|
|
|
| |
| | | | | |
Adriaen Valerius' leven en werken
door P.J. Meertens
Velerlei schoonheid heeft het bloeiende eiland
Walcheren binnen zijn kring van duinen en dijken, maar geen die
zoozeer weemoedig stemt als die van de kleine stad aan zijn noordkust, die men
een dorp zou noemen, indien haar voorname, ranke renaissance-raadhuis en haar
gigantische kerk, die zich hoog boven de roode daken verheffen, niet de
onvergankelijke teekenen waren, dat deze kleine nederzetting eenmaal althans
stedelijke rechten heeft bezeten. Vere is haar naam. Ik ken geen andere stad in
deze landen, die zoo schoon is, ik ken er geen tweede waarin de weemoed zoozeer
verankerd ligt. Boeren en visschers bewonen de huizingen, waar eenmaal
ondernemende kooplieden verre tochten beraamden naar de uiteinden der aarde;
dat was in den tijd toen een
Balthasar de Moucheron er zijn wereldomvattende
plannen ontwierp en zijn vloten naar alle zeeën deed uitvaren, de tijd
toen Vere nog de stapelplaats was van den Schotschen lakenhandel.
Het vergulde schip, dat hoog op de ijle torenspits van het stadhuis zich met
alle winden wendt, herinnert aan die verre eeuwen, die voor Vere nooit zullen
weerkomen. Hier is het verleden als versteend, en wie op een zomeravond aan de
haven staat en over de wijde wateren tuurt, zou zich niet verwonderen wanneer
hij uit een der oude patricische woonhuizen een van die statig getabberde
kooplieden zou zien verschijnen, die ons van de schilderijen der
zeventiende-eeuwsche meesters zoo vertrouwd zijn. Het verleden is hier nooit
geheel gestorven, omdat het heden hier nooit volledig burgerrecht heeft
verkregen. De tijd is aan Vere achteloos voorbijgegaan, sinds de handel en zijn
gevolg: arbeid en bedrijvigheid, rijkdom en welvaart, haar verlieten. Nu ligt
zij met haar verzande haven aan het blauwe water van de Noordzee, en men denkt
aan de klacht van Jeremia over Jeruzalem: Hoe zit de stad zoo eenzaam, die vol
volks was.... Maar schilders en dichters vinden er het geluk, dat een razende
wereld hun elders heeft ontzegd.
In een der huizen aan de kade, die langs de smalle en ondiepe
binnenhaven loopt, heeft in het eerste kwart der zeventiende eeuw
Adriaen Valerius gewoond, de auteur van
den Nederlandtschen Gedenck-clanck. Hij was, in welk
jaar is niet bekend, waarschijnlijk te Middelburg geboren, waar
zijn vermoedelijke vader
François Valéry of Valerius in 1569 het
poorterschap had verkregen
1). De familie was van
Fransche afkomst. François Valéry schijnt in de een of andere
militaire functie werkzaam te zijn geweest, althans tijdens het beleg van
Middelburg in 1572. Tien jaar later was hij klerk bij de kolonels en kapiteins
der schutterij, weer tien jaar later notaris. Maar bovendien was hij muzikaal;
toen in 1575, na het ontzet van Middelburg, de Westmonsterkerk op de Groote
Markt voor afbraak werd verkocht, werd Valerius voor £24,- eigenaar van
het kleine orgel uit deze kerk. Daar heeft de jonge Adriaen dus misschien de
beginselen der muziek op geleerd.
Ook wat de keuze van een loopbaan betreft, trad Adriaen in | | | | het voetspoor van zijn vader. Omstreeks 1592 werd hij klerk bij
Pieter van Reigersbergh, equipage- en
ammunitie-meester van Zeeland en burgemeester van zijn woonplaats
Vere. Hij is de vader van
Maria van Reigersbergh, die later de vrouw van
Hugo de Groot zou worden. In 1598 werd Adriaen op
voordracht van de Admiraliteit van Middelburg door de
Staten-Generaal tot controleur van de convooien en licenten te Vere aangesteld.
In 1606 werd hij ontvanger van de convooi- en licent-gelden, later ook nog
fortificatiemeester van de stad, en bovendien werd hij in 1606 op zijn verzoek
door de Staten van Zeeland tot het notarisambt toegelaten.
Zoo werd Valerius een machtig en waarschijnlijk ook een vrij
welgesteld man in de destijds aanzienlijke en welvarende stad van Vere. In 1598
trouwde hij er de burgemeestersdochter
Elisabeth Bouwens Adriaensdr. Behalve verscheidene
jonggestorven kinderen werden uit dit huwelijk geboren: in 1604 een zoon
François (die dus naar zijn grootvader van vaderszijde werd genoemd), en
later nog twee dochtertjes, Catharina (1610) en Margarita (1613). De moeder
stierf in 1619, toen François nog geen zestien, de meisjes bijna negen
en zes jaar telden. Twee jaar later hertrouwde Valerius te Middelburg met
Christina Adriaensdr, van
St-Boudewijnskerke (op Walcheren) afkomstig, maar te Middelburg
wonende. Zij schonk haar man nog twee kinderen: een dochtertje Elisabeth (1622)
en een zoontje Adriaen (1624). Een jaar na de geboorte van dit jongste kind
stierf vader Adriaen, op 27 Januari 1625, klaarblijkelijk in de kracht van zijn
leven. In 1616 was hij voor de eerste maal tot schepen gekozen, het jaar daarop
tot raad van de stad, en bij zijn dood bekleedde hij deze ambten nog beide.
Was Valerius niet meer geweest dan dit, zijn naam zou sinds eeuwen
vergeten zijn als die van de andere notarissen en overheidspersonen, die
Vere in haar groote kerk heeft begraven. Weinig is noodig, om
vergeten te worden, om op te gaan in de ontelbare menigten der ongekenden. En
even weinig om voort te blijven leven in de herinnering der geslachten, die na
onzen dood de aarde bevolken. Nimmer zal Valerius vermoed hebben, toen hij in
1598 lid werd van de Veersche rederijkerskamer ‘Missus
Scholieren’ onder de zinspreuk ‘In reynder jonsten
groeyende’, dat hij daarmede den eersten stap zette op een weg, die hem
onvergankelijke faam zou brengen.
Van Valerius' rederijkersloopbaan is ons overigens maar weinig
bekend. Het archief van de kamer bevat geen sporen van zijn werkzaamheid
2). Dat hij een
geacht gildebroeder was, blijkt uit zijn verkiezing tot overdeken van het
gilde, in 1617. Een van zijn confraters dichtte bij zijn dood een klaaglied en
een lijkdicht, waarin zijn verdiensten breed worden uitgemeten. Veel zegt dat
overigens niet in den mond van een rederijker. Maar dat Valerius als dichter
ook buiten het gilde en zelfs buiten Vere eenige bekendheid genoot, blijkt
daaruit dat men hem uitnoodigde om mee te werken aan
den Zeeuschen Nachtegael, den bundel die na het bezoek
dat
Anna Roemers Visscher in 1622 aan Zeeland bracht, door
een aantal gewestelijke dichters werd samengesteld en het jaar daarop te
Middelburg het licht zag, deels te harer eer, deels ook als een manifestatie
van wat de Zeeuwen in de poëzie vermochten. De bundel was naar ouden
rederijkerstrant in drieën verdeeld:
Minne-sang,
Seden-sang en
Hemel-sang - een moderne transponeering van de
rubriceering ‘int vroede’, ‘int sotte’ en ‘int
amoureuse’ der refereinen. De bijdrage van Valerius vindt men in het
derde deel
3), en misschien is
dit typeerend voor de mentaliteit van den dichter, die een vroom Calvinist was.
