|
|
|
| | | | | |
Valerius' Gedenck-clanck als geschiedverhaal
door Dr N.B. Tenhaeff
Toen de Staten Generaal 14 Juni 1626 octrooi verleenden aan de erven
van
Adriaen Valerius, om ‘seecker Boeck geintituleert:
Nederlantsche Gedenck-clanck’ te doen drukken en
uitgeven, toen namen Hunne Hoogmogenden op zich, het geestelijke eigendom van
den schepen van Vere zes jaar lang te beschermen tegen nadruk door
onbevoegden. Zoover wij weten, waagde zich nooit een kaper op die kust. Het
boek schijnt de toenmalige wereld niet stormenderhand veroverd te hebben. De
erven van Adriaen Valerius deden piëteitvol hun plicht, toen zij diens
nagelaten werk bij den drukker brachten. En de drukker deed zijn plicht, toen
hij het mooi en goed uitgaf. Maar daarbij bleef het. Wij vernemen niets van een
nieuwe octrooi-aanvrage, niets van een herdruk. Het boek was er. Het werk van
den gestorvene kon dus spreken tot tijdgenoot en nageslacht. Maar het schijnt
wel, als hadden die wat anders te doen, dan naar Valerius te luisteren. Het
hooge woord moet er uit: het boek werd vergeten
1).
Nu ja, vergeten, zooals boeken vergeten worden; vergeten door het
groote publiek. In kleiner kring blijft de heugenis altijd nog wel voortleven.
En juist zulke vergeten boeken danken daaraan dan weer een bijzonderen roem.
Zoo was ook dat mooie en nieuwe boek van het jaar 1626 ouder en ouder geworden.
Het werd zeldzaam en kostbaar; dan héél zeldzaam en
héél kostbaar. Wie een mooi, gaaf exemplaar bezat, kon zich
daardoor al bibliophiel wanen. Boekenveilingen dankten aan een
‘Valerius’ een bijzondere attractie.
Jaren lang heb ik een prachtig, gaaf exemplaar, in goeden leeren
band, in het bezit geweten van den man, die voor ons oude lied een demonische
passie had:
Frits Coers. Het behoort almede tot de beste
herinneringen van mijn leven, dat ik dikwijls met hem een herdruk van Valerius
heb mogen overwegen. Zijn uitgeversmogelijkheden schoten tekort. Wij mochten al
blij zijn met zijn uitgave der Valerius-liederen in pianobewerking voor de
Koninklijke Vereeniging: Het Nederlandsche Lied, in 1914, en opnieuw in 1931.
Maar ook de Koning van het Lied werd oud; zelfs behoeftig en gebrekkig. De
jongste generatie van zijn vrienden brachten hem onder bij de broeders van Sint
Joan de Deo te Utrecht. Geleidelijk maakte zij voor hem zijn
boekerij te gelde, om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook de
opbrengst van zijn Valerius heeft een tijdlang daartoe gestrekt. De
wonderlijke, bizarre, maar dikwijls zoo boeiende Apostel van het Lied stierf in
1937, zijn vrienden nalatend de taak, den Gedenck-clanck te eeniger tijd te
herdrukken. En zoo verschijnt dan nu, na ruim drie eeuwen, dank zij den goeden
zorgen van de Wereld-bibliotheek, en onder de auspiciën van de Stichting
‘Onze oude Letteren’, deze late tweede druk van Valerius' werk. De
rolverdeeling wees mij toe, hier de beteekenis van den Gedenck-clanck als
geschiedverhaal uiteen te zetten. Voor andere inleidingen zorgen anderen; ook
hun was Frits Coers geen onbekende. | | | |
De tekst van den Gedenck-clanck wordt in de historische
vaklitteratuur nooit vermeld, of geciteerd. Tot de bronnen voor de geschiedenis
van den opstand en den tachtigjarigen oorlog rekent men Valerius' werk niet.
Welbewust onthield de zoo verdienstelijke bewerker van de Bibliotheek der
Nederlandsche geschiedschrijvers,
Mr S. de Wind, aan Valerius een plaats op de lijst der
eigenlijk gezegde geschiedschrijvers. Hij sloeg dit historiewerk daarvoor niet
hoog genoeg aan: ‘Het werk is een wonderlijk mengelmoes van
geschiedenis in proza en liederen op muzijk. Het bevat, vooral tusschen
1621-1624, eene en andere bijzonderheid, welke wij ons niet herinneren elders
ontmoet te hebben, in 't bijzonder ten aanzien der oorlogsverrichtingen ter
zee, doch is anders meer van belang voor de kennis van den staat der toonkunst
in des schrijvers leeftijd, dan voor de geschiedenis’
2). Mijn
ambtgenoot, Dr J.M. Romein, heeft nog zeer onlangs Valerius' werk
gekarakteriseerd als een ‘popularisering van onze historie van
gereformeerde zijde’, waaruit ‘de vrouwen en de jeugd der burgerij
de geschiedenis hebben geleerd’. Romein waardeert het mooie boek; hij
waardeert ook de Nederlandsche ziel, die daar getuigt in liederen, wier nagalm
nog in ooren en harten hangt. ‘Het is in menig opzicht
merkwaardig: van buiten door de fraaie oblongvorm, van binnen, doordat
het niet alleen de liederen met de muziek, maar ook nog een verklarende
prozatekst heeft’
3)). Liederen hoofdzaak, verklarende proza-tekst
bijzaak. Was het dat ook voor Adriaen Valerius zelf?
De Gedenck-clanck dient zichzelf aan als ‘kortelick
openbarende de voornaemste geschiedenissen van de seventhien Neder-Landsche
provintien 'tsedert den aenvang der Inlandsche beroerten ende troublen, tot den
Jare 1625’. Het muzikale karakter spreekt hier, - in het octrooi der
Staten Generaal (blz. 2) -, alleen in dat ééne, welluidende en
gelukkig gevonden woord: Gedenck-clanck. Als klankrijke, gezongen historie van
alle de Nederlanden, beter nog: als historie met luitaccompagnement, zoo wil
dit boek beschouwd worden. Het is een bijzonder soort geschiedwerk,
‘geinventeert by den voorsz. Adriaen Valerius’. En precies zoo
oordeelt de ons onbekende erfgenaam I. (of F? blz. XV) Valerius, in zijn
opdracht aan H.H. Staten van het land van Zeeland. Vier regeltjes wijdt deze
aan de muziek op vier bladzijden historie-beschouwing (blz. 5-8).
Volgens dien I. Valerius was het den erflater, A. Valerius, te doen
om de boekstaving van de ‘getuygenissen van't voorledene, vermaningen van
het tegenwoordige, ende waerschouwinge van het toekomende’, waarvan de
Historie vol is, een iegelijk tot leering. Hem was het te doen om de les der
Historie, die regent en burger staalt tot nieuwe kracht. Hem was het te doen om
de belijdenis van dat diepe vertrouwen in de ‘Heeren oft Staten des
Lands, ende de goede gemeente’, dat de geschiedenis van zijn tijd hem
geschonken had. Zoo kloek, zoo mannelijk, zoo moedig en standvastig, zelfs
wonderbaarlijk, hadden die zich geweerd in den zoo ongelijken, toch met de zege
bekroonden strijd. Daar is het hart vol van. Zelfbewust en triomphant jubelt
die opdracht over onze militaire kracht. Zoekt gij het bij menschen mogelijke,
zoek en vind het hier: ‘het is in Nederlant’; ‘het is het
Nederlant’. Nu, ‘uyt liefde der goeder cause ende des
Vaderlants’ wil Adriaen Valerius daarvan getuigen, ook al zullen de
Heeren Staten en goegemeentelijke lezers ‘d'Historyen [van dit werck] by
verscheydene treffelycke mannen wytloopiger’ aantreffen. Zoo zeer zijn
muziek en zang onderdeel van een grooter geheel, dat die ‘liedekens ende
dichten’ niet veel anders voorstellen dan een bijzonder soort illustratie
bij ‘de prose’. Na den imponeerenden ernst der historie vinde het
patriotsche hart hier zijn ‘vermakinge’.
Werkelijk, zoo schijnt de ‘Autheur saliger’ het,
blijkens zijn eigen woorden, ook zelf bedoeld te hebben. God heeft land en | | | | volk
willen beschermen door ‘hare wettige Overheden’. Die sterke
harmonie van God, overheid en volk, dat is de grond, waarin heel zijn denken
wortelt. Juist daarom is echter ook de ‘waerschouwinge’ tegen den
vijand zéér zijn zaak. Wij staan nog midden in den oorlog. Dat
men het ‘de Jonckheyt in scherpte ende in 'therte griffide’, wat al
onrecht den voorvaderen ‘van den woedenden Spanjaerden’ overkomen
is. De scholen vinden hier een noodzakelijke taak. Maar wat is de school zonder
boeken? Welnu, onder de boeken, die voor deze taak bekwaam en dienstig zijn, -
Valerius kent er eenige, - moge ook ‘dit tegenwoordigh werck’
gerangschikt worden. Wij begrijpen: als boek voor den meester. Dan zal ook die
strijdbare geest niet alleen het vaderland ten goede komen, maar mede kunnen
strekken tot de ‘eyndelicke behoudenisse van Godts kercke in dese
quartieren’ (blz. 9 e.v.). Zoo is het goed. Zoo sluit de ring aan den
diamant: van God tot God. En over het hoofd van den Spanjaard: louter
vloek.
Beiden zeggen zij - I. zoo goed als A. Valerius -: dit is een
leerzaam historie-boek, door bijzondere neigingen van den auteur nu eens niet
alleen met prentverbeeldingen, maar ook met ‘liedekens ende
dichten’ verlucht. Niemand minder dan
Pieter Bor, wiens ‘Oorspronck, begin ende aenvanck
der Nederlandtscher oorlogen’ in 1621 tot het jaar 1584 in druk was
verschenen, heeft wel van Muze gewisseld. Ook hij gaf de historiestof:
1555-1574, ‘in liedekens vervaet’ uit in 1617. En de Middelburgsche
notaris,
Jean François le Petit († 1615?), vertaler
en continuator van de Divisie-kroniek, wijdde al in 1597 niet minder dan 94
sonnetten aan
Maurits, - le Gedeon que Dieu a suscité -,
bezingende diens roemruchte daden in de jaren 1588 tot en met 1597. Bedrieg ik
mij niet, dan heeft Valerius dit boekje gekend
4).
