336 en 467).
Vanuit een zelfde bekommernis om de verzen uiteindelijk met
Bredero's leven en persoonlijkheid te verbinden, tracht Stuiveling om de
liederen waarvan men meestal niet weet wanneer ze precies zijn ontstaan, te
dateren op grond van stilistische kenmerken:
naarmate er méer kenmerken van de rederijkerspoëzie
zijn, behoort een lied met groter waarschijnlijkheid tot de vroegste periode,
de jaren vóor 1610; naarmate er méer kenmerken van de
renaissancepoëzie zijn, behoort een lied met groter waarschijnlijkheid tot
de middenperiode, de jaren van 1610 tot 1615; naarmate er méer
kenmerken van het eenvoudige volkslied zijn, behoort een lied met groter
waarschijnlijkheid tot de laatste periode, de jaren van 1615 tot eind augustus
1618. (p. 62).
Een dergelijke onderneming valt uiteindelijk niet te verantwoorden
en staat haaks op Stuivelings uitlatingen elders in de inleiding. Daar valt
namelijk te lezen dat
Bredero de heterogene vormgevingsprincipes die elkaar
in het vroeg-zeventiende-eeuwse Amsterdam om zo te zeggen in
evenwicht hielden, niet heeft ervaren als tegenstrijdige maar veeleer als
verwisselbare, elkaar aanvullende stijlmogelijkheden, die hij dan ook kon
gebruiken en combineren in ‘vryicheyt’. (p. 62).
Ook Grootes heeft in dit opzicht reeds op de
‘tegenspraak’ in Stuivelings betoog gewezen.
De aangegeven tegenstrijdigheden hebben hun sporen nagelaten in de
commentaren bij de liederen. Ik geef slechts enkele voorbeelden die duidelijk
de dubbelzinnigheid van Stuivelings betoog en de consequenties ervan voor de
interpretatie van de liederen aan het licht brengen. Bij het ‘Geestigh
Liedt’ met het bekende beginvers ‘Wat dat de wereld is’ (lied
164) zou men dan, zo luidt het in het commentaar, ‘op grond van de stijl,
die in z'n direkte eenvoud aan het volkslied verwant is, […] kunnen
denken aan de periode omstreeks 1615’ (p. 144). En bij het
‘Nieu-Jaer-Liedeken’ (nr. 169) heet het: ‘Ofschoon de
publikatie van dit gedicht heeft | | | | plaats gehad bij de jaarwisseling
1618-1619, en wat
Bredero betreft dus postuum, maakte de tekst door enkele
rederijkerselementen de indruk van een wat vroeger tijdstip te zijn’ (p.
452). Opmerkelijk luidt ook het commentaar bij lied 40: ‘het enige lied
waarmee het in stilistisch opzicht verwantschap vertoont, is het Sint-Janslied
(lied XXIX) dat uit 1610 dateert en toevallig ook Haarlem betreft.
Daarom lijkt het verantwoord dit drinklied op 1611 of 1612 te stellen, de tijd
ook van de kluchten’ (p. 266). Maar ook de datering van het Sint-Janslied
gebeurde op zijn beurt reeds op dubieuze gronden: daar heet het dat het
‘ondenkbaar [is] iemand die op z'n negentiende jaar een gedicht van
déze kwaliteit schrijft, nog zes jaar zou wachten voor hij met enig
werkstuk voor den dag komt. Stilistisch sluit dit lied bovendien nauw aan bij
de kluchten, en die dagtekenen uit de jaren 1612-1613’ (p. 244).
Het huidige literairhistorische bedrijf heeft nog maar weinig begrip
voor de apothekersprecisie waarmee het biografische aandeel in Bredero's
liederen werd afgewogen. In de plaats daarvan concentreert het onderzoek zich
nu vooral op de wijze waarop het
Lied-boeck is ontstaan, op het registrale
karakter van de opgenomen liederen en gedichten, en op de functie en het
publiek van de bundel. Bredero's liedboek wordt bevrijd uit het verstrikkende
en steriele web van al dan niet vermeende biografische relaties en wordt
gesitueerd binnen de toenmalige literaire en culturele systemen. Van belang
hierbij is de wijze waarop het Lied-boeck tot stand is gekomen. In 1615
verscheen te Amsterdam het luxueus uitgegeven liedboek
Apollo, waarin naast liederen van o.m.
