|
|
|
| |
| | | | | |

Anthonie Palamedesz: Musiceerend
gezelschap. (1632)
| | | | | |
De muziek-historische beteekenis van Valerius'
Gedenck-clanck
door A. Komter-Kuipers
In 1626 verscheen
Adrianus Valerius' Nederlandtsche Gedenck-clanck - het
merkwaardigste van de vele liedboeken uit onze Gouden Eeuw. In dit gedenkboek
weerspiegelen zich de geweldige gebeurtenissen, die vóór en
tijdens Valerius' leven het lot van de Nederlanden bepaalden: in de eerste
plaats de ongelijke, bloedige strijd van de dappere, kleine landen bij de zee
met Spanje - het machtigste rijk onder de zon -, en ten tweede (na 1579) de
geleidelijke overwinning met daarna de opkomst en bloei der Noordelijke
Nederlanden, die samenging met de stichting van ons groote koloniale rijk.
Het eigenaardige van dit sterk-levende gedenkboek is wel, dat
Valerius zijn historisch verhaal op zoovele manieren heeft afgewisseld: door
kleine gedichtjes, - door aanhalingen van bekende schrijvers, - door prenten en
bovenal door vele mooie liederen. Maar de meest typeerende bijzonderheid van
den Gedenck-clanck is wel het feit dat de inhoud (behalve 3 geuzenliederen, de
prenten en een deel van de luit-tabulatuur) bijna geheel van één
hand is, - iets dat in geen enkel ander liedboek op deze manier voorkomt.
Onder de teksten heeft Valerius nauwkeurig de - reeds bestaande -
wijzen genoteerd, waardoor een verzameling oude melodieën van groote
waarde voor ons bewaard is gebleven. Bovendien vindt men in het origineel onder
elk lied de bewerking hiervan voor de luit en de citer, genoteerd in de toen
gebruikelijke tabulatuur (muziek-notatie) voor die instrumenten. Verder geeft
Valerius bassen bij sommige liederen, een paar bewerkingen voor 3 luiten en
andere variaties. Dit alles geeft aan den Gedenck-clanck groote
muziek-historische beteekenis. In dezen herdruk is evenwel weggelaten de oude
luit- en citer-tabulatuur, die in het origineel een groote plaats inneemt. Deze
notatie is al meer dan 2 eeuwen in onbruik geraakt. Een paar uitgewerkte
voorbeelden van deze muziek vindt men echter verderop.
Om de muziek uit Valerius' Gedenck-clanck in het juiste licht te
bezien moeten we een beknopt overzicht geven van de muziek-beoefening in dien
tijd.
Tijdens Valerius' leven nam de muziek in de Nederlanden een
bijzondere plaats in. Men spreekt vaak zoo gemakkelijk over het verval van de
Nederlandsche muziek in de 17e eeuw, maar vergeet, dat het eerste kwart van die
eeuw op muzikaal gebied nog van bijzondere beteekenis is door de groote figuren
van
J.P. Sweelinck - beroemd tot ver buiten onze grenzen -
en
Corn. Schuyt. Deze waren de laatste vertegenwoordigers
van de beroemde Nederlandsche periode der contrapuntische vocale muziek, die
anderhalve eeuw lang toonaangevend was in Europa. Het waren voornamelijk
Zuid-Nederlandsche componisten, die aan deze polyphone muziek een zoo groote
vermaardheid gaven. In de Noordelijke Nederlanden kwam de bloei van deze muziek
wat later en culmineerde, tijdens Valerius' leven, in de werken | | | | der zooeven genoemde componisten:
Cornelis Schuyt (1557-1616) van Leiden en
Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621) te
Amsterdam.
De muziek vertoonde evenwel nog vele andere vormen dan die der
vrij ingewikkelde kerkelijke en wereldlijke contrapuntische muziek. In het
openbare leven vervulde zij een groote rol; in de steden werden organisten en
stadstrompers aangesteld door het stadsbestuur. Er vormden zich ook hier en
daar muziek-colleges, waar muziekliefhebbers geregeld met elkaar oefenden.
Een onmisbare factor in het dagelijksch leven was de eenvoudige
huismuziek, waarvan de ‘soete sangh’ het hoofdbestanddeel vormde.
Er was evenwel ook groote liefhebberij voor instrumentale muziek. De luit was
het meest geliefde instrument en men vond die in elke huiskamer. De muziek die
men zelf maakte nam toen een veel grooter plaats in dan tegenwoordig; muziek
hoorde al sinds lang bij een goede opvoeding. In beschaafd gezelschap werd
verwacht, dat men een aangeboden partij van een meerstemmig lied van het blad
kon zingen en eveneens dat men kon luitspelen. Ook het volk kende honderden
liedjes en danswijzen uit het hoofd; men nam die van elkaar over en speelde
daarbij op citer, vedel of fluit. Het muziekleven in huis was veel intensiever
dan tegenwoordig. Men ziet dat weerspiegeld in de vele schilderijen en prenten
uit dien tijd, waarop wij onze voorouders met overgave zien zingen, en spelen
op luit, fluit, gamba
1) of
virginaal
2). Er was geen
huiselijke of feestelijke bijeenkomst denkbaar zonder dat er gezamenlijk werd
gezongen uit aanwezige of meegebrachte liedboekjes, of uit stemboeken van
meerstemmige liedbundels. De dames namen meestal de liedboeken mee in hun
beugeltasch of in een klein spanen doosje. Vooral de kleine
‘mopsjes’ waren vaak juweeltjes, prachtig gebonden en soms gesloten
met een gedreven zilveren knip. Enkelen van het gezelschap bespeelden de luit,
anderen weer citer, fluit, gamba of clavichord
3) en zoo
werd dan een lied van
Bredero,
Camphuyzen,
Starter of
Valerius ten gehoore gebracht. Bij feestmaaltijden
moest iedereen een lied kunnen zingen.
Roemer Visscher zegt in zijn Tafelrecht: ‘Ten
minsten moet elck een Liedeken quelen’.
Het was een kleurig en fleurig muziekleven ondanks den invloed van
het Calvinisme, dat de vele wereldlijke liedjes veroordeelde. Maar de oude
bekende voyzen lieten zich niet uitroeien; men hoort telkens van herdrukken,
zij het dan ook dat soms de ‘oude leijssen op nieu dicht werden
gestelt’. Op alle politieke en historische gebeurtenissen werden liederen
gemaakt, soms losse pamfletten, maar ook liedbundels. De meerstemmigheid was
nog traditie en de meer ontwikkelden bepaalden zich niet alleen tot het
éénstemmige lied, maar zongen, elk met een stemboek
vóór zich, meerstemmige motetten, madrigalen of andere liederen,
zooals o.a. wordt bewezen door de vele herdrukken van het ‘Livre
Septiesme des chansons’
4) dat hier zeer geliefd was en
waarin men, onder meer, verschillende werken vindt van den Zuid-Nederlander
Créquillon, kapelmeester van
Karel V. Dat deze meerstemmige muziek bestemd was voor
den huiselijken kring bewijzen de ‘Prière devant le Repas’
en ‘Action des Grâces’ van
Jacob Clemens
5).
In de meeste liedboeken voor huiselijk gebruik uit Valerius' tijd
vinden we geen muziek. De wijzen zijn boven elk lied aange- | | | | geven door den beginregel van een ouder lied en niet door noten onder den
tekst; men veronderstelde dus dat iedereen die melodieën kon zingen. Het
pleit voor de muzikaliteit van onze voorouders, dat zij deze honderden voyzen
uit het hoofd kenden.
Er waren ook liedboeken mèt muziek, waarvan
Valerius'
Gedenck-clanck (1626),
Starters
Friesche Lusthof (1621) en
Camphuyzens
Stichtelijke Rijmen (1624) de meest bekende zijn. Door
deze en andere liedboeken zijn tallooze oude melodieën voor ons bewaard
gebleven.
De dichters uit Valerius' tijd kenden ook die vele melodieën
uit het hoofd.
Coornhert,
Roemer Visscher,
Bredero,
Hooft en onze latere 17e-eeuwsche dichters gaven bij
hun kleinere lyrische verzen altijd een wijze aan waarop men hun tekst kon
zingen. Van Bredero's verschillende liedboeken heeft enkel het
‘Boertigh Amoreus en Aandachtigh groot Liedtboek’
muziek.
Tegenwoordig wordt voor ons gevoel een gedicht er lang niet altijd
mooier op als elk couplet (en er waren er soms heel veel) telkens weer wordt
gezongen op dezelfde wijze. Bovendien pasten destijds tekst en melodie niet
altijd even goed bij elkaar; maar er zijn ook melodieën die het prachtig
bij den tekst doen, zooals Valerius ons bewijst. Men had toen blijkbaar best
geduld om veel coupletten achter elkaar te zingen; de mentaliteit was veel
naïever dan tegenwoordig en het leven was minder gehaast. De rederijkers
waren immers ook zoo lang van stof.
Een milieu, waar veel en serieus werd gemusiceerd, was de
Muiderkring, het brandpunt van ons litterair leven in de eerste helft der 17e
eeuw. In het Muiderslot ontving de dichter
P.C. Hooft - zooals bekend - vele letterkundigen en
geleerden. Maar ook musici - vakmusici zoowel als goede dilettanten - waren
daar zeer welkom, want Hooft was een hartstochtelijk muziekliefhebber. De
bloeitijd van den Muiderkring kwam na Hoofts tweede huwelijk in 1627, dus kort
na Valerius' dood. Maar de jeugd van Hooft,
Constantijn Huygens,
Anna en Tesselschade Roemer Visscher en anderen valt
samen met den middelbaren leeftijd van Valerius. Uit enkele aanhalingen in zijn
Gedenck-clanck blijkt dat Valerius de eerste werken van Hooft,
Anna Roemers en Huygens kende. Op het Muiderslot werd
van Hoofts eerste huwelijk af (1610) al gemusiceerd, want zijn vrouw,
Christina van Erp, was een klavecimbelleerlinge van
J.P. Sweelinck. Deze heeft Hooft en zijn jonge vrouw
daar wel bezocht, meestal in gezelschap van een anderen leerling,
Cornelis Plemp, een rechtsgeleerde. Verder kwamen
later in Muiden wel musiceeren:
Dirck Sweelinck, opvolger van zijn vader als organist
van de oude Kerk te Amsterdam, -
Joan Crabbe, organist te Delft,
Gerbrandt van Blanckenburg uit Gouda en jonker
Jacob van Eijck uit Utrecht, - beiden
organist en daarbij fluitist, -
Hendrik Jan Prins, organist te Medemblik -, verder
uitstekende dilettanten als
Tesselschade Roemer Visscher, de Antwerpsche
Francisca Duarte, de Haarlemsche priester
Joan Ban,
Brosterhuyzen en
Van der Burgh (beiden diplomaat, daarbij dichter) en -
last not least -
Constantijn Huygens. Deze was verreweg de beste
musicus uit de latere jaren van den Muiderkring. Hij was een voortreffelijk
zanger en luitspeler; zijn luit nam hij altijd mee op reis naar de
verschillende hoven, waar de diplomatie hem bracht. Tijdgenooten schreven, dat
zijn zang en spel den indruk maakten van groote bezieling. Hij componeerde zelf
ook; van zijn ± 800 composities zijn slechts 39 psalmen en liederen
bewaard gebleven, namelijk zijn ‘Pathodia sacra et profana’. Deze
hebben een (onuitgewerkte) bas voor de theorbe of basluit.
