Nederlandtsche gedenck-clanck


auteur: Adriaen Valerius


editeur: P.J. Meertens, Nicolaas Bernardus Tenhaeff en A. Komter-Kuipers


bron: Adriaen Valerius, Nederlandtsche gedenck-clanck. (ed. P.J. Meertens, N.B. Tenhaeff en A. Komter-Kuipers). Wereldbibliotheek, Amsterdam 1942  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 286]

Alphabetisch register naar de beginregels der liederen

Ach bitterheyt!164
Al uwe boos' aenslagen42
Al wat den mensch bejegent122
Al woud' ick, hoe soud' ick volkomen danck bewysen159
Almachtig God! Ghy die ons met u hand geplant hebt80
Als Christi Bruyd was in den nood246
Als God syn volck besoeckt met harde straf138
Ay hoor eens buerman lieve kaer202
  
Batavia, ghy syt de Bruyd193
Begeertens lust baert altyt quaet153
Bitter droeve klachten37
  
Com nu met sang van soete tonen52
  
De Heer in zynen Throon267
De Heere geeft ons groote stof180
De Vogel wert gelockt, gefluyt56
Den Hoeder Israel slaept noch sluymert231
Den mensche, Godes handen werck189
Des Hemels licht doet ons bericht263
Die vast'lyck op den Heer stelt zijn vertrouwen neer66
  
Een Coning, Prins, of Heere120
Een monster van een valsch gelaet83
  
Foey Don Jan!103
  
Geen dingen syn so geringe geschapen58
Geluckig is het land156
Geluckig is hy die leert sterven, d'wyl hy leeft162
Ghy die tot een Opper-Held146
Ghy heerscher van het Spaensche bloedig Ryck228
G'lyck den grootsten Rapsack86
G'lyck 't eel gesteent216
God siet neder uyt zijn Hemel91
Gy volckeren, hoor aen!274
  
Heer! als ick denck aen't goet249
Heere! keere van ons af68
Hoe groot (o Heer) en hoe vervaerlic33
Hoe loopet volc dus oneenig44
Hoogmoedig geest, wilt op u doen eens letten126
Hoort allegaer, hoe datmen klaer76
  
Ick meyn g'u veeren vry vind gekort150
Ick och arm! doe klacht op klacht117
  
Laet sang en spel48
Landsaten altemael220
  
Maraen, hoe moogt gy Spies en Lans verheffen176
Maximiljanus de Bossu71
Men brand, men blaeckt, men schend, men moort46
Men siet Gods kercke groeyen110
Merck toch hoe sterck nu int werck sich al steld!235
Merck toch! wat een duyster wolcke241
Myn Ziele treur'! en doet u klachten!210
  
O Heemskerck! noyt u kloecke daet198
O Heer, die daer des Hemels tente spreyt142
O Heer, wat hebben wy nu hier al ongevals50
O mensch! denct dat ghy toch syt sterf'lyck 171
O Nederland! let op u saeck99
Och dat de mensch den Heer gehoorsaem waer altyt273
Och, hoort doch aen, o Heer!106
Onse Heere God heeft hier beneden Goden oock gestelt89
  
Prijst God, ons aller Heer!93

[p. 287]

Siet Christen menschen!255
Siet toch Heer, hoe dat weer alsnu de Spanjaert woed183
Stort tranen uyt, schreyt luyde134
Sullen ons verbluffen dees'225
Syt nu verblijt in dese tydt39
  
'TGeween, 'tgehuyl, 'tgekryt65
'tIs een groot en heerlijc goet270
'tQuaet groeyt in groot getal129
'tSpaensche gedrocht met haer gespuys186
  
Verstandige, handige, dappere voochden vol trouw206
Voorwaer 'tis prys'lyck252
  
Waer datmen sich al keerd of wend213
Wanneer een heerschend man239
Wat baed u de voochdy der Landen115
Wat heeft God wond're daden tot aller tyd gedaen?260
Weest nu verblyt te deser tyt97
Wie dat sich selfs verheft te met75
Wilhelmus van Nassouwe61
Wilt heden nu treden voor God den Heere 168