Het opschrift is een tekstregel uit | | | | Paulus' brief aan de
Romeinen, 14:6: ‘Wie den dach acht, die achten den Heere:
ende wie den dach niet en acht, die en achten den Heere niet’, die in
deze overzetting beter overeenkomt met het beschreven onderwerp en den zin,
dien Valerius daarin wilde leggen, dan in de bewoordingen der latere
Statenvertaling. Het gedicht beschrijft een morgenwandeling in de buurt van
Vere, eerst langs den waterkant, dan naar Valerius' hof in Zanddijk, waar toen
nog de raven op den sinds verdwenen toren broedden. De morgenzon doet den
zilveren dauw, die over de velden ligt, in damp opgaan, reeds zijn alle vogels
ontwaakt en vervullen de lucht met hun veelstemmig gezang. De gansche natuur is
na de korte nachtrust tot het leven weergekeerd. De boer beploegt zijn land, de
herder, al fluitspelend, bewaakt zijn kudde, de bijen zwermen rondom de
bloemen,
De Boomen (schoon verciert met bloeysels lief van verwen)
Die gaven soeten geur, de Biekens quamen swerven,
De glad-beschubde-visch aldaer in 't water was,
Elck dierken deed' alom zijn dach-werck even ras,
Ick docht, wel! hoe salt zijn? sal roesten en verteeren
(Door leuyicheyt) mijn geest? dat wil God van my weeren,
Sal ick dus vunsich gaan, alwaar ick schier vermuft?
Sal Godes kennis in my nu zijn als versuft?
Sal ick een reed'lick mens, van redeloose saken
Geleert zijn, en niet selfs in my gaan, en soo maken
Dat God in en door my gheleert wert, en verhoocht?
Door deze wending gaf Valerius zijn lied een strekking, die het in
den ‘Hemel-sang’ een waardige plaats verleende. Weliswaar kan dit
gedicht, waarin de rederijkerij zich openbaart door een zekere voorkeur voor
binnenrijm en alliteratie, den toets van een vergelijking met de beste liederen
uit den
Gedenck-clanck niet doorstaan, maar niettemin bevat
het enkele welluidende beelden en niet onverdienstelijke regels, al met al het
bewijs dat Valerius terecht den dichternaam mocht voeren.
Het schijnt dat Valerius zich eerst in zijn laatste levensjaren
heeft aangegord om een geschiedverhaal op te stellen van den opstand der
Nederlanden tegen den wettigen landsheer
4).
Bor,
Van Meteren en
Le Petit waren hem hierin reeds voorgegaan; de
‘Historie der Nederlantscher oorlogen begin ende voortganck’ van
Van Reyd verscheen in hetzelfde jaar als de
Gedenck-clanck. Noch met deze, noch met de andere groote algemeene overzichten
van den Opstand als
van Hooft en
De Groot is het werk van Valerius te vergelijken. Het
is minder wetenschappelijk en minder uitvoerig dan de bovengenoemde
historieverhalen, en nauwelijks vindt men er bijzonderheden in, die niet van
elders bekend zijn. In een niet al te levendigen betoogtrant heeft Valerius een
overzicht gegeven van de voornaamste feiten op politiek en krijgskundig gebied,
die zich van het begin van den Opstand tot 1625, het jaar waarin de auteur
stierf, in deze landen hebben voorgedaan. Dit relaas is in den traditioneelen
stijl geschreven, waarin onze voorouders uit het eerste of het tweede geslacht,
dat de verschrikkingen van den binnenlandschen oorlog aan den lijve had
ondervonden, uiting | | | | plachten te geven aan hun opgekropte
haatgevoelens. Op de eerste de beste bladzijde van zijn boek spreekt Valerius
al van ‘den wreeden Spanjaert’ als van den erfvijand der vrije
Nederlandsche gewesten en het lieve vaderland, van ‘den boosen-aerd der
Spanjaerden, haer loose vonden, haer dobbel-treckige handelingen,
onversadelicke gelt ende eergierigheyt, onversoene-lycken haet, vyandig ende
wrevelig herte, met haere trouwvergeten rancken, die sy (van over lange Jaren,
ende noch ten huydigen dage) hebben aengerecht ende bethoont, ende noch zijn
plegende, met verwoesten, moorden, ende schendingen’. Vooral aan de
schooljeugd wil hij inprenten, mee door zijn eigen boek, wat den Nederlanders
van de Spanjaarden geschied is. ‘'tSelve (beminde leser) soude
veroorsaecken dat men met meerder eendrachtigheyt desen vyant (als eene gemeene
peste) uyt ons Vaderlant soude pogen wegh te dryven; ende daer eenmael uyt
synde, hem daer uyt te houden, ende hem selfs te gaen besoecken inde landen die
hy, tegens recht, met geweld, van andere Princen, Heeren ende volckeren is
besittende; 'twelcke de eyndelicke behoudenisse ware van Godts kercke in dese
quartieren, als mede een groot voordeel onses Vaderlants, ende dempinge des
machtighen vyandts’. Van denzelfden geest van bitteren haat is geheel dit
geschiedverhaal doortrokken, geheel en al in overeenstemming trouwens met den
geest, die uit alle Staatschgezinde literatuur van dezen tijd spreekt.
Indien Valerius niet meer verricht had dan de teboekstelling van
de krijgsfeiten in den onpersoonlijken prozastijl, dien hij hanteerde, zou zijn
verdienste gering, zijn naam sinds lang terecht vergeten zijn. Hij heeft echter
de gelukkige gedachte gehad, zijn verhaal te doorvlechten met een reeks van
liederen, die deels niet meer dan middelmatig rederijkerswerk zijn, maar voor
een ander, geringer, deel in ongemeen forsche bewoordingen uiting geven aan het
fiere zelfbewustzijn van den zeventiende-eeuwschen Nederlander, den burger van
de jonge Republiek die zoo juist haar vrijheid en zelfstandigheid heeft
verkregen en op het punt staat, een wereldmacht te worden, om welker gunst en
vriendschap Frankrijk en Engeland gelijkelijk en met ijver dingen.
Men is in 't algemeen geneigd, aan te nemen dat Valerius slechts
de verzamelaar van deze liederen geweest is, niet hun dichter. Voor wie kennis
heeft genomen van de heldere uiteenzetting, die Dr F.C. Wieder nu reeds meer
dan dertig jaar geleden hieromtrent heeft gegeven
5) kan er echter geen twijfel meer bestaan, of
Valerius is wel degelijk de auteur, met uitzondering dan van die drie liederen,
die ons van elders bekend zijn (het
Wilhelmus,
Maximiljanus de Bossu en
Hoortallegaer,
Hoe datmen klaer en waarvan Valerius zelf
trouwens uitdrukkelijk zegt, dat ze indertijd door het volk gezongen werden
6). Wanneer het titelblad dan | | | | ook spreekt van ‘de Liedekens (meest alle nieu zijnde)’
heeft men dit aldus op te vatten, dat met uitzondering van de drie
bovengenoemde geuzenliederen alle andere nieuw, d.w.z. van Valerius zelf zijn.
Het zou toch al te toevallig zijn, dat er van al de andere 73 liederen (waarvan
Valerius niet meedeelt, dat ze indertijd gezongen werden) geen enkel in eenige
andere bron wordt gevonden of zelfs maar genoemd, wanneer ze van een anderen
dichter dan Valerius zouden zijn. Er bestaat dus geen reden, aan de waarheid
van Valerius' eigen verzekering (of die van zijn erfgenamen) te twijfelen. Maar
bovendien bestaat er - Dr Wieder heeft er reeds op gewezen - een kenmerkend
onderscheid tusschen de drie meergenoemde geuzenliederen en alle andere uit den
Gedenck-clanck. De liederen van Valerius toch zijn alle, het een wat meer, het
ander wat minder, gemaniereerd, en kennelijk niet de onmiddellijke weerslag van
het bezongen feit. Ze zijn meer bespiegelend dan verhalend; ‘het is de
dichter die terugziet, niet hij die het feit heeft bijgewoond’.