Constantijn Huygens heeft, evenals
Joan Ban, door zijn composities willen medewerken aan
het invoeren van den nieuwen, Italiaanschen liedvorm in Nederland. De basnoten
voor de luit, die men bij Huygens vindt, waren een uitvloeisel van de moderne
manier van musiceeren, die ± 1600 in Italië tegelijk met de
opera | | | | ontstond. De nieuwe stijl bracht mee een andere wijze van
begeleiden met accoorden, die door de bespelers van basluit, klavecimbel of
gamba werden opgebouwd uit die aangegeven basnoten. Van de vele kerktoonsoorten
had men er slechts twee overgehouden, n.l. de majeur- en mineurtoonladder,
zooals wij die nu nog kennen. Bovendien wilde men meer eenheid tusschen tekst
en muziek; dit werd door Huygens dan ook in zijn liederen toegepast. Deze
nieuwe muziek was evenwel geen volksmuziek meer, zooals de vele oude liedjes,
die iedereen kende; ze was het privilege van de beter gesitueerden en werd
daardoor de oorzaak dat het volkseigene in de muziek verloren ging.
Het is hier niet de plaats om verder in te gaan op het musiceeren
in den Muiderkring. Alleen op Huygens' liederen komen we straks nog even terug
met betrekking tot Valerius' luitmuziek.
Ook buitenshuis hoorde men allerlei muziek. Daar waren b.v. in de
steden de stadsmuzikanten of ‘schalmeispeelders’. Deze werden
(zooals gezegd) aangesteld door de stedelijke overheid; zij waren verplicht op
bepaalde uren te spelen op de trappen of voor de ramen van het stadhuis of de
Waag en moesten ook geregeld ‘van den toren blaesen’, - dit alles
tot vermaak van de burgers en ook ‘tot bevordering van het
vreemdelingenverkeer’. Allerlei feesten werden opgeluisterd door deze
stadspijpers; zij speelden bij plechtige inkomsten van vorstelijke personen, -
bij schuttersoptochten, - bij de feestelijke maaltijden der vroede vaderen, en
ook weleens bij orgeluitvoeringen in de kerk. De stadstrompers waren goed
onderlegde musici. Vele uitstekende organisten bespeelden één of
meer blaasinstrumenten en behoorden bij de stadsmuzikanten.
Een publiek vermaak waren ook de muziekherbergen, die men in de
steden vond. Hier werden de liedjes van de speellieden afgewisseld door muziek
van luiten, fluiten, violen en kornetten. Voor de muziekliefhebbers lagen daar
verschillende instrumenten ter beschikking.
Bredero hield dol veel van de Amsterdamsche
muziektaveernen. Hij schreef: ‘'t gaet er so ondeuchdelijcke moy; - je
soudt wilt worden, als gij 't hoort’. Welke melodieën er al zoo in
die herbergen werden gespeeld en gezongen kan men zich voorstellen bij het
doorspelen van de verzameling ‘Oude en nieuwe Hollandsche Boerenlietjes
en Contradansen’, die ± 1700 te Amsterdam is gedrukt en die 996
melodieën bevat uit de 16e en 17e eeuw.
Zooals reeds is gezegd was er veel liefhebberij voor
muziek-colleges, waarvan de leden op vaste tijden bijeenkwamen om te
musiceeren. Zij zongen daar meerstemmige werken van Nederlandsche en
buitenlandsche componisten en bespeelden ook verschillende soorten van de luit,
fluit, gamba, viola en soms een klavecimbel, zooals o.a. blijkt uit de
nagelaten inventaris van het Leeuwarder muziek-college. Bij voorstellingen en
feestelijke ontvangsten werkten de muziek-colleges wel samen met de
plaatselijke rederijkerskamers. Zoo vindt men in Starters Frieschen Lusthof een
‘Wellecomst-Liet’ gezongen in 1617 bij een intocht van
Stadhouder Willem Lodewijk binnen
Leeuwarden. Dit lied is opgedragen aan de Leeuwarder rederijkers
en deze zongen (waarschijnlijk in combinatie met het muziek-college):
‘Daer wij met Sangen Vol blijtschap U ontfangen’ etc.
Tijdens Valerius' leven waren er muziek-colleges te
Arnhem, Leeuwarden, Amsterdam en
Deventer; later o.a. in Nijmegen,
Utrecht, Groningen en Alkmaar.
De voornaamste musicus van een stad was destijds de organist, die
meestal uitstekend onderlegd was. Deze werd aangesteld door het stadsbestuur op
voorwaarde, dat hij op geregelde tijden orgelbespelingen in de kerk zou houden.
Met den eigenlijken kerkdienst had de organist echter niets te maken; het
orgelspel als onderdeel van dezen dienst was zelfs verboden. In de 2e helft van
de 16e eeuw was de zoogenaamde ‘orgelstrijd’ ont- | | | | staan, die zich in de 17e eeuw voortzette, - soms op zeer heftige wijze.
Het verbod van orgelspel tijdens den kerkdienst was één uit de
reeks van vele besluiten, - genomen door kerkelijke synoden, - waardoor de
Calvinisten verschillende kunstzinnige (soms weleens lichtzinnige)
levensuitingen wilden verdrijven.
In Valerius' tijd was alléén het
éénstemmig, onbegeleid psalmgezang in de kerk toegestaan.
Gelukkig stond er tegenover de synodes menig stadsbestuur, dat het zich tot een
cultureele verplichting rekende geregeld orgelbespelingen voor de burgerij te
laten geven door den stadsorganist. Onze groote
J.P. Sweelinck had als organist met den dienst in de
Oude Kerk te Amsterdam niets te maken, maar gaf orgelconcerten,
die druk bezocht werden evenals later die van zijn zoon Dirck, wiens
‘verquickende avontklancken’ door
Vondel in een gedicht worden geprezen. Het
stadsbestuur van Leiden was blijkbaar sterk overtuigd van den veredelenden
invloed, die de orgelbespelingen van Cornelis Schuyt op de burgers uitoefenden,
want in een ordonantie staat dat dit orgelspel mede dient om de menschen
‘temeer uyt herbergen ende tavernen’ te houden. In verschillende
steden waren geregeld orgelbespelingen; dit is o.a. bekend van Amsterdam,
Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft, Deventer, Alkmaar, Utrecht, Groningen,
Leeuwarden en Franeker.
Hoewel het Calvinisme sterk remmend werkte op verschillende
kunstuitingen, werd door de orgelbespelingen in de kerken - buiten den dienst
om - de ontwikkeling van de orgelmuziek weer bevorderd, vooral door de
orgelwerken van
J.P. Sweelinck.
De stadsorganisten waren soms ook tegelijk klokkenist. Toen er
langzamerhand, naar het voorbeeld van Vlaanderen, overal in Noord-Nederland
carillons kwamen in kerk- of stadhuistorens moesten de organisten dikwijls het
carillon leeren bedienen en de speeltrommels kunnen ‘versteken’. Er
was veel variatie in het carillon-repertoire; naar gelang van het jaargetijde
liet dit toepasselijke melodieën hooren.
Ons nationaal karakter neigde destijds het meest naar intieme
huismuziek. Men zocht de gezelligheid in eigen woning en de vele liedboeken uit
dien tijd zijn ook te verklaren uit deze neiging naar huiselijk musiceeren. Het
zou ons te ver voeren om hier dieper in te gaan op de talrijke liedboeken uit
de 16e en 17e eeuw. Bij de geestelijke liedbundels namen de psalmboeken een
voorname plaats in; verder vindt men naast vele protestante geestelijke
liederen (die van
Camphuyzen waren o.a. zeer geliefd) ook
roomsch-katholieke bundels (b. v. die van
Stalpert van der Wielen). Men zong verder minne- en
drinkliedjes, Mei- en Kerstliederen, ambachtsliedjes en politieke liederen
(zooals de geuzenliederen en die van Valerius' Gedenck-clanck). Er kwamen ook
vele aparte liederen uit bij historische gebeurtenissen, - vaak als bijschrift
bij een prent.
Uit al deze uitgaven blijkt de groote plaats, die het lied innam
in het leven van onze voorouders. Ondanks de verschillende instrumenten die men
bespeelde, heerschte de zang nog oppermachtig.
Met betrekking tot de andere liedboeken uit dien tijd kan men
Valerius' Gedenck-clanck - wat de liedteksten betreft - het beste vergelijken
met de geuzenliederen. Valerius' verzen zijn echter over het algemeen veel
beter. De geuzenliederen zijn meer volksliedjes; daardoor hebben ze vaak een
eigen karakter en bekoring, maar men vindt hier naast echte volkspoëzie
ook veel kreupelrijmen. Ze zijn dikwijls door de geuzen zelf gemaakt, -
mogelijk ook wel door een liedjeszanger of een rederijker, - en lang niet
altijd passen de teksten goed op de voyzen. Deze laatste zijn evenwel
belangrijk, omdat ze voor het grootste deel van Nederlandschen oorsprong zijn;
het zijn wijzen, die het volk allang kende en waarvoor men dus in de
Geuzenliedboeken geen | | | | melodie behoefde
af te drukken. Valerius richt zich met de luit-tabulatuur van zijn ‘nieue
liedekens’ tot de gegoede standen; hij heeft zijn eenvoudige citer-muziek
blijkbaar meer voor de kleine burgerij bedoeld. De liederen van den
Gedenck-clanck hebben over het algemeen veel minder coupletten dan de
Geuzen-liederen, die er soms ongeloofelijk veel hebben - tot 35 toe. De
Gedenck-clanck bevat zelfs 4 liederen van één couplet.
Valerius moet als jonge man in Vere wel contact
hebben gehad met de Zeeuwsche Watergeuzen. In zijn liedboek heeft hij echter
maar drie geuzenliederen overgenomen, n.l. het
Wilhelmus, ‘Maximiljanus de
Bossu’ en ‘Hoort allegaer Hoe datmen
klaer’, dat gemaakt is op de bevrijding van
Walcheren.
Bij Valerius vindt men nog geen 5% terug van de ruim 160
verschillende melodieën der geuzenliedboeken. Wat strekking betreft hebben
Valerius' verzen veel overeenkomst met de Geuzenliederen, want zij zijn behalve
anti-Spaansch dikwijls ook anti-katholiek. Valerius is evenwel veel gematigder.
Hij bekeek de gebeurtenissen van een streng-protestant oogpunt - dus eenzijdig
- en hij toont zich in zijn liederen een product van zijn omgeving en zijn
tijd. Het ging sinds de reformatie, wat het geloof betreft, nog altijd hard
tegen hard, vooral in de tweede helft van de 16e eeuw. Zoo ging het ook in den
oorlog, want tegenover de gruweldaden van de Spanjaarden, die onder
Bossu Rotterdam uitmoordden, stond de
wreedheid van den Geuzenadmiraal
Lumeij. In den Gedenck-clanck schrijft Valerius,
sprekende over een zeeslag, waar de geuzen de overwonnen Spanjaarden in zee
wierpen, met grimmigen humor: Wij leerden hun de Courante
‘overboord’, - dit wreede spel dus vergelijkend met een dans. Van
beide kanten gaf men geen kwartier en in vele kringen laaide de geloofsstrijd
telkens weer op. Er zijn in dien tijd evenwel ook voorbeelden van groote
wederzijdsche verdraagzaamheid. Men vond die vooral in de meer ontwikkelde
kringen en in die der kunstenaars en geleerden. Door de gemeenschappelijke
belangstelling in kunst en wetenschap vielen de geloofsverschillen weg; men
voelde dat men gezamenlijk de cultuur van de nieuwe republiek opbouwde. Zoo was
ook de Muiderkring een voorbeeld van verdraagzaamheid.
P.C. Hooft ontving daar verschillende katholieke
vrienden, zooals
Cornelis Plemp, den priester
Joan Ban, de later roomsch geworden Tesselschade en
anderen.
