|
|
|
| | | | | |
Aristocratische moraal
Een facet van de Geeraerdt van Velsen
| | | |
Veramente l'huomo da bene solo è degno di honore. G. B.
Possevino
Soe wie de heerlicke titel van een Prins wil verkrijghen, ende des
Tirans ongeziene naam vlieden: en zalt tzelfde niet met verschricken ofte
dreyghen; maer met weldoen moeten te weegh brenghen. Erasmus
1
| |
1
De derde scène van het tweede bedrijf van de
Geeraerdt van Velsen bevat het twistgesprek
tussen
Floris V en de voonaamste samenzweerders:
Geeraerdt van Velsen,
Gijsbert van Amstel en
Harman van Woerden. Nadat de graaf gevangen genomen was,
had men hem eerst naar het kasteel Cronenburch gebracht. Daar
wachtte men het duister af, blijkbaar om de gevangene ongemerkt naar
Muiden te voeren, waarvandaan de verbitterde Velsen en Woerden hem
naar Engeland hoopten over te brengen. De vrees voor ontdekking blijkt ook nog
uit het feit dat Floris bij de tocht van Cronenburch naar Muiden de
mogelijkheid ontnomen was zijn aanwezigheid kenbaar te maken, daar de edelen
hem een handschoen in de mond hadden gestopt. Feiten die bewijzen, hoe onzeker
de samenzweerders zich voelen ten opzichte van de houding van de bevolking
2. Men komt | | | | inderdaad bij donker op het
Muiderslot aan. De reactie van Machtelt, wanneer zij door haar man
gewekt wordt, toont dit duidelijk:
Wat komdy met ghevaer, door duysternis ghereden?
Om haar voor te bereiden op de dingen die stonden te gebeuren, is
hij vooruit gesneld; zij zal de enige vrouw, in ieder geval de enige
aanzienlijke edelvrouwe zijn in dit gezelschap van mannen
3. Behalve haar man, vader en neef zijn nog een aantal
edellieden aanwezig, vergezeld door hun dienaren. Immers
Geeraerdt van Velsen deelt zijn schildknaap mee, dat de
graaf gevangen is,
en (deze) sal hier haest wesen, met
De schaer van Edelliên en Heeren bondtgenooten.
Zij zijn het die de zwijgende, meespelende toeschouwers zullen zijn
bij het twistgesprek dat zich onmiddellijk na hun aankomst op het slotplein
ontspint tussen de graaf en de aanzienlijkste edelen die direct getroffen zijn
door de ontering van Machtelt. Een enigszins eenzijdig gesprek aanvankelijk
4; in ieder geval blijkt onomwonden het standpunt dat
door elk der personages wordt ingenomen, standpunten die wij konden verwachten
na de expositie ons gegeven in de monoloog van Machtelt en in haar droombeelden
omgezet in reële figuren die opduiken uit het voorportaal van de hel. Hier
is een geschikt beginpunt om de verschillende personen te analyseren in hun
optreden en habitus; hier worden wij geconfronteerd met het onverzoenlijke van
de opvattingen van Geeraerdt van Velsen en
Harman van Woerden, met het moraliserend-bestraffende
| | | | | | | | van Gijsbert van Amstel en het
ontwijkend-verdedigende van de graaf. Woerden begint met de bekende
woorden:
Uw, hooghe sprongen zijn, Heer meester, nu ghedaen.
woorden, die volgens de historische bronnen gesproken zouden zijn op
het ogenblik dat de edelen Floris overweldigden
5.
Hooft heeft dus niet gemeend het
‘verisimile’ daardoor geweld aan te doen en de regels van het
treurspel naar klassiek voorbeeld, hier de eenheden van plaats en tijd, hebben
hem in zijn ogen voldoende verontschuldigd tegenover zijn toeschouwers, onder
wie zeker velen de juiste toedracht der gebeurtenissen hebben gekend. Nadat
Woerden tegen Floris de honende opmerking gemaakt heeft, dat het met zijn macht
afgelopen is en zijn leven en dood in de handen van de edelen liggen, neemt
Geeraerdt van Velsen de aanval over door de graaf zijn eerste misdrijf voor de
voeten te werpen: de moord op zijn broer, een gerechtelijke moord. Gijsbert van
Amstel heft dit thema uit de persoonlijke sfeer, brengt het op het algemene
vlak van de hoogheid van de landsheerlijkheid en in tegenstelling tot zijn
medestanders die dreigen met wraakneming, voorspelt hij de ‘onsaliche
Prins’ innerlijke ondergang. Wij krijgen de indruk dat hij in de slotzin
àl zijn morele afkeuring en afkeer van een dergelijke handelwijze
neerlegt.
O gruwel, Eelmans eer te doôn met valsche schulden!
Deze claus van Gijsbert van Amstel stelt ons heel wat vragen,
voordat volkomen duidelijk is, hoe zij functioneert in het geheel van het stuk.
Wat betekent ‘moedwil’ (vs. 398), wat is ‘d'edel
gloory’ (vs. 399), wat is de zin van de vss. 400-401, wat houdt
‘met rechtvaerdicheydt’ (vs. 404) in en wat is daartegenover in vs.
416 ‘ongherechticheydt’, wat omvat ‘deuchd’ (vs. 406),
hoe verhouden zich een ‘vernoechd ghemoedt’ en ‘van yder | | | | zijn
aenschouwt, en loffelijck begroedt’ (vss. 407-408), wat wordt er gezegd
in de vss. 418-420 en wat is ‘Eelmans eer’ (vs. 421)?
Laten wij met het laatste punt beginnen. Wat impliceert het, wanneer
Gijsbert van Amstel de gevangen graaf als toppunt van zijn verwijten toevoegt,
dat hij ‘Eelmans eer’ gedood heeft. Geheel in overeenstemming met
de eisen van het genre speelt de
Geeraerdt van Velsen in de hoogste kringen.
Overigens niet verwonderlijk, in een wereld van hiërarchisch denken; zowel
in kosmisch als maatschappelijk opzicht, kon men niet anders dan zijn hoogste
idealen projecteren in de aanzienlijkste personen, evenals ook hun val het
meest schokkend was. Geeraerdt van Velsen is een edelman, hij is ook een
ridder, hij behoort tot de ‘grooten’, onder wie Floris de primus
inter pares is. Ook Velsens schoonvader Harman van Woerden en hun neef Gijsbert
van Amstel behoren tot diezelfde groep van voorname edelen. Machtelt, de vrouw
van Geeraerdt van Velsen, dochter van Harman van Woerden, is een edelvrouwe.
Zij zijn de belangrijkste handelende personen. Als wij afzien van figuren als
Twist, Geweldt en Bedroch, Eendracht, Trouw en Onnooselheydt, komen als
niet-adellijke figuren alleen Timon, de tovenaar, en de trompetter in
aanmerking. De Schildknaep is ongetwijfeld van adellijken bloede. Dat de
handeling in de middeleeuwen geschiedt ligt in de aard van het onderwerp
opgesloten. Het Muiderslot dat
Hooft bewoonde en dat een belangrijke rol gespeeld had bij
de gebeurtenissen in 1296, moge zijn keus van dit onderwerp als treurspel
beïnvloed hebben, niet minder sterk zal de intense belangstelling die er
in het laatst van de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw in
Holland bestond voor de graventijd in het algemeen en voor
Floris V en zijn gewelddadige dood in het bijzonder, deze
bepaald hebben
6. Nu bedreigen de
interpretator-commentator van deze zeven- | | | | tiende-eeuwse tekst twee
gevaren. Het eerste gevaar: hij transponeert het stuk met al zijn waarden in
een twintigste-eeuws milieu en vergeet daarbij dat niet de uitzonderlijke, nu
nog weinig of niet meer voorkomende woorden de moeilijkheden vormen, maar juist
de gewone, die toen net iets anders inhielden dan nu, of een net iets andere
gevoelswaarde hadden, of net meer of minder belangrijk waren in het totale veld
van morele waarden. Factoren van allerlei aard, vooral sociale, maar ook
politieke en economische, wetenschappelijke en godsdienstige hebben aan deze
wijzigingen deel.
Het tweede gevaar is niet minder reëel: de commentator gaat
begrippen en personen interpreteren en beoordelen van zijn hedendaagse
historische kennis der middeleeuwen uit en hij projecteert zijn visie op het
verleden in de zeventiende-eeuwse mens. Deze houding leidt al evenzeer tot
onjuiste conclusies als de eerste. Historisch perspectief in de
twintigste-eeuwse zin was de zestiende en zeventiende eeuw nog vreemd, al
begint men oog te krijgen voor het anders geaarde, bepaald door factoren van
klimaat, bodem en ras
7. Vele
opvattingen die in de achttiende en negentiende eeuw zullen worden uitgewerkt,
zijn reeds in deze tijd in aanleg aanwezig. Nu echter haalde men het verleden
nog in eigen sfeer: de Romeinse consul was vergelijkbaar met een Amsterdamse
burgemeester, de middeleeuwse tovenaar had alle kenmerken van zijn zestiende-
en zeventiende-eeuwse collega; het gehele
Parallelon Rerumpublicarum van
Hugo de Groot is er een bewijs van. Atheners, Romeinen,
zeventiende-eeuwse Nederlanders en ook de oude Bataven worden hier in | | | | één kroes gegooid om hun morele en ethische deugden met
elkander te vergelijken, de drie republieken worden op één niveau
geplaatst. Vele van de tragedies van
Corneille en
Racine spelen in de klassieke oudheid, maar de personen
die er in optreden zijn zeventiende-eeuwers: volbrengers van grote daden,
verdedigers van hoge denkbeelden, gedrevenen door machtige hartstochten
8. Voor dergelijke personages had het Franse schouwburgpubliek in de
zeventiende eeuw belangstelling. De geschiedenis was voor de zeventiende-eeuwer
een onuitputtelijk reservoir van lessen voor het heden
9.
Steeds ging het om de morele rechtvaardiging van het handelen; men zocht in het
verleden zijn voorbeelden in positieve en negatieve zin: illustere en
navolgenswaardige, abjecte en verwerpelijke, gemeten niet aan de normen van dat
verleden, maar - hoe kon het anders bij deze instelling - aan die van de
beschouwer. Een opvatting van de historie die niet de onze is, maar die
ongetwijfeld een belangrijke functie had in de cultuur van die tijd.
De middeleeuwen in wezen vreemd aan onze samenleving en cultuur,
deze stelling wordt zonder moeite aanvaard, evenals die welke de renaissance
definieert als het begin van de nieuwe tijd en de hedendaagse beschaving. Te
gemakkelijk wordt daardoor vergeten, dat er naast overeenkomsten - en zelfs
deze zijn meer schijn dan werkelijkheid - aan de fundamenten reeds waarop het
gebouw van onze samenleving en van ons denken daarmee in verband staande -
sociaal-ethische en politiek-morele kwesties dus - is opgetrokken, diepgaande
tegenstellingen tussen de renaissance en onze tijd aan de dag treden.
Er bestaat een kloof tussen onze democratische idee van de
gelijkheid van alle mensen en de aristocratische idealen van de zestiende en de
zeventiende eeuw. De overtuiging van de ongelijkheid van de mensen, van de
superioriteit van sommigen lag vast verankerd in geesten die alles zagen in het
licht van een | | | | hiërarchische bouw
10. Zij was een erfenis van de
voorafgaande eeuwen, maar de nieuwe tijd kondigde zich aan in het feit dat
naast de oude factoren die haar hadden bepaald, meer en meer nieuwe optraden,
die gevoed werden door de zich verdiepende kennis van de klassieke cultuur. De
democratie - gesimplificeerd weergegeven door ‘een regering van
allen’ - was voor de kringen die in de zestiende en zeventiende eeuw
bewust aan de cultuur deelnamen, een gruwel.
Hugo de Groot, zeker geen nieuwlichter, maar een top
van conservatieve intelligentie en als zodanig aanvaard door de leidende
bevolkingslagen in Nederland niet alleen, maar in heel West-Europa, maakt dit
ons duidelijk als hij in zijn
Parallelon over Athene, het voorbeeld van een
democratie, spreekt.