Hooft,
Starter,
Coster,
Roemer Visscher en
Van Mander ook een tiental bijdragen van
Bredero waren bijeengebracht. Verder vindt men van Bredero
slechts nog enkele bruiloftdichtwerkjes in gelegenheidsuitgaafjes afgedrukt.
Een liedboek op zijn naam en gepubliceerd tijdens zijn leven, is evenwel niet
bewaard gebleven. Het heeft wel bestaan, meer bepaald in drie edities waarvan
we jammer genoeg geen enkel exemplaar meer hebben. In 1616 zou de Leidse
humanist
Petrus Scriverius een aantal liederen van Bredero hebben
verzameld in een
Geestich Liedt-boecxken en te Leiden
uitgebracht. Het is diezelfde Scriverius die in dat jaar ook de Nederlandse
poëzie van de Leidse classicus
Daniël Heinsius zou publiceren. Het succes van
Bredero's Liedt-boecxken gaf aanleiding tot een Amsterdamse
piraatuitgave waarin naast Bredero's liederen nog een aantal
‘on-eerlijcke en ontuchtighe Liedekens’ werden opgenomen en als
zijn werk gepresenteerd. Rond 1618 zou Bredero dan het roer zelf in handen
hebben genomen: het werd een gekuiste versie van de Amsterdamse roofdruk
aangevuld met wat nieuw werk van de dichter | | | | en een voorrede van zijn
hand. Deze voorrede werd ook afgedrukt in de vierde en de vijfde uitgave van
het liedboek die wel bewaard zijn gebleven: het kleine
Geestigh Liedt-boecxken uit 1621 (in klein
oblongformaat) en het sterk uitgebreide
Groot Lied-boeck uit 1622 in kwarto-oblong; beide
uitgaven werden postuum (Bredero overleed in 1618) gepubliceerd
door
Cornelis Lodewijcksz. van der Plasse. Het aandeel van deze
Amsterdamse boekverkoper in beide bundels mag niet worden onderschat:
uiteindelijk was hij verantwoordelijk voor het verzamelen en het selecteren van
de liederen, voor de ordening en de driedeling van het Groot Lied-boeck.
En uiteindelijk was hij het ook die de beide uitgaven inschakelde in het
gebruikelijke circuit van kleine, goedkope liedboekjes (het Geestigh
Liedt-Boecxken) en van dure, typografisch zeer verzorgde en rijkelijk
geïllustreerde lied- en embleemboeken die voor een gefortuneerd publiek
waren bestemd (het Groot Lied-Boeck). De prijzen van beide liedboeken
liegen er alvast niet om: het Geestigh Liedt-Boecxken werd voor drie
stuivers aangeboden; het Groot Lied-Boeck bleek met zijn vierendertig
stuivers tien keer meer waard te zijn en was dus een behoorlijk duur boek.
Bredero's voorrede bevat gegevens over de wijze waarop althans een
belangrijk deel van de liederen en gedichten volgens de auteur (en wellicht ook
volgens de uitgever in 1621 en 1622) dienden te worden
‘geconsumeerd’: deze moesten - en ik citeer hier uit de voorrede -
worden gezongen of voorgelezen door de ‘Lustighe en vrolijck-moedighe
Maagden en Ionghelingen’ tijdens hun ‘vrolijcke Maaltyden,
Gheselschappen, en Bruylofts-Feesten’ daarnaast konden ze ook in de
privé-sfeer (‘om […] u selven van swaermoedige gedachten te
ontledigen’) hun diensten bewijzen. De dichter verduidelijkt zelfs welke
liedgenres hij daarbij op het oog had: bedoeld worden de liederen vol
‘boertige vermakelijckheyt’ en de ‘Jammertjes’ en
‘Klachten’, kennelijk gebruiksliederen bestemd voor een groter
publiek, invulbaar voor een breder publiek.