Wanneer, in 1626, de Nederlandtsche Gedenck-clanck in druk
verschijnt
7), behoort de tijd der geuzen reeds
enkele tientallen jaren tot het verleden. De Republiek der Zeven
Provinciën heeft zich, na vele rampspoedige jaren, waarin het lot der
vrijheid menigmalen hachelijk had geschenen, geconsolideerd, en de jonge staat
bevindt zich reeds in de eerste periode van de eeuw, die men later de gouden
zou noemen, niet alleen terwille van de cultureele rijkdommen, in dezen tijd
uit de volkskracht opgekomen, maar mede om de geweldige kapitalen, die zich in
de talrijke handelssteden van Holland en Zeeland geleidelijk aan hadden
gevormd. Ook in het kleine Vere heerschte ondernemingsgeest; ook hier stapelde
zich in de kantoren der kooplieden goud op goud; ook hier werden de grondslagen
gelegd van machtige ondernemingen en rijke kapitalen. Valerius moet er, door
zijn ambten, in nauwe aanraking mee zijn gekomen. Hij heeft er den machtigen
Balthasar de Moucheron gekend, die evenals hijzelf,
zij het om andere redenen, in 1599 van Middelburg naar
Vere was verhuisd, alhoewel hij reeds na vier jaar weer met de
noorderzon moest vertrekken. Hij heeft er de schepen zien uitzeilen naar
Indië en Afrika, een ongewisse toekomst tegemoet; hij heeft ze zien
terugkeeren, nu eens met behouden bemanning en overvloed van koopwaren, dan
weer met zwaar geteisterd scheepvolk en zonder buit, al naar de grillige
fortuin het wilde. Voorspoed en tegenslagen, geluk en ongeluk, leven en dood,
de rampzaligheden van den oorlog en de zegeningen van den vrede, dit alles is
aan zijn oogen voorbijgetrokken in het kleine Vere, dat als handelsen havenstad
dagelijks de gevolgen van den krijg, ten kwade, maar ook ten goede, aan den
lijve ondervond. Als kind moet hij van zijn vader de verschrikkelijke verhalen
hebben gehoord van de Spaansche tyrannie, als man is hij er ooggetuige van
geweest. Maar tot mannelijken leeftijd gekomen, heeft hij den op- | | | | gang der Republiek gezien, die na de tien kritieke jaren het pleit gewonnen
had en niet meer twijfelde aan haar overwinning. Van deze mentaliteit is de
Gedenck-clanck de weerslag. De krijgsfeiten der zeventiende eeuw staan in geen
verhouding tot die der zestiende, zelfs niet wanneer het lot zich een oogenblik
ten kwade keerde. Gaandeweg wordt het aantal klaagliederen, dat Valerius dicht,
dan ook minder; de latere zangen zijn in hoofdzaak liederen van zege en
victorie en van dankbaarheid, en wanneer nog een enkelen keer een klaagtoon
wordt aangeheven, is het om een buiten de landsgrenzen voorgevallen feit te
herdenken: den moord op
Hendrik IV (1610), de nederlagen der Bohemers en
Hongaren tegen den keizer van Oostenrijk (1619) of de verdrukking der
Gereformeerden in Bohemen (1623).
De zangwijzen van Valerius' liederen mogen dan al voor het
overgroote deel van vreemde herkomst zijn, de tekst is stellig in zijn
hoogtepunten een der fierste uitingen van het Nederlandsche, juister het
Hollandsche en Zeeuwsche nationalisme uit het begin der zeventiende eeuw.
Bovendien is deze kenmerkend voor de karaktereigenschappen van den
zeventiende-eeuwschen Calvinist.
Het beeld van Valerius, dat we ons kunnen vormen uit de schaarsche
gegevens, die zijn werk en wat we omtrent zijn leven weten, ons geven, is vaag
en onvolkomen. Met uitzondering van de beide gedichten, waarin een der Veersche
rederijkers zijn nagedachtenis huldigde, is ons geen enkel getuigenis over hem
van de zijde van zijn tijdgenooten bekend. Zijn werk heeft klaarblijkelijk
eerst veel later aandacht getrokken; pas diep in de achttiende eeuw vindt men
zijn naam voor het eerst genoemd, en niet voor het eind der negentiende eeuw
ontstaat in breede kringen belangstelling voor zijn persoon en zijn werk.
Klaarblijkelijk bezat Valerius, ofschoon hij niet direct tot de
intellectueelen behoorde, een vrij groote belezenheid in historische, literaire
en theologische lectuur en kende hij Fransch, Engelsch en Latijn. Een en ander
blijkt uit de talrijke citaten uit den Gedenck-clanck. Daar vindt men in de
eerste plaats den Bijbel geciteerd, en vervolgens, eveneens herhaaldelijk, de
klassieken. Van de R.K. theologen haalt hij Augustinus en Bernardus aan. Maar
ook de contemporaine Nederlandsche letterkunde had zijn belangstelling; zoo
citeert hij zijn gewestgenooten
Cats,
De Brune,
Hoffer en
Jacob Schotte (de beide laatstgenoemden echter alleen
uit den Zeeuschen Hachtegael), en van de andere Nederlandsche dichters noemt
hij
Carel van Mander,
Abraham de Koning,
Anna Roemers Visscher,
Bredero,
Pers,
Heinsius
8),
Huygens,
Hooft,
Grotius,
Scriverius,
Starter en
Rodenburg. Blijkens de vele citaten uit
Du Bartas was hij in dezen auteur zeer belezen; van de
Franschen haalt hij verder
Hendrik IV aan en de Psalmvertalingen van
Beza en
Marot. Ook andere Bijbelplaatsen citeert hij
herhaaldelijk in het Fransch.
De meest in het oog vallende trek van Valerius' liederen | | | | is wel hun onwrikbaar Godsvertrouwen. God schenkt zijn volk de
overwinningen, en zoo vaak er in de geschiedenis van den Opstand aanleiding is
tot een zege- en overwinningslied, overstemt de orgeltoon der dankbaarheid en
het breede koraal der aanbidding de luide zegetonen. ‘Laet sang en spel,
tambour en fluyt, Nu klincken tot Gods eer’ heet het na de inneming van
Den Briel. Het lied, dat Valerius aanheft na het geslaagde verzet
der Zeeuwsche steden tegen
Alva in 1572, is één lofzang tot God.
‘Prijst God ons aller Heer’ zoo begint het lied op de ontruiming
van Zeeland door de Spanjaarden. ‘Vervreuchde sielen Staet
op nu ras, Verbreyt Gods lof en eer’ luidt het in het lof- en danklied op
de nederlaag van de Armada; kortom, er is nauwelijks een lied in den bundel te
vinden, dat niet gedragen wordt door dit gevoel van dankbaarheid jegens God. Al
wat het leven geeft, aanvaardt Valerius uit Gods hand; in blijde en droeve
dagen weet hij zich onder Gods hoede veilig en welbewaard.
Alst dickwils binnens huys al vreucht is naer ons wenschen,
Staet droefheyt voor de deur, verteerend' onse
jeucht,
Doch God stiert alle ding ten besten voor ons menschen,
Hy slaet en hy geneest, naer droefheyt komt de
vreucht.
Elck ding heeft synen tyd; nu geeft de Heer zyn segen,
Dan straft hy wederom, en vordert soo syn eer,
Na harde vorst en droogt verleent hy weder regen.
Het liefste kind word meest besocht van God den Heer.
De verhevenste eigenschap van het Calvinisme, de aanbidding Gods,
men zou ze het hoofdmotief van den Gedenck-clanck kunnen noemen. Een lied als
De Heer in zynen Throon seer schoon, dat op het eind van het boek zonder
eenige aanleiding uit den voorafgaanden tekst wordt geplaatst, is de uiting van
een gemoed, dat gedrongen wordt zijn Schepper te loven en hem te aanbidden. Uit
dit levensgevoel vloeit het Godsvertrouwen voort, dat kenmerkend is voor
althans de beste vertegenwoordigers van het Hollandsche en Zeeuwsche volk der
zeventiende eeuw, en dat zijn hooglied vond in het suggestieve O Heer, die
daer des Hemels tente spreyt.
De strijd van het volk in deze lage landen tegen het machtige
Spaansche rijk is voor Valerius een heilige oorlog. De Heer is met degenen, die
hem vreezen, en verdelgt al wie zijn wet overtreden. Wanneer in 1585 de zaak
van de Nederlanden er hope-loozer voorstaat dan ooit tevoren, komt de redding
van God: ‘In dese droeve tijden heeft God de Heere verweckt de Majesteyt
van Engelant die de Heeren Staten heeft vertroost ende door expresse
Ambassadeurs doen aenbieden haere hulpe, met raed ende daed’ (blz. 140).
God helpt de zijnen.
By 't jagtig dorstig hert, dat inde waterbeken
Syn heeten dorst verslaet, wel mogen syn geleken
De Nederlanders al, Die even alsoo soet
Nu werden t'saem verquickt door Gods genadig goet;
Als synd' in syn verbont, en van hem wel gekocht dier;
Die liepen als verdwaelt, heeft hy nu self gesocht hier,
En bygestaen in noot, en hare pyn verkort.
Geluckig is hy die van God geholpen word.