‘Ik ben dan van gevoelen, dat de Atheniensers onder alle
volkeren in hunne beraadslagingen zich als de dwaassten betoond hebben: 't geen
hunne Geschiedenis door alle tijden heen bewijst. Doch wat kan men ook anders
van dien Staat verwachten, in de vestiging van welken, aan wien zij dan ook
moet toegeschreeven worden, 't zij aan Theseus, 't zij aan Solon of aan iemand
anders, deeze zoo onvoorzichtiglijk heeft misgetast, dat hij, begrijpende dat
niets zoo heilzaam en zoo veilig was dan een onderlinge evenredigheid, zich
eene Arithmetische gelijkheid heeft voor den geest gesteld, in plaats van eene
Geometrische, door welke het middagklaar is, dat de Staaten, gelijk Plutarchus
bemerkt, alleen in aanweezen kunnen blijven. Dus wierden de Meesten den Besten
voorgetrokken; en, terwijl de ondeugden der Volkslosbandigheid uit haaren aart
toenamen, de dwaassten van het onkundige Gemeen aan het bestuur van den Staat
geplaatst. Aan de droomen en raazernijen van dit soort van Raadslieden
onderwierp zich het Gemeenebest; zoo dat die alleen, onder alle Athenienseren,
mij schijnt een man van doorzicht geweest te zijn, die zich verwonderende over
des | | | | Volks eenpaarige goedkeuring van 't geen hij voorstelde, begon
te vreezen, of hij ook in iets misdaan had.’
11
Welk een paternalistische en ook optimistische mentaliteit spreekt
uit het volgende citaat: ‘Want daar het bestuur in handen der
Aanzienlijken is, wordt een gemeen vereischt dat van de slaavernij een' afkeer
heeft, en dat, als vrijgeborenen, aan zulken begeert te gehoorzaamen, wier
deugd hen tot leidslieden van hunne landgenooten verheft, en het houden van het
Staatsroer waardig maakt.’
12
Inderdaad, deugd en stand gingen samen, zoals wij nog zullen zien.
Zo dachten onze zeventiende-eeuwse voorouders over de democratie en over het
gemene volk. Gelukkig was ons land van de oorsprong af een land geweest dat
door de aanzienlijken geregeerd was en dat betekende dat het een vrij
gemenebest was. Wel was de verdraagzaamheid onzer natie door de
‘dagelijksche inkruipende overheersing’ van de graven op de proef
gesteld, maar de excessen van de Spaanse overheersing hadden het dulden niet
langer noodzakelijk gemaakt - rechtvaardiging van de opstand dus - en nu was de
vrijheid hersteld. In deze graventijd, toen een aanslag werd gedaan op de
vrijheid, zoals deze in het begin van de zeventiende eeuw werd opgevat, speelt
de
Geeraerdt van Velsen. Het zou dus mogelijk zijn
en alleszins zinvol om te kijken, hoe de geschiedenis van de graven en in het
bijzonder die van
Floris V en zijn ontijdige dood in de historieverhalen die
in het begin van de zeventiende eeuw beschikbaar zijn en gelezen worden, ligt.
Deze weg wil ik nu echter niet inslaan.
| |
2
Ik keer terug tot vs. 421:
O gruwel, Eelmans eer te doôn met valsche schulden!
Er is dus sprake van eer, die nader bepaald wordt door
Eelmans. Wat was voor de zeventiende-eeuwer een edelman, welke in- | | | | houd heeft het van-adel-zijn voor hem? Dat een cultuur, waarin zich naast
de oude een nieuwe elite vormde, belangstelling voor dit probleem had, is niet
te verwonderen. Vooral in Italië zijn er tal van werken over dit onderwerp
geschreven, die meestal heel gauw in het Frans en Engels werden vertaald,
hoewel er ook in die talen wel originele beschouwingen werden uitgegeven; in
ons land was het aantal vertalingen veel geringer, wat ongetwijfeld samenhing
met het kleinere debiet en met het feit dat de meeste geïnteresseerde
Nederlanders Italiaans, in ieder geval Frans lazen. Het niet-vertaald-zijn van
een boek hoeft dus in ons land niet op veronachtzaming te wijzen.
In moderne tijd is het probleem object van studie geweest van
verschillende geleerden in het buitenland: Kelso, Wiley, Bryson, Curtis Brown
Watson.
Wel moeten wij bij het gebruiken van de conclusies van hun arbeid
voorzichtig zijn, omdat alles wat geldt voor Italië, Frankrijk en Engeland
niet zonder meer kan worden overgedragen op Nederlandse toestanden; evenzo
bestaan er verschillen tussen de adel van de genoemde landen: de Franse adel
was voor alles militair gericht, terwijl de Italiaanse, behalve op de
wapenhandel, de nadruk legde op de kennis van wetenschappen. Anderzijds moeten
wij de verschillen ook niet te groot zien, daar de Nederlandse adel de
Bourgondische en Spaanse vorstenhuizen had leren kennen en er een levendig
contact bestond met Frankrijk en Engeland. Men denke aan de Hugenotenstrijd,
aan Anjou die naar Nederland kwam, en bovendien dienden in de Staatse legers,
die in de laatste vijftien jaar van de zestiende eeuw een vaste organisatie
kregen, tal van Franse edellieden, terwijl de Engelse adel hier verscheen in
het gevolg van niemand minder dan Leicester. Deze moge spoedig naar zijn land
teruggekeerd zijn, de Engelsen en Schotten bleven een belangrijk contingent
onder de vreemde troepen in dienst van de Republiek vormen.
En al was de Republiek niet de geschikte kweekbodem voor de adel
en zijn activiteiten, toch was het eerste verzet tegen
Philips II van deze zijde gekomen, hadden de
opstandelingen in de edelen hun leiders gevonden en bleven dezen een rol | | | | spelen, niet alleen in het leger, maar ook in de politiek. Daarbij kwam
dat de nieuwe regerende elite distincties zocht om zich te onderscheiden van de
grote massa; zo zien wij de aanzienlijke regentengeslachten jagen op adellijke
goederen en erfelijke titels, terwijl de eerbied voor de hogere standen bij
handwerkslieden en boeren groot was.
Nu zijn wij uitstekend ingelicht over wat het van-adel-zijn in de
Republiek betekent en wat de positie van de edelen is.
Hugo de Groot zegt het ons in zijn
Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid,
geschreven tijdens zijn Loevensteinse gevangenschap en voor het eerst
uitgegeven in 1631. Het veertiende deel van Boek I houdt zich bezig met edelen
en onedelen. Daar lezen wij:
| § 1. | Vyt het geslachte komt het onderscheid dat eenighe
zijn edel-boortig, eenige on-edelen. |
| § 2. | Edel-boortig zijn die gekomen zijn van een vader
wiens gheslacht van ouds voor edel was bekent, ofte door de landoverheid edel
was gemaeckt. |
| § 3. | Want eenige geslachten hebben haren adel van alle
oude tijden gehad, zoo bekent zijnde, dat de zelve geen bewijs en behoeft.
Andere eerlicke geslachten zijn door verdiensten ofte gunsten daer nae daer by
gevoegt. |
| § 4. | Wy segghen ghekomen, te weten wettelick: 't en waer
het waren speel-kinderen van graven ofte vry-heeren, de welcke mede voor
edel-luiden werden erkent. |
| § 5. | Wy seggen oock van een vader: want zulcks in deze
landen genoeg is om edel te zijn: uitgezondert dat de edelen gekomen van vier
edele vierendeelen ofte van lang-bejaerde stammen, alleen ontfanckelick zijn
tot eenighe inkomsten van goederen, die men on-eighentlick geestelicke noemt,
nae de voorwaerden daer op de zelve goederen zijn gesticht. |
Vroeger, deelt
Grotius verder mee, was het onderscheid tussen edelen en
onedelen vrij groot: een misdaad tegen de edele werd zwaarder beboet, de
onedele mocht niet tegen de edele getuigen of over hem rechtspreken, ook was de
adel schot-vrij. Nu is het afgelopen met deze privileges: de rechtspraak is
voor allen gelijk, | | | | het schot wordt niet meer geheven en de
belastingen worden zonder aanzien des persoons omgeslagen. Alleen heeft de adel
nog het recht van jagen op hazen en konijnen. Maar dit alles had de glans van
deze adel niet verdoofd en hij bleef begeerd en vereerd, terwijl men niet dan
een obligate buiging maakte voor de beide andere soorten. Immers sedert de
middeleeuwen onderscheidde men drieërlei adel. Vaak begonnen geschriften
over de adelstand nog in de renaissance met deze indeling om zich spoedig tot
de geboorteadel te beperken.
Een voorbeeld hiervan in onze taal vinden wij in Th. de Roucks
Den Nederlandtschen Heravld van 1645. Dit boek
begint als volgt: ‘Den Edeldom / die vele vande beste verstanden / met
groote ghetuygenisse van onvervalschter waerheydt ende uytnemender
welspreeckentheyt / hebben ghesocht te deriveren uyt verscheyden oorsaecken; is
dryderhande / ende ghedeelt in Gheestelijcken Aedel; de welcke bestaet in de
Religie: in Philosophischen Aedel; die verkreghen wordt door morale deuchden:
ende Politijcquen Aedel; waer af dit teghenwoordigh Tractaet is’.
13
Intussen is door
Hugo de Groot het begrip adel alleen maar juridisch
gedefinieerd, de sociale en morele facetten komen hierbij niet aan bod.
Eenzelfde bepaling kunnen wij in de Inleiding vinden van de
eer. Tot de onwandelbare zaken, dat zijn onvervreemdbare, van de enkeling
behoren het leven, het lichaam, de vrijheid en de
eer.
| § 48. | ‘De eer behoort mede een yder toe: eerst om te
beschermen: kan oock door misdaed verbeurt werden, als bij den ghenen die
eerloos werden verklaert………’. |
Juridisch beschouwd bezit dus ieder individu onvervreemdbaar de eer,
evenals ook het leven, het lichaam en de vrijheid.
In vs. 421 wordt gesproken van Eelmans eer en het is wel
duidelijk dat daarmee een bepaald soort eer wordt bedoeld. In de toneelsituatie
gebruikt een edelman deze term, sprekende tegen | | | | een edelman, over
een edelman, in het bijzijn van edellieden.
Door misdaad kan eer verbeurd worden. Floris had door valse
beschuldigingen de eer van een individu aangetast, had haar vernietigd zelfs
naar de opvatting van Gijsbert en deze zal wel de algemene mening hebben
uitgesproken. Daar lag juridisch de schuld van de graaf. Maar er was meer: dit
individu was een edelman en een aanslag op diens eer was een veel ernstiger
zaak. Zo stelt het de toneelsituatie; wij zullen nog zien hoe het in de
cultuursituatie van het begin van de zeventiende eeuw lag. Wat was misdaad
tegen de eer?
Wij kunnen verwachten dat de Inleiding zich met dit probleem
zal bezighouden en een antwoord op onze vraag zal geven. Dat is inderdaad het
geval in het zesendertigste deel van het derde boek. Daar lezen wij: § 1.
‘Misdaed jegens eer werd ghenoemt lastering. Want de eer nemen wy hier
eng, sulcks dat daer door beduit werd het goed ghevoelen dat anderen van ons
hebben. Andersins werd hoon oock ghezeit jegens ons eer te
geschieden’.
Hierbij moeten wij opmerken dat hoon, volgens de opvatting
van
De Groot, eigenlijk misdaad tegen de vrijheid is.