Maar het zijn niet alleen prenten en liederen, die dit boek van den
schoolmeester aantrekkelijk maken. Een ware profusie van spreuken en citaten
gaat aan de notenbalken telkens weer vooraf, stort zich haast over de
notenbalken heen. Onwillekeurig denkt men: Ja, dat past wel bij den tijd der
emblemata-bundels. Het oblong-formaat van
Roemer Visschers
Sinnepoppen (1614) lokt tot die vergelijking als vanzelf
uit. Maar daar zijn ook
Hoofts
Emblemata amatoria (1611), waar Amor het menschdom leidt
naar de leerzame symbolen van hun amoureuze perikelen, en waar de belezen
dichter een handvol spreuken en versjes toegeeft, de aardige prentjes
omkransend. Daar zijn ook
Cats'
Sinne- en Minnebeelden (1618), later kuischelijk
gewijzigd in ‘Minnebeelden verandert in Sinnebeelden’. En Cats telt
dubbel. Want hij voert de Zeeuwsche dichters aan in den 1623 verschenen bundel
van den ‘Zeeuwschen nachtegaal’. Overigens het is
een zeer Nederlandsch genre, die emblematabundels. Heel de 17e eeuw is er vol
mee. Gaarne staan talentvolle graveurs er voor klaar. Tot
Jan Luyken zijn dubbele vaardigheid als beeldend
kunstenaar en dichter aanspant voor den diepen ernst van zijn groote
levensavontuur om God. Luykens laatste emblemata-bundel is van 1712.
Zoo drong dan toch Clio hem het lied op de lippen. Deze
historie-liederen zijn als zinnebeeldige versiersels voor het historisch
sentiment, dat in hem leefde, als hij nadacht over de gesta Dei per Batavos,
over het groote werk, dat God, zoo juist, door zijn volk wilde laten
volbrengen. Het zijn in het historie-drama, naar Valerius' wil en wensch,
bespiegelende koorzangen. Zelf had hij dat groote drama voor een goed deel mee
mogen beleven. Hij wist dus ook, te welker plaatse die koorzangen zich lieten
invoegen; wist, waar en wanneer wij hun geluid verwachten. En geboren uit
historische belevenis vroegen zij als vanzelf om het accompagnement van wijze
woorden, voorbeeldige, bevestigende citaten.
Zeker, wie in den Gedenck-clanck allereerst kijkt naar de | | | | notenbalken en de op hen neerdruppelende wijsheid van citaten,
liedjes, spreuken, incarnaties of kunstige jaardichten, die ziet historische
emblemata. En hem wordt duidelijk: de tekst heeft slechts de functie te
binden.
Maar dan had I. Valerius er ook beter aan gedaan, als hij het werk
van A. Valerius van minder zwaarwichtige, - en minder professioneele -,
opdracht had voorzien! Dan ware het juister geweest, die vier slotregels over
‘de muziek’ te maken tot het hoofdthema van zijn betoog, om, namens
Adriaen Valerius, te zeggen: Zingt, en weet, wat ge zingt?
Ja, misschien was dat beter geweest. Echter danken veel dingen hun
bekoring aan de omstandigheid, dat zij niet zoo alleruitgerekendst precies,
niet zoo algebraïsch overzichtelijk zijn bedacht, maar simpel weg, gewoon
menschelijk, zijn gedaan. En bovendien I. Valerius wist, wat hij neerschreef,
of kon weten, wat hij zeide. Hij had dan tenminste Adriaen Valerius nog anders
gekend, dan wij, die hem slechts vermogen te zien als auteur van een boek. En
dus kan het ook best, dat de ‘Autheur saliger’ zichzelf inderdaad
zag als geschiedschrijver, en dat wij hem tekort doen, als wij in zijn tekst
slechts willen zien lange traits-d'union tusschen zijn liederen. Want ook dit
is zéér menschelijk: in illusies te leven.
Wanneer wij dien tekst willen leeren kennen, dan doen wij er goed
aan, hem eerst naar de hoofdgeleding in te deelen. Een allereerste analyse
leert ons, dat wij met drie stukken te maken hebben.
Van blz. 9 tot blz. 27 bedoelt Valerius, ons het juiste standpunt
ter beoordeeling van den tegenstander te wijzen. Hij leert ons, dat het
‘des Spanjaerts poogen is om tot een Monarchie te geraken’. En dat
is iets heel ergs voor den republikein Valerius. Die ‘monarchie’
beteekent: alleenheerschappij, beteekent: overheersching; nog erger, beteekent:
tyrannie. Dat voornemen nu documenteert hij door ons eerst te verhalen van
Filips den Schoonen. Zoo zien wij ons land en ons volk
als toevallig aan Spanje gebonden (blz. 10), en zoo dadelijk ook in Spanje's
snoode plannen betrokken. Want welbehagelijk leidt hij ons rond over het groot
tooneel der Spaansche wreedheden. Natuurlijk beginnend in Spanje zelf,
natuurlijk ook in Spanje's koloniale gebied (blz. 11); maar ten slotte is dat
hun eigen zaak. Grooter ergernis wacht ons, als wij met den auteur in het
overheerschte Italië rondkijken (blz. 13), even afdwalen naar Navarra
(blz. 14), Portugal en Oost-Indië, maar dan weer terugkeeren in
Italië. Nu betrekt Valerius ook Polen in zijn requisitoir. Overal waar wat
wij nu de Contra-reformatie noemen, het hoofd opsteekt, daar snuift hij den
Spanjaard. Hij zag dat wel duidelijk. Habsburgsche wereldmacht had na
Karel V Spanje tot haar exponent gekozen. In den breede
staat hij stil bij Frankrijk en de Spaansche bemoeienissen in Frankrijk (blz.
18-20), bij Engeland (blz. 20), bij Duitschland en de Donaulanden (blz. 22-23).
Dan weten wij het wel: hoe waren de Nederlanden een bij uitstek geschikt
bolwerk voor dit tyrannieke, Spaansche bedrijf geweest! Hoe heeft de Spanjool
er op gevlamd, in deze gezegende landouwen ‘den stoel der oorloge’
te zetten! In snel tempo brengt Valerius' verhaal ons tot den afstand van Karel
V, tot de figuur van
Filips II en diens vertrek uit de Nederlanden (blz. 24).
En weer sluit er een ring. Ditmaal een ring als een boei. Toen immers Filips II
deze landen verliet, liet hij hier ‘Gouverneurs [achter], die [de
Nederlanden] besitten souden als den Spanjaert besit de nieuwe gewonnen Landen
van America’ (blz. 27).
Tot zoover dan het eerste tekst-brok.
Met den zin: ‘Den Koning dan, syne bastaert suster gelaten
hebbende voor Gouvernante’ (blz. 27), begint, naar mijn mee- | | | | ning, dus het eigenlijke verhaal. Het schijnt ineens door te loopen tot
het slot, dat van December 1624 handelt. Maar wij merken een duidelijke caesuur
op, na den dood van Hendrik IV van Frankrijk in 1610 (blz. 208). Wat in dit
verhaal van 1559 tot 1610 ligt vóór het jaar 1565, dat geniet van
den kant van den auteur maar heel weinig belangstelling. Eerst als blz. 33 ons
de eerste notenbalken brengt, - die van het zwaar en dramatisch inzettende
lied: ‘Hoe groot (o Heer) en hoe vervaerlic’ -, eerst dan is
Valerius geheel en al aan zijn onderwerp toegekomen. Dat onderwerp is dus wel
echt die oorlog, dien wij nu den tachtigjarigen noemen. Misschien had Valerius
daar een goede vijftig van beleefd, en niet meer dan een kleine veertig in
volle bewustheid meegemaakt. Maar ook kleine veertig jaren zijn bijna een
eindeloosheid in een menschenleven. Wel had hij reden 's Hemels hulp in te
roepen tegen ‘den Speck’, al is het ook wat familiaar, van God den
Heere op zoo triviale scheldwoorden over te springen.
Tusschen de jaren 1610 en 1614 gaapt een lacune. Na dat lied, dat
den dood van
Hendrik IV beklaagt: ‘Myn Ziele treur'’,
gaat Valerius' verhaal verder met Gulik-Kleefsche en Fransche zaken, die vier
en vijf jaar verder liggen, maar die daarmede samenhangen. Het zou dus voor de
hand liggen, de caesuur liever te verleggen naar 1609, het jaar, waarin het
twaalfjarig bestand werd gesloten. Er is echter een goede reden, - waarover zoo
straks -, zulks niet te doen, en het derde gedeelte bij 1614 te laten
beginnen.
Maar als wij dan dit laatste stuk in alle oppervlakkigheid gaan
verkennen, dan moeten wij wel opmerken, dat het verhaal in een paar bladzijden
(blz. 209-221) de jaren 1610 tot 1621 afdoet, dat daarentegen de laatste vier
jaren, - 1621, 1622, 1623 en 1624 -, recht kregen op veel breeder plaatsruimte
(blz. 221-275). Verhouden de jaren zich als 10 staat tot 4, de bladzijden
verhouden zich als 10 staat tot 60! Daar heeft echter niet alleen de tekst
schuld aan. Ook de liederen stroomen nu rijkelijk. Wanneer wij van 1567 af tot
aan 1621 op 53 jaren 60 liederen tellen, dan vinden wij in die laatste vier
jaren, 1621-1624, er 16. En de onderverdeeling van dat zestiental is ook al
opmerkelijk genoeg. 1624 brengt 7 liederen; 1623: 5; 1622: 1; 1621: 3. Hoe
boordevol schijnt dat jaar 1624, en hoe arm dat jaar 1622. Toch was het het
jaar van Bergen-op-Zoom. Zie ik goed, dan is het juist daarom maar door
één lied vertegenwoordigd. In Valerius' geheugen droeg dat jaar
al zijn stempel. Ik geloof namelijk, dat Valerius den Gedenck-clanck schreef in
de jaren 1623 en 1624. Maar dat is nog een tamelijk langademige
redeneering.
Voorloopig zijn wij tevreden met de ruwe analyse, die zegt: dit boek
schijnt te bestaan uit drie ongelijke brokstukken: een algemeene inleiding tot
1559, een weergave van de jaren 1559 tot 1609, of beter nog 1610; een sluitstuk
van 1614 tot 1624, waarin de laatste vier jaren een opmerkelijke, en de laatste
twee een zéér opmerkelijke plaats beslaan.
Het ligt niet in mijn bedoeling, de onbelangrijkheid van Valerius'
geschiedverhaal wat op te vijzelen ter wille van deze uitgave. Wij hebben het
oordeel van Mr de Wind vernomen. Een hoog idee van Valerius' oorspronkelijkheid
kan het moeilijk bij ons wekken. Maar dat ontslaat ons niet van den plicht, ons
een voorstelling te vormen van Valerius' werkwijze. Integendeel, juist dat
karakter van afgeleide bron werpt nieuwe problemen op.