Zoo wordt de strijd van de Spanjaarden tegen de Nederlanden in
Valerius' oogen een opstand tegen God zelf:
Maraen, hoe moogt gy Spies en Lans
| | | |
vraagt Valerius met bijtenden spot, wanneer de Staatschen in 1600
de schans van St-Andries aan den Schelde-oever innemen, een krijgsfeit waarbij
de Spanjaarden er stellig geen oogenblik aan gedacht zullen hebben, tegen God
in opstand te komen. Maar Valerius is ook hierin de representant van een
geslacht, dat groot geworden is óók door zijn eenzijdige levens-
en wereldbeschouwing en dat stellig nooit zoo volkomen de overwinning zou
hebben bevochten, had het zich ook in de gedachtenwereld van den vijand weten
te verplaatsen.
Men moet Valerius trouwens toegeven, dat de felle haat tegen de
Spanjaarden, zooals vooral de onmiddellijk aan hem voorafgaande generatie dien
uitte, hem vreemd is. Er is ook in dit opzicht een groote afstand tusschen de
liederen van den Gedenckclanck en die van het
Geuzenliedboek. Wanneer Valerius zijn werk samenstelt,
is er meer aanleiding om de Spanjaarden te bespotten dan om hen te vreezen.
Slechts de herinnering aan het verleden vermag nog haatgevoelens wakker te
roepen; het heden biedt daarvoor niet of nauwelijks gelegenheid. De
terechtstelling van
Anneken van den Hove, in 1595 als aanhangster der
gereformeerde religie te Brussel levend begraven, de vermeestering
van enkele kleine visschersschuiten door de Spaansche vloot, in 1600, zij staan
in geen verhouding tot de onthoofding van
Egmont en
Hoorne (1568), de uitmoording van Rotterdam
onder
Bossu (1572), die van Mechelen (1572) of
Haarlem (1573). Na 1600 is de kans volkomen ten gunste der
Nederlanden gekeerd.
Naast de getuigenissen van vroomheid en godsvertrouwen treden die
van vrijheidszin in Valerius liederen op den voorgrond. Voor den
zeventiende-eeuwschen Nederlander was de laatste niet minder kenmerkend dan de
eerste. De vrijheid is ook voor Valerius het hoogste goed, en waard om er lijf
en leven voor te offeren. Wat worter meer gelieft? zingt hij na het vertrek der
Engelsche garnizoenen uit de Zeeuwsche pandsteden,
Wat worter meer gelieft? Wat isser meer te roemen?
Dan Vryheyt, en te zyn van slaverny verlost?
Ons Vyand most ons selfs Vry' Nederlanders noemen
Eer dat hy zyn begeer en wenschen krygen kost.
Vry syn wy, end' dat blyckt te klaerder noch in desen,
Dat wy de steden die daer waren dier verpand,
Nu hebben vry gemaeckt. God moet gepresen wesen,
Die soo gesegent heeft ons lieve Vader-Land!
Onmiddellijk daarop volgt het trotsche:
Waer datmen sich al keerd of wend,
End' waermen loopt of staet;
Waer datmen reyst of rotst, of rend,
Daer vintmen, 'tsy oock op wat Ree,
d'Hollander end' de Zeeuw',
Sy loopen door de woeste Zee,
Als door het bosch de Leeuw'.
In koud' en heete Landen al,
Of Oost, of West, op berg' en dal,
Men van haer spreecken hoord.
Sy krygen menig Schip en Boot
Daer zyn geen volcken, oock hoe groot,
| | | |
dat eindigt met het even fiere als vrome slotcouplet:
O Neerland! so ghy maer en bout
U pylen vast gebonden hout,
End' t'saem eendrachtig zyt;
So kan u Duyvel, Hel, noch Doot,
Niet krencken noch vertreen,
Al waer oock Spanjen noch so groot,
Ja 'swerelts machten een.
Valerius heeft in dit fiere, zelfbewuste lied een welsprekendheid
bereikt als zelden in zijn werk wordt gevonden. Ook wanneer we aannemen dat hij
al de liederen van den Gedenck-clanck op het eind van zijn leven heeft gedicht,
lag de herinnering aan het vertrek der Engelschen, dat in 1616 plaatsvond, nog
versch genoeg in zijn geheugen, om den indruk te wekken dat dit glorieuze lied
onder den onmiddellijken indruk van dit feit ontstaan is. Een trotsche vreugde
over de immer groeiende welvaart van het volk, waarvan hij deel uitmaakte, van
de jonge republiek, die hij groot zag worden, trilt door de zware cadans van
deze verzen heen. Niet langer is hij de gildebroeder van Missus Scholieren, op
zoek naar middenrijmen en andere rhetoricale fraaiigheden: ditmaal is hij
alleen maar aangegrepen door een onweerstaanbaren drang om uiting te geven aan
wat in hem woelt en gist. En zoo wordt Valerius de dichter van een der
krachtigste liederen, die het geslacht waartoe hij behoorde, wist voort te
brengen.
Er ligt voor ons, nakomelingen, een waas gespreid over het leven
van dezen dichter, die als een mythische gestalte is uit een mythische kleine
stad van vóór eeuwen. Aangaande zijn uiterlijke
levensomstandigheden is ons wel het een en ander bekend, maar wat weten we van
zijn letterkundig leven, van zijn omgang met den Middelburgschen letterkundigen
kring, die zich rond
Cats schaarde, van zijn betrekkingen met dichters en
schrijvers buiten Zeeland? Waarom gaven zijn erfgenamen zijn boek uit bij een
Haarlemschen drukker en niet bij
Jan Pietersz. van de Venne, den Middelburgschen
uitgever van den
Zeeuschen Nachtegael, met wien Valerius immers door
zijn medewerking aan dit liedboek in contact was gekomen? Op al deze en nog
zoovele andere vragen moeten we het antwoord schuldig blijven. Tijdgenooten
noemen noch den naam noch het werk van dezen Veerschen patriot, en eerst een
eeuw na zijn dood vinden we hem voor het eerst genoemd in het biografische
verzamelwerk ‘Geletterd Zeeland’ (1734) van
Pieter de la Rue. Een halve eeuw later maakt de Veersche
secretaris
Jacobus Ermerins van hem gewag in zijn
‘Beschryving der stad Vere’ (Eenige Zeeuwsche
oudheden, VI, 1792). De eerste en men kan vrijwel zeggen tegelijk de laatste,
die hem als geschiedschrijver heeft genoemd, is
S. de Wind (Bibliotheek der Nederlandsche
geschiedschrijvers, I, 1835). Eerst in 1871 heeft de Amsterdamsche hoogleeraar
A.D. Loman zich ernstig beziggehouden met de liederen
uit den Gedenck-clanck en een aantal daarvan uitgegeven. Toch zou het nog tot
1914 duren, eer
F.R. Coers, de onvermoeide strijder voor het
Nederlandsche lied, alle liederen uit den bundel tezamen zou uitgeven. Eerst
onze eeuw heeft voor het geuzenlied van Valerius de belangstelling getoond, die
het drie eeuwen lang heeft moeten ontberen.
Deze belangstelling is sinds enkele tientallen jaren niet tot het
Nederlandsche taalgebied beperkt. Ook in Duitschland en Oostenrijk, ook in
Amerika kent men den dichter van ‘das Niederländische
Dankgebet’ en ‘the Prayer of thanksgiving’. Allerlei | | | | omstandigheden, voor ons thans reeds onnaspeurbaar en ten deele
stellig ook van toevalligen aard, hebben de stem, die drie eeuwen gezwegen had,
opnieuw voor ons doen weerklinken. De heldere klaroen van Valerius'
strijdtrompet schalt opnieuw, en thans in een veel wijder veld, door de
Germaansche wereld, hier en over den oceaan, opwekkend tot gemeenschapszin,
liefde tot den geboortegrond en geloofsvertrouwen, als pijlers van een hecht en
welgefundeerd staatsleven. Moge de verscheurde en ontwortelde menschheid,
wanneer zij dit klare geluid verneemt, den diepen zin en de eeuwige waarde
ervan niet misverstaan.
| |
Bijlage I Documenten met betrekking tot Adriaen Valerius
en zijn familie
Uit: H.M. Kesteloo, De stadsrekeningen van Middelburg, IV,
1550-1600. (Archief van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, VII,
iste stuk, Middelburg, 1891, blz. 1-182):
François Valerius, notaris, werd 8 Februari
1569 poorter van Middelburg (blz. 121).