Valerius wordt in zijn liederen geïnspireerd door zijn
geloof; hij is hiervan geheel vervuld. Vele van zijn vrome teksten spreken
evenwel tot iedereen, zooals ‘O Heer, die daer des Hemels tente
spreyt’, ‘Wilt heden Nu treden Voor God den Heere’ en vele
andere verzen.
Starters
Friesche Lusthof (1621), het liedboek dat, wat de
melodieën aangaat, het beste met den Gedenck-clanck kan worden vergeleken,
vertoont in zijn teksten een geheel verschillend karakter, want behalve enkele
ernstiger liederen bevat dit liedboek voornamelijk minne- en drinkliedjes. Deze
beide liedboeken hebben evenwel een 25-tal melodieën gemeen. Vergelijkt
men daarentegen den Gedenck-clanck met andere liedbundels, zooals b. v. die van
Bredero, - die veel meer oud-Nederlandsche voyzen
gebruikte, - dan is er maar zeer weinig overeenkomst wat de wijzen betreft. In
vergelijking met het liedboek van een anderen Zeeuw, den ‘Druyventros der
Amoureusheyt’ van
Lenaerts van der Goes uit 1602, vindt men slechts een
paar eendere wijzen, o.a. ‘Come again’ van John Dowland, en
‘Soet, soet Robbertgen’.
Uit de groote overeenkomst van de melodieën bij den Frieschen
Lusthof en die van den Gedenck-clanck zou men kunnen concludeeren, dat Valerius
Starters liederen heeft gekend, - al verscheen diens liedboek eerst 4 jaar
vóór Valerius' dood. Maar verschillende liederen van
Starter waren vóór 1621 al
gepubli- | | | | ceerd. In ‘Apollo of Ghesang der Muzen’ (Amst.
1615) is opgenomen ‘Snachts doen een blauw gestarde kleet’ en in
‘'t Vermaec der Ieughd’ (Franeker 1616) kwamen 14 liederen van
Starter voor, waarvan men de wijzen bijna alle bij Valerius terugvindt - hier
en daar zelfs aangeduid door beginregels van Starters verzen (‘'s Nachts
doen een blauw gestarde kleet’ - ‘Datmen eens van drincken
spraeck’ - ‘O Angenietje’). Het lijkt mij waarschijnlijk, dat
de Zeeuwsche notaris voyzen van den Leeuwarder dichter heeft overgenomen
6).
Bij het beschouwen van de door
Valerius gebruikte melodieën valt het direct op,
dat deze voor het overgroote deel van buitenlandsche afkomst zijn. De
Nederlandsche wijzen zijn geheel in de verdrukking geraakt; op een totaal van
76 liederen geeft Valerius 14 Nederlandsche ‘stemmen’ aan, waarvan
eenige nog weer van buitenlandsche origine blijken te zijn
7). Voor het grootste deel heeft hij
Fransche en Engelsche voyzen aangegeven en verder nog eenige Italiaansche en
Duitsche wijzen. Men heeft het achterna zeer betreurd, dat Valerius zoo weinig
oude vaderlandsche melodieën heeft gebruikt. Maar de invloed van de
Renaissance in de muziek had hier tot gevolg, dat men die graag een
buitenlandsch cachet gaf. Door de keuze van zijn melodieën kwam Valerius
tegemoet aan den smaak van het publiek en daar Vere destijds vele Fransche en
Engelsche inwoners had en bovendien een druk scheepvaartverkeer op Schotland en
Frankrijk, is het geen wonder, dat Valerius daarvan den invloed onderging. Vere
had destijds werkelijk internationale allures.
De Nederlanden ondergingen trouwens al sinds de 15e eeuw muzikale
invloeden van buiten. Klein als zij waren konden zij daaraan ook moeilijk
ontkomen. In den oorlog met Spanje waren zij het tooneel van den strijd, en de
krijgsbenden van leger en vloot bestonden voor een groot deel uit allerlei
buitenlanders. Ook waren de Nederlanden een pleisterplaats voor doortrekkende
reizigers. Door het levendig scheepvaartverkeer, vooral met Engeland, was het
geen wonder, dat de wijzen van soldaten- en zeemansliedjes hier werden
overgenomen. Omgekeerd vindt men in Engeland de sporen van Nederlandsche
liedjes en gezegden, o.a. in enkele tooneelstukken. In
Shakespeare's ‘Winter's tale’ komt de
melodie ‘Hanskin’ voor, evenals in het Fitz-William Virginal-Book
8).
Dit is het wijsje ‘Hansken is so frayen gesel’, dat in Nederland
zeer populair was.
Vele melodieën waren toen internationaal; men treft ze in
Fransche, Duitsche, Engelsche en Nederlandsche liedboeken aan. De wijze
‘Est ce (Mars) le grand Dieu des alarmes’ (het bekende: Wie gaat
mee over zee, Hou je roer recht) staat bij Valerius aangegeven bij de Fransche
stemmen, maar het is de melodie van een nòg ouder Engelsch zeemansliedje
‘The new Sa-Hoo’.
De Fransche invloed op de Nederlandsche zangwijzen dateert al uit
den tijd van het Bourgondische huis. De Vlaamsche steden beleefden toen een
tijdperk van groote welvaart. De algemeene bloei manifesteerde zich ook in de
muziek en het is geen wonder dat de Fransche voyzen hun weg vonden naar de
Nederlanden.
In de 16e en 17e eeuw studeerden vele jonge Nederlanders aan
Fransche universiteiten en brachten Fransche liederen en luitmuziek mee terug.
In het album amicorum van den bekenden 16e-eeuwschen luitmeester
Morel te Orléans stonden vele zinspreuken en
teekeningen van Nederlandsche studenten, die bij hem luitles hadden
genomen. | | | |
Bovendien kwamen er in de 16e eeuw duizenden
réfugié's naar de Noordelijke Nederlanden, - niet alleen uit
Frankrijk, maar ook uit Zuid-Nederland.
In Zeeland was men wat de muziek betreft allicht Zuidelijk
georiënteerd. Het verkeer met Antwerpen was gemakkelijk en
van deze stad met haar enthousiaste muziekbeoefening, haar vele drukkers van
lied- en luitboeken en bekende instrumentmakers ging natuurlijk een sterken
invloed uit op de Zeeuwsche steden.
Het zou ons te ver voeren om de afkomst na te gaan van alle
melodieën, die Valerius in zijn Gedenck-clanck heeft gebruikt. Wij moeten
ons dus tot enkele bijzonderheden bepalen.
Bij de ‘stemmen’ in den Gedenck-clanck treffen ons de
vele danswijzen, meest van Fransche afkomst. Valerius geeft als melodieën
aan: Pavanes, Courantes, Almanden, Gaillardes, Branles, Balletten, een
Bourrée (La Borée), la Morisque, etc. De oude dansen werden
evengoed gezongen als gespeeld; dit was een heel oud gebruik. Men maakte
vóór 1600 en nog lang daarna weinig onderscheid tusschen vocale
en instrumentale muziek. Er stond bij vele bundels vermeld: ‘om te
singhen oft te spelen’.
Frankrijk gaf sinds lang den toon aan, wat den dans betreft. Men
stelde er in de Nederlanden en ook in Engeland een eer in op de Fransche manier
en op Fransche melodieën te dansen, - al liet Shakespeare in zijn
tooneelstukken spottend spreken over ‘French fiddles, songs and
dances’. De oudere Engelsche danswijzen hebben soms weer een Franschen
oorsprong. Valerius' voyzen voeren ons hier en daar terug naar Fransche
hofkringen, zooals de ‘Almande Monsieur’
9) en ‘La Dolphinée’ (in andere bundel
s‘La Daulphine’). Deze laatste wijze werd door verschillende onzer
dichters gebruikt, o.a. door
Starter en
Vondel. Het is een aardige, wiegende melodie, die goed
past bij Valerius' spottenden tekst, waarin Alva als vogelvanger wordt
voorgesteld (blz. 56). Bij de dansmelodieën geeft Valerius enkele Pavanes
aan: de Duitsche ‘Pavane Medelyn’; verder de Pavane Philippi, de
Pavane Lachrime en de Pavane d'Espagne, - alle drie van Engelsche herkomst.
Valerius gebruikt dus geen Fransche Pavanes, hoewel die destijds in de
Nederlanden zeer geliefd waren. De Pavane was een langzame statige dans van
aristocratische allure; vorsten droegen hierbij ‘grand manteau et robes
de parade’; de edellieden baret en degen. Meestal werd de Pavane gevolgd
door een vluggere Gaillarde; deze bestond uit 3, de Pavane uit 4 maatdeelen.
Valerius geeft ook eenige Gaillardes als liedwijze aan, o.a. de
‘Gaillarde Maurice’ bij het lied over den aanslag op het leven van
Prins Maurits (blz. 241). Deze Gaillarde heeft nog een anderen titel:
‘Waer mach myn herteken wesen’, en is dus blijkbaar niet speciaal
voor den prins gemaakt, naar het voorbeeld der vele buitenlandsche
‘lijfdeunen’: Mrs. Mary Hofmans Almand; Almande Prins de Parma;
Almande Monsieur; The King's hunting Jigg, enz. Bij het lied op de afzwering
van Filips II gebruikt Valerius een Antwerpsche Passamezzo (Paszemeze d'Anvers)
waarvan de beweging tweemaal zoo vlug is als die van de Pavane.
Bij de Courantes treffen ons de ‘Courante
Françoyse’, een charmante melodie, die men ook bij Starter en
Vondel vindt (blz. 255). Verder geeft Valerius o.a. nog aan een ‘Fransche
Courante’ of ‘De Mey die komt ons by seer bly’ (blz. 267).
Deze frissche, naïeve melodie was een van de in Nederland meest geliefde
Meiliedjes en stond op vele carillons. Nog heden kan men in Mei dit liedje
hooren klinken van het kerk-carillon te Gouda.
Valerius heeft de muzikale beteekenis van de door hem gekozen
melodieën goed aangevoeld. Zijn verzen geven aan de danswijzen vaak een
dieperen zin. Hij gebruikt ook verschillende Allemandes als
‘stemme’. De Allemande, een oude Duitsche dans, was hier zeer in
trek. Valerius' ‘Almande Guerre, guerre | | | | gay’ past mooi
bij het lied op het ontzet van Leiden (blz. 86). De ‘Kits Almande’,
die is aangegeven bij de ‘Almanden’ (tafel blz. 4), gebruikt
Valerius bij het danklied na den slag bij Nieuwpoort (blz. 180). Starter geeft
deze(instrumentaal gedachte)melodie aan bij zijn gedicht op de verovering van
Bergen op Zoom.
Ook bij de verschillende Fransche en Italiaansche
‘Balletten’ vinden wij kostelijke voyzen. Bij ‘O Heemskerck!
noyt u kloecke daet Uyt ons gedachten gaet’, het lied op Heemskercks
overwinning bij Gibraltar, is de ‘Ballet’-wijze uitstekend gekozen.
Het rhythme van de oude melodie klinkt overtuigend bij Valerius' gedicht.
‘Ballet’ beteekent hier: danslied.
De wijze ‘La Morisque’ is eveneens een danslied. De
Morisques (origineel een Moorendans, die werd gedanst door een man met
zwartgemaakt gezicht en versierd met linten en rinkelende bellen) zijn de
oorsprong van de Engelsche Morris-dansen, die tegenwoordig ook in Nederland
weer gedanst worden.