Alleen tusschen 1621 en 1624 vond ik - zoo zeide Mr de Wind - enkele
bijzonderheden, meest op het gebied der maritieme geschiedenis, die ik mij niet
van elders herinnerde. Valerius was dus een niet-oorspronkelijk auteur. Hij
schreef, wat anderen ook geschreven hadden. Wordt hij daar soms op plagiaat
betrapt? | | | |
Herinneren wij ons toch vooral, dat Adriaen Valerius nooit gezegd
heeft, dat hij zijn boek over den vrijheidsoorlog op zelfstandig onderzoek
wilde baseeren. Hij beoogde slechts een werk te schrijven, dat
‘kortelick’ verhalen zou ten bate van onze vaderlandsche
schoolmeesters, wat in andere historiën ‘wytloopiger’ was
meegedeeld. Nu, heel dat middengedeelte, van blz. 27 tot blz. 208, is volstrekt
afhankelijk van
Emanuel van Meterens
Historie der Nederlandscher ende haerder naburen, oorlogen ende
geschiedenissen. Wie dezen foliant van 1350 pagina's in de editie van
1614
5)
naast Valerius legt, die zou haast alleen al uit de korte inhoudsopgaven, die
als kantteekeningen bij Van Meteren staan, den tekst van Valerius kunnen
opbouwen, als hij maar wist, wat Valerius bewoog, nu eens over vele bladzijden
heen te glijden, dan weer bij andere wat uitvoeriger stil te staan. Valerius
heeft deze afhankelijkheid van, en dus zijn schuld aan het werk van Van Meteren
ook heelemaal niet onder stoelen of banken gestoken
6). Herhaaldelijk vindt zijn moegeschreven pen alleen nog de kracht,
den ‘curieusen leser’ te verwijzen naar de ‘Historien der
Nederlantsche geschiedenissen’, d.i. naar Van Meteren!
Bij wijze van voorbeeld citeer ik blz. 118. Valerius vertelt daar,
dat er ‘een goede Unie ende verbont’ is gemaakt ‘binnen de
stad Uytrecht’. Dat verbond bestaat echter uit ‘vele
artikelen’, - het zijn er overigens 26, maar toegegeven zij, dat sommige
tamelijk breed uitvielen -, ‘die den leser vinden sal inde Historien der
Nederlantsche geschiedenissen’. Toch komt de lezer nu bedrogen uit, want
Van Meteren geeft fol. 165 slechts een excerpt in drie kolommen druks van die
Unie van Utrecht
7), maar Valerius zal dat
voldoende geacht hebben. Wel werd de tekst van de Unie gedrukt in
Pieter Bors nog wijdloopiger werk. Het was in het jaar
1621 al tot 1584 toe verschenen. Maar dat draagt een anderen titel. Heel
stellig bedoelde Valerius dus, hier naar Van Meteren te verwijzen. Datzelfde
geldt van een andere plaats bij Valerius: die van blz. 136. Hij heeft zoo juist
het wereldberoemde beleg van Antwerpen, met de vuurschepen van Gianibelli en
wat des meer zij, afgedaan in acht regels, en hij beseft nu volkomen, dat er
lezers zullen zijn, die meer willen weten van de ‘kloecke daden’,
daarbij voorgevallen. Dan worden zij andermaal verwezen ‘totte Historie
der Nederlantsche geschiedenissen’. En ditmaal hebben zij zich niet te
beklagen. Het verhaal van het Antwerpsche beleg beslaat er een kolom of
dertig!
Nu zijn er vele wijzen van excerpeeren. Het kan goed en slecht,
zorgvuldig en onzorgvuldig, met begrip of met onverstand, degelijk en haastig
gebeuren. Het spijt mij, dat ik voor Valerius heel dikwijls uit ieder
woordenpaar het laatste moet kiezen. Zijn excerpt uit Van Meteren kan geen
zeeën van tijd gekost hebben. Het is heel gemakkelijk, ons den
excerpeerenden Valerius voor te stellen. Ik behoef daartoe slechts, met de
noodige bekortingen, Van Meteren en Valerius naast elkaar af te drukken. Kiezen
wij de 10 regels van blz. 65, waar Valerius het mislukte Geuzenbeleg van de
stad Goes en het mislukte ontzet van Middelburg door Alva verteld
heeft. Daar de tekst bij
Van Meteren twee kolommen druks beslaat, heb ik mij
telkens uitlatingen in den tekst van Van Meteren veroorloofd, en die kenbaar
gemaakt door telkens drie punten, met tusschen haakjes geplaatst het aantal
weggelaten regels.
v. M. fol. 84 b-d: Daer nae, op hope van groote
intelligentie, trocken sy anderwerf nae ter Goes, de hooftstadt van 't eylandt
van Zuydtbeverland ... (65). Den Hertogh van Alva siende dat hy ter
Goes met schepen niet conde ontsetten, heeft in October Montdragon
belast eenen nieuwen wegh ende middel, hun gewesen van eenen Blommart van
'sHertogenbosch ofte Breda. Met desen leydtsman | | | | is Montdragon, met ontrent dry duysent mannen, ghecomen ontrent de
quartieren van Woonsdrecht, van waer sylieden op het leeghe water ghemarcheert
zijn, door ofte over 't verdroncken Landt ... (36). Als nu ter Goes ontset ende
versorgt was, heeft den
Hertogh van Alva dien winter Middelborgh noch gemeynt te
ontsetten, ende heeft de toegeruste Biscaysche assabros van Sluys belast hun
nae Middelborgh te begheven. Dese zijn met goeden windt ende
ghetije uyt het Sluyssche gat gheseylt, maer, comende voor de stadt
Vlissinghen onversiens, soo zijn sy van de Vlissinghers bevochten,
die hunner eenighe twee ofte vier namen, de reste quamen behouden voor het
casteel van Zeeborgh ofte Rammekens, ende soo voor de Middelborghsche havene,
alwaer datmen noch een partije lichte oorlogh-schepen toeruste, om met dese
vlote, wanneer de Antwerpsche schepen souden afcomen tot ontset, op de Hont, sy
die t'samen souden teghenvaren, ende de Zeelandtsche Princens vlote alsoo van
beyde zijden te bevechten, tot welcken eynde dese vlote is comen ligghen onder
het casteel van Rammekens. Om welck voor te comen, heeft de admiraal
Ewout Pieterssz. Worst ... (4) die met schoonen daghe,
ende goeden windt bespronghen ... (4) hebben [dese assabros] haer cabels
afghehouwen, ende teghen landt aenghedreven, sonder grooten wederstandt: Maer
de Zeelanders hebbense gheabordeert tot aen landt, verovert ende verbrandt, 't
volck dat niet doorsteken werdt, spronghen over boordt, ende swommen aen landt,
alsoo datter van 21 ofte 22 van dese lichte assabros niet een overbleef. Aldus
wert den Hertogh van Alva sijn assabros, ende veel van sijn Spaensch schipvolck
quijte ... (4).
Valerius, blz. 65: De vereenighde steden hadden de
stad vander Goes beleghert: maer Mons Dragon
(hebbende veel volcx door het verdroncken Lant, in Zuyt-beverlant gebracht)
heeft die ontset, ende ist 'tLeger
also weder op gebroken. Duc d'Alf deed' al wat hy konde, om de belegerde stad
Middelburch (die in hongers noot was) te water mede te hulpe te komen, sont
derhalven 22 Assabros of Spaensche schepen, met lijf-tocht, derwaerts; Maer de
selve onder het kasteel van Rammekens aenkomende,
zijn sy so dapper aengetast by de
Capiteynen der gemelde vereenichde steden, dat sy
niet alleen overwonnen, maer gantsch tot niet gebracht syn, ende alle het volck
vande meeste tot de minste overboort geworpen ... (3).
Valerius volgt, zooals wij zien, Van Meteren vrijwel op den voet, en
springt met de details van het verhaal nogal vrijmoedig om, bepaald
onzorgvuldig excerpeerend. Zoo nu is dit geheele stuk. Vaak genoeg is het niets
dan een excerpt per marginalia. En daar deze kantteekeningen soms wat
onduidelijk gedrukt zijn, verleest Valerius zich zoo nu en dan in de data, die
hij wil overschrijven. Om deze wijze van excerpeeren ook te verduidelijken,
kies ik een paar zinnen van blz. 153, waar Valerius toe was aan de stof van R.
Fruins onvolprezen ‘Tien Jaren’. Die zinnen dragen nog al de
dorheid van een haastig en vormeloos excerpt met zich mede. Ik lasch ditmaal
telkens achter iederen zin de kantteekening bij Van Meteren in. Ook nu duiden
drie punten aan, dat ik mij weglatingen veroorloofde.
De Prins van Parma verovert Hemert (fol. 300b: Mansvelt beset
Heusden, neemt Hemert ende andere schanssen in Mey. Drie cornetten der Staten
geslagen), Heyl (fol. 300b: Heyle wort by Parma in genomen den 24.
Augusti. Louvesteyn te vergeefs aengetast. De Spaengiaerden die muytineren in
Parmas leger, in September) met Blyenbeeck (fol. 300c: Blyenbeeck by
Varrabon gewonnen, den 24. Junij ...). d'Overste Schenck, meenende de stad
Nimmegen te verrasschen, is verdroncken in Augusto 89 (fol. 302a: Schenck's
aenslach op Nimmegen te vergeefs, den 10. Augusti 1589. Schenck schandelijck
verlaten van sijn volck. Den Oversten Schenck verdrinct den II. Augusti
...). De Prins Mauritius van Nassou maeckt, onder't beleyt van Joncker Charles
d'Herauguiere, met 70 kloecke mannen, een wel-bedachten aenslag op de stad
Breda, door gelegentheyt van een Turf-schip, daer het volck in
verborgen lag, enz. enz. (fol. 308c: Mauritz aenslach op Breda met
Heraugiere. Adriaen van Berghen turfschipper. Krijchsvolck in een turfschip
onder de turven gestout, den 25. Februarij. Aenslach byna ontdect. Groot
ongemack van Heraugier ende zijn volck enz. enz.).
Mij dunkt, ook deze plaats is duidelijk. De verspringende nummers
der folio's bij Van Meteren laten voldoende zien, hoeveel wel werd
overgeslagen. | | | |
Nu ontmoeten wij echter ook in Valerius' tekst andere verwijzingen.
Op blz. 184 wordt Valerius, voor zijn doen, tamelijk uitvoerig over het beleg
van Oostende. Hij vermeldt zelfs al de gouverneurs, die
‘gedurende het beleg van 3 jaren ende 80 dagen’ in de stad
gecommandeerd hebben. Wie echter nog meer weten wil ‘vande mannelicke
daden, subtyle vonden’ enz., die wende zich ‘tot de Historie hier
van in druck uytgegaen’. En als wij een paar bladzijden verder ten jare
1604 ook het vermeesteren van Sluis door Maurits nog uitvoeriger uiteengezet
vinden (blz. 191), dan worden ook nu ‘de Historien, die hier van
bysonderlyck ende in't breede hebben geschreven’ opgeroepen als getuigen
voor de wijsheid, het mannelijke hart en de onophoudelijke zorgen van den
‘Prins, met d'andere Nassousche Graven’ en de hen nastrevende
‘Colonnellen, Ritmeesters, Capiteynen, Officieren ende gemeene
Soldaten’. Ditmaal verwijst Valerius niet naar Van Meteren, al vonden bij
hem deze zaken toch ook een breede plaats. Het woord ‘bysonderlyck’
toont, dat hij een ander geschrift op het oog heeft. Het was Ph. Flemings boek,
dat inderdaad ‘in't breede’ gaat, want het telt bijna 600 pagina's.