Allereerst interesseert ons het volgende: wanneer eer eng wordt opgevat,
is er sprake van het oordeel dat de mensen over hun medemensen vellen. Er moet
dus ook een ruimer begrip eer zijn, dat meer omvat dan de naam die men in de
maatschappij verworven heeft. En hiermee zitten wij in de discussie die in de
renaissance bestond over wat eer was en wie haar bezat. Dat wij haar in de
dramatische literatuur gedefinieerd zouden vinden, is niet zeer waarschijnlijk
en dat is begrijpelijk. Een idee die in een periode tot de drijvende krachten
van het menselijk handelen van een elite behoort, is zozeer verweven met het
leven, dat de auteur van een dramatisch werk, dat toch nabootsing van dat leven
wil zijn en dus van een levenshouding uit is geschreven, niet over het begrip
raisonneert, daarvoor is in de dialoog geen plaats. Die plaats is er wel in de
reien, die vaak van beschouwelijke aard zijn, en juist raisonneren over de
problematiek die het leven, i.c. een segment van het leven gereflecteerd in het
drama, stelt.
| | | | In het levenspatroon van de twintigste-eeuwer neemt de
eer een minder geprononceerde plaats in, ook een anders gerichte. Zij heeft nu
meer als beroepseer een actieve functie en heeft als hoofddoel een consequent
handelen op een bepaald niveau. Zo wordt de mogelijkheid geschapen zowel de
aantasting van buiten tegen te gaan als ook die van binnen door het individu
wiens verantwoordelijkheidsgevoel tekort mocht schieten. Het zeventiende-eeuwse
eergevoel zal de mens uit de twintigste eeuw dan ook niet op een directe wijze
aanspreken en als hij de aard ervan wil benaderen, zal het noodzakelijk zijn te
gaan naar werken van beschouwende aard, die zich bezighouden met de ethische en
morele problematiek en waarin over de inhoud van dit soort begrippen
gediscussieerd wordt.
De aanwezigheid van hoofdstukken over de adel en over de eer in deze
geschriften wijzen op hun betekenis voor de elite. Ze gaan voornamelijk terug
op
Aristoteles'
Nicomachische Ethica en
Cicero's
De Officiis. Het moge waar zijn dat de
renaissance zich ging wenden tot
Plato, toch bleef de invloed van Aristoteles ook in deze
periode nog groot. In tal van geschriften uit de zestiende en zeventiende eeuw
ontmoeten wij de benaming ‘de filosoof’ en daarmee wordt steeds de
Stagiriet bedoeld. Met ‘de goddelijke filosoof’ wordt Plato
aangewezen en deze nuancering geeft heel goed het begrip voor de
andersgerichtheid van deze wijsgeer weer. Aristoteles'
Ethica beleefde in de zestiende eeuw twintig
edities in het Grieks, er werden vele commentaren op geschreven en er
verschenen talrijke vertalingen in het Latijn, Frans en Italiaans. Niet minder
populair was Cicero. De studie van het Latijn nam in de zestiende eeuw voor de
aristocratie een belangrijke plaats in. Gedurende eeuwen was Cicero's plaats
onaangetast geweest. In de tweede helft van de zestiende eeuw kwamen
Seneca en
Tacitus hun plaats opeisen. Tekenend is dat
Coornhert Cicero's De Officiis en Seneca's
De Beneficiis vertaalde. Van de moderne auteurs
die het meest hebben bijgedragen tot een Westeuropees niveau van ethische en
morele normen en die nog lang na de zestiende eeuw gelezen worden, noemen wij
Baldessar Castiglione met zijn
Il Cortegiano,
Stefano | | | | Guazzo met
La conversatione civile,
Della Casa met
Galateo,
Annibale Romei met
Discorsi,
P. de la Primaudaye met
L'Académie Française.
Van Castiglione's beroemde boek verscheen pas in 1662 een
Nederlandse vertaling van
Lambert van Bos, 134 jaar na het eerste verschijnen, van
de Galateo eerst in 1715, van Guazzo's Conversatione Civile
daarentegen reeds in 1603. Toen gaf
Gomes van Triere het uit onder de titel
Van den Hevschen Bvrgerlycken Ommegangh
14.
Van deze boeken bestonden in het Engels en het Frans reeds
vertalingen in de zestiende eeuw. Het is duidelijk dat een werk, wanneer het
ook in het Nederlands vertaald was, een veel ruimer publiek kon bereiken, maar
wij moeten wel bedenken dat dit soort literatuur zich in het bijzonder tot de
aristocratie richtte en in deze kringen was men in staat Frans, Engels en
veelal Italiaans te lezen. Men kan vragen: waarom werd Castiglione's Il
Cortegiano zo laat vertaald en Guazzo's Conversatione reeds zoveel
eerder? Richtte het eerste werk zich te zeer tot de hofkringen en het laatste
meer in het algemeen tot de burgerlijke aristocratie? In ieder geval bestond er
hier belangstelling voor de problematiek in deze beschouwingen aangeroerd.
Wij keren tot de adel terug. Wij constateren dat in de
Geeraerdt van Velsen steeds sprake is van deugd
en andere morele waarden, wanneer het gedrag van een edelman in het geding
komt. Beschouwen wij nu de zoëven genoemde literatuur op een bepaald punt,
voor ons doel dus op dat wat adel inhoudt, dan blijkt ons, dat er, hoe
verscheiden de verhandelingen ook zijn, toch uiteindelijk een vrij grote mate
van overeenstemming blijkt te bestaan.
Guazzo geeft in zijn Van den Hevschen Bvrgerlycken Ommegangh
de verschillende meningen, waaruit hij de zijne distilleert:
‘Ick stelle dan voor dryerley standt van Edelheyt / van de
welcke ick voorts brenge dryerley Aerdt van Edelen / dat is / Edel van den
eersten Standt / Edel van den tweeden / ende Edel | | | | van den dryden:
Tot die van den eersten standt / alsnu geen ander veel eyghener terme
hebbende / sal ick den Naem gheven van half Edel: die andere van den tweeden /
sal ick Edele noemen: die van de dryde / seer Edele ..… ende eerstelijck
/ verstae ick half Edelen die ghene / welcke niet Edel en zijn / dan alleen
door Bloedt / heuren oorsprong treckende van de oude Edelheyt / sonder te
hebben eenighe Deucht / noch Zeden / noch den schijn van Edelheyt.’
15 Dit
zijn degenen die direct op hun adel zweren, uit vrees dat men hun status niet
aan hen ziet. Inderdaad hebben sommigen ‘den snuyt eenes
Esel-drijvers’
16. Na deze halfedelen ‘volght die tweede /
welcke is / van die Edelen door Deucht ……. Nu aenmerckt ghy wel /
dat d'Edelheyt des Bloedts u gantsch niets en cost / ende ghy hebtse by
Erffenisse: maer die ghene / welcke ghy van der Deucht treckt / die hebt ghy
vercregen door eenen goeden strijdt / zijnde eerst by middel van vele angsten
doorghegaen. Boven desen heeft men t'overleggen / dat d'Edelheyt des Bloets het
Lichaem aensiet / ende die van der Deucht siet op 't Ghemoedt’.
17
De derde groep verenigt èn bloed èn deugd, zij zijn
zeer edel ….., ‘want de Edelheyt des Bloets by de andere goede
wercken ghevoeght / die bedwingt den Mensche / van der Deucht ende Weerdicheyt
zijner Voor-ouders niet te wijcken. Ende verdient dese Edelheyt om dier oorsake
oock wel gheeert te werden / want het waerschijnelijck is / dat te meer wy van
goeden Gheslachte zijn gheboren / oock des te beter zijn.…’
18
De theoretische erkenning van een morele waarde wordt niet altijd in
een realiteit omgezet. Guazzo moet het erkennen: adel des bloeds wordt voor vol
aangezien en de adel des deugds is niet anders dan een
‘bastaert’.
Romei constateert, dat de edel geborene verder af is van de
| | | | schande brengende daad en meer geneigd tot de deugd
19. Dit ligt in de eerste plaats
aan de geheime kracht van het zaad, waaruit hij geboren is, een
fysisch-psychisch verschijnsel dus en ook zal de Rede hem stimuleren de erkende
deugd van zijn voorouders na te volgen en zich verre te houden en zich te
bevrijden van de ondeugd om de naam van zijn voorouders niet te besmetten
20.
De la Primaudaye voegt hierbij nog de opvoeding. Hij
zegt: gemeenlijk zijn de edelen van groter bekwaamheid, van een beter gedrag en
beschaafder dan handwerkslieden en mensen van geringe stand, omdat zij van
kindsbeen zijn opgevoed in een beschaafd milieu en temidden van mensen van eer.
In deze kringen bestaat ook niet de gebondenheid door het werk, is er vrije
tijd om zich te bekwamen in de artes liberales en de morele disciplines
21.
Studiën zijn bevorderlijk:
De Rouck draagt zijn
Nederlandtschen Heravld op aan ‘Den
Edelen ende Welgheleerden, Jonckheer,
Constantyn van Mechelen, Schiltknaep’ en
apostrofeert deze aan het slot van de opdracht als ‘V. Edelheyt, die daar
is Nobilis à proavis, Nobilis à studiis’
22, edel door de
voorvaderen en edel door de studiën. Inderdaad, de humaniora hielpen mee
om de deugd te bevestigen.
De enorme afstand tussen de aristocratie en het gemene volk is
apert. Deze ideale adel was geroepen tot het bewind van de staat en er was ook
alleen capabel voor. De Rouck spreekt het onomwonden uit: ‘want het
redelijck ende natuerlijck is / dat / die van weyniger verstant zijn /
geregeert werden / door beleydt van Persoonen / die rijck zijn in wijsheydt /
ende extraordinaerlijck begaeft’.
23
| | | | Hugo de Groot komt tot dezelfde conclusie:
‘.… hoe dat alle menschen, door de gheboorte gelijck zijnde
…… nochtans niet sonder reden den eene mensch des anders beleid
ende gebied is onderworpen…… Want het wijste komt altijd toe te
gebieden’.
24
Deze zienswijze past geheel in de opvatting van een
hiërarchische opbouw van het heelal. In de kosmos was door God een
logische orde geschapen, hypostasen die naar een steeds hoger stadium voeren en
hun apotheose en eindpunt in de Schepper vinden. En hiermee correleren de
hiërarchieën in gezin en maatschappij, in de laatste zowel sociaal
als politiek. Aan de top van de politieke piramide staat de vorst: in theorie
ook moreel het eminentste wezen op aarde, een God op aarde. Vlak onder hem
staan de hoge edelen, de groten, die zich in adel zijn gelijke rekenen, een
gelijkheid die in het Bourgondische rijk gemarkeerd werd door de instelling van
de orde van het Gulden Vlies en in de praktijk van het staatkundig bestel in de
Nederlanden, Frankrijk en Engeland enerzijds hoge ambten en gunsten opleverde
en anderzijds aanleiding gaf tot ongenade en rebellie.
Een dezer groten, Geeraerdt van Velsen, voegt Floris toe:
Verrader eerloos, streep, en schandtvleck aller grooten.
Wij kunnen ons afvragen: in welk verband was Floris een verrader?
Was er inderdaad sprake van dat hij een bastaard was? Hoe functioneren deze
scheldwoorden? Oppervlakkig beschouwd, wanneer wij de handeling transponeren in
eigen tijd, krijgen wij het idee dat er gescholden wordt zo in de trant van
‘lelijke communist’ of ‘vuile fascist’. Het klinkt ons
ietwat grootsprakig in de oren. In geen der historische bronnen vinden wij ook
slechts het lichtste vermoeden of de kleinste hint dat Floris een bastaard zou
zijn. Neen, hij is de wettige zoon van graaf
Willem II, de Rooms koning. Wij kunnen vermoeden dat het
woord bastaard een kwetsend scheldwoord is voor een edelman in de mond
van een edelman, en dat was het inderdaad. | | | | Maar dan zouden wij toch
nog graag weten wat Geeraerdt er toe brengt juist het woord
‘streep’ te gebruiken. Guazzo vertelt het ons, wanneer hij spreekt
over de door hem genoemde halfedelen:
‘Godt behoede ons dan van den staet deser half Edelen / die
welcke van der Edelheyt anders niet en hebben / dan den Naem / ende niet over
een comende met de wercken / tot die claerheyt des Gheslachtes / zijnse van der
Weerelt in cleinachtinghe / ende laten achterdocht / niet Wettelijck gheboren
te zijn..…’
25.