Wie Bredero's uitgebreide
Lied-Boeck uit 1622 doorneemt, kan zich evenwel
niet van de indruk ontdoen dat Bredero's karakterisering geenszins het
volledige spectrum van de door
Van der Plasse opgenomen liederen en gedichten dekt. In
bepaalde opzichten zijn een aantal bijdragen niet zonder meer gelijk te stellen
met de overige gebruikslyriek of in verband te brengen met
Bredero als - zoals Schenkeveld-van der Dussen hem noemde
- ‘onderzoeker van het eigen zelf’: ik denk meer in het bijzonder
aan het ‘Klaegh-Liedt’ voor Roemer Visschers dochter,
Maria Tesselschade, dat door Bredero vermoedelijk voor een
meer intieme kring was bestemd en dat er aanvankelijk wellicht ook zo had
gefunctioneerd. Ik raak hiermee het probleem aan (en ik citeer uit Portemans
evaluatie in | | | | 1985) dat in ‘deze bij uitstek functionele bundel
- liederen werden gemaakt om gezongen te worden - nu eenmaal ook gedichten voor
Magdalena Stockmans’ werden opgenomen en
‘verzen die getuigen van een duidelijk amoureuze verering van die
onvolprezen, lieve, intelligente Tesselscha’. En toch vindt men deze
verzen afgedrukt in het
Liedt-boeck uit 1622. De dubbelzinnigheid van de
bundel heeft hier wellicht vooral te maken met de rol die
Van der Plasse bij de uitgave van Bredero's werken heeft
gespeeld en met de naam en de faam waarop de dichter bij zijn dood in 1618 kon
bogen. Er zijn nl. verschillende aanwijzingen waaruit blijkt dat uitgever Van
der Plasse na de dood van
Bredero er niets aan gelegen liet om het oeuvre van
Bredero zo volledig mogelijk te reconstrueren en uit te geven. Zelf had hij
reeds tijdens Bredero's leven zo goed als alleenrecht op de publicatie van
diens werken verworven. En na Bredero's dood had hij (als enige) toegang tot de
literaire nalatenschap: in de periode 1618 tot 1621 verscheen bij Van der
Plasse nagenoeg het volledige oeuvre van Bredero in druk. Daarbij meende hij
dat elk geschrift van Bredero diende te worden gepubliceerd. Hij zou zelfs op
zoek gaan naar dichters die de onvoltooide manuscripten van Bredero's
Angeniet en
Het daghet uyt den Oosten zouden vervolledigen
zodat ook deze stukken op de markt konden worden gebracht. Dat hierbij
vergissingen werden begaan, hoeft geen betoog. In 1620 bijvoorbeeld drukte Van
der Plasse in de
Nederduytsche Rijmen ook 102 vierregelige
gedichtjes af (de bekende verzen ‘Op de Sinnebeelden van
Horatius’) en presenteerde ze als werk van
Bredero. Later kwam men er achter dat Van der Plasse zich
had vergist: wellicht had Bredero een afschrift van deze verzen gemaakt die dan
door Van der Plasse in de dichterlijke nalatenschap werden aangetroffen en
verkeerdelijk als Bredero's werk aangezien. Op dezelfde wijze zou ook een lied
uit Hoofts
Granida in Bredero's Lied-boeck worden
opgenomen. Van der Plasses verzameldrift m.b.t. Bredero's liederen kan ik nog
op een andere manier illustreren. In zijn voorwoord tot het
Gheestich Liedt-Boecxken deelt
Van der Plasse mee dat hij bezig is om al de liederen van
Bredero te bundelen. Het kleine liedboekje is slechts
bedoeld als een voorsmaakje, ‘een monsterken ende staaltjen van noch wel
over de twee hondert andere [liederen], die het licht niet ghesien en hebben,
[…] die ick u L[ieden] […] met ten eersten sal mede deelen, daer
ick tegenwoordig mede bezigh ben, […] de welcke u L[ieden] ghelieve al
singhende met vreuchden te verwachten’.