Van François Valerius werd in 1575 £24 ontvangen voor
koop van het kleine orgel uit de Westmonsterkerk (blz. 67).
François Valerius had in 1581 een jaarwedde van £2
als ‘clerck vanden colonnellen ende cappeteijnen deser stad’ (blz.
58).
In 1593 werd aan notaris François Valerius van stadswege
een winkel in de beurs verhuurd voor £6 per jaar (blz. 28).
J.H. de Stoppelaar (Balthasar de Moucheron
('s-Gravenhage, 1901), blz. 100) deelt nog mede dat
François Valéry tijdens de belegering van Middelburg
den 19den Juni 1572 door den kolonel de Beauvoir gecommitteerd werd om den
binnen de stad gebrachten buit in ontvangst te nemen, te verdeelen en te gelde
te maken. - De bron van deze mededeeling bleef ons onbekend.
Uit: Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609,
X (Rijks geschiedkundige publicaties, 71) ('s-Gravenhage,
1930), blz. 198:
Op de nominatie van de Admiraliteit van Middelburg van
Cornelis van Huessen, controleur op het kantoor van
den tol te Arnemuiden, en
Adriaan Valerius uit Middelburg, die den
equipage-meester en den ammunitie-meester te Vere,
Pieter Reygersberg, 6 jaren als klerk had gediend, tot
het ambt van controleur van de convooien en licenten te Vere, welk ambt
vaceerde door den dood van
Maarten de Gast, werd 8 Januari Valerius hiertoe
gecommitteerd en gelast commissie voor hem te depescheeren.
Uit: Notulen van de Staaten van Zeelant, 1606, blz.
284:
(Vergadering van 20 December 1606). Op de Requeste van Adriaen
Valerius, versoeckende geadmitteert te worden tot het Officie van Notaris;
gehoort de verklaringe van de Gedeputeerde van de Stadt Vere, die hem daer toe
hebben genomineert, is daer inne bewillight, behoudelyck examinatie naer
behooren.
F. Nagtglas (Levensberichten van Zeeuwen, II
(Middelburg, 1893), blz. 809) veronderstelde dat de familie De
Valéry, die al in de zestiende eeuw te Vere was gevestigd, aldaar uit
Frankrijk was gekomen met den aanzienlijken hofstoet der Heeren van
Bourgondië, die het slot Zandenburg bewoonden. Meer dan een
veronderstelling is dit overigens niet.
A.D. Loman (Oud-Nederlandsche liederen uit den
‘Nederlandtschen Gedenck-clanck’ van Adrianus Valerius
(Utrecht, 1871), blz. 6) nam aan, dat Valerius zijn naam
verlatiniseerd had uit Waltersz. of Woutersz. en dus eigenlijk Adriaan
Wouterszoon heette. Reeds Valerius' vader wordt echter beurtelings
Valéry en Valerius genoemd. Hoewel Valerius als gelatiniseerde vorm | | | | van
Woutersz. minder gebruikelijk is, - immers zou men Valterius, Waltheri of
Gualtheri verwachten, - is deze vertaling niet onbekend. Ook Cornelis Woutersz.
(1512-1578) van Oudewater noemde zich, toen hij te Leuven tot hoogleeraar was
benoemd, Cornelis Valerius. Om deze reden is de Bibliotheca Belgica
(V. 73) geneigd om aan te nemen, dat er tusschen de beide Valeriussen
bloedverwantschap heeft bestaan. Volledigheidshalve dient in dit verband te
worden vermeld, dat deze Cornelis Valerius een van zijn verhandelingen (In
bene dicendi rationem tabula, 1556) opdroeg aan Maximiliaen van
Bourgondië (1514-1558), heer van Vere, en bewoner van het bovengenoemde
slot Zandenburg.
Een familie Valerius, die waarschijnlijk niet met het Zeeuwsche
gelijknamige geslacht verwant was, woonde in de eerste helft der zeventiende
eeuw te Rotterdam (P.C. Labrijn, Twee geslachten Valerius. - Algemeen
Nederlandsch familieblad, N.S., XVII, 1905, blz. 380-382).
Adriaen Valerius werd 12 December 1600 poorter te Vere, waar hij
destijds naar alle waarschijnlijkheid reeds geruimen tijd woonde. 24 Mei 1598
was hij er gehuwd met Elizabeth Adriaens, jd. van Vere. Zelf fungeert hij in de
huwelijksakte als jm. van Middelburg. Zijn vrouw was een dochter van Adriaan
Bouwensz. Muynck, burgemeester van Vere, ammunitiemeester-stapelier van
Zeeland, equipagemeester en penningmeester van de Oostwatering, en Cornelia
Jacobs. Zij overleed te Vere 26 November 1619. Uit hun huwelijk waren
verscheidene kinderen geboren, waarvan er bij den dood der moeder nog drie in
leven waren: Franchois (gedoopt te Vere 8 Februari 1604; getuigen: Adr.
Bouwensz. burgemr en Magdalena Valery), bij de verweezingsakte (17
Juli 1620) 16 ½ jaar oud, en twee dochtertjes, Catharina (gedoopt 21
December 1610), en Margarita (gedoopt 2 September 1613; getuigen: Marcus
Valerius en Maria Adriaens), respectievelijk 9 ½ en nog geen 7 jaar oud.
Van de andere jonggestorven kinderen is maar van drie de doop gevonden, nl. van
twee dochtertjes, Margriete (gedoopt 13 April 1606) en Margareta (gedoopt 2
September 1612; getuigen Marcus Valerius en Maria Adriaens) en van een zoontje
Adriaen (gedoopt 9 Februari 1614).
Valerius trad 24 Juni 1621 te Middelburg voor den tweeden keer in
het huwelijk, met Christina Adriaensdr van Buyenskercke (Boudewijnskerke bij
Westkapelle), jd., wonende te Middelburg. Uit dit huwelijk werden eveneens
kinderen geboren, waarvan er bij de verweezingsakte na het overlijden van hun
vader (30 Mei 1625) nog twee in leven waren: Elisabeth (gedoopt 3 Mei 1622),
oud 3 jaar, en Adriaen, 1 jaar oud, wiens doop niet gevonden is.
Adriaen Valerius overleed te Vere 27 Januari 1625. Hij werd in de
Groote Kerk in hetzelfde graf begraven, waar reeds zijn vrouw, zijn
jonggestorven kinderen en zijn schoonouders rustten, en waar later ook zijn
oudste zoon François werd begraven, die 15 Februari 1634 te Vere stierf,
een week na zijn dertigsten verjaardag. François Valerius was in 1625
gildebroeder, in 1631 deken van de kamer van rhetorica, en wordt bij zijn
overlijden ‘rentmeester en tollenaer der steede Vere’ genoemd.
Misschien is hij de vader van Adriaen Valerius, die in Juni 1629 te Vere werd
gedoopt. Het ligt voor de hand, in hem den bezorger van het nagelaten werk van
zijn vader te zien; indien dit juist is, zou hij dus ook de onderteekenaar van
de inleiding moeten zijn, waaronder de voorletter van zijn naam dan
verkeerdelijk als I. staat geschreven (vergelijk noot blz. 8).
Het grafschrift luidt:
Hier leyt begraven den eersaamen Adriaan Bouwensz. Muynck
borgermeester der stad Vere ammunitiemeester stapelier van Zeeland,
equipagemeester ende penninkmeester van de Oostwateringe out 65 jaaren sterft
den 20 November 1613 ende de | | | | eerbare Cornelia Jacobs sijn
huysvrouwe out 60 jaaren samen getrouwt 42 jaaren ende overleet den 8 April
1614. Den 26 November 1619 overleet de godsalige eerbare Elysabeth
Adriaens haar dogter huysvrouw van Adriaen Valerius scheepen en raad deser
stede ontfanger der generale middelen te water ende thol noch 12 kinderen bij
haer lieden geteelt zijn hier saemen begraven. Den 27 Januari 1625
overleet den eersamen Adriaen Valerius scheepen ende raed en
fortificatiemeester der stede Veere ontfanger van de generale middelen van 't
convoy en Francoijs Valerius rentmr. en tollenaer der steede Veere sterft den
15 February 1634 out 30 jaaren. (P.C. Bloys van Treslong Prins,
Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der
provincie Zeeland (Utrecht, 1919), blz. 289-290).