Valerius kiest bij zijn liederen verder nog vele bekoorlijke
Fransche voyzen. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de afkomst van al
deze melodieën. Bij het loflied op de Pacificatie van Gent neemt Valerius
de bekende charmante Brunette: ‘Quand la bergère’; verder is
o.a. ook de fiere, krachtige melodie van het vermanende ‘O Nederland! let
op u saeck’ (blz. 99) van Fransche afkomst, hoewel deze is opgenomen (als
‘'s Nachts doen een blauw gestarde kleet’) bij de Nederlandsche
wijzen.
Valerius heeft ook de melodie van het Wilhelmus aangegeven bij de
Nederlandsche stemmen; deze is echter voortgekomen uit een Fransche wijze. Het
Wilhelmus is een van de drie liederen, die Valerius heeft overgenomen uit de
Geuzenliedboeken. In alle bundels hiervan komt het
voor en het blijkt dus een echt volkslied te zijn geweest; de melodie is
afgeleid van een ouder lied, dat gezongen werd bij het beleg van Chartres in
1568 en werd dan ook meestal aangeduid als ‘de wijze van Chartres’.
De eerste maten hiervan zijn waarschijnlijk weer ontstaan uit een
trompetsignaal. Er bestonden verschillende notaties van deze oude melodie, maar
die van Valerius verschilt nogal veel van de oudst bekende. Over de wijze van
Valerius is veel geschrijf geweest; verschillende musicologen betreurden het,
dat Valerius deze melodie in een veranderden vorm neerschreef. Mijns inziens is
dit evenwel een verandering ten goede. Het gaat hier niet om de vroegste, maar
wèl om de mooiste wijze van dit lied, en dat is die van Valerius
ongetwijfeld. Een volkswijze als het
Wilhelmus is een levend iets; de melodie werd
mondeling overgenomen door verschillende geslachten en ons volkskarakter
bepaalde ten slotte ook het karakter van deze melodie. Zulk een volkslied
evolueert met de tijden mee. Het Wilhelmus was ook in het buitenland populair.
In 1582 verschenen er Fransche en Duitsche vertalingen van. De melodie was als
zangwijze zeer geliefd; in de meeste 17e-en 18e-eeuwsche liedboeken vindt men
deze als wijsaanduiding; zij werd ook veel gebruikt als danswijze.
Toen in 1579
Prins Willem van Oranje te Antwerpen per
schip feestelijk werd ingehaald, speelden de stadsmuzikanten op de voorplecht
het Wilhelmus: ‘Op 't voorcasteel van den voorschreven schepe stonden die
stadt-spelieden op schalmeijen ende cornetten soo lustich en spe(e)lden oock
het liedeken van sijn Excellentie met vijf partijen’ (dus
vijfstemmig).
De meeste oude notaties van het Wilhelmus verschillen nogal wat
met die van Valerius. Of deze het lied op die manier heeft hooren zingen of dat
hij zelf kleine veranderingen hierin aanbracht weten wij niet. Hoofdzaak is,
dat het in Valerius' mooie notatie ons Nederlandsche volkslied is geworden. Men
wordt altijd weer getroffen door die fiere, statige melodie met haar wisselende
maat en ik wil hier even aanhalen wat de Zuid-Nederlander
Flor. van Duyse in 1896 schreef naar aanleiding van
ons tegenwoordig volkslied: ‘Door het met Oranje's geest bezielde | | | | Nederlandsche volk, dat hierin zelf de groote componist was, werd het
oude ‘lied van Chartres’ tot Wilhelmus-melodie omgeschapen. Waar
wij deze te hooren krijgen rijst onmiddellijk des grooten Zwijgers beeld voor
onze oogen, zooals hij daar leed en streed voor de vrijheid en
onafhankelijkheid des Vaderlands. Het Wilhelmus verpersoonlijkt Nederland en
Oranje en zal steeds, zoowel wat de melodie als de woorden aangaat, een sieraad
blijven voor onzen ouden liederschat’
10).
De Engelsche invloed op de zangwijzen van Valerius is nog sterker
dan de Fransche
11). Onder de regeering
van
koningin Elizabeth stond de muziekbeoefening in
Engeland op een zeer hoog peil. Bij een goede opvoeding hoorde daar in de
eerste plaats de muziek en men zou zich schamen als men een partij van een
madrigaal of ander meerstemmig lied niet van het blad kon meezingen. Maar ook
het volk zong naast vele ambachtsliederen meerstemmige canons of
‘catches’.
Shakespeare is absoluut historisch als hij schrijft,
dat één marskramer en twee boerenmeisjes samen een 3-stemmige
catch kunnen zingen.
Naast den zang beoefende men het instrumentale spel. Voor het
virginaal, een klein klaviertje, dat bijzonder geliefd was, werd speciale
muziek gecomponeerd. Ook de luit was in Engeland zeer populair en hiervoor werd
eveneens veel gecomponeerd, o.a. door den beroemden
John Dowland, van wien Valerius heeft overgenomen de
melodie ‘Come again’
12) uit het 1st Book of Ayres (1597) en de Pavane
Lachrime
13) (1605) uit ‘Seven Teares’ (zeven Pavanes,
oorspronkelijk geschreven voor 4 luiten of strijkers).

In plaats van ‘tot's Lants behoet’ zingt
men nu de variant ‘tot in den doet’.
Naast virginaal en luit werd de citer in Engeland ook veel
bespeeld; in de barbierswinkels lagen deze instrumenten klaar voor de klanten
om er zich onder het wachten den tijd mee te | | | | korten. Bij
Shakespeare wordt gesproken over: a cittern that is
common to all men.

Van vroeger tijd dateeren al de vele Engelsche matrozenliedjes,
die hier door het drukke handelsverkeer gauw werden overgenomen; ook de
Engelsche soldaten in Nederlandschen dienst brachten hun liederen hierheen.
Bovendien kwamen hier veel Engelsche kooplui, studenten en verder verdreven
dissenters. Vere had, zooals gezegd, sinds lang een belangrijk aandeel in | | | |

Judith Leyster: Luitspeler.
| | | | het binnen- en buitenlandsche
scheepvaartverkeer en Valerius zal door zijn werkkring stellig veel Engelschen
hebben ontmoet. Valerius heeft ook in de keuze van zijn Engelsche voyzen blijk
gegeven van fijnen muzikalen smaak. Soms is het zelfs alsof de wijzen bij den
tekst zijn gemaakt in plaats van omgekeerd. Een voorbeeld hiervan is de
‘Gallarde Suit Margriet’ (Gaillard Sweet Margaret), die Valerius
als melodie aangeeft bij het ontroerende lied: ‘O Heer, die daer des
Hemels tente spreyt’. Dit werd door Valerius geschreven als danklied voor
de aangeboden hulp van koningin Elizabeth in 1585. De eenvoudige gedragen
melodie en de vrome tekst vormen hier een buitengewoon treffend geheel. Het is
een der hoogtepunten uit den Gedenck-clanck, evenals het plechtige: ‘Wilt
heden Nu treden Voor God den Heere’, een Nederlandsche melodie.

Jan Steen: De Muziekmeester. Klavecimbel,
op den achtergrond luit.
Vers en voys gaan ook kostelijk samen in het bekende: ‘Merck
toch hoe sterck’, geschreven na het beleg van Bergen op Zoom
in 1622. De fiere melodie krijgt hier een dreigend en dreunend rhythme door den
krachtigen tekst met zijn prachtige binnenrijmen. Het is een geïnspireerd
en sterk volkslied. De oudst bekende Engelsche tekst hiervan begint met de
woorden: ‘What if an houre or a moneth (monthe) or a daye’. Het
schijnt evenwel een nòg ouder Engelsch zeemanslied te zijn geweest.
Waarom Valerius deze wijze ‘Comedianten dans’ noemt is onbekend.
Fl. van Duyse veronderstelt dat deze is overgenomen
van de Engelsche komedianten, die in 1611 gedurende geruimen tijd
voorstellingen gaven te Amsterdam, en dat die voys daarna hier is
ingeburgerd.
In dien tijd waren er bepaalde droevige wijzen, die bij
treurliederen werden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de zeer oude klagende
voys ‘Com Sheapherders deck your heds’ (blz. 220) die Valerius
gebruikt bij de verovering van Bohemen.
Starter geeft in zijn
Frieschen Lusthof deze voys aan bij het lied op den
dood van stadhouder
Willem Lodewijk van Nassau. Verder werd de beroemde
‘Pavane Lachrimae’ van
John Dowland eveneens voor droevige teksten gebruikt.
Valerius geeft deze melodie aan bij het treurdicht over den moord op koning
Hendrik IV door
Ravaillac. Men vindt deze wijze verder o.a. nog terug
bij Camphuyzen en in het luitboek van
Thysius (het geschreven luitrepertoire van een Leidschen
luitenist uit ± 1600). De Pavane Lachrimae is voor orgel of klavecimbel
bewerkt door
J.P. Sweelinck. Deze componeerde ook variaties op de
bekende Engelsche voys ‘Fortune’. Valerius gebruikt deze wijze voor
het aandoenlijke lied op den dood van
Willem den Zwijger: ‘Stort tranen uyt, schreyt
luyde! weent en treurt’ (blz. 134). De oude wijze komt hier mooi bij
Valerius' innig gevoelden tekst over het verlies van den Vader van het
verdrukte Nederlandsche volk, - van hem, die evenals de zon ‘ons licht te
wesen plag’. Men vond deze Engelsche melodie in de meeste Nederlandsche
liedboeken. Het is evenwel niet dezelfde voys, die men vindt aangeduid als
‘Fortuyn eylaes bedroeft’; Valerius noemt haar dan ook
‘d'Engelsche Fortuyn’.
Van de wijze ‘Engels Farwel’, die Valerius gebruikt
voor het klaaglied ‘Almachtig God’ en die men ook vindt bij
Starter en
Camphuyzen, heeft
Jaques Vredeman, muziek-meester der stad
Leeuwarden, een 4-stemmige bewerking gemaakt
14). Van de ‘Pavane
d'Espagne’ geeft Valerius een zetting voor drie luiten. Deze - toen zeer
bekende - Pavane (van Engelsche herkomst) is o.a. door
Bredero als liedwijze gebruikt en door J.P. Sweelinck
bewerkt voor orgel of klavecimbel. Men ziet dus hoe algemeen verspreid deze
Engelsche melodieën waren.
De Pavane Philippi, die Valerius ook als ‘stemme’
kiest, staat | | | | niet in betrekking tot Filips II, maar is gecomponeerd
of bewerkt door den virginalist Peter Philips in 1580. Bij dit merkwaardige
klaaglied (‘Als God syn volck besoeckt met harde straf’ blz. 138)
geeft Valerius een eigenaardige indeeling van de woorden op de muziek, die niet
overal goed klinkt. In Coers' uitgave van den Gedenck-clanck (Liederen van
Groot-Nederland, 1931) is de maatverdeeling beter zingbaar, - maar de
baspartij, die Valerius erbij aangeeft, klopt enkel met Valerius' notatie.
Boven ‘Geluckig is het Land’, dat Valerius schreef naar aanleiding
van de verovering van verschillende steden door prins Maurits, staat de wijze
‘Op de Engelsche Min’ aangegeven. Dit is een voorbeeld van een
frissche, opgewekte melodie, die uitstekend bij den tekst past. Ook de
luit-tabulatuur hiervan is bijzonder aardig.

Bij het klaaglied om de verovering van Maastricht geeft Valerius
als wijze aan: Engels Bara vastres drom. Volgens van Duyse is dit een
verbastering van ‘Bara Faustus' dreame.’ Voor het spotlied op
Alva's standbeeld, dat deze in 1569 te Antwerpen had laten oprichten (volgens
Valerius was Alva hier voorgesteld staande op een groep Nederlanders, waarvan
de ledematen waren afgehouwen), gebruikt Valerius de bekende ‘Cobbler's
Jig’, dus den dans van de schoenlappers. Dit ‘Engels | | | | Lapperken’, een frissche aardige wijze, was hier allang
populair.