Velsen weet heel goed dat Floris niet een bastaard is, hij wil hem
ook niet plagen, maar het feit dat de graaf in zijn morele gedrag verre blijft
beneden dat van zijn vader en van zijn voorouders, dat hij alle adellijke
deugden heeft verloochend, geeft hem dit schimpwoord in de mond, want men was
van mening dat de bastaard moreel achter stond bij de wettige kinderen. Zo
functioneert het voor het publiek en dat wil zeggen in de werkelijkheid, maar
het functioneert ook in de toneelwerkelijkheid en daar is het een edelman die
een andere edelman, daar is het een aanzienlijk edelman, één der
groten, die zijn vorst met het schimpwoord bastaard aanspreekt en hem daarmee
te kennen geeft, dat moraliter zijn gedrag de edelman onwaardig is en dat hij
daardoor schande laadt op zijn vader en zijn voorgeslacht.
Op gelijke wijze functioneert in vs. 444 bastaertspruyten,
alleen in tegengestelde richting. Velsen heeft Floris zijn schandelijk gedrag
tegenover zijn vrouw voor de voeten geworpen. Van Woerden, getroffen in zijn
dochter en de zaak van Velsens broer tot de zijne makend, stelt de
bitter-sarcastische vragen: Dacht je zo met onze eer en ons bezit - vgl. vs.
396; de goederen van Velsens broer waren geconfisqueerd - te kunnen omspringen,
dacht je dat wij als verdoofd in slavernij onze zonen voor de beul en onze
dochters voor de bordelen zouden grootbrengen? Het antwoord geeft hijzelf in de
volgende beide verzen: neen, zegt hij, | | | |
W'en zyn vande ' Helden vroom en braeve stammen, die 't
Noyt vaylich was te smaên, die bastaertspruyten niet.
En wij interpreteren nu deze passus: wij zijn geen onwettige zonen,
van wie het niet zeker is of zij wel de deugden en zeden van hun ouders
bezitten, maar de legitieme kinderen van ouders en voorouders wier deugden in
overeenstemming waren met de hoge positie die zij bekleedden en die op het punt
van hun eer niet waren aan te randen. Impliciet wordt er meegedeeld: onze eer
kan niet worden aangetast zonder dat wij ons verzetten, wij zijn niet, zoals je
blijkbaar verwacht hebt, en in ‘die bastaertspruyten’ is
die ongetwijfeld depreciatief. In dezelfde gedachtengang als
bastaard ligt ‘schandtvleck aller grooten’.
De geschiedenis van de zestiende eeuw is vol van de daden van de
grote heren: in de Nederlanden droeg het personeel van de ‘grooten’
als Oranje, Egmond, en Hoorne een eigen livrei in de jaren zestig, toen het
verzet tegen Philips vastere vorm aannam. In Frankrijk speelden aanzienlijke
geslachten als b.v. de Guises een eigen politiek spel naast en tegen de koning.
In Engeland weigerde de graaf van Essex een belediging van wie ook, zelfs van
de koningin, te aanvaarden; de graaf van Pembroke had meer dan duizend
dienaren, allen gekleed in zijn livrei
26.
Gezien de hiërarchische gedachte moesten deze hoogsten in den
lande ook de eminentsten in deugd zijn en zij achtten zich de evenknie van de
vorst. Het standsbewustzijn van deze groep klinkt door in de woorden van
Barlaymont - al dan niet gesproken, ze blijven typerend -, toen de lagere adel
het smeekschrift kwam aanbieden: ‘ce ne sont que des gueux’
27. | | | | En standsbewustzijn gaat gepaard met een eigen code van
normen. Tegen deze code, geldend voor alle groten, de graaf inbegrepen, heeft
Floris gezondigd en zijn gedrag als individu slaat terug op de gehele groep.
Dit is het wat Geeraerdt van Velsen hem toebijt in ‘schandtvleck aller
grooten’. Hierom gaat het ook bij ‘verrader
eerloos’: gij Floris, hebt de waarden van de code gebroken,
gij zijt een verrader van de normen die gelden op het niveau van de groten,
waarvan gij er één zijt niet alleen, maar de meest prominente,
gij zijt vervallen tot eerloosheid, want door valse beschuldigingen hebt gij
mijn broer ter dood laten brengen en u verrijkt met zijn goederen, uw handelen
is een misdaad geweest en daardoor hebt gij in onze kringen uw eer
verbeurd.
| |
3
Wat Geeraerdt aan Floris in concreto verwijt, de moord op zijn
broer, neemt Aemstel in theoreticis over. Hoe ver zijt gij afgedwaald van de
edele glorie, waartoe gij geroepen waart.
De edele glorie d.i. de hoogste glorie, die bestond in uiterlijke
eerbewijzen, die de vorst ten deel vallen als top van de sociale piramide. Ook
de hoge adel wordt geëerd, elke adel wordt geëerd, maar de eer van de
vorst gaat daar ver boven uit. In overeenstemming met het ideale beeld dat de
moraalfilosofen ontwerpen, steekt de vorst of behoort de vorst evenzeer uit te
steken in moed en deugden als hij verheven is in rang. Tot deze eer was Floris
geroepen. Door ‘hoochgheboorenheydt’ (vs. 400) d.w.z. door
adellijke afkomst. Maar hierin stond hij met velen gelijk, in elk geval stonden
de groten op zijn niveau. Bovendien, hooggeborenheid is op zichzelf geen
waarborg voor de volmaakte adel, de hoogste eer waardig. Daartoe behoort meer.
Dat Floris deze hoogste glorie ten deel kon vallen, dat | | | | hij ertoe
geroepen was, lag in de tweede plaats aan de vrome aard van zijn voorouders. De
zestiende- en zeventiende-eeuwers waren er zich zeer duidelijk van bewust dat
ieder adellijk geslacht, ook ieder vorstelijk geslacht, ééns tot
die waardigheid gekomen was. Guazzo zegt het aldus:
‘Ende hoe vele Edele Gheslachten waren daer eertijts / van
de welcke hedensdaeghs niet en is eenighe gheheuchnisse / oft zijn tot seer
nederighen state ghecomen? ….. Hierom werdt met groote redene geseyt /
dat indien men op den eersten oorsprongh siet / en isser geen Coningh / den
welcken zijn afcomste niet van den Dienaers en heeft: noch geen Dienaer / die
niet hercome van eenen Coningh’.
28
En de eigenschappen die een geslacht deden stijgen boven andere
geslachten, waren de morele en intellectuele deugden, d.i. de vrome aard. Zo
zouden, volgens Cicero, de eerste koningen gekozen zijn op grond van
rechtvaardigheid en andere deugden. Deze mening was een gemeenplaats in de
renaissance
29. Zo had
Floris zijn hoge positie mee te danken aan het feit dat zijn voorouders hadden
uitgeblonken in deugden, en van hem werd verwacht dat hij deze zou evenaren. En
in de derde plaats was er nodig het ‘Vorstelijck gheluck’
van de voorouders, d.i. de toevallige omstandigheid dat zij vorst waren.
Fortuna was een machtige godin in de renaissance. Juist in de toneelsituatie is
deze interpretatie aanvaardbaar. Gijsbert van Amstel spreekt; | | | | hij is
één der groten. Gemakkelijk erkent hij de hooggeborenheid van
Floris, ook voor hem en zijn medestanders geldt die omstandigheid, evenzeer
doet hij dat met de vrome aard van de voorouders van Floris, het zijn
historische zekerheden, ook daarop kunnen zijn voorouders zich beroemen. Het
feit nu dat het geslacht van Floris tot de grafelijke waardigheid werd
verheven, niet het zijne, noch dat van zijn medestanders-hoge edelen, daarin
heeft de Fortuin de hand gehad.
Wat zijn ‘staetlijcke' overouwderen’?
Stoett verklaart: aanzienlijke voorouders; het W.N.T.
30 citeert
deze plaats en geeft voor ‘staetlijcke’ aanzienlijk,
voornaam. Speelt bij deze interpretatie de transpositie van deze passus naar de
negentiende- en twintigste-eeuwse burgerlijke normen niet een rol? Zijn
aanzienlijk en voornaam niet typisch burgerlijke noties? Nu geeft
Kiliaan
31 voor
statelijk = magnificus = grootdadig, mild, verheven, prachtlievend. Algemeen
zijn de theoretici het erover eens dat rijkdom de adel volledig maakt. Guazzo
meent dat voor de ‘seer Edelen’ ‘meerder goederen ende
Rijckdommen’ vereist zijn. ‘Ende cortelijck / noeme ick die seer
Edele / welcke met de Edelheyt des Bloets ende Deucht die Rijckdommen
ende Hoocheyt t'samen ghevoeght hebben / welcke grootelijcx te stade
comen tot bewaringhe ende onderhoudinghe der Edelheyt’.
32
Gierigheid is een vijand van adel, de groten moeten open huis
houden en het is bekend dat
Willem van Oranje vóór de opstand
hieraan grote sommen ten koste legde. Romei constateert dat de mens zonder
rijkdommen niet volmaakt gelukkig kan zijn, daar hij niet de deugden van de
mildheid, van de weldadigheid en van de prachtlievendheid kan uitoefenen en die
eigenschappen zijn van betekenis om eer te verkrijgen
33. | | | | Pompeus, prachtlievend zijn
woorden die in onze tijd, waarin de middenklasse voor een deel de toon
aangeeft, een ongunstige betekenis hebben, ze suggereren trots. Niets is minder
waar voor de zestiende en de zeventiende eeuw.
Prachtlievendheid en mildheid zijn nu juist de eigenschappen die
de voorouders ‘staetlijck’ maken.
Floris houdt onder alle omstandigheden zijn
hooggeborenheid, maar dat verhindert niet dat hij slecht kan zijn. ‘Daer
nochtans / naer de derde maniere’, zegt
De Rouck en hij bedoelt de geboorteadel, ‘een
yder / alwaer hij noch soo godloos ende onaenghenaem / de reste (ja inden
hoochsten graet van Edeldom) kan passeren: als / Caligula / Nero / ende
dierghelijcke.’
34
Ook zijn waardigheid kan hem slechts met geweld ontnomen worden,
maar in laatste instantie zijn de deugden een individuele verworvenheid en hier
nu ligt zijn tekort: hij heeft zich van de vrome aard zijner voorouders
afgewend. Reeds Machtelt heeft het hem in haar monoloog verweten en zij laat
het
Willem II, Floris' vader, zeggen. In de verzen 40-62
richt Machtelt zich rechtstreeks tot graaf Floris, en hoe! Deze gehele passus
wordt in de toneelwerkelijkheid gezegd van het standpunt van de aristocratische
code van waarden uit. Machtelt, de edelvrouwe, dochter uit één
van de aanzienlijkste geslachten, gehuwd met één van de groten
des lands, is hier aan het woord. Zij is opgegroeid in ontzag voor de vader,
die de verdediger was van de eer van het geslacht, zij is getrouwd met
Geeraerdt van Velsen, die het hooghouden van zijn eer
als zijn voornaamste plicht ziet, en deze eer is nu door het ‘leelijck
onbescheydt’ (vs. 1232), waarvan zij het slachtoffer is geworden,
aangetast. Door wie aangetast? Allereerst door een edelman, een man die
opgevoed is in dezelfde idealen. Maar nog sterker, hij behoort tot de groten en
onder hen is hij de meest uit-stekende, de vorst van het land en wij herinneren
ons het hiërarchische principe: hoe hoger aan de top van de piramide, hoe
hoger de eisen die gesteld worden en hoe hoger de verwachtingen ten opzichte
van de vervulling | | | | van die eisen. Geen groter smaad voor de edelman
dan dat iemand moet constateren dat hij zijn voorouders schande aandoet, dat
hij beneden de alleszins gerechtvaardigde verwachtingen blijft. Het feit dat
Machtelt begint met ‘'s Roomschen Konincx soon’ is tekenend.