(Het is niet duidelijk of de twaalf kinderen, waarvan in dit
grafschrift wordt gesproken, uit het huwelijk van Valerius en zijn eerste
vrouw, dan wel uit dat van zijn schoonouders zijn geboren.)
In dezelfde kerk vindt men nog een fragment van een grafsteen,
waaronder Marcus Adriaense Valerius schepen en raed deser stede geboren den 14
Augustus 1592 ende Cornelis Adriaense.... zijn begraven (t.a.p., blz.
294).
Waarschijnlijk is deze Marcus een achterneef van Adriaen Valerius
en dezelfde als de Marcus Valerius, die als jm. van Middelburg geboortig, maar
wonende te Vere, aldaar op 19 October 1614 in het huwelijk trad met
Françoise de Vos, jd. van Vere en eveneens aldaar woonachtig. Zij is
misschien een oudere zuster van den in 1606 te Vere geboren
Pieter de Vos, evenals zijn vader en later zijn zoon
secretaris van Vere, van wien een gedicht voorkomt in den
Zeeuschen Nachtegael. Uit dit huwelijk liet hij bij zijn
overlijden drie kinderen na: Anna, oud 5 jaar, Johanna, oud 3 jaar en
Elisabeth, oud 10 maanden. Van deze kinderen is de doop niet gevonden, maar
daarentegen wel die van een dochtertje Margrita (gedoopt 18 Augustus 1624;
getuigen Daniël Tullekens en Jacominken Bouwens) en een zoontje Adriaen
(gedoopt 21 Mei 1626; getuigen Franchois Valerius en Christina Adriaens), beide
klaarblijkelijk jong gestorven. Indien de in 1629 gedoopte Adriaen Valerius
(P.C. Labrijn, t.a.p.) een kind van hem is (en niet een kleinzoon van
den dichter), moet ook dit jong gestorven zijn, daar het niet in het testament
van zijn vader wordt genoemd. Marcus Valerius werd in 1617 lid, in 1630 deken
en in 1631 prins van het rederijkersgilde. 1 Januari 1626 werd hij in plaats
van Adriaen tot raad van Vere gekozen.
De naam Marcus schijnt overigens in de familie Valerius in trek te
zijn geweest. Aan de Leidsche hoogeschool werd 21 October 1600 een Marcus
Valerius, oud 16 jaar, ingeschreven in de faculteit der letteren, en 10 Januari
1609 een Marcus Valerius Zelandus, oud 21 jaar, in de medische faculteit.
Indien de opgeteekende leeftijden juist zijn, - wat allerminst zoo behoeft te
zijn, - kan de Veersche naamgenoot niet bedoeld zijn met een van deze
beiden.
Dat de naam Valerius niet zoo zeldzaam was, bewijst de inschrijving
aan dezelfde hoogeschool van een Ferdinandus Valerius, oud 15 jaar, eveneens op
21 October 1600, en een Paulus Valerius Britto-Gallus, oud 18 jaar, op 22
December 1607. Uit de kerkgeschiedenis is nog een schoolmeester Valerius uit
Genève bekend, die in 1562 te Middelburg en in 1569 te Goes woonde.
Valerius' dochter Catharina trouwde 27 Mei 1629 te Vere met Hendrik
Zomer, weduwnaar, afstammeling van een bekend Veersch geslacht. Hun dochter
Catharina werd door haar huwelijk met Cornelis d'Outrein de moeder van den
bekenden theoloog
Johannes d'Outrein (1662-1722), die dus een
achterkleinzoon was van Valerius. | | | |
Een - niet van stoutmoedigheid ontbloote - poging om de verwantschap
tusschen alle Zeeuwsche Valeriussen uit de 16de en de 17de eeuw, die bij name
bekend zijn, aan te duiden, vindt men in den onderstaanden stamboom. Uiteraard
wordt deze onder het grootst mogelijke voorbehoud meegedeeld.

Betreffende het door Valerius bewoonde huis in Vere
berichtte
Mr L.E. de Brakke, archivaris van Vere, ons het
volgende:
Valerius heeft gewoond in het huis ‘De
Harpe’. Dit moet gestaan hebben op den hoek van het Kraanstraatje en de
Kaai. Thans staat op die plaats een pakhuis, dat mogelijk en zelfs
waarschijnlijk nog in de achttiende eeuw een woonhuis was. Het is thans
genummerd A. 141.
Het huis wordt in de rekening van den dubbelen 100sten penning van
1600 genoteerd (fol. iij) als volgt: Thuys genaempt de Herpe aencommende
Adriaen Valerius Tollenaer, geestimeert op Xc guldens f(acit) iij
£.vj sch(elling), viij g(root).
In het kohier van den dubbelen lOOsten penning van 1625 staat het op
naam van ‘de weduwe ende erfgenamen van Adriaen Valerius’.
In de rekening van het schoorsteengeld van 1588 staat het op naam
van Egbert Jobsen, huistimmerman, genoteerd als bezittende 6 haardsteden.
| |
Bijlage II
In het Rekenboek voor de Camer van Rethorica binnen der stede
vander Vere, ghemaect int jaer XVc eenentnegentich komen
voor:
1598, 1599, 1601. Adriaen Valeryus, tollenaer, gezworene.
1602, 1603, 1604, 1605, 1608, 1609. Adriaen Valerius (ook
Falleris, Vijleerus, Velerys, Valerjus gespeld), tollenaer, gildebroeder.
1617, 1618, 1619, 1623? Adrijaen Valerijus, overdeken.
1617, 1618, 1619, 1623?, 1626. Merckus Valerijus, confreer
(gildebroeder).
1625, 1626, 1630. Francois Valerius, gildebroeder.
1630. Marcus Valerius, deken.
1631. Marcus Valerius, prinse.
1631, 1633? Franchois Valerius, deken.
Achter de rekening van 1625 zijn twee liederen van
Pieter H. Spoormaker (Spoort na deucht) opgenomen ter
nagedachtenis van Valerius: | | | |
Clachliet over het drouvich afsterven van Adriaen Valerius
Overdeken der Ed. Camer Rethorica In reynder jonsten groeyende.
Stemme Dipre fundo [De profundo] ofte waer is den tyt.
Mijn drouvich hert bemantelt met de Minne
is gansch verwert, en myn benaeude sinnen
die zijn mij zoo verkeert, de droufheyt mij beheert
en 't verstant mij falgeert
*, ken weet wat beginnen.
Romwaerde
*Maecht, groeyend in Reynder Jonste,
nu is ontruckt de sleutel van u conste;
die u het bloeyen gaf licht gekerckert int graf.
O doot, waerom dus straf breect gy zijn gonste?
O bleecke doot, wat zal het u toch baten
dat ghy ons nu alleenich hier zult laten,
g'lyck schaepkens die zyn quijt haer herder die subijt
geruct is deur den tijt en drouvich blaten.
Soo salt oock zyn met Rethoris dienaren.
Laes
*, drouve sanc
gemengt met drouve snaren
sal van haer zyn gehoort, niet een blygeestich woort
maer altijt drouf accoort op s' consts Autaren.
A[f]grijsselycke doot, wie can u weren?
Wanneer gij comt, niemant en can u keeren,
maer 'k bid u: secht toch eens waer door en door wat reens
*
ghy ons in dit geweens brengt met verseeren
*.
Dus Musen al, wilt nu met mij beschreijen,
constbeminders wilt u mede bereyen
en gy Jonst groeyend' Maecht
* ooc mede rouwe draecht,
sit altyt staech
* en
claecht door dit drouf scheijen.
Al licht hy nu ter aerden neer gestooten
en in het graf becyngelt
* en
besloten,
nochtans syn rom en eer die en sal nimmermeer
van ons nemen afkeer
* maer staech vergrooten.
Princen ende Princessen die beminnen
Rethorica en ghy hilleconninnen
*
die op Pernassus syn, beweenet nu met mijn,
verandert u aenschyn, herte en sinnen.
Balade ofte Incarnatie
* 1625 op het jaer, maent ende dach van 't overlyden
des selven.
YanVWarY tWIntICh en aChte noCh daer bY
soo heeft de Wreede doot gerVCkt Van deser aerdt
het opperhooft Van rethorYCa naer dat hY
hadde geregIert t'WYL atrop
* heM heeft gespaert.
| | | |
Epitaphium ofte Lyckdicht op het drouvich overlijden vanden
selven overdeken.