Italiaansche wijzen zijn er maar weinig in den Gedenck-clanck.
‘Sei tanto gratioso’ was vóór 1600 al bekend.
Bredero gebruikt deze voys o.a. voor het
afscheidslied, waarin hij zijn geliefde vaarwel zegt, als zij op reis gaat met
het ‘bruyne schip, gemeert aan d'Amsterdamsche palen’. Door
Valerius is deze melodie gekozen bij ‘Men siet
Gods kercke groeyen’. Het is evenwel jammer dat hij dit lied in vieren
heeft genoteerd in plaats van in drieën. Zooiets komt evenwel vaker voor
in dien tijd; men deed dit bij de dansen ook. Starter gebruikt dezelfde wijze
voor ‘Mijn soete Koniginne’
15). De Italiaansche
wijze: ‘Chi guerregiar desia’ bij ‘Wat heeft God wond're
daden’ is zeer treffend en past mooi bij den gedragen tekst. De
luitbegeleiding hiervan is de beste uit den Gedenck-clanck; deze is, in modern
notenschrift overgebracht, te vinden op blz. LXII van deze inleiding. Bij de
wijze ‘Questa dolce Sirena’ (ook door Starter in zijn Frieschen
Lusthof gebruikt) geeft Valerius eveneens een volle accoord-begeleiding voor de
luit. Valerius schrijft erbij ‘Ballet’, waarschijnlijk omdat deze
melodie voorkomt in de ‘Balletten’ van den Italiaan Gastoldi
16). Bij ‘Sonatemi un
balletto’ heeft Valerius een heel goede bas aangegeven. Aan het geringe
aantal Italiaansche voyzen kan men zien, dat de nieuwere Italiaansche muziek in
Valerius' omgeving nog lang niet den alles overheerschenden invloed had, dien
zij later in Nederland zou krijgen.
Duitsche melodieën zijn er nog minder dan Italiaansche. De
kernachtige wijze ‘Pots hondert duysent’ of ‘Almande
Pekelharing’ bij het fiere loflied op ‘d'Hollander end'de
Zeeuw'’ noemt Valerius bij de Nederlandsche voyzen en ook bij de
Allemandes. Volgens Fl. van Duyse is deze melodie van Engelsche, volgens dr J.
Pollmann van Engelsche of Duitsche afkomst. Wat de ‘Pavane Medelyn’
betreft, hiervan is de oorsprong moeilijk na te gaan. Bij ‘Medelyn’
denkt men aan het bekende oud-Duitsche lied, ‘Braunes
Mägdelein’, ‘Bruynsmedelijn’ of ‘Frisch
meechdeling’, dat veel in Nederlandsche liedboeken voorkwam en ook als
Almande werd gebruikt. Valerius' Pavane Medelyn heeft evenwel met deze wijze
niets gemeen en is veel langer. Van Duyse noemt nog de melodie ‘Mir ist
ein schöns braun Meydelin’. De voys die Valerius gebruikt is m.i.
zeer oud en merkwaardig door de maatwisseling.
17).
Als men de opgave van de ‘stemmen’ vóór
in den Gedenck-clanck bekijkt, vindt men daar 14 Nederlandsche wijzen
aangegeven. Dit aantal is evenwel nog geflatteerd. Valerius heeft te goeder
trouw gemeend, dat deze voyzen van Nederlandsche afkomst waren, omdat hij die
in zijn omgeving als zoodanig kende. Achteraf blijkt evenwel dat hierbij toch
nog eenige van buitenlandschen oorsprong zijn, zooals reeds gezegd is van het
Wilhelmus. Daar is bijvoorbeeld: ‘Windeken daer het bosch van
drilt’, de beginregel van een vers van den jongen
Hooft. Dit was echter de Fransche wijze
‘J'aimerai toujours ma Philis’. Verder: ‘Schoonste Nimphe van
het Wout’ (Quand ce beau printemps je voy); ‘'s Nachts doen een
blauw gestarde kleet’ is de beginregel van een bekend vers van Starter,
waarvan de melodie tot nu toe werd toegeschreven aan
J. Vredeman. Deze wijze wordt evenwel in ‘Apollo
oft ghesang der Musen’ aangeduid als: ‘Je dirai gi (si?) le jour la
ra la’.
Van de overblijvende Nederlandsche voyzen zijn in 't bijzonder | | | | nog te noemen ‘Sal ick noch langher met heete tranen’,
een gedragen melodie, die
Valerius gebruikt bij den tekst: ‘Hoe groot (o
Heer) en hoe vervaerlic’. Merkwaardig is het evenwel, dat Valerius dit
lied noteert in vieren, terwijl de melodie veel beter klinkt in drieën,
zooals zij ook is opgenomen in het Nederlandsch Volksliederenboek
18). In den Gedenck-clanck staat boven dit lied met kleine
lettertjes: volte. Dit is dus weer een danslied, want de ‘volte’ is
een langzamere vorm van degaillarde. Camphuyzen geeft bij deze melodie dezelfde
maatverdeeling als Valerius.
Van de voys ‘Het was een ryck mans borgers zoon’
bestaan enkele varianten; Valerius geeft een frissche en levendige notatie van
dit oude lied. In de luitpartij wordt de melodie sterk
‘gecolloreerd’.
De wijze van ‘Maximilianus de Bossu’ is waarschijnlijk
een psalmwijze. De melodie vari dit ‘claegh-liedeken van den Grave van
Bossu’ na het verlies van den zeeslag in het Hoornsche Hop (1573) werd al
eerder gezongen - op een anderen tekst - na den slag bij Heiligerlee in
1570.
‘Hoort allegaer, hoe datmen klaer’, gemaakt na de
overwinning van de Watergeuzen in 1574 en de ontruiming van Zeeland, was
blijkbaar een Nederlandsche melodie. De oorsprong hiervan is nog niet gevonden.
Deze wijze vindt men ook aangegeven in ‘Een niew geusen lietboek’
uit 1581. Valerius schrijft over dit lied: ‘Ende over de heerlijcke
victorie te water, is in dese tydt een fraey Liedeken gemaeckt, ende over al
gesongen, het welcke daer om hier mede ingesloten wert’.
Bij de Nederlandsche stemmen vinden wij nog een statigen
Studentendans (‘Al uwe boos' aenslagen’, zie blz. 42). ‘Ghy
die my met u braef gelaet’ is een bekoorlijke wijze, die aan de beweging
van een Courante doet denken (blz. 83).
De allermooiste oud-Nederlandsche wijze uit Valerius'
Gedenck-clanck is die van het lied ‘Wilt heden Nu treden Voor God den
Heere’. Dit is de oude stemme ‘Hey! wilder dan wilt, wie sal mij
temmen’, die nog onder verschillende andere namen bekend is. ‘Wilt
heden Nu treden’ is het dichterlijke danklied, dat Valerius schreef na de
vele opeenvolgende overwinningen van
Prins Maurits in 1597. Uit dankbaarheid voor deze
‘treffelijke victorien’ werden bid- en dankdagen gehouden, en
gedenkpenningen geslagen. ‘Wilt heden Nu treden’ is een ontroerend
lied; de vrome, geïnspireerde tekst past buitengewoon mooi bij de nobele,
waardige melodie. Van alle voyzen uit den Gedenck-clanck is deze het meest en
het verst verspreid, hoewel zij eerst sedert 1871 in Nederland weer gezongen
werd, na de publicatie van een bundel Valerius-liederen door Dr A.D. Loman.
Deze liederen zijn daarna in Weenen bekend geworden. Vooral ‘Wilt heden
Nu treden’ werd daar veel gezongen, nadat in 1877 het Wiener Gesangverein
dit lied vierstemmig uitvoerde, in een zetting van Ed. Kremser, op een tekst
van Jos. Weijl: ‘Wir treten zum beten vor Gott den Gerechten’.
Daarna werd het in Duitschland bekend. In 1893 heeft keizer Wilhelm II het
laten opnemen in Duitsche volkszangbundels. In hetzelfde jaar verscheen in
Nederland een tweede uitgave van de genoemde Valerius-liederen - nu in de
bewerking van Dr A.D. Loman en Jhr Mr J.C.M. van Riemsdijk. In 1894 werden te
Leipzig uitgegeven: Sechs altniederländische Volkslieder aus der Sammlung
des Adrianus Valerius vom Jahre 1626. Zij werden zeer populair en er kwam een
tweestemmige zetting uit van Gustav Jensen voor schoolgebruik. Het zijn
dezelfde liederen die door Ed. Kremser vierstemmig waren bewerkt
19); zij werden in
Duitschland veel door koren | | | | gezongen. Maar het Dankgebet was het
meest geliefd en is dat nog. In 1912 kwamen te Weenen en Leipzig uit: 7
Altniederländische Volkslieder aus dem ‘Nederlandschen
Gedenck-clanck’ des Adrianus Valerius, für gemischten Chor a
capella. Komp. von Eugen Thomas. Door den theoloog Prof. Budde is later de
oorspronkelijke tekst van deze liederen vertaald en in dezen vorm is het
Niederländisches Dankgebet o.a. opgenomen in het Hessische Gesangbuch.
Tijdens den oorlog van 1914 werd dit lied (apart gedrukt) veel verspreid; na
den wapenstilstand is het in Duitschland en Oostenrijk als Danklied gezongen.
In 1933 heeft het bestuur van de Luthersche kerk in Sachsen nog een prijsvraag
uitgeschreven voor een nieuwe tekstvertaling.
Ook in de Vereenigde Staten is de melodie van ‘Wilt heden Nu
treden’ uiterst populair; deze wordt daar altijd gezongen op
Thanksgivings-day. Helaas kent bijna niemand de Nederlandsche afkomst van deze
mooie melodie, die daar bekend is als het Kremser-lied, naar den eersten
Weenschen bewerker hiervan. In het jaar van de eerste Duitsche publicatie
(1894) zijn bij Schirmer in New York dezelfde 6 liederen verschenen in een
Engelsche vertaling, die evenwel hier en daar sterk afwijkt van het origineel.
Deze ‘Six ancient folk songs of the Netherlands from the collection by
Adrianus Valerius 1626’ zijn gezet voor 4-stemmig koor. Prof. H.J. van
Andel van het Calvin-College, Grand-Rapids, schreef mij over de populariteit
van ‘Wilt heden Nu treden’ in de Vereenigde Staten:
‘Eindelijk is Valerius in eer hersteld. Toen hij ter gelegenheid van den
Nationalen dankdag in Nederland (1597) het Danklied maakte, dat eerst
Wapenstilstandslied (1918) en toen Dankdaglied werd in Amerika, heeft hij niet
vermoed, dat dit lied, dat hij in eenzaamheid tokkelde en zong, eens vele
natiën in vlam zou zetten. Dit lied behoorde een dichter wereldberoemd te
maken. Met Dankdag wordt het hier 5- of 6-maal door de Radio uitgezonden. Men
dweept ermee in Amerika en zingt het bij alle gelegenheden. Op een zangersfeest
van College glee-clubs is het eens door 5000 studenten gezongen’. De oude
Zuid-Nederlandsche wijze: ‘Hey! wilder dan wilt’ is dus nu
internationaal geworden. Oorspronkelijk was de tekst een 16e-eeuwsch
rederijkerslied, waarin een jonge man vertelt hoe hij door het verraad van zijn
geliefde ter dood zal worden gebracht. Men kan zich nu niet voorstellen, hoe
dit lied, evenals zoovele andere Valeriusliederen, een paar eeuwen lang
vergeten is geweest. Zij werden hier eigenlijk pas weer algemeen bekend door de
uitgave van het Nederlandsch Volksliederenboek in 1896, samengesteld door
Daniël de Lange,
Jhr mr J.C.M. van Riemsdijk en
Prof. dr G. Kalff. Deze uitgave was werkelijk een
verrassing; hier leerde men plotseling een schat van vergeten Nederlandsche
liederen kennen uit velerlei oude liedboeken. Het Nederlandsch
Volksliederenboek werd onmiddellijk zóó populair dat vele
opvolgende drukken direct uitverkocht waren, evenals het tweede deel. Geen
wonder -, want in de 19e eeuw was het treurig gesteld met ons volkslied; wat
men toen zong werd suf en saai naast deze sterke oude liederen. Vooral de
liederen van Valerius sloegen direct in en vonden hun weg naar de huiskamers,
scholen en zangvereenigingen. Zij werden in vele liedbundels opgenomen. In 1914
verschenen alle liederen van den Nederlandschen Gedenck-clanck met
pianobegeleiding in de serie ‘Liederen van Groot-Nederland’
verzameld door R.F. Coers. Wij verwezen reeds op verschillende plaatsen naar
deze uitgave, waarvan in 1931 een herdruk verscheen.