Het heet: Oostende, vermaerde, gheweldighe, lanckduerighe, ende bloedighe
belegheringhe enz., en het verscheen in 1621. Op blz. 584 begint in dit boek,
als toegift, de ‘Belegeringhe der Stadt Sluys’. Niet om overbodig
bewijsmateriaal aan te dragen, maar alleen om Valerius' oppervlakkige en
haastige werkwijze te karakteriseeren, wil ik verraden, dat het lijstje van
gouverneurs is overgeschreven van de laatste bladzijde (blz. 599) bij Fleming:
‘Aenwysinghe der Figueren ofte Prenten van de Gouverneurs’, en
daarbij sloeg Valerius no 6, den colonel Bevry, nog over.
Edoch, dit is dan ook het eenige gespecialiseerde werk, waarnaar
Valerius in dit tekstbrok verwijst. En, als gezegd, zoo
slaafs volgt Valerius verder Van Meteren, dat ik mij alleen op deze plaatsen
genoopt gevoelde, een andere bron op te sporen. Wel kende ik nog een aardig
verhaaltje, dat niet bij Van Meteren, en wel bij Valerius, voorkomt, maar ik
was geneigd, dat als een historische anekdote van Valerius' eigen repertoire te
beschouwen. Toch bleek deze veronderstelling onjuist.
Want er zijn nog meer boeken, waar Valerius zich op beroept, zij het
ook niet, om nadere bijzonderheden voor den lezer toegankelijk te maken. Ter
documenteering van zijn algemeene bedoelingen met zijn werk verwees hij ons
immers naar boeken voor de ‘Nederlantsche scholen’ bestemd (blz.
9). In 1614 was verschenen de ‘Spieghel der Jeucht’,
waarvan de eerste druk is opgedragen aan ‘de schoolmeesters van den Vrye
Nederlanden’. En dit boekje heeft een niet gering aandeel bij de
totstand-koming van den ‘Gedenck-clanck’.
Juist de zooeven vermelde anekdote opent ons hiervoor de oogen. Zij
behoort bij het verhaal van de onderhandelingen tusschen Parma en de Engelsche
gezanten in Bourbourg, terwijl de Onoverwinnelijke Armada al onder zeil was.
Met het listige gezicht, dat wij ‘den vos’ zullen moeten toekennen,
zegt daar Parma, als zijn commentaar tot diplomatieke onopschietelijkheid:
‘Ja, ja, Heeren, de wind waait west, en die wind zal ons gauw genoeg tot
overeenstemming brengen’. Raadselachtige taal, die de Engelsche Heeren
niet zoo aanstonds doorzagen. Maar ‘gewaer wordende 'theftig schieten der
Spaensche tegens d'Engelsche armade’, begrepen zij den duisteren
samenhang, en pakten hun koffers (blz. 148).
Dit aardige vertelsel komt niet bij Van Meteren voor. Bor was,
zooals wij weten, nog niet zoover. Dus dit scheen eigen inventie van Valerius
zelf.
Slaan wij echter den ‘Spieghel der Jeucht’ op, dan maken
wij kennis met een leerzaam, catechismus-achtig verhaal in gesprekvorm over
onze vaderlandsche geschiedenis. Geheel in | | | | Valerius' geest zegt
daar de Vader tot den Zoon: ‘Sone, naest de vreese Godts en recommandeere
ick U niet soo seer, noch soo hooghe, als de ghedachtenisse der Spaensche
wreetheden’. Zoowel de zoon, als de schoolmeester hebben zich te onzent
aan dat programma gehouden; het boekje heeft een interessante geschiedenis
8). Hier, in dit boekje nu, kunnen wij Parma ook zoo
authentiek mogelijk hooren zeggen: ‘Questo vento la pace, dat is: Desen
wint sal den paeys maecken’. Lees voor: la pace, natuurlijk: fa pace.
Bladeren wij nu dat boekje ook maar nog zoo vluchtig door, dan valt
ons telkens op, dat er tusschen Valerius' Gedenck-clanck en den
‘Spieghel’ groote verwantschap bestaat; zelfs, dat het schoolboekje
den auteur van den Gedenck-clanck bij zijn keuze van bepaalde passages
inspireerde. Een systematisch onderzoek zou ons verder voeren, dan inderdaad
noodig is. Een paar overtuigende passages kunnen, naast de zooeven geciteerde,
volstaan.
Valerius gebruikt op blz. 79 met kennelijk welgevallen een paar
Spaansche woorden. Hij vertelt daar, dat de Spanjaarden anno 1574 in
Antwerpen aan het muiten sloegen: ‘ende speelden feura
Veillaco’. Het is bijzonder interessant na te gaan, hoe deze corrupt
overgeleverde Spaansche woorden van Van Meteren uit hun weg zoeken in deze
geheele populariseerende litteratuur. Ook voor de jeugd worden deze
oproerkreten in den ‘Spieghel’ geciteerd; de troepen schreeuwen
daar: ‘Dineros, dineros, Walones fuora, fuora Veillacos’. En de
vertaling luidt kernachtig, maar niet geheel juist: ‘Ghelt, ghelt, 't gat
uyt Walen, 't gat uyt burghers’. Blijkbaar stelt de auteur van den
Spieghel zich voor, dat ‘veillacos’ met het Fransche
‘ville’ samenhangt.
Het tweede geval, dat ik hier wil citeeren, is de opmerkelijke
belangstelling voor de arme
Anneke van den Hoven, die in 1597, krachtens de
plakkaten, te Brussel werd ‘gedolven’. De indruk, dien
deze executie op Valerius maakte, was groot genoeg, om hem nog een laat
martelaarslied te ontlokken:
Was in Gods woord geschickt,
Wort van de Spaensche schaer
In d'aerden muyl verstickt.
De verbazing over de scherpe reactie, door deze enkele executie
gewekt, wijkt, als wij opmerken, dat Anneke van den Hoven in deze
propagandistische litteratuur nooit ontbreekt. De ‘Spieghel’
ontsluiert het ten volle: In haar zijn ‘al de Ghereformeerde verwesen
ende verdoemt’.
Zoo blijkt dus de ‘Spieghel der Jeucht’ voor Valerius
een inspireerend boekje, en in menig opzicht ook een leidraad geweest te zijn.
Aan dit boekje en het heelemaal niet kwade Register op Van Meteren heeft hij
heel veel te danken.
Wij nemen nu voorloopig afscheid van de breede middenmoot, om ons
bezig te gaan houden met zijn verhaal over de jaren van het Bestand. De tweede
editie van Van Meterens geschiedwerk kon hem slechts aan stof helpen tot het
jaar 1612. Hij versmaadde die voor de jaren 1611 en 1612, zooals wij al weten.
Ook de ‘Spiegel der Jeucht’ kon voor deze periode niet meer
inspireerend werken. Was Valerius dus reeds nu aangewezen op de voor de hand
liggende bronnen van informatie: de zoo vergankelijke pamfletjes, courante
nouvelles en wat dies meer zij, en op de zoo bedriegelijke informatie door de
eigen belevenis?
Wij merkten al op, dat er een heel wezenlijk onderscheid is tusschen
zijn verhaal vóór en na het einde van het Bestand | | | | (boven blz. XXVII). Dat heel wezenlijke onderscheid, dat hem met een
paar bladzijden genoegen doet nemen voor de jaren 1610 tot 1621 heeft zijn
goede gronden in Valerius' verdere afhankelijkheid van een enkel boek:
Willem Baudartius' ‘Memorien ofte kort
Verhael der ghedenckweerdighste geschiedenissen van Nederland ende Vranckryck
principalyck ... van den Jare 1612, daer het de vermaerde Historie-Schrijver
Emanuel van Meteren ghelaten heeft tot het begin des Jaers 1620’.
Dit is een Baudartius, die, meestal ongeraadpleegd, in de magazijnen onzer
bibliotheken staat. De historiographie immers leert ons, dat wij niet deze
onvolmaakte eerste editie, maar liever de tweede uitgave, in twee dikke
folio-deelen, 1624-'25, moeten hanteeren. Maar wij begrijpen, dat deze
verbeterde editie voor Valerius te laat kwam. Deel II verscheen zelfs na zijn
dood
9).
Die paar bladzijden van Valerius zijn dan wel een heel mager excerpt
uit een opus van ruim 950 kwarto-bladzijden. En het is een heel verdrietig
werk, dan nu maar weer Baudartius te leggen naast den Gedenck-clanck, en de
vergelijking met Van Meterens continuator voort te zetten. Hij had er zooveel
meer uit kunnen halen. Waarom beperkte hij zijn keuze zoozeer, dat wij bij de
vergelijking voortdurend in twijfel verkeerden, of Valerius wel werkelijk
Baudartius voor zich had? Maar ten slotte is alles, wat Valerius te vertellen
had, daar terug te vinden.
Nu valt er vanzelf veel stof weg, als een auteur, schrijvende over
het Twaalfjarig Bestand, besluit ‘de kerckelicke droevige misverstanden,
ende swarigheden’ verder niet te vermelden. En Valerius heeft blijkens
blz. 217 geen lust, daarover iets anders te vertellen, dan dat ‘de Hoog
Mog. Heeren Staten Generael’ daar ‘mettet goet vinden van haren
Gouverneur den Prince van Oranjen, etc.’ een eind, en wel een prijselijk
einde, aan hebben gemaakt. Het historie-verhaal, waaraan wij gewoon zijn
geraakt, heeft juist zoo heel veel te vertellen over dat Bestand en de
godsdiensttwisten. Het wordt breed uit beheerscht door het rouwmotief om
Oldenbarnevelds dood. En als even de stuwende blijheid om het ‘Dispereert
niet’ van
Jan Pietersz. Coen zich daar tegen in verheft, dan
begint temperend en klagend zich ook weer te uiten het besef, dat Maurits oud
geworden bleek, toen hij nauwelijks vijftig was. Het historisch patroon, dat
daar op Gods weefgetouw vorm kreeg, kon Valerius niet herkennen, omdat hij, zoo
principieel gereformeerd als hij was, liever geheel zweeg van den
Landsadvocaat, die, toen Coen zijn opwekkend woord over ‘jaerlicx groote
rijcke retoeren’ schreef (29 Sept. 1618), al twee maanden lang de
gevangene der Staten Generaal was.
Het is dus niet alleen de schromelijke bijziendheid der al te
contemporaine historie, die hem zoo verlegen doet staan. Maar al wilde hij dan,
als velen in dien tijd, hierover zwijgen, ook onopzettelijk gaat hij aan veel
stof voorbij, die toch in de slotjaren van zijn verhaal zijn volle aandacht
blijkt te genieten. Ik geloof, dat ook dit verklaard moet worden uit zijn
werkwijze, die mij afhankelijk schijnt van zijn toevallige boekenbezit. Zooals
hij zich door den ‘Spieghel der Jeucht’ liet leiden bij zijn
excerpt uit Van Meteren, om aan Flemings boek over Oostende-Sluis wat
aanvullende details - en hoe schamel zijn ook deze - te ontleenen, zoo heeft
hij nu zijn Baudartius voor zich, en weet niet goed, hoe zijn keuze te bepalen.
