|
|
|
| |
| | | |
Bijlage 7. Vlaanderen, let op uw zaak
Boon publiceerde deze bijdrage in Front van 22 september 1946.
De links-georiënteerde pers is er in Vlaanderen gekomen door zichzelf, door harde strijd en opoffering. Dit zijn geen ronkende woorden, velen onder onze schrijvers leden ontberingen, spaarden stuiver na stuiver om hunne gedachten in boeken en tijdschriften te kunnen verkondigen. Men mag waarlijk zeggen dat iedere centimeter vaste voet aan de duistere machten moest ontrukt worden. De reactionnaire pers beschikt echter over kapitaal en invloed, en - laat het ons bekennen - op vele plaatsen nog over een te volgzame massa die zij waarlijk door kuddegeest heeft kunnen afstompen. De moeilijkheden waarmede onze pers, onze tijdschriften, ons boekbedrijf, dag na dag te worstelen hadden, blijven onverminderd bestaan: ‘Zondagspost’ verdween. ‘De Faun’, maandblad voor kunst en letteren, geeft het op. Bert van Hoorick schreef een ontroerende oproep in ‘De Roode Vaan’, ‘Vooruit’, spreekt van moeilijkheden in het dag blad bedrijf. Het is mogelijk dat de reactie juicht, alhoewel dit juichen voorbarig is: in de nood wordt het staal gehard, in de nood zien wij hoe sterk de vijanden van alle waarheid, betere sociale voorwaarden en vrijere gedachte, nog steeds zijn; en dit besef doet ons waakzaam op onze post blijven.
Steller van dit artikel, een studie schrijvend over de gestorven Vlaamse romanschrijver Gustaaf Vermeersch, ziet iedere dag méér hoe iemand gefnoken werd die in Vlaanderen de stem dierf verheffen. Deze toestanden zijn weinig of niets veranderd, zij zijn alleen in hun bestaansvorm geraffineerder, en daarom gevaarlijker, geworden.
Moeten de tijdschriften verdwijnen, die open stonden voor iedere vrije gedachte, die een onbevangen oog hadden voor al wat er in de wereld gedacht en geschreven wordt; de bladen en blaadjes integendeel krioelen, die de reactie dienen, die onze kijk eng willen houden, ons volk arm, en onze kunst en wetenschappen op een zeer laag peil. Bekijk nu eens ‘Golfslag’. Jong, durvend, gelovend...zoals zij zeggen. Maar jong en gelovend is het niet, het is alleen maar durvend. Zij spreken over de meiboomplanting en over een vreemd soort socialisme, omdat zij er ‘nationaal’, nog niet
| | | | durven bijvoegen...maar dat komt nog wel. Zij noemen hun boekjes naar de oogstmaand en de wijnmaand, en achteraf staat er een reklaam om...Spaans te leren. Op zeer mooi papier gedrukt kost het slechts 15 fr., maar de inhoud is leeg en giftig. Lees in hun kroniek der letteren: ‘De Vlaamse Auteurs en de Oorlog’, aanvangend met de vraag ‘Werd tijdens de bezetting de continuïteit van onze letteren verbroken of werd, m.a.w., onze literatuur schade gedaan?’ En deze jonge Heren zeggen dan, kort en goed - of neen, integendeel, met eindeloze en verwarring brengende zinswendingen-dat het...‘opvallend is hoe sedert de bevrijding een aantal literatoren - vrijwel van dezelfde gezindheid - zich smalend en bitter over de collaboratie op letterkundig gebied, over zekere ‘zwarte’ schrijvers, hebben uitgelaten. Ziet ge, men zou op zekere ‘zwarte’ schrijvers niets mogen aanmerken, want...dat gebeurt dan met een gevoelen van blijdschap en verlichting omdat zij er van verlost zijn.
En dan vervolgen zij zeer kostelijk met: ‘Dit zeggen wij niet met het oog op een verdediging van diegenen waarvan een zekere kwade trouw niet weg te praten valt, alhoewel ook daar omtrent nog duisterheden opheldering eisen’. Zo, en waarom zegt ge het dan wel, lieve vrienden? Een zekere kwade trouw, het is waarlijk goed; maar uw ‘alhoewel’ en uw ‘duisterheden die opheldering eisen’, dat is onovertreffelijk. Zij vragen verder of ‘wij onze’ verzetsliteratuur kunnen tonen - van de hunne is er vanzelfsprekend geen schijn, daar zij misschien wel tot het N.S.J.V. behoorden, of gedichtjes over de helden aan het Oostfront fabrikeerden om in ‘Volk en Staat’ met lauweren omkranst te worden - en ook vragen ze zich af: ‘Wat interessant is, is het volgende: was de zogezegde kwade trouw, of waren de slechte intenties van de nu uitgestoten letterkundigen zo erg dat ze het werk der nu gedulde auteurs dwarsbomen, dat ze de ontluiking van jonge anglophiele elementen tegenhielden...’ Welnu, beste jongens, het zal misschien niet tot u doordringen dat ‘dwarsbomen’ en ‘ontluiking tegenhouden’, dingen zijn waar een waarachtig en anti-bloed-en-bodem kunstenaar maling aan heeft; maar mag ik u er aan herinneren dat een bekend dichter van uw ras een lijst opmaakte van Joodse en communistische schrijvers? Dat Jeanne de Bruyn te keer ging tegen een schrijver die...te communistisch was voor Vlaanderen, wel wetend dat ‘communistisch’ een woord was dat het concentratiekamp en de dood betekende? Weet ge dat diezelfde Jeanne de Bruyn een lijst indiende van onwaardige boeken die moesten verboden worden, lijst waar het werk van uw dienaar op de ereplaats vermeld stond?
En...de ‘hausse’ die boek en boekhandel in Vlaanderen kende tijdens de
| | | | oorlog, en die nu in een ‘crack’ is omgeslagen...zij is heel wat verder te zoeken dan daar waar gij meent ze te moeten bespeuren. Dat gij van ‘onverantwoorde hatelijkheden’ spreekt, och, goed dan. Maar wat alle perken te buiten gaat, dat gij de ongehoordste schaamteloosheid hebt te zeggen: ‘We waren gelukkig tijdens de bezetting een ketterjagerij te komen voorkomen’. Iets wat van het voorkomen gesproken in de eerste plaats een leugen is, en wat daarna aantoont wie en wat gij tijdens de bezetting zijt geweest. In uw argeloosheid hebt ge uw eigen vonnis uitgesproken; hoe groot was dan uw invloed, mijn in de argeloosheid onbeschaamde vriend, bij de bezetter, dat gij moogt spreken van: gelukkig te zijn in het voorkomen?
En alhoewel veel ander dingen nog nauwkeuriger uitgepluisd kunnen worden, wil ik daar overheen stappen, om tot uw eindbesluit te komen: ‘De geschiedenis van onze literatuur tijdens de bezetting zal later wel eens - in serener ogenblik- tot in detail uitgewerkt worden’. Neen, jongens, nu hebt ge het mis, uw ‘sereen ogenblik’, het ogenblik van de concentratiekampen, is voorbij en zal niet gauw terugkeren. Vlaanderen, let op zijn zaak!
|
|
|