In Valerius' Gedenck-clanck vinden wij onder elk lied de notatie
hiervan voor luit en citer gedrukt. Zooals reeds is gezegd is die oude
tabulatuur in dezen herdruk niet overgenomen, omdat ze al een paar eeuwen in
onbruik is geraakt en de luitenisten van tegenwoordig die niet meer kunnen
lezen. Toch vormt deze oude luit- en citermuziek een groot deel van den
muzikalen inhoud | | | | van Valerius' liedboek. Daarom willen wij deze -
speciaal de luitnotaties - even kort bespreken, te meer omdat de Gedenck-clanck
de afsluiting is van een korte bloeiperiode van luitmuziek in de Noordelijke
Nederlanden.
In Valerius' tijd bespeelde men allerlei soorten instrumenten,
véél meer dan wij tegenwoordig kennen. De voornaamste
klavierinstrumenten waren: orgel, klavecimbel
20),
spinet
20),
virginaal
20)
en clavichord
20).
Verder had men verschillende violen waarvan de gamba- en viola-soorten het
meest werden gebruikt. Men bespeelde velerlei blaasinstrumenten: fluiten (meest
blokfluiten),verschillende trompetten, cornetten, schalmeien, den doedelzak,
enz.
Het meest geliefde instrument was de luit in haar verschillende
vormen, waarvan vooral de gewone 6-snarige luit populair was; deze had dikwijls
nog één of meer losse snaren voor de bas. Een andere veel
gebruikte luitsoort was de theorbe of basluit, die een tweeden, omgeknikten
hals had, waarop de diepe losse snaren waren bevestigd. De theorbe is veel door
onze 17e-eeuwsche meesters geschilderd, o.a. door
Vermeer,
Frans Hals en
Terborch. Er bestonden nog vele andere luitsoorten;
een kleinere vorm hiervan, de mandora (bandora) werd veel gebruikt tot
aanvulling van de hoogliggende luitpassages.
De luit vervulde destijds de rol van het moderne klavier en kwam
overal bij te pas: in de huiskamer als begeleidings- of solo-instrument, of in
combinatie met andere instrumenten, waarbij dan de basluit soms de
continuo-partij
21) speelde. Zoo'n theorbespeler moest heel wat kunnen, -
véél meer dan iemand, die tegenwoordig voor zijn piano gaat
zitten en alles voor zich gereed vindt: voor elke toon een toets en de muziek
kant en klaar uitgewerkt. De luitspeler moest de vele - dikwijls dubbele -
snaren van zijn instrument eerst uitvoerig stemmen; dan moest hij de muziek
kunnen ‘colloreeren’ d.w.z. de melodie omspelen met versieringen en
variaties, of anders de accoord-begeleiding kunnen opbouwen uit aangegeven
basnoten. En ten slotte kon men natuurlijk alleen maar zijn rechterhand voor
het spelen gebruiken, want met de linker moest op de snaren de toonhoogte
bepaald worden. Het is jammer, dat de mooie en moeilijke kunst van dit luitspel
bijna geheel verloren is gegaan. Luitmakers waren er vele, vooral in
Amsterdam. De aanzienlijke burgers kochten echter dikwijls luiten
uit Zuid-Nederland (Antwerpen), Frankrijk of Italië.
De luitmuziek van Valerius' Gedenck-clanck kan men bezien als de
afsluiting van een kortstondigen bloei van Nederlandsche luitmuziek. Het
uitgangspunt hiervan was de stad Leuven, waar sinds 1546 vele bundels chansons
en dansen, voor luit gezet, werden uitgegeven door den bekenden
Pieter Phalesius. Later verplaatste diens zoon de
uitgeverij naar Antwerpen, waar, ondanks de vaak benarde tijden
(Antwerpen werd in 1584-85 belegerd) zeer veel luitmuziek werd
uitgegeven, o.a. ‘Pratum musicum’ van den beroemden luitenist
Emanuel Adriaensen.
In het begin van de 17e eeuw verplaatst de luit-literatuur zich
naar de Noordelijke Nederlanden, waarschijnlijk doordat de omstandigheden daar
gunstiger waren. Er ontstaat hier een kortstondige bloei, waarvan gedrukte
zoowel als geschreven luitbundels getuigen. Utrecht wordt een middelpunt van
luiten citermuziek en van den zeer gezochten Utrechtschen luitmeester
Joachim van den Hove worden verschillende luitbundels
gepubliceerd, o.a. Florida (1601), Delitiae musicae (1612) en Praeludia
testudinis (1616). In Amsterdam verscheen in 1615 een anonyme verzameling
psalmen voor zang met luitbegeleiding. | | | | Van
Nicolaes Vallet, luitmeester te Amsterdam, zijn
verschillende bundels luitmuziek uitgegeven o.a. ‘Le secret des
Muses’ (1618-21) en ‘Regia pietas’ (1620).
Bij de 5-stemmige chansons van
J.P. Sweelinck staat vermeld ‘accommodées
tant aux Instruments, comme à la Voix’ - met welke instrumenten
dan in de eerste plaats luit en gamba bedoeld zijn. Bij vele zangcomposities
uit dien tijd vindt men dit vermeld. Op de titelplaat van
Melchior Borchgrevincks
22) vijfstemmige madrigalen ziet men vijf musiceerende personen
afgebeeld; slechts twee van die groep zingen; twee anderen spelen hun partijen
op de luit en de vijfde bespeelt de gamba.
Vele luitenisten schreven hun eigen repertoire, dat ze
gedeeltelijk weer van anderen copieerden. Veel van die geschreven muziek is
verloren gegaan, maar hier en daar is nog wat bewaard gebleven, zooals het
straks genoemde luitboek van
Johannes Thysius te Leiden, een zeer merkwaardig
manuscript uit de eerste jaren der 17e eeuw, dat tallooze oude lied- en
dansmelodieën bevat. Er staan ook stukken in voor 3 of meer luiten en
eenige luitbewerkingen van Sweelincks psalmen. De Engelsche invloed vindt men
in dit luitboek sterk terug. Weer een ander handschrift uit dien tijd bevat
meerstemmige vocale muziek, voor de luit gezet, waarbij ook composities van
J.P. Sweelinck.
Valerius' Gedenck-clanck is de afsluiting van deze korte
bloeiperiode der Nederlandsche luitmuziek. In 1627 verschenen te Parijs nog de
psalmen van
Constantijn Huygens
23) en in
1647 diens ‘Pathodia sacra et profana’; maar deze liederen zijn
geschreven met een continuo-partij voor de luit, naar het voorbeeld van de
nieuwere liedkunst uit Italië en Frankrijk.
Valerius maakte net den overgangstijd mee van de oude polyphone
muziek met haar vele kerktoonaarden naar den nieuwen monodischen stijl met
accoord-begeleiding. Hoewel de muziek uit den Gedenck-clanck zeer eenvoudig is,
- zooals de meeste huis-muziek uit dien tijd, - kan men toch den modernen
Italiaanschen invloed bemerken aan de bassen bij enkele nieuwere
liedmelodieën en vooral aan de luit-tabulatuur. Deze is hier niet altijd
bedoeld als begeleiding van het bijbehoorende lied, maar dikwijls als
instrumentale interpretatie hiervan. Naar het voorbeeld van andere luitenisten
versiert Valerius vaak de melodie met omspelende figuren. Dit is een gevolg van
de nieuwe wijze van musiceeren, evenals de variaties, die men hier en daar
aantreft, naar het voorbeeld der Engelsche virginalisten. Bij de bewerking van
de ‘Pavane d'Espagne’ voor drie luiten valt het op, dat de
liedmelodie hier geheel bijzaak is geworden. De superius en de bassus spelen
hiervan beurtelings een fragment, maar wijden zich verder geheel aan
varieerende figuren. De tenor heeft alleen maar omspelende loopjes. Ten slotte
geven de volle accoord-begeleidingen bij een paar Italiaansche voyzen weer een
ander beeld van deze vroege instrumentale muziek, die in Noord-Nederland haar
hoogtepunt bereikte in de composities voor orgel of klavecimbel van
J.P. Sweelinck.
De luit-tabulatuur van
Valerius zou men in 2 groepen kunnen verdeelen, n.l.
de muziek, die hij uit andere luitboeken copieerde en die, welke hij zelf
noteerde. Met zekerheid zijn deze groepen echter niet uit elkaar te houden,
omdat men destijds geregeld muziek van elkaar overnam zonder bronvermelding.
Maar men kan bijv. toch vrij stellig aannemen, dat Valerius de
accoord-begeleidingen van de melodieën ‘Chi guerregiar desia’
(blz. LXII) en ‘Questa dolce Sirena’ uit een Italiaansch luitboek
heeft overgenomen. Deze begeleidingen verschillen aanmerkelijk van de andere,
ijlere luit-bewerkingen uit den Gedenck-clanck naar Fransch en Nederlandsch
voorbeeld. | | | | | | | |
Bij de liedwijzen, die Valerius overnam van den beroemden
Engelschen luitenist
John Dowland, n.l. ‘Engels Com again’ en
de beroemde ‘Pavane Lachrim[a]e’, zal Valerius - althans bij de
eerste melodie - de luit-notatie van Dowland hebben overgenomen. De Pavane
Lachrimae was echter oorspronkelijk door Dowland geschreven voor 4 luiten. Is
Valerius' notatie voor één luit ook van Dowland of schreef hij
die zelf? En wie componeerde de zetting voor 3 luiten bij de ‘Almande
Monsieur’ en de ‘Pavane d'Espagne’? Mogelijk geven andere
oude luit-tabulaturen - tot nu toe vergeten - daar nog eens antwoord op.
Wat Valerius' overige luit-notaties betreft - deze zijn soms vrij
primitief; andere zijn weer eenvoudig, maar goed zooals bijvoorbeeld die bij de
melodieën: ‘Schoonste Nimphe van het Wout’ (tekst: Sullen ons
verbluffen dees), - ‘Engels Nou nou’, (tekst: Heere! keere van ons
af), - ‘Est-ce Mars’ (tekst: Geluckig is hy die leert sterven), -
‘'s Nachts doen een blauw gestarde kleet’ (tekst: O Nederland! let
op u saeck) - ‘Op de Engelsche Min’ (tekst: Geluckig is het Land)
en verschillende andere. Men zou kunnen concludeeren dat Valerius zelf een
groot deel van deze muziek heeft geschreven, zooals een luitenist dat in die
dagen moest kunnen. Het resultaat was hier, evenals in andere dergelijke
gevallen: eenvoudige huismuziek zonder eenige pretentie.