Hij bezit, zooals wel iedereen, wat pamfletjes, min of meer toevallige
restanten van voorbijgegane jaren. Bezat hij dat pamfletje Knuttel no 2181:
‘Spieghel der Voorsienicheydt van den wackeren Leeuw... met de
ghenoechelycke Weseljacht... Item sekere loose kunsten, om een Parysche
bruyloft te houden’? Wij vinden immers op bl. 209 het verhaal van de
Gulik-Kleefsche zaken (Baudartius fol. 98d) en Spinola op de Wezel-jacht
(Baudartius fol. 102c, 103d) ook gekoppeld aan de dubbele bruiloft (Baudartius
fol. 144b!). | | | |
Bezat hij het aardige, goed geschreven pamflet Knuttel no 3291: Cort
Verhael van de reyse der Nederlandsche soldaten, die anno 1616 na Venetiën
zijn ghereyst om de Republijcke teghen Ferdinandus, Hertoghe van Graets ende nu
Roomsch Keyser te dienen ...; Delft, Jan Andriesz; 1622? Het dekt de volgende
zinnen van blz. 212! Ook dit pamfletje kon hij ‘naslaan’ in
Baudartius (fol. 142d-150d voor den Hertog van Savoye, fol. 184d, fol. 185d
voor Ferdinand, aartshertog tot Graetz), en middelerwijl kon zijn aandacht
gevallen zijn op dat schandstuk van de Keulenaren tegenover
‘Mullem’, en de Brunswijksche zaken, waarvoor ik geen pamfletten
ken (Baudartius fol. 152a en 152d) enz. enz.
Als dit het eenige geval was, waarbij de dingen zoo uitkwamen, dan
zou ik mijn veronderstellingen voor mij houden. Maar blz. 215 vermeldt weer
vlak na elkaar een Akensche gebeurtenis en den val van ‘Cochino Cochini,
Italiaender’. En weer kan ik een pamfletje citeeren, dat desgelijks doet.
Het is Knuttel no 2235: ‘Waerachtighe nieuwe tijdinghe van het ghevangen
nemen der borgheren binnen Aken ... mitsgaders het innemen van Peronne ... ende
de plunderinghe van 'tHuys van marquis d'Ancre’; Rotterdam, Mich. Jansz.;
1618. En Knuttel no 2336: ‘Recueil des charges qui sont au proces faict a
la memoire de Conchino Conchini n'agueres mareschal de France, et a Leonora
Galigaj sa vefve’ ..., brengt ook nu weer alles, wat ons verder nog
ontbrak. Hoe ver liggen deze dingen bij Baudartius uiteen: fol. 190c, fol.
210c., fol. 261 e.v.; hoe wonderlijk dicht opeen staan zij in den
Gedenck-clanck!
Werkte
Valerius zoo, zich latende leiden door wat pamfletjes
toevallig in zijn bezit, dan wordt ons de anorganische dorheid van deze
bladzijden begrijpelijk. Ons respect voor den historicus Valerius neemt daarbij
weliswaar niet bepaald toe, maar wij begrijpen nu ook beter, dat Valerius, toen
hij eenmaal het plan had opgevat, zijn Gedenck-clanck te schrijven, voortaan
als het ware van dag tot dag op den uitkijk stond naar bronnen en materiaal,
naar nog achterhaalbare informatie. Daaraan dankt het verhaal van de
allerlaatste jaren (1621-1624) zijn onmiskenbare levendigheid. Wij zouden uit
Knuttel een indrukwekkende reeks pamfletten kunnen citeeren. Maar dat zal
nauwelijks noodig zijn.
10)
Nu wilde ik wel, dat ik een even duidelijke voorstelling kon geven
van de genesis der eerste 27 bladzijden, waar Valerius de these verdedigt, dat
het de bedoeling der Spanjaarden is geweest, een ‘generale
monarchie’ over ons werelddeel te vestigen. Maar al kan ik gemakkelijk
aantoonen, dat deze gedachte niet zijn persoonlijke ‘inventie’ was,
de uitwerking van de gedachte, - dien ommetocht door dat gruwelijke,
Spaansch-Habsburgsche wereldrijk -, die heb ik nergens zoo kunnen terugvinden.
Toch geloof ik eerder, dat dit aan mijn onfortuinlijk zoeken, dan aan een
bijzondere historische verdienste van Valerius moet toegeschreven worden.
Het scherpst vinden wij de gedachte uitgesproken in het
‘Tweede Deel van de Spieghel der Spaensche Tyrannye, ghesciet in
Nederlant enz.’; Amsterdam, F. Evertsz. Cloppenburg; 1620
11); Daar toch wordt den Spanjool de
bedoeling aangewreven ‘om mettertijt de vijfde monarchie des werelts op
te rechte, ende over alle koninghen ende princen te tyranniseeren’. De
‘Spieghel der Jeucht’ doet den doceerenden vader wel
zeggen: ‘Daer is qualyck eenige natie die ofte over hare wreetheyt, ofte
trouloosheyt, ofte alle beyde, niet gheklaegt en heeft, ofte noch
klaeght’, maar de practische toepassing bepaalt zich tot de vermelding
van: ‘Indianen, Americanen, Bresilianen, Peruvianen’, en via de
‘vervloeckte Pauselijcke Inquisitiekamer’ spoedt zich het gesprek
naar Smeekschrift en Opstand. | | | | De gedachte is er; deze uitwerking
schijnt te ontbreken
12).
Voor een deel moeten wij aan Valerius nu wel zekere
oorspronkelijkheid toekennen. Hij citeert hier namelijk herhaaldelijk zichzelf,
vooral in de laatste bladzijden, die, met mededeelingen over den marquis
d'Ancre (blz. 19), de Armada (blz. 20), het buskruit-verraad (blz. 21), de
gebeurtenissen in Hongarije enz., in Gulik-Kleef enz. (blz. 23), op zijn latere
vertelstof vooruit loopen. Bij alle heen-en-weer, en bij alle herwaarts en
derwaarts van zijn verhaal, is aan deze beginbladzijden echter toch nooit eigen
dat haast mechanische excerpt-karakter, dat zijn werk als geheel kenmerkt. Het
is, als had de auteur hier nog de kracht, denkend te schrijven. En daarom zou
ik het niet uitgesloten achten, dat er nooit een voorbeeld gevonden zal worden
voor de uitwerking, die Valerius aan de gedachte van de ‘Spaensche
monarchie’ gaf, en dus, dat hier, zoo goed als in de slotbladzijden, van
eenige oorspronkelijkheid sprake mag zijn
13).
Wij kunnen ons nu gaan bezighouden met de niet onbelangrijke vraag,
wanneer precies Valerius zijn Gedenck-clanck schreef. De werkwijze, die wij tot
nog toe schetsten, doet ons vanzelf veronderstellen, dat de auteur geen jaren
en jaren gezwoegd heeft aan zijn manuscript, maar dat hij het, na het moeilijke
begin, tamelijk vlot heeft neergeschreven. Met vlot wil ik alleen zijn tempo,
niet taal en stijl van zijn werk, gekarakteriseerd hebben.
Nu is het wel dadelijk duidelijk, dat Valerius aan zijn boek heeft
gewerkt tot het einde van zijn leven. Wij kunnen, blz. 259, constateeren, dat
hij tot kort voor zijn dood heeft geschreven. Er is daar sprake van een
‘tweede vlote’, door de W.I.C. voor het Braziliaansche Bahia
uitgerust, die lang heeft moeten wachten op Noordoosten wind, maar die dan
‘in het beginsel van Januario 1625’ uitgevaren is. Wij kunnen dat
feit heel precies dateeren. De vloot van Lam voer uit 4 Januari 1625
14). Wij weten dus
stellig, dat Valerius nog na 4 Januari 1625 aan zijn Gedenck-clanck heeft
gewerkt. Ja, wie zoo over het begin van Januari schrijft, die is wel met zijn
gedachten al bij of over het midden van de maand. Valerius overleed den 27en.
Zijn manuscript was toen nog een twintig bladzijden grooter geworden.
Wanneer wij dus ons Valerius, nog zoo kort voor zijn dood, moeten
voorstellen als werkend aan den Gedenck-clanck, dan rijst vanzelf de vraag, of
het boek, zooals het voor ons ligt, af is. De opdracht aan de Staten van
Zeeland geeft, dunkt mij, te verstaan, dat zulks het geval was, juist op die
opdracht na (blz. 8). En ook de structuur van die laatste bladzijden, met hun
samenvattingen voor de jaren 1623 en 1624 (blz. 256 en 259) en het daarna
afwerken van het jaar 1624 (blz. 261 e.v.), schijnt mij daarop te wijzen. Hij
wilde dat jaar 1624 afhandelen, en hij haalde het einde. Toen zijn pen op blz.
272 de paar regels, die volgen op: ‘Inde maent van December’, had
neergeschreven, toen kon hij zijnwerk als voltooid beschouwen. Het lied (blz.
273): Och dat de mensch den Heer Gehoorsaem waer altyt’ belijdt ten
volle, hoe goed God de Heer het met ons voorheeft, maar hoe onze
tekortkomingen, - ons verzopen-zijn ‘in 'sweerelts vuylen troch’ -,
ons bezocht doet zijn met tegenslag te velde, met ziekte, honger en kou. Kortom
met de ellende, die even te voren ‘in de prose’ omschreven is als:
‘de peste, root melisoen ende andere smettelycke sieckten, ende seer
quade neeringe, dieren tydt, ende...sware water-vloeden’ (blz. 271). Wat
zouden wij anders, dan bidden, en in het gebed onszelf en ons vertrouwen
hervinden. Lezen wij éérst dat gebed van blz. 275 e.v. en dan het
slotlied: ‘Gy volckeren hoor aen!’ (blz. 274), dan botst er niets
meer. Dit is de nazang, die den Heer prijst, en onszelf sticht en sterkt. Wij
weten het nu. De mensch zal moeten: | | | |
Laten't quaet, Metter daet
'tGoede doen, En sich spoen
Verbreyd word meer en meer.
Stellig, dit boek was af. De vreugde der voltooiing was voor
Valerius, als voor Van Meteren destijds
15), een laatste levensvreugde.
Wij stellen ons dus Valerius voor, schrijvende in de wintermaanden
van 1624 op 1625. Hij legt de laatste hand aan zijn werk. En zoo moeten wij
hem, dunkt mij, vaak schrijvend aan zijn tafel hebben kunnen zien, want als wij
van blz. 259 weer een bladzijde of twintig terugslaan, dan ontmoeten wij
opnieuw een uiterst suggestieve plaats.