De zoon van een man als
Willem II is het die te kort is geschoten. En dan
breekt zij af, plotseling, en zegt: ‘o smart! o droefheyt! ach!’
Stoett geeft hierbij als commentaar: ‘Machtelt spreekt de woorden
“onteerd heeft” niet uit.’ Hij suggereert hiermee dat zij de
zin niet wil afmaken, dat zij deze woorden niet in de mond wil nemen. Is dat
zo? En waarom doet zij het dan in vs. 53 wel?
Vercrachten? een ghehuwde'? een lief van zijn ghetrouwe?
Het subtiele verschil, dat zij hier Willem II laat spreken, kan
moeilijk als oorzaak worden gezien. Natuurlijk zou erover te redetwisten zijn
of het door
Stoett voorgestelde complement in vs. 39 het juiste
is. Laten wij echter aannemen dat de situatie zich niet verzet tegen
één of meer taaleenheden die iets dergelijks meedelen, dan nog
vervangt ‘o smart enz.’ niet het complement, het is alles iets
ingewikkelder en ook verfijnder.
Allereerst, wij moeten uitgaan van wat er staat, niet van wat er
zou kunnen staan: het eerste een objectief gegeven, het tweede uitermate
subjectief. Welnu, vs. 39 valt door de punt duidelijk in twee gedeelten
uiteen:
‘Die 's Roomschen Konincx soon’. en ‘o smart!
o droefheyt! ach!’
Hiertussen bestaat een nauwe relatie. Het tweede deel is volmaakt
afgestemd op het eerste. Wij zagen reeds, waarom er staat 's Roomschen
Konincx soon; het zijn de adjectivische bepalingen Roomschen en
Konincx die de dragers zijn van de gedachte aan een excessief hoge
deugd. En bij het uitspreken wordt Machtelt ineens overweldigd door het
menselijk tekort schieten van de zoon tegenover de vader; ook in haar leeft de
erecode van de adel en zij barst uit: ‘o smart! o droefheyt! ach!’.
Toch is het dit niet alleen, er is iets van het voorgestelde complement dat
meespeelt, een subtiele vermenging van deze beide waarden.
| | | | Begrijpelijk wordt nu ook de wijze, waarop zij verder
gaat: ‘Graef Floris’, niet Floris alleen, neen, zijn functie
erbij. Hij allereerst had de portée van zijn daden moeten zien. En zij
stelt hem tegenover ‘de Koning Willem’. De hogere in rang,
maar ook de hogere in deugden. En dat terwijl Floris een zo hoge dunk van zijn
waardigheid had: hij zou zijn gravenkroon niet hebben willen ruilen voor menig
koningskroon (vss. 1149b-1151). En Machtelt houdt dat vol. Zij spreekt
slechts van hem als de ‘graef’. De rei aan het einde van het
eerste bedrijf beoordeelt Machtelts houding ook geheel uit deze hoek. Zij doet
een beroep op Floris in zijn functie als landsheer en op zijn waardigheid als
edelman. De beide kwalificaties opgesloten in ‘edele
Landesheere’ (vs. 326) hadden hem moeten terughouden, hadden hem tot
rede moeten brengen, meent de rei; hij had moeten beseffen dat het zijn plicht
was haar te beschermen tegen iedere aanranding, zo nodig met het zwaard.
De gehele passus vss. 40-62 is één confrontatie van
Floris met zijn vader. En deze confrontatie ligt op dat niveau, waarop de
kwaliteiten die in aanzien staan in aristocratische kringen: eer, schaamte,
deugd, loffelijke naam, functioneren. Niet Machtelt richt deze verwijten tot
hem, maar zij laat het de vader doen, de man die schaamte gevoelen zou, wanneer
hij het gedrag van zijn zoon kende, de man wiens loffelijke naam alom bekend
werd, zodat de groten der aarde hem verkoren tot het Rooms koningschap. Wij
vinden er het herediteitsprincipe: afkomst brengt mee de eis van deugd. En als
die niet aanwezig is, dan is dat een verloochening van het beste deel van de
vader, een verloochening van het gemoed (vs. 44).
Guazzo had reeds geconstateerd: adel van geboorte heeft alleen te
maken met het lichaam en adel van deugd met het gemoed, dit laatste moet toch
zeker het hoogste gesteld worden
35. | | | |
Hoe ondiep schiet in 't bloedt
De Deuchd haer wortel! Soon, gheen soone nae 't ghemoedt;
Maer die my na den vleesch alleen bestaet, niet naeder,
En in het beste deel verloochent uwen Vaeder;
Op de vragen van de vader kon de zoon ook geen antwoord geven, er
was geen verontschuldiging voor zijn gedrag. Hij kon zich slechts aan het
antwoord onttrekken door ‘van zijn aenghesicht te vlieden’,
tenzij hij met de eer ook zijn schaamte weggeworpen had. Wat echter de
begrippen: deugd, eer, schaamte hier precies inhouden wordt ons nog niet
duidelijk; wel dat zij samenhangen met het gedragspatroon van de aristocratie,
daarvan een essentieel deel uitmaken, wel dat het handelen van het individu aan
deze eigenschappen wordt gemeten.
De
Geeraerdt van Velsen is een stuk, geschreven
vanuit een levenshouding, vanuit een beschouwing van intermenselijke relaties,
waarin de eer en de verwante begrippen als schaamte en deugd een grote rol
spelen. En het zeventiende-eeuwse publiek - wel zal er hier rekening gehouden
moeten worden met verschillende niveaus - past dit alles zonder moeite in eigen
denkpatroon in, zonder verzet en zelfs zonder fronsen van het voorhoofd: uitleg
toch heeft het niet nodig, omdat het geheel binnen het geijkte wereldbeeld
valt.
Had
Hooft zich in geschriften van beschouwende aard
uitgelaten over kwesties van moraal en ethiek, dan zouden vele | | | | dingen daardoor eenvoudiger worden. Dat is echter niet het geval. Nu
heeft hij zich in zijn werken echter meermalen met het begrip eer bezig
gehouden. Intensief zelfs in zijn eerste drama, de
Achilles en Polyxena, waar het choor tot
tweemaal toe de eer centraal stelt.
Het hoochste dat den mens op aerden is gegeven
Door den eersaemen raet, van s' hemels goden hooch
Is eer, het waerste goet, int tijttlijcke leeven,
Op welck het grootste hert, alleenlijck neempt sijn ooch.
De goden alle ding den mens om sweet vercoopen,
Dus crijcht men t' hoochste goet niet dan door d' hoochste
daet,
En dat is crijchs beleyt,
Gheen sterfflijck goet is goet om hem genoech te lonen,
Onsterfflijck eer alleen sijn eere wesen sal,
Dees sal hem na sijn doot aen elck onsterfflijck tonen,
En ewich als een godt verbreyden over al.
De Princen groots, waer in de volcken haer vertrouwen,
Waer aen de werrelt hangt, altsaem aen d' eer haer houwen,
En achten die veel meer dan al haer rijck en staet.
En Achilles zelf zegt: Mijn ongemeten hert, dat niet en acht dan
eer. (vs. 152). In deze teksten zijn de typische renaissance-aspecten van de
eer aanwezig: Het hoogste dat de mens in dit leven kan verwerven is eer. Alleen
het ‘grootste hert’, het ‘ongemeten hert’ streeft naar
eer. Eer wordt door inspanningen verkregen. De grootste inspanningen liggen in
het krijgsbeleid. Vorsten achten eer belangrijker dan hun staatkundige macht.
Eer geeft onsterfelijkheid. Hierbij moeten wij bedenken dat de
toneelwerkelijkheid de handeling in Achilles en Polyxena plaatst in
adellijke, zelfs vorstelijke kringen. Zij bepaalt mede - het gaat over de
strijd voor Troje - dat de hoogste inspanning het krijgsbeleid is, hoewel het
militaire ambt bij de adel steeds in hoog aanzien stond. De mens met het
‘grootste hert’ is de | | | | mens die de magnanimitas bezit,
een eigenschap die nog aan de orde komt. De andere aspecten spreken voor
zichzelf.
Romei laat de hoge waarde van de eer duidelijk uitkomen. Zijn
Discorsi zijn dialogen tussen dames en heren, die gedurende zeven dagen
worden gehouden
37. Op
de derde dag wordt over de eer gediscussieerd: ‘een schoon en verheven
onderwerp …… zozeer verbonden met het menselijk leven, dat men
geen menselijk bestaan vindt, waarin de kennis van de eer niet zeer nuttig is,
maar bovenal voor de edele en beschaafde mens zo noodzakelijk, dat hij zonder
haar als door een donkere nevel verduisterd, de meeste keren in plaats van eer
schande zou verkrijgen.’
38 De eer is het kostbaarste van alle uitwendige goede
dingen
39. Algemeen was men er ook van overtuigd, dat al wat men
gemakkelijk verwierf van minder waarde was dan dat wat men met inspanning
verkreeg. Guazzo, wiens werk in dialoogvorm is geschreven, laat er zijn
sprekers over discussiëren. ‘Hannibal. Welcke dinghen achtet ghy
meest / die gene / welcke men met moeyten ende dapperheyt vercrijght / oft die
/ welcke de Natuere oft dat Gheluck u toereyckt? Ridder. D' eerste.’
40
Onsterfelijkheid was een voortdurende zorg van de
renaissance-mens. Er was het christelijke begrip en het meer heidense, in ieder
geval dat wat in overeenstemming was met de inzichten | | | | van de
klassieke auteurs. De oudheid wees in het algemeen een leven na de dood af;
grote helden, als Hercules, werden vergoddelijkt, maar men zocht de
onsterfelijkheid voornamelijk in de reputatie die iemand na zijn dood behield.
Guazzo zegt dat wij allen deze roem begeren als eerste en wettige beloning van
onze reis, er is geen mens die er niet naar streeft zijn naam onsterfelijk te
maken door zijn daden en hij vertelt van een auteur die een verhandeling
schreef
De verachting van de roem, waarin hij
betoogde dat het slechts ijdelheid was, te gapen naar reputatie en roem op
grond van zijn werken. Maar de schrijver bleek zelf niet vrij te zijn van het
euvel dat hij bestreed; hij vermeldde op het titelblad zijn eigen naam
41.
Wij hebben nu verschillende aspecten van de eer in ogenschouw
genomen, maar wij weten nog steeds niet wat eer precies is. Opnieuw doen wij
een beroep op een ander werk van
Hooft en wel op - en wij laten
Brandt aan het woord - ‘dat zinryk en vloeiend
gezang, welks begin is, Weet iemant beeter saus dan honger tot de
spyzen?’
42. Het is een gedicht van de temperantia, van het
aanprijzen van de matelijke dingen op alle gebieden.
De eer op grond van rijkdommen wordt afgewezen en dan volgen deze
strofen:
Eer is het lof des Deuchts; maer hier is niet te setten
De wanckelbaere roep des vollix licht als wint,
Tegen het braef gecrijs, en t'stadich lof-trompetten
Van u vernoecht gemoet, daer Deucht haer Eere vint.
Is rijckdooms overvloet, en staet, niet waert te wenschen
En is de waere Eer t' vernoegen van t' gemoedt,
Soo syn de wenschelijckste dingen voor de menschen
Eerlyck gemoet en luttel sorch, en matich goedt.
43
| | | | Hier is dan eindelijk de definitie van wat de
renaissance onder eer verstond, een gemeenplaats als men wil. Wij kunnen haar
vinden bij alle genoemde schrijvers. Het is de Aristotelische definitie uit het
vierde boek van de
Ethica, die in de zestiende en zeventiende
eeuw grote opgang maakte. Romei haalt de twee definities aan van ‘de
filosoof’: eer is het teken van een reputatie dat men het goede doet, uit
de
Rhetorica, en eer is de beloning van deugd,
uit de Ethica
44. De eerste definitie heeft het
oog gericht op degene die vereert en de tweede op degene die de eer in zich
draagt. Nu begrijpen wij ook waarom
Hugo de Groot zei: ‘Want de eer nemen wy hier
eng, sulcks dat daer door beduit wert het goed ghevoelen dat anderen van ons
hebben.’