Het is nog mogelijk, dat Valerius de luitbegeleiding van enkele
liederen heeft overgenomen uit ‘Le secret des Muses’ van Nicolaes
Vallet; met dezen laatsten bundel heeft de Gedenck-clanck echter maar heel
weinig melodieën gemeen. Een versje vóór in den
Gedenck-clanck, de ‘Waerschouwinge’ vertelt ons, dat Valerius'
luit-tabulatuur is geschreven voor ‘seven snaren’, dus voor 6 vaste
en 1 losse snaar. Maar ‘so yemant op zijn Luyt nu heeft een meer
getal’, dan kan hij daar ‘Bassen en [andere] Toonen uyt
vergaren’; dus voor de meerdere bas- of ondertonen, die de losse snaren
geven, wordt de fantasie van den speler te hulp geroepen.
De tabulatuur voor de citer, die in de uitgave van 1626 onder elke
luit-notatie wordt aangegeven, bewijst de populariteit van dit instrument. Met
de tegenwoordige accoord-citer had het enkel den naam gemeen; verder lijkt
Valerius' citer in geen enkel opzicht op de moderne. Het was een
volksinstrument, dat men tot in de boerenherbergen vond. Men had vele soorten
van citers; ze waren kleiner dan de luit en hielden het midden tusschen luit en
gitaar. Sommige hadden een vioolachtigen vorm. De 4-snarige citer, die Valerius
met zijn citer-notatie bedoelt (hierop wijst het systeem van 4 lijnen), was de
eenvoudigste. Soms was er nog een 5e losse snaar bij voor de bas; deze
5-snarige citer ziet men het meest op oude schilderijen afgebeeld. Ook in de
Zuidelijke Nederlanden waren deze ‘cistres’ buitengewoon populair.
Er bestond evenwel nog een geheel ander soort citer, de zoogenaamde Noorsche
balk, die een overblijfsel van de invasie der Noormannen schijnt te zijn. Het
was een smal, langwerpig vierkant instrument, dat inderdaad den vorm had van
een kleinen balk. Het had een toets onder de 4 of 5 voorste speelsnaren; voor
de rest kon men er naar believen losse snaren bij spannen. Men vond den
Noorschen balk langs alle Noordzeekusten. Speciaal in Friesland was dit
instrument populair; het heeft zich daar nog tot in de 19e eeuw gehandhaafd.
Deze citer werd op de tafel gelegd; met een klein stokje in de linkerhand
verkortte men de snaren tot de juiste toonhoogte en met de vingers of met een
plectrum werden deze getokkeld.
Welke van de twee genoemde citersoorten Valerius heeft bedoeld is
moeilijk te zeggen. Door de ligging van Vere zal de Noorsche balk daar wel
bekend geweest zijn; maar het schijnt mij toe, dat hier de 4- of 5-snarige
cistre is bedoeld, die in het nabije Antwerpen zooveel werd
bespeeld. Daar woonden vele | | | | citermakers en er werd ook citermuziek
gedrukt. Van hier uit
24) had zich te
Utrecht als citermaker gevestigd
Sebastiaan Vredeman
25). Later ging deze naar Leiden, waar hij in 1586 werd
benoemd tot klokkenist. Zijn zoon
Michiel Vredeman werd later weer in Utrecht
ingeschreven als ‘burger en instrumentmaker so fiolen als cythers, oud
sijnde 28 jaren’. Deze Michiel Vredeman vond een speciale citer uit,
‘een nieu soort melodieuse inventie, half violons, half cyther’.
Hij noemde deze ‘der violen cyther’ en gaf in 1612 een handleiding
uit voor dit instrument.Verder publiceerde hij nog eenige bundels citer-muziek,
o.a. ‘Der Cytheren Lusthof’. Ook
J.P. Sweelinck schreef een bundel citermuziek, het
‘Nieu Chyterboek, genaemt den Corten Wegwijser, die 't Hert
verheugt’. Dit werk is helaas verloren gegaan.
Willem Swert, musicus te Amsterdam
(afkomstig uit Arnhem), schreef blijkbaar ook voor de citer. In de catalogus
van een Leeuwarder muziekbibliotheek uit 1619 wordt n.l. genoemd ‘het
chiterboek van Willem Swert’.
De citer-tabulatuur, die in Valerius' Gedenck-clanck onder de
luit-notatie is aangegeven, blijkt veel minder interessant dan deze laatste.
Zij is uiterst eenvoudig, soms op het simpele af. Valerius bedoelde deze
citer-notatie voor het volk of de kleine burgerij, - maar hij was mogelijk het
citerspel niet zoo goed meester. Bovendien wemelt zijn citermuziek van
drukfouten, waarvan er véél meer zijn dan vermeld worden in de
errata. De oorzaak van deze vele fouten (ook in de luit-tabulatuur) kan
misschien worden gezocht in het feit, dat Valerius zelf de drukproeven van zijn
liedboek niet meer heeft kunnen nazien.
Als voorbeeld van Valerius' citermuziek heb ik hier enkel
opgenomen de notatie van het Wilhelmus (zie blz. LXV), waarbij als grootste
klankwerking het vierstemmig accoord (in deze stemming het G-accoord) naar
voren komt. Het blijkt duidelijk uit deze muziek, dat het luitspel meer
mogelijkheden heeft en dus rijker is; door het geringer aantal snaren moest men
soms een melodie onderbreken om die een octaaf lager te vervolgen; - dit klinkt
in onze ooren eenigszins armoedig. Daarom (en ook met het oog op het groote
aantal drukfouten) heb ik mij bij dit enkele citer-voorbeeld gehouden. De citer
wordt trouwens in haar ouden vorm in 't geheel niet meer bespeeld.
Valerius moet een zeer muzikaal man zijn geweest; hiervan getuigt
bovenal de keuze van zijn lied-melodieën. Mogelijk heeft hij in zijn jeugd
muziek geleerd bij het kleine kerkorgel, dat zijn vader in 1575 te Middelburg
kocht. Als wij weten dat de melodieën in
Starters Frieschen Lusthof zijn genoteerd door
Jaques Vredeman, een beroepsmusicus, dan krijgen wij
groote bewondering voor Valerius' notatie, die hiervoor niet onderdoet. Voor
afwisseling heeft
Valerius in zijn Gedenck-clanck ook goed gezorgd; wat
dat betreft is deze eenig in zijn soort. Bij zeven liederen geeft hij een
gezongen baspartij, die ook - zooals toen gebruikelijk was - op een gamba,
theorbe of clavichord gespeeld kon worden. Deze bassen zijn meestal heel goed
gekozen; een uitzondering is die bij de voys ‘Engels Farwel’, die
door zijn vele quintenparallellen niet gunstig is uitgevallen. In dien tijd
komt dit evenwel meer voor, speciaal in de luitmuziek. Het lied ‘Och dat
de mensch den Heer’ is uitstekend 3-stemmig gezet. Bij het lied op den
dood van
Willem den Zwijger heeft Valerius in de luitpartij een
variatie gevoegd; de uitdrukking ‘dese gediminueert’ slaat hierop.
Bij de wijze ‘Malsims’ schrijft Valerius: ‘Om den aert van
dit voysken niet te benemen, en konnen hier niet wel de woorden onder den Bas
gebracht worden, ofte men moste de selve geheel op een ander maniere
componeren’. | | | |

Daarom geeft hij bij dit lied nog apart een instrumentale bas. De
luit-notatie van dit lied is interessant; elk deel wordt gevolgd door een
variatie en aan het slot staan vlugge passages zonder accoorden. Ook de
luitbewerking van ‘Mrs. Mary Hofmans Almand’ is
‘gecolloreerd’; ze is tweemaal zoo lang als de melodie.
Verder introduceert Valerius in den Gedenck-clanck nog een
nieuwigheid, n.l. maatstrepen, - die in de meeste liedboeken uit dien tijd nog
niet voorkomen. Het beeld van de muziek wordt daardoor voor ons veel
duidelijker. Hier en daar is weleens een maatstreep vergeten
26) of verkeerd
geplaatst, maar dit is geen wonder, want men was er nog niet aan gewend. Bij de
Pavane Lachrime en de daarbij behoorende bas geeft Valerius geen maatstrepen.
Hij heeft deze muziek waarschijnlijk zóó van Dowland
overgenomen. | | | |
Deze beschouwing over de muziek in Valerius' liedboek moest
uiteraard beknopt zijn. Ik heb evenwel trachten aan te toonen, dat de
Gedenck-clanck, bekeken uit muziek-historisch oogpunt, vele interessante
aspecten vertoont, - niet alleen als bron voor de melodieën uit Valerius'
tijd, maar ook als voorbeeld voor de muziekbeoefening dier dagen.
De Gedenck-clanck is veel becritiseerd. Wij
Nederlanders zijn nu eenmaal geen chauvinisten - helaas - en zien gauwer de
gebreken van een Nederlandsch werk dan de verdiensten. Men heeft bezwaar
gemaakt tegen de vele buitenlandsche melodieën, - tegen Valerius' notatie
van het
Wilhelmus en tegen sommige combinaties van melodie en
tekst, waardoor de juiste klemtoon weleens in het gedrang komt. Maar de
Gedenck-clanck heeft dit laatste met alle liedboeken uit dien tijd gemeen en
maakt zelfs voor het grootste deel hierop een zeer gunstige uitzondering. Men
vond het destijds allang goed als het rhythme van den tekst maar in hoofdzaak
klopte met de melodie. Laten we liever dankbaar zijn voor de vele liederen,
waarin de door Valerius gekozen melodieën zulk een treffend geheel vormen
met zijn dichterlijke teksten, zooals: ‘O Heer, die daer’,
‘Wilt heden Nu treden’, ‘Merck toch hoe
sterck’, ‘Geluckig is het Land’ en andere. Wij
vergeten hierbij het al of niet buitenlandsche van de voyzen.
Men kan aan een huiselijk liedboek uit dien tijd niet al te
aesthetische eischen stellen. Valerius heeft nooit bedoeld ‘Kunst’
te geven en toch heeft de Muze hem aangeraakt. Want al is hij in sommige verzen
de rederijker - in vele andere is hij de Dichter.
Verder moeten wij - wat de muziek betreft - Valerius niet zien als
vakmusicus, maar als goeden dilettant. En toch - wie van onze tegenwoordige
notarissen (hoe geëerd ook in hun vak) zou een onderneming als den
Gedenck-clanck aankunnen: geschiedverhaal, gedichten, liederen, luit- en
citer-tabulatuur en de rest?
De Gedenck-clanck is een belangrijk muziek-historisch document. En
als we terugdenken aan zijn schrijver, dan zien we de figuur van Valerius
onwillekeurig tegen den achtergrond van het mooie Zeeuwsche stadje
Vere. Het lag daar als een kleinood besloten tusschen zijn wallen.
Aan de haven stonden de patriciërswoningen; het gothische
‘Schotsche’ huis getuigde daar al sinds langen tijd van Vere's
bloei. Op de Markt stond het kleine stadhuis - een juweeltje - en keek met zijn
rank, fijn torentje uit over de knusse trapgeveltjes rondom. Vele malen is
Valerius dit stadhuis binnengetreden. Ook de geweldige kerk, - die tegenwoordig
zoo veel en veel te groot is, - moet Valerius vaak binnen haar oude muren
hebben gezien, want hij was een vroom protestant. Overal op de Walchersche
duinen is nog die Groote Kerk te zien; zij beheerscht het heele stadje en lijkt
in de verte wel een kloek, die Vere onder haar vleugels beschermt.