Valerius is hier (blz. 236) bezig met ‘geschiedenissen te
water’ uit de jaren 1622 en 1623. Hij heeft verteld, dat
Jacob Willekens en
Piet Heyn zijn uitgevaren naar de Allerheiligenbaai aan
de Braziliaansche kust. Tot zijn vreugde en voldoening zijn ‘verscheydene
voortreffelycke Predicanten’ mee aan boord, om in die verre landen zielen
te gaan winnen. Hij is ook zeer verheugd, dat diezelfde West-Indische Compagnie
van plan was, vloten te sturen naar de Westkust van Afrika en naar de Noordkust
van Zuid-Amerika, naar Angola-Guinea en naar Guyana, de Essequebo en de
Amazone. Op het oogenblik, dat hij dit neerschreef, waren al die schepen in
zee. ‘De selve Compagnie mede geresolveert zynde noch met andere
schepen’ de binnen haar octrooi-gebied gelegen kusten te bezeilen,
‘senden nae de voorsz. plaetsen uyt de vereenigde landen af ...
verscheydene treffelycke schepen; de Heere wilse segenen tot zyns naems
eere’.
Goede, trouwe en trouwhartige Valerius! Ik zou er op willen zweren,
dat de ontvanger van de convooien en licenten zoo juist de laatst vertrokken
schepen van ‘de Camer van Zeeland’ heeft nageoogd. Al 22 September
1623 was
Philips van Zuylen met de Dolfijn en de jachten Thonijn
en Bruynvisch uit Texel uitgezeild naar ‘de kusten van Angola ende andere
plaetsen van Africa’. Het was maar een ‘vlootien’, al ging
‘de Swarte Leeuw’ ook een eind weegs mee. Maar op 26 Januari 1624
was eindelijk ook de vloot van Willekens en
Piet Heyn compleet, want op dien datum stuurde de
‘Camer van Zeeland’ haar ‘Tyger’, haar ‘Gulde
Zeepaert’ en haar ‘Postpaert’ uit. En dienzelfden dag kozen
ook de Zeeuwsche schepen ‘de Hoope’, ‘de Eendracht’ en
het jacht ‘de Trouwe’ zee voor een kruistocht in de West onder
Pieter Schouten
16). God de Heer moge hen zegenen! Amen, zegt
Valerius.
Maar de ontroering van Valerius trille niet langer in ons na. Hij
zit aan zijn tafel en schrijft. Het is 26 Januari 1624 geweest, en hij is op
dit oogenblik bij blz. 238. Hij steekt midden in de gebeurtenissen ‘te
water’ van de jaren 1622 en 1623, en zoo straks gaat hij met 1623 verder;
hij moet dat jaar nog geheel ‘doen’.
Het kan zijn, dat dit uitzeilen van zooveel Zeeuwsche schepen naar
zoo verre kusten nog iets verder terugligt van het oogenblik der redactie, dat
ons zoo nauw verbonden schijnt met het uitvaren zelf. Maar als wij ons aan het
strikt bewijsbare houden, dan mogen wij zeggen, dat de laatste 40 bladzijden
van dit boek werden geschreven tusschen 26 Januari 1624 en 27 Januari 1625 als
uiterste termijnen.
En wat ligt daarvoor? Het excerpt uit
Van Meteren met zijn soms gejaagde structuur, het zoo
broodmagere excerpt uit
Baudartius, dat practisch gesproken met het jaar 1619
eindigt (blz. 215), en dan nog een aantal bladzijden over de jaren 1620 tot
1622, waarin de Peckius-ambassade en het beleg van Bergen op | | | | Zoom
aandoen als oasen in de woestijn. Terugrekenende zouden wij Valerius wel een
maand willen gunnen voor het werk tusschen 1622/23 en 1619. Daarvoor ligt dan
het jaar der excerpten: 1623.
Dit is meer dan een losse veronderstelling. Wij herinneren ons
immers, dat Valerius schrijvend over de belegeringen van Oostende en Sluis het
in 1621 verschenen boek van Ph. Fleming citeerde. Het is dus duidelijk, dat hij
op blz. 184 bezig is, ná het verschijnen van dat boek. Gaan wij nog
verder in onzen tekst terug, en wel naar de algemeene inleiding. Wij vinden
daar op blz. 16 een beschrijving van het hertogdom Milaan, ‘beset met een
uytnemende sterck Kasteel ende andere forten, den Spanjaerden seer dienstig om
hun meester te houden vande doorgangen ende passagien der Veltolinen, soo dat
daer door de Fransoysen, Venetianen, Duytschen, Savoyen ende Switsers werden
van malcanderen ghehouden’. De militair-politieke beteekenis van het
hertogdom Milaan en het Veltlin is hier heel goed omschreven. Valerius' zin kan
gelden van de late 15e eeuw tot het midden van de 17e eeuw. Maar de bezetting
van het Veltlin door Spanje - en op deze zeer bijzondere omstandigheid doelt
Valerius - heeft maar kort geduurd. De Spanjaard was meester van het
passenrijke dal van Febr. 1621 tot Mei 1623. Toen kwamen pauselijke troepen het
Veltlin ‘in bewaring nemen’, en voor het einde van het jaar waren
er de Franschen. Wanneer Valerius blz. 16 schrijft, draagt hij nog geen kennis
van wat hij blz. 243 zou schrijven, waar hij - wij herinneren ons, dat Valerius
aan blz. 238 toe was na 26 Jan. 1624 (boven blz. XXXV) - wel al afwist van het
pauselijke bezettingsrecht
17).
Deze constateering is van heel groot belang. Want hieruit blijkt,
dat Valerius zijn inleidende beschouwingen niet achterna, maar werkelijk vooraf
schreef. En verder blijkt, dat hij dit redigeerde, toen de Veltlin-kwestie al
midden in de Europeesche belangstelling stond, na Febr. 1621 en voor Mei 1623.
Ja, wij mogen veilig aannemen, dat Valerius dit schreef op grond van zijn
kennis van in 1622 of in 1623 verschenen pamfletten en nieuwstijdingen. Want
het verwijt, als zouden wij te scherp redeneeren, en aan Valerius inzicht in
verre gebeurtenissen toeschrijven, dat hij bezwaarlijk kon bezitten, moeten wij
afwijzen. Hij schreef hier eigener beweging over, omdat zijn belangstelling was
gewekt door deze bronnen
18).
En kijk, daar komt Valerius een paar bladzijden verder nog dichter
bij ons met mededeelingen over het oogenblik, waarop hij schrijft.
‘Hedens-daechs’ - zoo zegt hij op blz. 22 - ondervinden ‘de
Koninck-rijcken van Hongaryen, Bohemen, de Heerlicke Lant-schappen van
Silesien, Moravien, Pfaltz’ enz. meer dan genoeg de ‘wreede
Spaensche mishandelinghen’. En hoe ellendig zijn Aken en Wezel er aan
toe, waar het ‘snoode ghespuys’ zich ‘met seer groote
menichte nestel[t]’. Wij zijn hier weer aan gebeurtenissen en toestanden
toe, die diep in 1622, en tot in 1623, reiken, al is het moeilijk te zeggen tot
precies hoever
19).
En daarom moet onze conclusie luiden: tusschen 1622 en het begin van
1625, in hoofdzaak in de jaren 1623 en 1624, schreef Valerius den geheelen
Gedenck-clanck.
En de liederen, die bij dien Gedenck-clanck behooren, zouden die
allemaal ook zoo laat zijn? Nu, om te beginnen, spreekt dat vanzelf voor het
laatste dozijn, dat uit die jaren zelf stamt. En natuurlijk vallen uit: het
Wilhelmus, Maximiljanus de Bossu en Hoort allegaer, die
echte, door Valerius opgenomen, historieliederen zijn
20).
Zonderen wij die beide groepen uit, dan blijven er voor gebeurtenissen tusschen
1567 en 1621 precies 60 liederen over. Zij laten zich alle kolossaal moeilijk
dateeren, want hun inhoud is zoo algemeen bespiegelend en zoo algemeen
menschelijk, dat zij zelden houvast geven. Niemand zal veronderstellen, dat
Valerius ‘Hoe groot (o Heer)’ in 1567 heeft gedicht, omdat er
staat: | | | |
'sLants sleutels en haer stale grendels
Smijt nu den Speck, met groot ghewelt,
En zoo zal ook niemand ‘Syt nu verblijt’ (blz. 39) op
1568 dateeren, omdat in den eersten regel het woord ‘in dese tydt’
voorkomt. Maar mogen wij dan wel zeggen, dat het rouw- en klaaglied om Anneke
van den Hoven (blz. 164) vóór 1621 gemaakt moet zijn, omdat het
in strophe 3 den dag des Oordeels voor den ‘Cardinael’ nog in het
zicht weet? En helpt het veel, of wij bij het lied op den dood van Prins
Willem: ‘Stort tranen uyt, schreyt luyde’ zeker waren, dat het lang
na 1584 gemaakt moet zijn, daar de troostende slotstrophe zegt:
Ghy vrome d'wyl dat dit soo is geschiet,
End' dattet nu kan wesen anders niet:
Vertrout op God, door 's Princen spruyten haest
Sal Spanjen noch verwert staen en verbaest (blz. 135).
Het eerste zelfstandige commando van den jongsten dier
‘spruyten’,
Frederik Hendrik, dateert al van 1606
21)! Neen, wij kunnen den liederen niet genoeg gegevens ontwringen.
Wie laat zich imponeeren door een dateering van ‘Waer datmen sich al
keerd of wend’ (blz. 213) op 1622-'23, en niet op 1616, om het begin van
strophe 5 en de vermelding van den ‘Venetiaen’ en den
‘Savoyard’ daar ter plaatse? - Anderzijds waag ik de
veronderstelling, dat bij geen der zestig liederen de mogelijkheid van ontstaan
in deze jaren 1622, 1623 uitgesloten behoeft te worden.
Voor het late ontstaan der liederen is echter één
argument wel niet geheel afdoend, maar toch zeer belangrijk. De inleidster, die
hier de muziek-historische beteekenis van den Gedenck-clanck heeft uiteengezet,
merkt op, dat Valerius' werk wel 20 melodieën gemeen heeft met Starters
Frieschen Lusthof, die in 1621 verscheen, terwijl
anders, met Lenaert van der Goes of met Breeroo, slechts geringe
vooizen-verwantschap bestaat. Mevrouw Komter-Kuipers aarzelt te concludeeren,
dat
Starters Friesche Lusthof aan Valerius bekend geweest moet
zijn. Met de hierboven gegeven jaartallen voor het ontstaan van Valerius' boek
zou de aarzeling van Mevrouw Komter-Kuipers wel weggevallen zijn, denk ik. In
ieder geval, ik heb mij ervan overtuigd, dat die 20 Starter-melodieën heel
regelmatig over het geheele boek verdeeld zijn
22). Zij zijn volstrekt niet
méér frequent na 1621, dan voor 1621. En strophenbouw en melodie
hangen natuurlijk ten nauwste samen. Mag ik zoo niet beweren althans voor
zoowat het kleinste deel van de Valerius-liederen het ontstaan in de jaren
1622-1624 waarschijnlijk te hebben gemaakt?