45 Er zijn nl.
twee aspecten aan dit begrip. Wij zouden kunnen spreken van een innerlijk en
een uiterlijk aspect. Wanneer
Hooft zegt dat ‘de wanckelbaere roep des
vollix licht als wint’ niet te vergelijken is met ‘het braef
gecrijs, en t' staedich loftrompetten / Van u vernoecht gemoet, daer Deucht
haer Eere vint’, dan zijn daar de beide aspecten aanwezig: de
reputatie, de goede naam en faam bij de buitenwereld, en de innerlijke
zelfgenoegzaamheid, de innerlijke zekerheid van een moreel verantwoorde
verhouding tot de omringende wereld, het gevoel dat iemand heeft van de
integriteit van zijn geweten. Deze laatste stelt Hooft het hoogst en hiermee
stemt hij overeen met wat algemeen normatief was in zijn eigen tijd en in de
zestiende eeuw. Het is goed hier een waarschuwing aan te verbinden. Wanneer wij
spreken van algemeen normatief, moeten wij wel inzien, dat dit slechts geldt
voor een aristocratische bovenlaag en zelfs hierin bestaat geen uniformiteit
van opvatting. Immers, er zijn ook zeer krachtige tegenstromingen. Voor het
orthodoxe christendom toch werden eer en rijkdommen gelijkelijk als | | | | nietswaardig verworpen, daar zij geen betekenis hadden voor een leven
na dit aardse. In een vertaling van Calvijns
Institutio lezen wij: ‘Want wie geleert
heeft in alle sijn doen God te aensien / die wordt oock mede van alle ydel
ghedachte afghewent. Dit is de versakinghe ons selfs die Christus sijnen
Discipulen terstont als hyse begint te leeren / met soo grooten neersticheyt
beveelt: als dese eenmael heeft in onse herten plaetse ghenomen / soo en sal sy
noch der hooveerdicheyt / noch der grootscheyt / noch der roeminghe / boven
desen noch der giericheyt / noch der oncuyscheyt / noch der overdadicheyt /
noch der dertelheyt / noch anderen zonden die uyt eygen liefde comen /
gheen plaetse laten.’
46 En in de zeventiende
eeuw zal het jansenisme het idealistische optimisme met schamperheid overladen.
Pascal heeft een andere kijk op de grootheid van de mens: ‘La grandeur de
l'homme est grande en ce qu'il se connaît misérable’
47. Zijn aanmatiging blijkt uit het feit dat
hij geëerd wil zijn. ‘Nous sommes si presomptueux, que nous
voudrions être connus de toute la terre, et même de gens qui
viendront quand nous ne serons plus; et nous sommes si vains, que l'estime de
cinq ou six personnes qui nous environnent nous amuse et nous contente.’
48 Er is slechts één
mogelijkheid voor hem: God. ‘Aussi Dieu seul donne la sagesse; et c'est
pourquoi Qui gloriatur, in Domino glorietur’
49. Die roemt, roeme in den Here (I
Cor. 1, 31). Inderdaad, dit voorschrift ging lijnrecht in tegen de
idealen van de heersende elite. Voor deze laatste waren de beschouwingen van
Aristoteles en
Cicero als pasklare voorschriften, waarnaar men zich
moest richten en in het bijzonder hadden ze de eer verheerlijkt en tot een
distinctie-kenmerk gemaakt tussen de aristocratie en het gemene volk. Beide
klassieke filosofen hadden er de nadruk op gelegd, dat deugd een verworvenheid
van het individu is door neiging en training. Romei erkent dan ook een
virtù innato, een soort onbedorven | | | | natuurstaat, die meehelpt
om de virtù die hij perfetto noemt en die men slechts door inspanning
kan verkrijgen, te verwerven, een soort predispositie voor de deugd dus
50, en dit hoeft ons niet te verbazen, omdat wij reeds
kennis hebben gemaakt met de mening - algemeen aanvaard - dat in de
aristocratische geslachten van nature een zekere aanleg aanwezig is voor een
meer beschaafd leven. Volgens de humanistische opvattingen bestond het gevoel
van eer alleen bij de aristocratische klassen. Het gemene volk had daaraan geen
deel. Aristoteles had verkondigd dat er geen argumentatie bestond, waardoor het
lagere volk tot moreel handelen zou zijn te brengen. Van nature was het volk
meer geneigd tot vrees dan tot eer en het onthield zich van het kwade niet
wegens de laagheid van dat kwaad, maar wegens de straf die het bedrijven van
ongeoorloofde dingen mee kon brengen.
Het is alweer een gemeenplaats van de renaissance onderscheid te
maken tussen hen die worden bewogen door de deugd uit vrees voor afkeuring en
hen die zich houden aan algemeen aanvaarde regels van moraal uit vrees dat zij
gestraft zullen worden door de overheid
51.
Overigens is het gevaarlijk te spreken van een gemeenplaats: zo gemakkelijk
hecht zich aan dit begrip de waarde van afgezaagd en overleefd. Het woord is
hier gebruikt om uitdrukking te geven aan een waarheid die zozeer in het
cultuurpatroon verankerd ligt, dat zij in tal van beschouwingen voorkomt.
Nog dient aandacht geschonken te worden aan het ‘vernoechd
ghemoedt’. Een uitspraak die wel zeer stoïsch aandoet, en dat in
werkelijkheid ook is. In ‘La Philosophie Morale des
Stoiques’ van Du Vair lezen wij over de eer het volgende: ‘De
werkelijke eer is de glans van een goede en deugdzame daad, die terugspringt
van ons geweten in de ogen van hen met wie wij leven en door terugkaatsing weer
in onszelf; zij geeft ons een bewijs van wat anderen van ons denken en dit
vormt zich | | | | in ons om tot een vernoeging des gemoeds. Maar wij moeten
dit zelf willen, want wanneer wij de vernoeging des gemoeds hechten aan de
mening van het volk, zien wij vrijwillig af van onze vrijheid om de
hartstochten van anderen te volgen en wij dwingen ons te mishagen aan onszelf
om te behagen aan anderen; onze gevoelens hangen aan de ogen van anderen: wij
hebben de deugd slechts lief, voorzover die behaagt aan het volk.’
52
| |
4
We keren terug tot de
Geeraerdt van Velsen en citeren de vss.
406b-408
van waer uw deuchd ten toone
Mocht, (nevens 't loon beset in een vernoechd ghemoedt)
Van yder zijn aenschouwt, en loffelijck begroedt.
In deze passus zien wij eveneens de beide aspecten van de eer.
Enerzijds de eer als sociaal verschijnsel, de eer in concreto, bestaande in
goede naam, faam en reputatie bij de onderdanen, die reverentie voor de deugd
van de vorst tonen, anderzijds het ‘vernoechd ghemoedt’, de
innerlijke zekerheid van eigen morele waarde door de deugd van eigen karakter.
Men zou kunnen oordelen, dat Hooft hier in tegenspraak is met de reeds eerder
geciteerde verzen, waar hij duidelijk zijn voorkeur voor het innerlijk aspect
van de eer uitspreekt. Hier nu wordt dit in een tussenzin vermeld en krijgt het
uiterlijke aspect volle nadruk. En terecht, wanneer wij ons de situatie willen
realiseren. Gijsbert van Amstel legt in deze passus met opzet de nadruk op de
maatschappelijke kant van de eer. Floris is het sociale symbool, hoog tronend
boven iedere sterveling, hij zou behoren te verdienen ‘den hooghen
naem van Aerdschen god’
53 en in
een dergelijke positie is het waarneembare eerbetoon ongetwijfeld | | | | het belangrijkst. Men zou zelfs kunnen zeggen: in deze situatie werd
het innerlijk aspect toch niet vergeten.
We hebben nu de eer van verschillende kanten bekeken, maar de
definitie stelt ons nog één onverbiddelijke vraag. ‘Eer is
het lof des Deuchts’, of eer vloeit voort uit deugd, de eer in zijn beide
aspecten. Maar wat moeten wij verstaan onder deugd? Het is met het begrip deugd
als met dat van eer, wij vinden het in de tekst niet omschreven, want het
representeert een werkelijkheid in het toenmalige cultuurpatroon, die iedere
toeschouwer bij ervaring kende. In vs. 406 vlgg. schenkt de deugd de eer in
zijn beide aspecten. In vs. 44 gaat het om de herediteit van deugd. Wij kunnen
concluderen dat zij in het gemoed zetelt en dat zij ‘loffelijcken
naem’ (vs. 48), dus eer, verschaft. In vs. 502 en de daarmee
samenhangende context wordt gesteld dat men iemand tot vorst gaat verheffen in
de verwachting dat hij de onderdanen in deugd zal overtreffen en hun een
voorbeeld zal zijn; vs. 512 laat zien dat opnieuw de verbinding met eer te
maken is. In de rei aan het einde van het derde bedrijf wordt gezegd dat voor
de mens, die zwak is, de weg van de deugd, die leidt naar het geluk, glad is en
dat niemand er zo zeker van is, dat hij niet een keer uitglijdt. (vss.
1031-1034)
En tenslotte vs. 424. Geeraerdt van Velsen beschrijft de wijze van
handelen van de tiran.
Wie door gheen vreese swicht
Maer dapper is van deuchdt, hy op zyn hoornen licht:
Allereerst moeten wij vaststellen wat betekent ‘dapper van
deuchdt’? Stoetts commentaar luidt: onverschrokken, moedig. Onjuist, naar
ik meen. Ter vergelijking haal ik uit de ‘Klacht over 't
vertreck des Heeren Laurens Reael’
54 de volgende verzen aan:
Maer als een' dappre deughd gemeene deughd ontwast,
En in haer' schaduw bluscht; gelijck de Noorsche mast
Die nae de starren toght, met sijn' dickhajrde prujcken,
Den glans der son verbiedt aen braem en brossche strujcken:
| | | | De dappere deugd groeit uit de gewone deugd, maar
ontgroeit die en overschaduwt haar, evenals een grote pijnboom de lage struiken
de zon ontneemt. Een dappere deugd is een excessief hoge deugd, ver uitstekende
boven de doorsnee-deugd.
‘Dapper van deuchdt’ betekent hier dan ook
‘van eminente deugd’. Deze houdt blijkbaar in dat men niet door
vrees gedreven toegeeft aan een tiran, die erop uit is de drager ervan te
vernietigen. Dapperheid vormt een bestanddeel van die hoge deugd. Uit de
context, waarvan vs. 406 deel uitmaakt, zien wij dat ook rechtvaardigheid ertoe
behoort en blijkens vs. 503 kunnen wij er nog wijsheid aan toevoegen. Deugd is
dus een complex begrip, het bestaat uit verschillende componenten. Zeer summier
hebben wij er hier reeds enkele van aangegeven en om ze verder op te sporen en
meer achtergrond te geven, moeten wij gaan kijken, welke morele waarden aan
Floris en aan de edelen worden toegekend, in negatieve of in positieve zin. Wij
zouden op vele plaatsen kunnen beginnen, ik doe dat met de claus van Geeraerdt
van Velsen vss. 422b-437. Hij zegt van zijn familieleden, dat zij gewoon
waren zich preusch te gedragen en in vs. 212 wordt over de Romeinen uit
de oudheid gesproken als het vry, / Oprecht en preusch gheslacht.
Preusch = magnanimus, waarmee samenhangt het substantief magnanimitas;
synoniemen van preusch zijn grootmoedig en hoogmoedig. De magnanimitas, de
grootmoedigheid is één van de karaktertrekken die bij de held van
de renaissance het meest op de voorgrond treedt. Romei zegt dat de magnanimitas
in geen mindere mate toevoeging aan het militaire beroep is, dan witheid aan de
sneeuw, want de militair die niet een grootmoedige geest heeft, zal nooit
glorierijke daden doen
55. Piccolomini weidt breed uit over
deze eigenschap en noemt haar de schitterende tooi van alle deugden, zonder
deze kan zij niet bestaan. Zij staat tussen twee tegen over elkaar staande
ondeugden in: zij is de eigenschap van het juiste midden. Het hoogste dat de
mens in dit leven kan verwerven, de eer, valt aan de bezitter | | | | van de
magnanimitas ten deel
56.