Had ick Homerus geest of waer ic inde const
en dat ick met mijn pen cond toonen myne gonst,
ick sou gewillichlyck myn lieven tijt besteden;
maer hoort, 't gebreect mij al, 'k ben te cleen van verstant
dat ick ijet zou voortbrijngen,
of om een slecht gedicht te nemen bij de hant,
dan doch ghij Musa mij cracht daer toe gaet d'wyngen
*.
Nochtans moet ick alsnu 'tgeen in mijn boesem speelt
want siet, de felle doot die ons wreed'lyck onsteelt
het lichaem en de draet zyns levens most vercorten.
Die licht nu neer gevelt, becyngelt in dit graf,
hy die door syne jonst ons recht te kennen gaf
de sleutels vande const door syne milde gaven,
ooc die de Poesy soo vierich heeft bemint
de Camer geregiert als een Vader zyn kint,
om dat de soete const zou meer en meer vermeere.
De bleecke felle doot mocht hem niet langer lien
*
en most hem de schakels van zyn leven afsnien
zoo dat zyn clouck vernuft is heel en al verdwenen.
Hier binnen in dees tombe syn lichaem nu rust,
maer de siel is vervlogen.
Ghy schranckelare
*, was dat alleene u lust
dat ghy zyn waerde ziel van ons nu hebt getogen?
Wel aen dan Veersche redenrycke soete Maecht,
wilt nu seer drouvich schreijen,
verwerpt al u cieraet en niet dan rouwe draecht,
en gy Lelykens wit en blaeuwe accoleyen,
steygert
* u
toppen niet, maer laet die hangen neer
want die ghy nu syt quyt en crycht gij nimmermeer,
want syn siele leeft boven in 's hemels gebouwe.
En gy Missus scholiers
*, die zyt nu
vaderloos
door Atrops wreet bedryven,
dus denct toch by u selfs: o doot, waerom dus boos?
Ooc drouvich schreyt en treurt wanneer gy leest dit
schrijven.
Secht eens, was hy te veel die gy hebt neergevelt,
of waerom hebt gij u dus wreet ter weer gestelt,
dat hy u wreede macht niet is connen ontcomen?
Daerom altsaemen schreyt met biggelend' getraen
al is syn lichaem van de aerde nu gegaen,
syn siel nochtans sal eeuwichl[ijck] om hooge leven.
| | | |
| |
Bijlage III Totten Romeynen Cap. 14. Vers. 6. Wie
den dach acht, die achten den Heere: ende wie den dach niet en acht, die en
achten den heere niet.
Wanneer den nacht began te schuven en te scheyen,
En dat de Sonne-cracht de Sterren deed' verspreyen;
Wanneer den morghen-root de silv're douw (van dorst)
Oplicte van het lant, die claar lach onbemorst:
Soo rocht
* ick uyt
mijn slaap, en door het soete rusten
Was ick verfrist en gauw, te wand'len my gantsch luste.
Ick stont op (na ghewoont) ich ginck heen na den
dijck,
Daar 't pekelachtich-nat op steuyt
*, en neempt
zijn wijck.
't Snel-ylende vernuft wiert haast in my heel besigh,
Het vlooch dan hier dan daar, 't hooft stont my hallif desich
*.
't Coc-meeuken sach ick noeust
*, 't bleef drillen, en sach hoe
Hy 't visken tot zijn cost mocht snellick grijpen
toe,
De Wulpen gëel
*
van smaack, de Lievintjens
*
met hoopen,
Sant-looperkens seer ras die sach m'op slijck vast loopen.
Dus vorderd'ick mijn tret, en namp voorts heen mijn
ganck
Na Sandijck in mijn hof; alwaar dat lude sanck
De soete Nachtegaal claar-stemmich, en daer neven
Het Conincxjen, de Knuut
*, de Leeuwerck
(hooch verheven)
Die tierelierde vast, en clom met een vermaack,
De Ravens daar omtrent die riepen craack, craack,
craack,
Want Jarelicx sy broen te Sandijck op den thoren,
Den wreeden Kuken-dieff die liet hem daar oock hooren,
De geyle Mus die riep, en siercte dattet clanck,
Den 'swintersch-calen gast die hielt zijn ouden ganck
In 't Couck-couck singen staach, 't Quicksteertjen was geen
later
*,
In 't weven van zijn nest, dicht aenden cant van 't water,
De dach-liefhebbend' Spreeuw gespickelt, soet van
beck,
Oock d'huys-begeerich Swaluw die prevelden op 't deck
*,
Den Kakelbonten Druyt
* in 't
hipp'len hem verfraeyde
*,
De gout-glinst'rende Duuf geplum-voet ronckt en draeyde,
Den somer-vogel oock met 't Kuufken op zijn top,
En den Calcoenschen-haan met uytghesteken crop,
Het Vincxken quinckeleerd', het Meesjen clom en pickte
De Boomen op en neer, de Quackel spic me dicte,
Het Tortelduufken soet zijn gayken niet verliet,
De Pypperkens
* daarby, elck song zijn eygen liet,
De staart beoogde Pauw seer trotsich pronckt en praalde,
Den Haan den schreeuwer snachts zijn Hinnekens voorthaalde
*,
De kouw, in rouw ghecleet, met d'wiggele waggele gans,
En Pitter
*
schoone-pluum die namen waar haar cans,
De wit-lanck-halsde Swaan quam sprakeloos anstuven,
Sijn paar
* was
nevens hem, men hoord'hem heftich snuven,
De Wertel
* mette Eend
die queeckten met gheschreeuw,
Ja, sijds en wijdts alom soo was 't ghebas, gemeeuw
*
Om groot
*:
so dat ick stont verbaast; en als versleghen,
| | | |
Geen schepsels groot of cleen men sach haar hier bewegen,
De grachten waren vol van veelderhand' kic, kic,
Van Puyt en Pat, hier, siet, den Reygher nam zijn mic
*,
En miste niet of creech zijn voetsel na begeeren,
't Poel-snepken lanck-ghebeckt dat sachm'hier oock geneeren,
Den pluum-gemanteld'Uyl, 's Pichts-hater
* niet verscheen,
Den Vleermuys plumeloos die was oock vooren heen.
Doch waar ick sach en keeck; elck dier was even lustich,
De maker van het leer bespranck de Koe oock rustich,
's Mensch-dienstich Paard zijn aard bethoond' oock dat
ick louch
*,
Den Ackerman in 't veld ginck staach me an zijn
plouch,
Het dick gewolde Schaap, het jonck gheworpen weutjen
*
Dat namp den Harder waar
*; al spelend'op zijn fleutjen,
Somma sommarum 't was al besich om en 't om,
Het onghevoel
*
ghewas seer net uyt d'aarde clom,
De Boomen (schoon verciert met bloeysels lief van verwen)
Die gaven soeten geur, de Biekens quamen swerwen,
De glad-beschubde-visch aldaer in 't water was,
Elck dierken deed' alom zijn dach-werck even ras,
Ick docht, wel! hoe salt zijn? sal roesten en verteeren
(Door leuyicheyt) mijn geest? dat wil God van my weeren,
Sal ick dus vunsich
* gaan, alwaar ick schier vermuft?
Sal Godes kennis in my nu zijn als versuft?
Sal ick een reed'lick mens, van redeloose saken
Geleert zijn, en niet selfs in my gaan, en soo maken
Dat God in en door my gheleert wert, en verhoocht?
Och! dat waar ymmers smaat: ô siel! u hier toe
poocht
*
Dat d'Hemel-voocht (die daar gemaeckt heeft d'Hemels tenten,
De Sonne, Maan, en Sterr', met al de firmamenten,
Den nacht, den dach, de Zee, de Winden sterck van blas
*,
De Aarde met haar dracht, als bloemkens soet van was,
Met duysenderley cruyt, de hooch-lucht-cussend' boomen,
De staande waters diep, de snel-heen-vliende stroomen,
't Gedierte dat daar swempt, dat vliegt, dat cruypt, dat
sprinckt,
Dat fleuyt, dat blëet, dat loeyt, dat spreeckt, dat
huylt, dat sinckt,)
Door u sy groot gemaackt; 't talent by u ontfanghen
Becorenmaat doch niet
*: maar hebt een sterck verlanghen
Dat ghy verbreyd' de daad', en 't wonderlicke werck;
Dat God door zijnen Soon, ghedaan heeft voor zijn
Kerck.