Slechts weinig woorden zijn nog noodig, om ons het ontstaan van den
Gedenck-clanck voor oogen te stellen.
Het was weer oorlog geworden. Het Bestand, dat wel den ‘zoeten
vrede’, maar ook veel verzwegen bitterheid had gebracht, was ten einde.
Ditmaal had die oorlog een haast Europeesch formaat, omdat er alom oorlog of
oorlogsspanning was: in Bohemen, in de Palts, in West-Duitschland, in
Italië. Met de gestalten van Mansfeld en den zoo juist eenarmig geworden
Brunswijk rijdt de Dertigjarige oorlog ons land binnen.
Het was dus weer oorlog geworden. Maar hoe geheel anders staan wij
er voor, dan in die bange jaren van Prins Willem. Wij hebben Maurits, wiens
groote krijgskunst Valerius zeer heeft geïmponeerd; wij hebben den jongen
Frederik Hendrik, die haast met zijn trouwkoets nog in het legerkamp rijdt. Wij
hebben onzen rijkdom van overzee: peper, kruidnagelen, noot en foelie. Wij
hebben onze Coen-energie en onze Piet-Heyn-bravour, | | | | en
Zeeuwsche kaper-reeders, in wier dienst een
Michiel Adriaensz. de Ruyter begint te varen. Wij hebben
onze Compagnieën voor Oost en West en Noord. Vere is nog geen
dood stadje. En
Adriaen Valerius is er ontvanger van de convooien en
licenten, man van ladende en lossende schepen ambtshalve.
Valerius kent en weet dit alles. Hij weet, dat er dan nu gevochten
moet worden. Zijn Zeeuwsche hart klopt. Een jong geslacht moet bezield worden
tot den strijd tegen Spanje; een geslacht, dat heeft geleerd tot God te bidden,
en ook voor ‘Godts kercke in dese quartieren’, en dus voor
‘het Nederlant’, te vechten (blz. 10, blz. 9). Valerius wil dat
jonge geslacht iets ‘in 'therte griffen’. De ‘Spieghel der
Jeucht’, de ‘Morgenwecker’ van
Ds Baudartius gingen hem voor. Goede boekjes, beide.
Maar hij, Adriaen Valerius, is geen schoolmeester en geen predikant. Hij is een
dichter van rederijkend Vere, en hij speelt op zijn orgel, en zingt. Hij bezit
Van Meteren, hij bezit Baudartius, wat boeken en
pamfletjes. Hij kan dat ook, en wel op zijne wijze. Starters Lusthof ligt voor
hem. Dat zingt maar van vrouwen en verliefdheid, van ‘dat men eens van
drincken spraeck’ en ‘en word het glaesje lichter’. Nu ja,
een enkelen keer van Maurits, Willem Lodewijk, Nassau of Oranje; maar ook dat
wil niet goed op Valerius' stemmig orgel. Het leeuwen-geschreeuw van Starter
ter eere van Maurits ‘d'Edel Heere' // wiens kloeckheden // land en
steden // stelden in vryicheden’, wordt altijd begeleid door het hooge
rinkink-geluid van glazen in de tapkast
23). Het moest in anderen toonaard. Meer voor het orgel.
Zoo zijn dan ‘by de prose, oock liedekens ende dichten, [...]
op de [...] stoffe passende’ ontstaan, en, met ‘de prose’,
geworden tot dit geheel-eenige Nederlandsche boek
24) voor zanglustig Oud-Holland: een muzikale emblemata-bundel,
gewijd aan God den Heere en ‘het Nederlant’.
Vaak is ‘de prose’ wat dor; dikwijls zijn de
‘liedekens ende dichten’ niet van onberispelijke makelij. Wat doet
het er eigenlijk toe? Dit boek heeft andere waarde dan die van
litterair-historisch of historiographisch document
25). Het is een reliek-achtig kleinood, - een poesaka, zegt
men in Indië -, dat vele geslachten wel uit een grooten tijd bewaard, maar
niet als levenwekkend bezit geëerd hadden. De Amsterdamsche hoogleeraar
A.D. Loman begreep er meer van, dan de toch verdienstelijke historiograaf, Mr
S. de Wind, of de zwijgende litterair-historici. En mijn wonderlijke, toch
altijd trouw gewaardeerde, vriend, Frits Coers deed eindelijk het zijne, om het
kleinood in zijn werkelijke beteekenis weer kenbaar te maken, door het in zijn
ontroerende zingbaarheid geheel aan ons volk te hergeven.
Nu het voor ons ligt in breede toegankelijkheid, veelzijdig
toegelicht, en door die toelichting ook leesbaar gemaakt
26), begrijpe
men wel, dat geest en hart van Oud-Holland, hier historisch stamelend, naar
rederijkers trant dichtend, op ontleende vooizen zingend, nog maar flauw
glorend laten zien, wat die geest en dat hart in
Grotius en
Hooft, in
Vondel, in
Sweelinck de wereld zouden openbaren in vollen
lichtglans. Maar juist daarom eere men den schepen van Vere in de drievoudige
grootheid van dat nederig beginnen met een - schoolboek.
|
1)Voor de litteratuur over
Valerius, zie de door
P.J. Meertens samengestelde lijst op blz. LXIX. Wij
mogen inderdaad van vergeten spreken, als F.J. Willems Valerius niet vermeldt
in de lijst van liederboeken tot 1660 (Antwerpsche Mengelingen, 1828, no 4,
blz. 291 e.v.); vgl. Mr S. de Wind, Bibliotheek der Nederlandsche
geschiedschrijvers, I (970-1648), (Middelburg, Abrahams; 1835; blz. 486 noot).
Ik merk daarbij op, dat Valerius nog in den vierden druk van Jonckbloets
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1888-'92) niet voorkomt. Dit
geschiedt eerst in Jan te Winkels Ontwikkelingsgang der Nederlandsche
letterkunde I (Haarlem, Bohn; 1908; blz. 262) onder verwijzing naar A. D.
Loman; vrijwel gelijktijdig bij G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche
letterkunde IV (Groningen, Wolters; 1909; blz. 389), evenwel zeer
summier.
2)S. de Wind, a.w., blz. 485.
3)J.M. Romein, De geschiedschrijving over de
tachtigjarige oorlog; een historiographische studie (Tijdschr. voor Gesch.,
1941, dl. 56, blz. 240).
4)Zie naast Romein, a.w., blz. 241, de
voorrede in de vierdeelige folio-uitgave van Bors werk (Amsterdam, Van Someren
enz.; 1679) fol. 2b, voor het ontstaan van Bors Geschiedenis; den
poëtiekschen Bor vond ik bij Te Winkel I, a.w., blz. 262. Het
alleraardigste boekje, vol tamelijk onnoozele, lange verzen, te zingen
‘op voysen van de Nederlantsche Psalmen’, was bestemd ‘tot
vermaeckinge der Nederlantscher vrouwen ende jeucht, dewelcke meestendeels het
hooft ende sinnen ongeerne met veel lesens quellen’. Het verscheen
te Leiden bij
Govert Basson in 1617. Bors opus is, vergeleken bij
Valerius, veel meer een berijmd verhaal. Merkwaardigerwijze heeft ook
J.F. le Petit (zie noot 13) zijn dichterlijke momenten
gehad. Hij gaf, al in 1597, 94 sonnetten uit: Sonets des grands exploicts
victorieux de hault et puissant Seigneur Maurice, Prince d'Orange... depuis son
advenement... jusques à la fin de est an present. 1597 par
J.F.L.P.G.D.B. [zonder pl. en dr.] 1597. Wanneer men van sonnet XX af: A
Berghen sur le Soom prenant nouveau courage... tot en met sonnet LXXIV: Et tant
de beaux exploicts de si grande merveille ..., - de rest is pro- en epiloog -,
den tekst van Valerius blz. 151-166 vergelijkt, dan stoot men op zoo treffende
overeenkomsten, dat men dezen Petit wel tot het boekenbezit, en tot
mede-leidsman van Valerius voor de geschiedenis van deze jaren, moet
proclameeren. Ik citeer alleen voor de ‘treffelycke victorien vanden
Prince Maurits’ (Valerius blz. 166) uit sonnet LXXIV:
Lors qu'en moins de trois mois tu mis en ta puissance,
Aux Estats generaulx rendans obeissance,
Neuf ville et trois Forts trespuissamment munis:
Alpen, Berck, Moeurs et Grol, Brefort avec Enschede
Otmarsum, Oldenseel, et qui toutes excede
Linghen, ores reduicts soubs ces Pays unis.
Over le Petit († 1615?), zie J. Bax, Prins Maurits
in de volksmeening der 16e en 17e eeuw (Amsterdam, H.J. Paris; 1940 - Diss.
Vrije Univ. Amsterdam); blz. 174.
5)De eerste uitgave van Van Meteren is van
1609. Zij heet: Commentarien ofte Memorien, en zij verscheen ‘op
Schotlandt buyten Danswijck, bij Hermes van Loven, voor den Autheur’.
Aanvankelijk meende ik, dat Valerius deze uitgave gebezigd had. Ik heb dan ook
in mijn noten den tekst van den eersten druk gevolgd. Mij bewoog daartoe de
misvatting van Valerius in zake het standbeeld van Duc d'Alf (blz. 74 noot),
die ik mij niet kon voorstellen, als er een afbeelding voor hem lag (en dat is
in den tweeden druk het geval), als ook het feit, dat in dezen eersten druk nog
net het sluiten van het Bestand in het Appendix (fol. 36b; men denke aan de
vierderlei paginatuur van deze uitgave!) kon worden vermeld. Dit verklaarde
voor mij ook de lacune 1610 tot 1614. Want het feit van Hendrik IV's dood
(1610) kon Valerius ook van elders heel goed bekend zijn. Toch is het zeker de
tweede druk, die door Valerius gebruikt werd. Immers Valerius verwijst blz. 205
voor den tekst van het Bestand naar dien tweeden druk (fol. 614b-616c), die ook
den datum van het Bestand brengt (beide ontbreken in de
‘Commentarien’). Bovendien citeert Valerius ook den correcten
titel: Historie der Nederlandscher enz. geschiedenissen; en dus de uitgave: 's
Gravenhage, Hillebrant Jacobsz; 1614. Het scheen mij overbodig al deze plaatsen
met den tweeden druk te collationneeren. - Over Van Meteren zie men verder:
W.D. Verduyn,
Emanuel van Meteren ('s-Gravenhage, Nijhoff; 1926 -
Diss. Leiden); J.M. Romein, Tijdschr. v. Gesch. 56, a.w., blz. 240.
6)Van Meteren is de autoriteit tout court, en
hij is dat voor allen. Hij is dat voor Valerius, maar evengoed voor Baudartius
(zie noot 9), en evengoed voor de Katholieke geschiedschrijving. Zie B.A.