Hugo de Groot behandelt in zijn
Parallelon in één van de eerste
hoofdstukken de grootmoedigheid. Uit de titel
De Fortitudine et Magnanimitate blijkt reeds de
nauwe verbondenheid van de fortitudo en de magnanimitas. Hij maakt in zijn
betoog ook geen verschil in zoverre hij ze niet tegen elkaar afgrenst. De
fortitudo = moed beschrijft hij als volgt:
‘De Wijsgeeren beschrijven den Moed als eene deugd, welke haar
betrekking heeft tot die geneigdheid der ziel, die omtrent gramschap en wraak
verkeert; en welker uitwerking is noch door de vrees van een gevaar dat men
voorziet, noch door angst voor den dood ontroerd te worden: gelijk zij zich het
meest in den oorlog vertoont.’
57 Wanneer hij de moed behandeld heeft, in het bijzonder
van ons volk, gaat hij verder: ‘Alles intusschen wat wij gezegd hebben
bepaalt zich niet alleen tot oorlogsdapperheid, maar strekt zich ook tot
verhevenheid van geest, en rechtmatig zelfvertrouwen uit.’ En dan volgt
de illustratie: ‘Maar ook Romen .… verhefte, volgens Cicero, meer
zijnen moed, wanneer het rampen ontvangen had, dan ooit in den grootsten
voorspoed; nimmer, na zoo veel neerlagen in den Punischen oorlog, hoorde men
gewag van vrede, ontdekte men tekenen van angst.’
58. Nog sterker geldt dat voor de Republiek. ‘Wie
bewondert niet in ons Vaderland, en dat met oneindig meerder rede, dezelfde
deugden? Moeijelijk is de be- | | | | zorging der schatkist, groot zijn
dagelijks de gevaaren van den vijand, zwaar de dreigingen, en men doet'er ons
nog zwaardere voor uit zien ……… Maar de Staaten, die het
bewind in handen hebben, blijven, gelijk zij moeten, onverzettelijk bij hun
besluit, en zouden eer het alleruiterste beproeven dan handelen over de
voorwaarden der slaavernij. Het enkel denkbeeld van eer overwint alle
zwaarigheden: want wat is eerlijker dan de Vrijheid?’
59
Er zijn dus twee kanten aan de grootmoedigheid: de verhevenheid van
geest, zich uitend in het denken aan eer bij het volbrengen van grote daden, en
het rechtmatig of edel zelfvertrouwen, de standvastigheid, ook bij de grootste
tegenspoed of de moeilijkste taak.
Hurault formuleerde het zo: ‘Grootmoedigheid is
een ornament voor alle deugden, omdat zij ze groter maakt in zoverre dat de eer
waarop ieder edel gezind man zijn ogen gevestigd houdt, alle dingen
overwint.’
60 Hij vindt de grootmoedigheid allereerst een deugd van vorsten,
omdat deze majesteit genoeg hebben om werkelijk grootmoedig te zijn
61.
Hooft denkt er niet anders over: in zijn opdracht van de
Neederlandsche Histoorien aan
Frederik Hendrik, spreekt hij ook van
‘grootmoedigheidt en andre Vorstelyke deughden’
62. Deze magnanimitas kent Geeraerdt van Velsen zijn
voorouders en familieleden toe, wanneer hij zegt:
Die haer in duystre' en licht ghewoon zijn preusch te
draeghen.
Onder alle omstandigheden, zowel wanneer zij ongezien hun daden
volbrengen als wanneer ieder deze kan beoordelen, gedragen zij zich
grootmoedig: hun geest is gericht op het doen van grote, eervolle daden, van
ongewone moeilijkheid, zij hebben minachting voor alle invloeden van buiten,
daar de | | | | grootmoedige mens een edel zelfvertrouwen bezit en met
onbezweken standvastigheid streeft naar de volbrenging van zijn plichten. Zo
waren de voorouders, zo waren de nabestaanden, zo voelde Geeraerdt van Velsen
zich zelf. Niet hij verloochende de deugden van het geslacht waaruit hij
gesproten was, dat wilde ook zeggen van de stand waartoe hij behoorde, maar wel
deed Floris dat naar zijn oordeel, vandaar dat hij hem opnieuw aanspreekt met
‘verrader’ (vs. 428). Inderdaad ook Gijsbert van Amstel ontzegt hem
deze vorstelijke deugd: wat hij gedaan heeft kan slechts de verachting
verwerven van de grootmoedige. ‘Belooninghen dus hooch’ (vs.
409) - te weten eerbetoon van de gemeenschap en het gevoel van eigen
integriteit (vss. 406b-408) - hebben hem niet tot
‘weldoen’ (vs. 411) kunnen brengen. Men zou zich vergissen,
wanneer men dit weldoen zou opvatten in de zin van weldadig zijn; dit laatste
is de deugd van de mildheid, van de liberalitas. In de opdracht van de
Neederlandsche Histoorien komt een passus voor
die duidelijk omschrijft, wat wij in vs. 411 onder ‘weldoen’ moeten
verstaan. Daar lezen wij:
‘Want de luister van de dappere daaden der geenen, die eenen
yghelyke naastbestaan, ontsteekt een' ziel, waarin slechts van eedelzinnigheit
een geinster glimt, met een' gloet van graatigheit om hen, in weldoen, t'
achterhaalen, oft verby te streeven.’
63 ‘Weldoen’ betekent hier bene, recte
facere nl. handelen in overeenstemming met de eigenschappen die kenmerkend
zijn voor een edelman en die zich ontwikkelen in concurrentie met die van de
voorouders. Hun merk van grootheid ontvangen ze tenslotte door de klassieke
achtergrond;
Hooft maakt ze illuster door
Vergilius en
Livius:
Ascanius, die zich moet spiegelen aan zijn vader en zijn
oom van moederszijde,
Hector;
T. Manlius, die de snorkende ‘Waal’ tegemoet
treedt, omdat het door zijn voorouders gegeven voorbeeld hem daartoe
aanspoort.
De aangehaalde plaats uit de opdracht zou op de situatie in de
Geeraerdt van Velsen kunnen worden toegepast: de
hoge be- | | | | loningen van een zelfgenoegzaam gemoed en de te verwachten
eer, zijn ze niet in staat geweest, u het hart te trekken en de gezindheid te
buigen tot weldoen? Maar blijkbaar is er in de ziel van Floris niet een
‘geinster van eedelzinnigheit’. Hem ontbreekt de magnanimitas,
één der eigenschappen die een vorst primair behoefde. Hij vervalt
tot één van de twee ondeugden, waartussen de grootmoedigheid ligt
nl. tot aanmatiging. Cicero waarschuwt in zijn De Officiis
64 dat uit de grootheid van ziel heel
gemakkelijk eigendunk en excessieve machtsbegeerte kunnen voortkomen. Deze zijn
het die Floris bezit. De magnanimitas is bij hem geworden tot hoogmoed, een
zich verheven achten boven iedereen, en een zich niet gebonden voelen aan de
algemene normen van menselijke moraal. Zo wordt hij gezien in de kringen van de
adel en Machtelt spreekt het uit, wanneer zij zegt:
Dier sal, Hollandsche Vorst, u uwen hoomoed staen;
Gijsbert van Amstel geeft de oorzaak van het tekortschieten aan en
daar zien wij tevens de verbondenheid van de grootmoedigheid met de andere
deugden. In plaats van wel te doen,
Hebt ghy u selven (laes!) een vuylen hoedt besmet
Met ongherechticheydt, op 't reuckloos hoofdt gheset,
Cicero zegt: ‘Nochtans so wert dese grootmoedicheyt, die haer
in sorchlijke saken ende swaren arbeyt openbaert, dan oock sonde oft onduecht:
als sy rechtvaerdicheydt derft, ende niet voor tghemeen oorbaer, maer om eygen
bate, strijdet.’
65
Dit is inderdaad het verwijt van Gijsbert van Amstel: gij, graaf,
hebt u een vuile hoed, bevlekt met ongerechtigheid, op | | | | het
onbesuisde hoofd gezet. De ‘reuckloosheyt’ of onbesuisdheid behoort
typisch tot de hier beschreven geestesgesteldheid. Intussen kan men zich
afvragen of Floris de grootmoedigheid, niet overgegaan naar het
afkeurenswaardige, in de gunstige betekenis dus, heeft bezeten. Hierop komen
wij spoedig terug, maar wij gaan nu eerst naar een deugd kijken die net ter
sprake is gekomen: de rechtvaardigheid.
Blijkbaar is het een belangrijke deugd voor de vorst, want het is
één van de eerste eisen die Gijsbert van Amstel aan Floris
stelt:
om met rechtvaerdicheydt,
Te stieren volcken trots:
We zagen dat de graaf het tegendeel deed, naar het oordeel van zijn
opstandige heren. In vs. 465 vonnist Harman van Woerden hem:
Des rechts uytroyer is onwaerdich 's rechts weldaden.
In het vierde bedrijf komt een dialoog voor tussen Floris en
Geeraerdt van Velsen, waarin de laatste zijn standpunt feitelijk samenvat
in
Gheen argher onrecht als dat enckel recht wil schynen.
Dit vers kunnen wij niet los zien van vs. 469, waarin Floris ter
verdediging van zijn houding in het proces van Velsens broer zegt:
Ist recht vervalscht, zij deên 't: verhaelt het op haer
alle.
Wij stellen de vraag, wat betekent voor iemand die in de eerste
helft van de zeventiende eeuw leeft, rechtvaardigheid, welke implicaties brengt
deze deugd mee in het cultuurpatroon van die tijd.
Hugo de Groot definieert rechtvaardigheid in navolging
van Aristoteles als volgt: § 2. ‘Rechtvaerdigheid is een deugd des
willes om te doen dat rechtmatig is. § 3. Rechtmatig is dat met het recht
over-een-komt. § 4. Recht werd genomen ruim of eng. § 5. Ruim genomen
recht is de over- een-koming | | | | van de daed eens redelick wezens met de
reden: …….’
66. De commentaar van
Fockema Andreae bij deze paragraaf luidt:
‘De bedoeling is: recht is het geheel van regelen den menschen
voorschrijvende zoodanig tegenover elkaar te handelen als met de rede in
overeenstemming is.’
67
De mens is een redelijk wezen, boven de planten en dieren staande.
De plant heeft een vegetatieve ziel, bestemd voor de voortplanting en het
opnemen van voedsel; het dier bezit behalve deze ook een sensitieve ziel, die
beweging mogelijk maakt en gevoelens waarborgt; de mens daarenboven nog de
animale of rationele ziel. Deze redelijke ziel heeft God slechts de mens
geschonken en daarmee heeft Hij hem zijn bevoorrechte plaats in de kosmos
gegeven. De ‘reden’ is dus goddelijk, het recht ook ontspruit
uiteindelijk in God. Door de animale ziel, zetel van de rede, kan de mens zijn
hartstochten, uitingen van de sensitieve ziel, reguleren. Rechtvaardigheid
betrachten wil dus zeggen, dat men daden doet, die door de animale ziel als
juist zijn bevonden en door de wil worden toegelaten.