Het lijkt bij dit alles dan ook meer dan aannemelijk dat
Bredero een aantal liederen en gedichten die nu in het
Groot Lied-Boeck voorkomen, niet voor publikatie
in een dergelijke bundel had bestemd. We hebben hier te maken met een voor die
tijd vrij nieuw fenomeen (een fenomeen dat zich | | | | overigens tijdens de
eerste decennia van de zeventiende eeuw steeds sterker doorzet, zeker m.b.t.
lied- en ook embleemboeken): gedichten en liederen worden belangrijk omwille
van de dichter, de dichtersnaam wordt een belangrijk mercantiel argument.
| |
Bibliografie
| A. van Assche,
Over de sprong in het verleden en de magneet van het heden. De
nood aan literatuurgeschiedenis op school? In: A. van Assche (red.),
Literatuurgeschiedenis op school? Leuven/Amersfoort 1988, pp. 37-58. |
| Het Bredero-herdenkingsweekend op 16 en 17 maart 1985. Een
gids van feestelijkheden en andere activiteiten, samengesteld door het
Comité 400 jaar Bredero. Amsterdam 1985. |
| G.A. Bredero's Boertigh, amoreus, en aendachtigh Groot
Lied-Boeck. Deel I. Uitgegeven en toegelicht door G. Stuiveling met
medewerking van A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A.
Zaalberg. Culemborg 1975; Deel II. Bredere aantekeningen bij de liederen door
G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg.
Met inleidingen over het Lied-Boeck door G. Stuiveling en over de prenten
daarin door P.J.J. van Thiel. Leiden 1983; Deel III. De melodieën van
Bredero's Liederen verzameld, ingeleid en toegelicht door F.H. Matter.
's-Gravenhage 1979. |
| G. Erné en S. ten Brinke,
Zo werken met oudere teksten dat er werkelijk iets aan
is. In: Moer. Tijdschrift voor het onderwijs in het Nederlands,
1974, pp. 237-243. |
| A.-J. Gelderblom,
Welke Bredero herdenken we eigenlijk? Het wisselende beeld van
de kunstenaar. In: Literatuur, jrg. 2, 1985, pp. 146-52. |
| E.K. Grootes,
Rede bij de herdenking van Bredero's vierhonderdste
geboortedag, 16 maart 1985. |
| Liederen van Bredero. Samenstelling: E.K.
Grootes. Amsterdam 1985. |
| J.D. van der Meulen,
De waardering van Bredero in moderne Nederlandse
literatuur. In: De nieuwe taalgids, jrg. 54, 1961, pp.
156-158. |
| J.P. Naeff,
Bredero en de kritiek. Een bloemlezing uit de literatuur over
Bredero. Amsterdam 1971. |
| J.P. Naeff,
De waardering van Gerbrand Adriaenszoon Bredero.
Gorinchem 1960. |
| K. Porteman,
Bredero vandaag 1585-1985. In: Dietsche Warande en
Belfort, jrg. 130, 1985, pp. 183-187. |
| M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
Personage of persoonlijkheid. Het ik in de Nederlandse lyriek
van de 17de eeuw. In: B.F. Scholz en A.-J. Gelderblom (red.),
Utrecht Renaissance Studies 7. Utrecht 1989, pp. 37-55. |
| M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
Portret van Bredero. In: Ons Erfdeel, jrg. 28,
1985, pp. 642-649. |
| M. Spies,
De andere Bredero. In: E. van Alphen en M. Meijer
(red.), De canon onder vuur. Nederlandse literatuur tegendraads gelezen.
Amsterdam 1991. |
| G. Stuiveling,
Bredero en Vaenius; en:
Bredero en het liedboek ‘Apollo’. In:
G.A. Bredero's Verspreid werk. Verzameld en toegelicht door G.
Stuiveling. Voltooid door B.C. Damsteegt. Leiden 1986, pp. 253-279 en pp.
280-288. |
| C.A. Zaalberg,
Een nieuwe Bredero. In: Verslagen en Mededelingen van
de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1984, pp.
304-316. |
|
1H. Marsman,
Verzameld werk. Amsterdam 1979, pp.
92-96.
2M. Spies,
Vondels actualiteit. In: M. Geesink en A. Bossers
(red.), Vondel! Het epos van een ambachtelijk dichterschap.
,s-Gravenhage 1987, pp. 45-47. Vergelijk in dit verband ook de bijdragen van K.
Porteman, in deze bundel en in het tijdschrift Ons Erfdeel, jrg. 34,
1991, pp. 70-77.
|
|