Mits zijnd' in
*
dit ghedacht, soo hoord' ick and're menschen
Die songhen alsoo wel, men cond' niet beter wenschen.
Hoe dit? docht ick, 't is wel; dat God dit dus
bestiert,
Dat niet alleen verheucht 't onredelick ghediert:
Maar datmen hoort Gods woort door 's menschen mont
voortbringen,
In fraeyen rijm ghestelt, nu door een lieflick singen.
Ick vougde my haast heen na dit gheselschap doe,
Die ick, met eenen groet, Gods seghen wenschte toe.
't Was hen en my seer lief; dat wy malcand're kenden,
Haar daad', en mijnen sin ghelijck swerck stracx voorwenden
*,
Sy waren Musicijns seer scherp van soet ghehoor.
Veel onderlinge praat die viel hier oock doe voor,
Dewijl sy hadden meed' veel boucken en ghedichten
Vermakelick voor elcx, en die oock groot'licx stichten,
| | | |
Door den vermaarden Heyns, door Catz en
and're meer
Voor-treffelicke lien, ghestelt tot yders leer.
Elck sprack hier by gebeurt, soo seyder een; wel! isser
Doch niet wat nieuws als nu van Anna Roemer Visser?
1)
Van Joffrouw vander Meersch?
2) Ick heb ghehoort daar van,
Sy dichten alsoo net; alsmen het wenschen can,
Sin-rijck, goet duyts
*, goe maat, vol lieffelick bevallen,
Geen ydel vuyl ghedicht; maar leersaam gansch met allen
Brengt yder in het licht, dat waerdich is ghehoort,
Ter eeren Godes naem, en onverganck'lijck woort.
(Zeeusche Nachtegael ende des selfs dryderley gesang ...
Middelburgh, 1623, III, blz. 58-61).

De hierboven gefacsimileerde handteekening van Valerius
is ontleend aan het bovengenoemde Rekenboek voor de Camer van Rethorica, waar
ze onder de rekening van het jaar 1617 te vinden is.
|
4)Hierop wijzen de wijsaanduidingen 's
Nachts doen een blauw gestarde kleet (blz. 99) en Datmen eens van
drincken spraeck (blz. 193), beide ontleend aan Starters
‘Friesche lust-hof’ (1621), evenals het gedichtje
van
Starter op den dood van
prins Willem, dat Valerius op blz. 135 aanhaalt. Dit
laatste kan evenwel, evenals de aangehaalde regels uit den
Zeeuschen Nachtegael (1621) (blz. 45, 68, 137,
164, 235) en andere letterkundige werken uit denzelfden tijd eerst later in den
tekst zijn ingevoegd.
5)In: Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche
lied, II ('s-Gravenhage-Antwerpen, 1905), blz. 1787-1791. Men vindt daar ook de
weerlegging van de door Jan ten Brink (in Elsevier's geïllustreerd
maandschrift, IX (1895), blz. 685-688) geopperde veronderstelling, als zou het
bekende lied
Merck toch hoe sterck niet van Valerius,
maar van Starter zijn.
6)Blz. 59: ‘In dese tydt heeftmen
gesongen dit volgende Liedeken; 'twelcke groote vrucht onder vele luyden
schafte’. Blz. 71: ‘Te deser tijdt werd een Liedeken gesongen,
behelsende de klachte vanden gevangen Grave van Bossu, ende alsoo het alsdoe
seer vermaert was, hebbe 'tselve hier mede willen in voegen, luydende als
volgt’. Blz. 76: ‘Ende over de heerlijcke victorie te water,
is in dese tydt een fraey Liedeken gemaeckt, ende over al gesongen, het welcke
daer om hier mede ingesloten wert’. In alle drie deze liederen wijkt
Valerius' tekst af van dien van het
Geuzenliedboek, en wordt het populaire accentvers
door de getelde sylbenmaat vervangen.
7)Door een toevallige vondst van Dr J.H.
Kernkamp (vgl. Verslag van het 17de Ned. Bibliotheekcongres te Rotterdam, 1939
('s-Gravenhage, 1940), blz. 91) weten we dat het boek eind November of begin
December 1626 het licht zag. In de Courante uyt Italien en Duytsch-landt,
etc. (voor
Jan van Hilten, gedrukt te Amsterdam by de weduwe
van
Joris Veseler), 28 November 1626, komt nl. de
volgende advertentie voor: ‘Dese toecomende weecke sal uyt comen: De
Nederlantsche Gedencclanck, cortelijc openbarende de voornaemste geschiedenisse
vande Seventien Nederlantsche Provintien, t'sedert den aenvang der Inlantsche
beroerte tot den jaere 1625, verciert met figuerlijcke plaeten, stichtelijcke
rymen ende Liedekens: ghestelt op Musijck Noten, beneffens de Tabletuer vande
Luyt ende Cyter, door Adrianum Valerium. Men vintse te coop tot Amsterdam by
Jacob Dircksz. opde hoeck vande Ramskoy. Ende ter Veer in Zeeland, bij de
Erfgenamen vanden Auteur’.
8)Heinsius plagieert hij
zelfs. Vgl. Gedenck-clanck, blz. 125:
Want g'lyck de paerden syn geschapen om te ryden,
De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,
De Visch tot swemmen, End' tot jock en ploeg den Os;
Soo mede wy oock om te wesen vry en los.
met
Daniel Heinsius,
Nederduytsche Poemata (Amsterdam, 1616), blz. 6
(uit: Op de doot ende treffelicke victorie van de mannelicken helt
Jacob Heemskerck):
De vogel is alleen geboren om te snijden
Met vleugelen de locht, de peerden om te rijden,
De muylen om het pack te dragen, of de lijn
Te trecken met den hals, en wy om vry te sijn.
*Mij falgeert: laat mij in den
steek.
*Jonst groeyend' Maecht: genade
schenkende maagd, nl. Rhetorica.
*Van ons nemen afkeer: zich van
ons afwenden.
*Hilleconninnen: de Muzen, die den
Helicon bewonen.
*Incarnatie: jaartalvers, waarin
de als Romeinsche kapitalen geschreven letters, als men hun cijferwaarde
optelt, een jaartal (hier: 1625) vormen (M = 1000, C = 100, L = 50, W = 10, V =
5, Y = 2, I = 1). (N.B. Spoormaker stelt den sterfdag van Valerius op 28
(i.p.v. 27) Januari).
*Atrop: Atropos, de schikgodin die
's menschen levensdraad afsnijdt.
*Dan...d'wyngen: maar gij, Muze,
gaat mij daartoe kracht verleenen(?)
*Lien: lees: liën:
lijden, dulden.
*Schranckelare: spillebeen (van
den Dood gezegd).
*Missus scholiers:
aldus luidde de naam van de Veersche rederijkerskamer.
*Noeust: noest, ijverig in de
weer.
*Lievintjens: scholeksters.
*Later: laatkomer,
achteraankomer.
*Hem verfraeyde: vermaakte
zich.
*Pypperkens: kleine
vogeltjes.
*Voorthaalde: bracht ... voor den
dag.
*Gemeeuw: letterl.: gemiauw; hier
klaarblijkelijk alleen als klanknabootsing bedoeld.
*Om groot: om het hardst.
*Mic: aanloopje (om te gaan
vliegen).
*'s Pichts-hater: lees: 's
Lichts-hater.
*Namp ... waar: gaf ...
acht.
*Vunsich: sufferig,
leegloopend.
*U hier toe poocht: geef u
daarvoor moeite.
*Becorenmaat doch niet: Stel (dat)
toch niet onder de korenmaat.
*Ghelijck swerck (lees: werck) ...
voorwenden: streven een gelijk doel na(?).
1)Anna Roemer Visscher
bracht in den zomer van 1622 een bezoek aan Middelburg, waar ze door de
Zeeuwsche dichters luisterrijk werd ontvangen. In den Zeeuschen Nachtegael
treft men verscheidene herinneringen aan dit bezoek aan. Het is lang niet
onmogelijk, dat ook Valerius haar bij die gelegenheid heeft ontmoet.
2)Johanna Coomans, de vrouw
van
Johan van der Meersch, rent-meester-generaal der
grafelijke rentieren in Zeeland, was een in haar tijd bekende en gevierde
Middelburgsche dichteres, van en over wie in den
Zeeuschen Nachtegael een aantal gedichten zijn
opgenomen.
*Duyts: Dietsch,
Nederlandsch.
|
|