Vermaseren, De Katholieke Nederlandsche geschiedschrijving in de XVIe en XVIIe
eeuw over den opstand (Maastricht, Van Aelst; 1941 - Diss. Nijmegen); blz. 298:
‘Het gaat allemaal tegen Van Meteren’, ‘compilatiewerk’
(op de basis van Van Meteren). Ik herinner hier aan de goede diensten, die
‘Van Meteren’ aan Oldenbarneveld moest bewijzen bij zijn
verdediging tegenover zijn rechters; zie P.J. Blok, Geschiedenis van het
Nederlandsche volk, II 2 (Leiden, Sijthoff; [1913]); blz.
479.
7)Daarom verlangde en kreeg Oldenbarneveld
bij zijn proces ook een afzonderlijken tekst van de Unie; Bors werk was toen
nog niet verschenen; vgl. P.J. Blok, a.w., t.z.p.
8)Voor den ‘Spieghel der
Jeucht’, zie Joh. C. Breen, Gereformeerde populaire
historiographie in de 17e en 18e eeuw (Tijdschr. v. Gesch., 1922, dl. 37); blz.
264 e.v.; 267, 272; J.M. Romein, a.w., blz. 243. Het bleef een geliefd
schoolboek, dat tot 1670 ‘minstens twintig malen is herdrukt’. Voor
Zeeland is vooral van belang een Fransche vertaling, die in 1616 bezorgd werd
door den Waalschen predikant van Middelburg, Ds Jérémie de Pours.
Na 1672 kwam een nieuwe ‘Spieghel der Jeucht’ of ‘Fransche
tyrannij’ (Zwammerdam, Bodegraven!) de Spaansche wreedheid als
schoollectuur aflossen. Nog is van belang op te merken, dat de oudste
‘Spieghel der Jeucht’ zakelijk geheel afhankelijk is van den
‘Morghenwecker der vrije Nederlantsche Provintien’, in 1612
verschenen van de hand van
Ds W. Baudartius. Hier gaat het gesprek tusschen den
‘Vrijen [Noord-] Nederlander’ en den ‘Ghespanioliseerden
[Zuid-] Nederlander. - De eerste druk van den ‘Spieghel der Jeucht’
is niet gepagineerd.
9)Baudartius' Memorien verschenen in eersten
druk in 1620 te Arnhem bij Jan Jansz., in tweeden druk bij denzelfde, 1624 deel
I, 1625 deel II. De eerste druk reikt echter niet verder dan 1619. Het jaar
1620 komt alleen voor op de laatste pagina, die anders, onzuinig genoeg, blank
gebleven zou zijn. Die tweede druk draagt ‘volgens kerkenordre’, op
Baudartius' verzoek de approbatie van de classis Zutphen. De classis heeft
‘gevisiteerd’, ‘also het meest theologische ende den
kerkenstant betreffende materijen zijn, die daer in verhandelt worden’.
Het zijn ‘jaarboeken’ (Boek I-III: kerkhistorische inleiding; Boek
IV: 1612; Boek V: 1613, enz.); het tweede deel begint met Boek XII (1620), en
bedoelde te loopen tot 1624, maar daar de druk vertraagd werd, voegde
Baudartius op verzoek van den drukker nog Boek XVI (1624) toe. Dit deel kan
onmogelijk vóór 27 Jan. 1625 verschenen zijn.
10)W.P.C. Knuttel, Catalogus van
de Pamflettenverzameling, berustende in de Koninklijke Bibliotheek, deel I
('s-Gravenhage, Landsdrukkerij; 1889). Daar het mij niet te doen is om een
complete analyse, bepaalde ik mij tot deze verzameling. Het heeft ook geen zin,
hier te gaan raden naar de talrijke mogelijkheden van informatie uit pamfletten
enz. voor die laatste bladzijden. Ik geloof niet, dat Valerius bij zijn werk de
Mercurii raadpleegde. Die ‘Roomsche’ bronnen van Michael ab Isselt
en zijn navolgers (zie W.F. de Jonge, De Mercurius Gallo-Belgicus, in Bijdr.
Vadl. Gesch. IIIe Reeks, deel 4, 1894, blz. 71-170), en Vermaseren a.w., blz.
94 e.v., 59 e.v., 107 e.v., zullen niet in zijn smaak gevallen zijn.
11)Voor den ‘Spieghel der Spaensche
tyrannye’, zie Breen, a.w., blz. 271, en Romein, a.w., blz. 238. Dit
boekje was een vervolg op ‘Spieghel der Spaenscher tyrannye in
West-Indien’ (1596), dat weer teruggaat op Las Casas en de ‘eygene
schribenten’, die niet alleen door Valerius, op blz. 12, maar overalin
deze litteratuur worden vermeld.
12)Voor verdere mogelijkheden verwijs ik naar
A.J.C. de Vrankrijker, De motiveering van onzen opstand. De theorieën van
het verzet der Nederlandsche opstandelingen tegen Spanje in de jaren 1568-1581
(Nijmegen enz., Dekker en v. d. Vegt; 1933 - Diss. Amsterdam). Ik teeken
hierbij aan, dat ook het werk van Ds Joannes Gysius, Oorsprong ende voortgang
der Nederlandschen beroerten ende ellendicheden (Leyden; H.Lz. v. Haestens;
1616) niets van dezen aard bevat. Tal van pamfletten met hoopgevenden titel
sloeg ik vergeefs na.
13)Hoewel ook J.F. le Petit, La grande
chronique ancienne et moderne de Hollande et de Zélande (Dordrecht, Jac.
Canin; 1601) niet een dergelijken ommetocht houdt, zijn aan dit werk wel
gegevens ontleenbaar. Het dichtst nadert nog Valerius Le Petits Nederlantsche
Republycke ... geconfereert ende vergeleken met die van de Swytsersche
cantoenen; Arnhem, Jan Jansz.; 1615; blz. 1-4; (Bourgondisch-Spaansch
verband).
14)Voor deze dateering, zie
Joannes de Laet, Jaerlyck Verhael, deel I, ed. S.P.
L'Honoré Naber ('s-Gravenhage, Nijhoff; 1931 - Werken
Linschoten-vereeniging, deel XXXIV); blz. 32 e.v.
15)Van Meteren, Historie, ed. 1614, fol. 671
verso: ‘Den Autheur, beminde Leser, hebbende even verhaelt de doot van so
vele ende machtighe Potentaten ende Heeren, die inden jare 1611 ende int begin
van 1612 af ghestorven waren ... is selve mede dien wech inghegaen, ende alle
zijn voorsaten ghevolcht, verlatende dese werelt ... binnen ... London op den
18. April 1612’.
16)Al deze gegevens dank ik aan S.P.
L'Honoré Naber en diens editie van De Laet, a.w., blz. 8, 10,
36.
17)Zie Cambridge Modern History, t. IV, Ch.
II, waar H.F. Brown de questie van het Veltlin in gewenschte uitvoerigheid en
duidelijkheid heeft uiteengezet. ‘The question of the Valtelline can
hardly be said to have assumed European importance till the year 1620’,
a.w., cheap edition 1934, p. 41.
18)Knuttel no 3009-no 3012 (1620), no 3130-no
3131 (1621), no 3292-no 3294 (1622), no 3400 (1623).
19)Vergelijk voor deze dateering de
aanteekeningen in den tekst, beneden blz. 209 en 223 voor Wezel, blz. 215 voor
Aken, blz. 218 en 222 voor de Hongaarsch-Boheemsche zaken. Het moet zoo laat
gedateerd worden, omdat de vermelding van Hongarije-Silezië en
Moravië wijst op Bethlen Gabor 1621-'22, die van de Palts en omliggende
landen op den strijd van Tilly in den zomer van 1622 (Wiesloch, Wimpfen,
Höchst); alles was hier af geloopen eind 1622. Daarentegen heeft blijkbaar
de overdracht van de keurwaardigheid aan Beieren (Jan.-Febr. 1623) nog niet
plaatsgehad. De zorg om een inval in ons land van uit Aken, Gulik en Wezel, in
verband met Tilly's triomfen spreekt nog uit blz. 248 ten jare
1623.
20)P.J. Meertens, beneden, blz. LXIX.
21)J. Bax, a.w., wijst blz. 66 op deze
plaats.
22)A. Komter-Kuipers, beneden blz. XLVIII. Ik
vergeleek de registers van Valerius en Starter in Coers' uitgaven Liederen van
Groot-Nederland, 1931 (Valerius), en 1936 (Starter). Vergelijk ook P.J.
Meertens, inleiding blz. VII, noot.
23)Starters Lusthof, a.w., blz.
170-171.
24)Zie noot 4 over Bors en Le Petits verwante
pogingen.
25)Ik meen, dat het hier niet de plaats is,
breed uiteen te zetten, dat Valerius' Gedenck-clanck den vakman veel te zeggen
heeft als historie-beeld van den tijdgenoot. De ongezeefde werkelijkheid van
het ‘beleven’ wordt hier verbonden met slordig gezeefde historische
kennis. Het proces der historische kennisvorming kan in zijn schamele
ontoereikendheid hier deugdelijk bestudeerd worden. Men vergelijke de
behartenswaardige beschouwingen van J.M. Romein, a.w., blz. 227-228. De lezer
van
Valerius zal allerlei verrassingen beleven. Het beeld
van den Prins is al geheel verbleekt. Maurits echter staat als autoriteit op
militair gebied stevig op zijn beide voeten. Oldenbarneveld is, uit
onlustgevoelens, overgeslagen. De auteur weet sommige dingen niet, die nu ieder
twaalfjarig schoolkind behoort te weten (vertrek van Granvelle, oprichting
V.O.C. enz.).
26)Wat mijn aandeel in de leesbaarmaking
aangaat, moge ik opmerken, dat de met † gemerkte noten van mijn hand
zijn. Zij werden ontleend aan de handboeken-litteratuur van Arend-Mees-Van
Rees-Van Vloten, - een onwaardeerlijk rijk, oud boek -, tot Gosses-Japikse,
Brugmans, Geyl, en Roosbroeck toe, Van de Jonghe tot Stapel en Mollema. Zij
zijn geschreven ter verduidelijking of ter preciseering van den tekst. De data
van Van Meteren voegde ik steeds, waar noodig, toe, zonder iederen datum te
controleeren. Telkens als ik even over iets moest nadenken bij het lezen, dacht
ik voor den toekomstigen lezer hardop. Het heeft geen zin, hier een
pretentieuse lijst van geraadpleegde werken neer te schrijven. Liever dank ik
Prof. Dr C.F.A. van Dam, Dr N. Japikse, Mejuffrouw H.H.P. Rijperman, Dr F.W.
Stapel, kapt. t. zee b.d. Prof. J.C.M. Warnsinck voor bereidwillig verstrekte
inlichtingen, telkens als ik er om vroeg. Mijn verplichtingen aan de
vaklitteratuur deed ik overigens in deze aanteekeningen af.
|
|