Rondom was het wijde water met veel zeilen van schepen, die kwamen
en gingen, van heinde en ver; want de Nederlanders waren de vrachtschippers van
Europa. De schepen van de Zeeuwsche watergeuzen kwamen na een zeeslag gehavend
Vere binnenvallen. Ze werden daar opgekalefaterd en opnieuw van proviand en
munitie voorzien. Het was toen een groote tijd voor Vere en Valerius heeft veel
daarvan meegemaakt. Hij was ook ontvanger van de convooi-gelden en allicht zal
hij de convooischepen bezocht hebben; ook deze hadden hun eigen geschiedenis te
vertellen.
Op de bijeenkomsten van de Veersche rederijkerskamer ‘In
reynder jonsten groeyende’, waarvan hij deken was, zullen Valerius'
verzen stellig bewonderd zijn, want dit was véél meer dan gewone
rederijkerspoëzie. Door de rederijkers en ook door vrienden uit
Middelburg - waar hij door zijn vader en zijn ambt wel relaties
moet gehad hebben - zullen zijn liederen stellig zijn gezongen en
afgeschreven. | | | |
Het huis van
Valerius stond bij de haven. Uit zijn ramen kon hij de
schepen zien liggen. Als het in dat huis, ‘De Harpe’, 's avonds
donker was, werden de vetkaarsen aangestoken, zoodat er glimlichtjes blonken op
de spinde aan den muur, op Valerius' pulpitrum, op koperen kandelaars en tinnen
borden. In dat stemmige kaarslicht glom ook de ronde achterkant van een luit;
ginds lag een citer. Op zulke avonden zal Valerius zijn Gedenck-clanck hebben
geschreven; en als hij den tekst van een lied had gedicht nam hij zijn luit en
speelde en zong het ‘nieue liedeken’, dat hij had gedicht voor het
gedenkboek, waarin hij de geschiedenis van zijn vaderland voor het nageslacht
wilde bewaren. En zijn huisgezin hoorde dezelfde liederen, die wij nu weer
zingen.
Het is jammer dat Valerius de uitgave van zijn liedboek niet meer
heeft beleefd. Hij stierf in 1625 en eerst in 1626 werd zijn Gedenck-clanck
gedrukt door de goede zorgen van zijn familielid F. Valerius. Deze zegt in zijn
voorrede, dat
Adrianus Valerius zijn liederen schreef ‘uyt
liefde des Vaderlands’ en ook ‘op dat door het gesang ofte spel,
als oock door het gedicht, de droefheyt gemindert ende blyschap gemeerdert
mochte werden’.
Nederland dankt zijn opkomst en bloei aan mannen als dezen
Zeeuwschen notaris. Valerius is een waardig vertegen-woordiger van onze Gouden
Eeuw, waarin hij een geheel eigen plaats inneemt. Wij zijn hem inderdaad
grooten dank verschuldigd voor de treffende en schoone wijze, waarop hij in
zijn Gedenck-clanck ons verleden tot klinken heeft gebracht. Sterk voelde hij
de groote beteekenis van de eendracht voor het Nederlandsche volk:
O Neerland! so ghy maer en bout
U pylen vast gebonden hout,
End' t'saem eendrachtig zyt;
So kan u Duyvel, Hel, noch Doot,
Niet krencken noch vertreen,
Al waer oock Spanjen noch so groot,
Ja 'swerelts machten één.
Valerius' fiere en sterke liederen hielpen zijn zwaar getroffen
landgenooten om moed te houden in de verdrukking. Zijn streven naar eendracht
en zijn vrome Godsvertrouwen kunnen ons te allen tijde tot een voorbeeld
zijn.
| |
Bronnen
Bernet Kempers (K.Ph.). De liederen uit Valerius' Nederlandtsche
Gedenck-clanck. Rotterdam, 1941.
Brouwer (J.H.). Jan Jansz. Starter. Assen, 1940.
Bruger (H.D.). Alte Lautenkunst aus drei Jahrhunderten. Berlin,
1923-1928. 2 Tln.
Doorslaer (G. van). De toonkunstenaars der familie Vredeman. -
Bulletin de l'académie royale d'archéologie de Belgique, 1919,
III.
Duyse (Fl. van). Het oude Nederlandsche lied. 's-Gravenhage -
Antwerpen, 1903-1908. 3 dln. m. registers.
Geuzenliedboek (Het). Naar de oude drukken uit de nalatenschap van
E.T. Kuiper uitgegeven door P. Leendertz Jr. Zutphen, 1924-1925. 2 dln.
Huygens (Constantin). Correspondance et oeuvre musicales,
publiées par W.J.A. Jonckbloet et J.P.N. Land. Leyde, 1882.
Kist (N.C.). Het kerkelijk orgelgebruik, bijzonder in Nederland. -
Archief voor kerkelijke geschiedenis, X (1840).
| | | |
Land (J.P.N.). Het Luitboek van Thysius. Amsterdam, 1889.
Naylor (Edward Woodall). Shakespeare and music. London, 1896.
Pollmann (J.). Ons eigen volkslied. Amsterdam, 1935.
Sachs (Curt). Real-Lexikon der Musikinstrumente. Berlin, 1913.
Sachs (Curt). Handbuch der Musikinstrumentenkunde. Berlin,
1920.
Sigtenhorst Meyer (B. van den). Jan P. Sweelinck en zijn
instrumentale muziek. Den Haag, 1934.
Straeten (Edm. van der). La musique aux Pays-Bas avant le XIXe
siècle. Bruxelles, 1867-1888. 8 tom.
Tijdschrift der Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis,
V en IX.
Visscher (R.). Iets over het muziekleven te Leeuwarden in het
begin der 17de eeuw. - De Vrije Fries, XXVIII (1928).
N.B. In deze korte inleiding was, zooals gezegd, geen plaats om
uit te weiden over de afkomst van verschillende melodieën. Voor de lezers,
die hiervan wat meer willen weten, verwijs ik bij de liederen hier en daar in
een noot naar ‘Het oude Nederlandsche lied’ door Fl. van Duyse
('s-Gravenhage-Antwerpen, 1903-1908) met de aanduiding: ‘v. D.’ en
de betreffende pagina; - verder naar ‘Het Luitboek van Thysius’
door dr J.P.N. Land (Amsterdam, 1889) met de afkorting: ‘Luitb. v.
Th.’; - naar den herdruk van de liederen uit Valerius' Gedenck-Clanck (in
de serie Liederen van Groot-Nederland, verz. door F.R. Coers, 2de druk,
Utrecht, 1931) met de aanduiding: ‘Coers’; - verder een enkele maal
naar de voorafgaande muziek-historische inleiding met: ‘Inl.’. De
verwijzing naar de uitgave van Coers dient vooral om de aandacht te vestigen op
de daarin verbeterde declamatie van enkele liederen. Bij de eerste liederen in
den C-sleutel vindt men hiervan een verklaring; bij de verdere zal deze daarom
wel overbodig zijn.
Kort voor de publicatie van dit boek verscheen: De liederen uit
Valerius' Nederlandtsche Gedenck-Clanck, verzorgd door dr K.Ph. Bernet Kempers,
met aanteekeningen van dr C.M. Lelij. Bij verschillende liederen verwijs ik met
een noot naar deze belangrijke uitgave met de letters B. K. en de betreffende
bladzijde. Dr Bernet Kempers heeft de notatie van Valerius' liederen zooveel
mogelijk behouden; enkele hiervan heeft hij getransponeerd zoodat ze beter
zingbaar zijn en de liederen met een bas zijn zeer stijlvol door hem
geharmoniseerd. In zijn inleiding (bl. X) staat een bijzonderheid, die door mij
is vergeten, n.l. dat het ‘Wilhelmus’, ‘Wilt heden Nu
treden’, ‘O Heer, die daer’, ‘Geluckig is het
Land’, ‘Heere! keere van ons af’, ‘De Heer in zynen
Throon seer schoon’, ‘Com nu met sang van soete tonen’ en
‘Hoe groot (o Heer)’ zijn opgenomen in den nieuwen zangbundel van
de Ned. Herv. Kerk als gezang 301, 304, 99, 145, 146 en 199.
|
1)Voorlooper van de violoncel.
2)Voorlooper van de piano, ontstaan in
Engeland, maar ook in de Nederlanden zeer populair.
3)Voorlooper van de piano.
4)Zie over het ‘Livre.
Septiesme’ het artikel van B. v.d. Sigtenhorst Meijer in het Tijdschrift
der Ver. v. Nederl. Muziekgeschiedenis, XV.
5)Bekend componist, waarschijnlijk geboren
op Walcheren, †1556.
6)Starter is, voordat hij voorgoed uit
Nederland vertrok, in Maart 1624 naar Middelburg gereisd. De groote bekendheid
van Starters liederen kan best hebben geleid tot een ontmoeting tusschen
Starter en Valerius, die in de Zeeuwsche hoofdstad vele relaties
had.
7)Zie J. Pollmann, ‘Ons eigen
volkslied’, blz. 112-113.
8)Een bundel vroege klaviermuziek.
9)De oudste broer van den koning werd
Monsieur genoemd.
10)Zie verder over deze melodie: ‘De
noteering van het Wilhelmus’ door K.Ph. Bernet Kempers in ‘De
Wereld der Muziek’, Jan. 1941 en het Tijdschrift der Ver. v. Nederl.
Muziekgeschiedenis, V.
11)In verschillende Zeeuwsche steden waren
destijds ‘Walsche’ en Engelsche kerken.
12)In Coers' uitgave van den Gedenck-Clanck
geeft de bewerker ten onrechte een opmaat aan het begin. Een bundel
‘Elizabethan songs’, dien ik raadpleegde, klopt met Valerius'
versie van deze melodie.
13)Bij Dowland: ‘Paduana
Lachrimae’.
14)Deze komt, met nog vier andere
liedbewerkingen van Vredeman, voor in de Amsterdamsche uitgave van het
‘Livre Septiesme’ uit 1608.
15)Men vindt deze mooie melodie, in
drieën genoteerd, in ‘Lied en luit’ van Mevr. W. Brom-Struick.
Bij Coers' uitgave van de Gedenck-Clanck-liederen is Valerius' maatindeeling
gehouden, maar de slechte declamatie is hier verbeterd.
16)1ste druk Venetië 1593, gevolgd
door vele herdrukken te Antwerpen en Amsterdam.
17)In de in noot 14 genoemde uitgave van
Coers worden verbeteringen in de declamatie van dit lied
aangegeven.
18)En in Coers' uitgave van den
Gedenck-Clanck.
19)N.l. 1. Hoe groot (o Heer); 2. Wilhelmus
van Nassouwe; 3. Geluckig is hy die leert sterven; 4. Siet Christen menschen;
5. Merck toch hoe sterck en 6. Wilt heden Nu treden.
20)Voorloopers van de piano-forte.
20)Voorloopers van de piano-forte.
20)Voorloopers van de piano-forte.
20)Voorloopers van de piano-forte.
21)De basnoten, waaruit de luitspeler de
begeleiding moest kunnen opbouwen, volgens de nieuwe wijze van musiceeren, die
± 1600 in Italië ontstond. Voor de klavierinstrumenten was de bas
becijferd (dus het accoord bepaald); bij de luitmuziek was deze meestal
onbecijferd.
22)Nederlandsch componist; hofmusicus te
Kopenhagen, die behalve vele vocale verschillende instrumentale werken
schreef.
23)Deze zijn verloren gegaan.
25)Waarschijnlijk een broer (of oudere
zoon) van den Leeuwarder schilder en bouwmeester
Jan Vredeman de Vries, die een tijdlang in Mechelen
woonde.
26)In de Pavane Philippe (blz. 138) houdt
Valerius bij het 2e deel plotseling op met de maatstrepen.
|
|