Aanvankelijk, in het tweede bedrijf, ontkent Floris, dat hij
schuldig zou zijn aan de terechtstelling van Velsens broer. Deze is veroordeeld
door wettige rechters (vs. 466), en hij verschuilt zich achter hen, wanneer hij
zegt: als er vervalsing van het recht plaats gehad heeft, dan hebben de
rechters dat gedaan en moeten dezen ter verantwoording geroepen worden. Deze
poging om zich te verontschuldigen gaat zelfs de ‘redelijke’
Gijsbert van Amstel te ver en hij pareert:
Dat's eerst de schelm, wien schiedt het schelmstuck te
ghevalle.
terwijl de heftige Velsen met ‘onbeschaemtheydt’ uit de
hoek komt. De edelen blijken gelijk te hebben gehad: in het vierde bedrijf,
onder de indruk van de verschijning van de geest van de terechtgestelde Velsen,
komt hij tegenover diens broer Geeraerdt tot de erkenning van zijn
onrechtmatige daad - immers | | | | de terechtstelling is een gerechtelijke
moord geweest - die tevens onrechtvaardig was, daar zij indruiste tegen de
goddelijke justitia.
Ick viel u broeder streng, en hielp hem in het graf.
Den Raedt met dreyghen doend' alsulcken vonnis vynen.
Geeraerdt wordt door de bekentenis van de graaf niet vermurwd en
door zijn vernedering niet geroerd en bijt hem toe:
Gheen argher onrecht als dat enckel recht wil schynen.
Met deze versregel, in deze bewoordingen, geeft
Hooft Cicero's beroemde uitspraak Summum ius, summa
iniuria weer
68. De gehele passus in Cicero's De Officiis, waarvan deze
woorden het slot vormen, zijn van toepassing op de situatie, zoals die gegeven
wordt in de
Geeraerdt van Velsen. Wij lezen daar in
Coornherts vertaling: ‘Daer geschiet oock dicwils
onrecht door schalcke ende listige beschuldiginge, ende dat met valsche
beduydinge vande rechten. Daer wt men seyt dattet scherpste recht, dicwils
tgrootste onrecht is.’
69
Overigens staat deze problematiek in zijn geheel in de renaissance
onder invloed van de beschouwingen van Cicero en wij kunnen bij Hooft niet
anders verwachten. Wij citeren nog een gedeelte uit De Officiis:
‘Maer want alle dat onrecht is, in twee manieren geschiet: dats te weten
door ghewelt oft door bedroch: ende t'bedriegen den vossen, maer tgewelt den
Leeuwen betaemt: so behooren dese beyde van alle menschen verre verscheyden te
zijn: Doch so is bedroch het hatelicxte. Maer onder alle ongerechticheyt en
vintmen geen schadelijcker, dan der | | | | geenre, die quaat zijnde, tvolck
bedrieghen onder een schijn van goede oprechte mannen.’
70
Bedrog en geweld worden beide als bestiaal gebrandmerkt en als
zodanig veroordeeld, maar bedrog wordt gezien als de grootste inbreuk op de
renaissancistische code van waarden. En aan bedrog nu heeft Floris zich
schuldig gemaakt door de moord op Velsens broer. Hij is dus in de hoogste mate
tekort geschoten. Hij heeft veroordeeld, die zijn geweten vrij sprak, maar
wanneer iemand het getuigenis van zijn gemoed het zwijgen oplegt, vernietigt
hij daardoor de redelijkheid, d.i. het leven van de ziel (vss. 417-420). Hij
gehoorzaamt dan alleen nog aan zijn sensitieve ziel, d.w.z. hij volgt
blindelings de hartstochten en hij verloochent dat aspect van de ziel, waardoor
hij uitsteekt boven de redeloze dieren, waardoor hij mens is, het evenbeeld van
God. Duidelijk uitgesproken vinden wij dat in de
Achilles en Polyxena:
al t'beestelijck leyt boven
En t'godlijck van u aert verwonnen, en verschoven.
Evenzeer in
De gewonde Venus als volgt:
De sotheit van den mensch, en sijn begeerlijckheden,
Die niet en luistren nae den breidel van de reden,
Deze citaten bewijzen enerzijds hoezeer Hoofts visie doordrenkt was
met deze ideeën, anderzijds hoezeer ze behoorden tot het
renaissancistische gedachtenpatroon, sterk beïnvloed door de klassieke
schrijvers, in het bijzonder door Cicero. Dat geweld en bedrog een belangrijke
rol spelen in de wereld naar de opvatting van de drost en dus ook in de
toneelsituatie die daarvan een afspiegeling geeft, blijkt ons hieruit, dat aan
het einde van het eerste bedrijf uit de hel oprijst de Twist, gevolgd door
Geweldt en Bedroch, figuren uit Machtelts benauwde dromen, voor de schrijver
tevens symbolen van de destructieve | | | | krachten die de chaos verwekken
door de orde aan te tasten en te vernietigen, wier symbolen Eendracht, Trouw en
Onnooselheyt uitwijken naar de hemel voor de helse machten. Twist is dan ook
‘al t'onderbrenghende Twist’ (vs. 195). Gheweldt is
‘moedwillich’ (vs. 159)
71. Bedroch
‘verkeert’ (vs. 159), ‘eereloos’ (vs. 560) en
‘dochter van de boosheyt’ (vs. 217). En de verwantschap met
Cicero's geschrift gaat nog verder; wij vinden hier ook het beeld van de leeuw
en de vos. Bedroch somt eigen capaciteiten op en zegt:
Behendich aenghenaeyt, te stoppen en vervanghen
Al waer de leeuwenhuyt niet toe en mochte langhen:
Een gemeenplaats in de renaissance, als men wil, maar dat wil zeggen
- en dit moet met nadruk geschieden - een waarheid algemeen beleden, in een
beeld, vaak aan één van de grote klassieke schrijvers ontleend,
weergegeven. In een gemeenschap toch waarin het persoonlijk handelen en
ingrijpen van vorsten en aanzienlijken in de loop der gebeurtenissen een zo
grote betekenis had - en wij moeten wel in gedachten houden dat de
Geeraerdt van Velsen een conflict in hun sociale
laag behandelt -, is het geen wonder dat de persoonlijke deugden en ondeugden
een rol spelen in verhoudingen die een veel wijder strekking | | | | | | | | hebben dan het lot van de enkeling. Geweld en list
waren de door
Machiavelli gepropageerde middelen om aan de macht te
blijven en te komen. Laten wij deze ‘lidzaert’ even aan het
woord.
Het is loffelijk, zegt hij, dat een vorst zich aan zijn woord houdt,
maar de ervaring leert ons dat hij die het niet doet meer bereikt. ‘Ende
om wel hier van te spreken / moet men verstaen datmen op twee manieren vecht.
De eene met de wetten / ende de ander door de kracht. De eerste behoordt de
menschen toe / de tweede de beesten. Maer om dat de eerste meestendeel niet
ghenoech is / moetmen wt noodt sijn toevlucht tot de andere nemen. Daerom is
het de Vorst noodich / wel weten te speelen het Rolleken van het Beest ende van
de Mensche te ghelijck.
Desen oordt is door de oude Schribenten de Vorsten bedecktelijck
gheleert gheweest / schrijvende hoe dat Achillis / ende meer andere jonghe
Edel-luyden van die tijdt / ghestelt worden onder de op-voedinghe van Chiron
den Centaurum / om daer by te leeren sijn disciplijn: niet anders willende
beteeckenen / door desen Meester half een Beest half Mensch zijnde / dan dat
het een Vorst noodich is / te weten / de behendicheydt van hem met dese twee
natueren te behelpen / ende dat de eene buyten d'ander niet duerachtich is.
Zijnde daerom een Vorst ghedwonghen / het Beest wel weten na te botsen / moet
hy van alle de Dieren kiesen de nature vanden Vos / ende van de Leeuwe /
overmits dat de Leeuwe hem niet kan wachten voor de touwen ende netten / ende
de Vos is te swack om hem selven van de Wolf te beschermen. Soo moetmen dan een
Vos zijn / om het bedroch der netten te weten. Ende Leeuwe om de Wolven te
verjagen / ende verschricken: maer die slechtelijcken niet als den
Leeuwe ghebruycken / en verstaen het spel van haer Persannagie niet wel.’
73
Dit is een gedeelte uit het beroemde hoofdstuk dat handelt over de
vraag, in hoeverre een vorst zijn woord moet houden. | | | | Hiertegen in
het bijzonder hebben de zestiende- en zeventiende-eeuwse politieke en andere
moralisten - en ook latere - stelling genomen en op grond hiervan hebben ze de
schrijver verketterd. Er bestaat voor mij geen twijfel, of ook
Hooft heeft zich in zijn keuze van Geweldt en Bedroch,
als ook in de uitwerking van de scène, waarin zij optreden, mee laten
beïnvloeden door de contemporaine interpretatie van
Machiavelli. Bijna geen politieke publicist in zijn tijd
kon het laten zich te keren tegen de als verderfelijk beschouwde ideeën
van de Florentijn. En Hooft, die de functie van het treurspel vooral ziet in
‘deeze redenen van regeering: 't verquikken der middelbare, 't intoomen
der uitsteekende burgeren, 't verwekken van yder in 't gemein, tot liefde van
't wettigh bestier huns vaderlandts, met maalkonst van leevende beelden en
woorden, die hun de niet of nauwlijx afzonderbaare plaagen der overmachtige
grootheidt voor oogen stellen’
74, voegt zich op deze wijze in de rij van
bestrijders. De betekenis van Cicero wordt hierdoor niet aangetast, diens De
Officiis fungeert in de renaissance als achtergrond van alle politieke
theorieën. Men stemt in met het hier verkondigde idealisme, of stelt er de
praktijk van het harde realisme tegenover. Het laatste doet Machiavelli met
zijn nuchtere kijk op de werkelijkheid, het eerste Hooft in zijn optimistische
visie op de mens en zijn mogelijkheden.
| |
5
De toepassing van geweld en bedrog, zo hebben wij gezien, had
Floris van het niveau van het mens-zijn neergehaald tot dat van het dier. Maar
er zijn meer symptomen hiervan. In de claus beginnende met vs. 438 spreekt
Harman van Woerden over ‘uwer dartelheden / Verwaende
woesticheydt’. (vss. 438b-439a); Geeraerdt van Velsen
verwijt Floris ‘moedwil’ (vs. 437) in verband met wat hij zijn
vrouw heeft aangedaan. In vs. 65 is | | | | sprake van ‘moedwil
slincx’ in betrekking tot de zwakheid van het menselijk geslacht, het
Gheweldt heet in vs. 159 ‘moedwillich’ en tenslotte wordt in vs.
656 over ‘de woeste moedwil der grooten kinderen’ gesproken.
Woestheid en moedwil, laten wij vaststellen wat deze eigenschappen
impliceren voor de drager of dragers ervan. In De Groots
Parallelon staat de woestheid als ondeugd
tegenover de fortitudo en magnanimitas, d.i. tegenover ‘de dapperheid en
dat edel zelfsvertrouwen’
75. De ondeugden ontstaan ‘in dat zelfde gedeelte van onze
ziel .…, waar gramschap en wraak ontbranden. 't Is dat gedeelte, 't welk
den boezem met roembegeerte vervult, dat ons tot wedervergelding aanzet, dat
den toorn opwekt en bedwingt:.…. gelijk men ook in deezen zin de
woorden, grootmoedigheid en verhevenheid van ziel, gewoon is te bezigen; en 't
geen zonderling is, van deeze zijde alleen wordt ons Goddelijkheid,
Menschelijkheid, Wildheid toegeschreeven’
76. Dit citaat bevestigt ons nogmaals de woorden van
Hooft in de
Achilles en Polyxena en
De gewonde Venus:
77 de hartstochten
zijn verwerpelijk, wanneer ze hun gang kunnen gaan, maar ook vormen zij de
grootheid van de mens, als zij beteugeld worden door diens hogere geestelijke
functies. Van de woestheid zegt
De Groot: ‘Wij noemen wild en woest, die de krachten
van ziel en ligchaam, naar de wijs der dieren, door geen rede temperen. Want
het ontbreekt niet aan een aantal van zulken, wier moed hoog genoeg rijst, en
die anders dapper zijn: doch daar deeze eigenschappen niet met schranderheid,
gerechtigheid of zedigheid verzeld gaan, ontaarden ze, in plaats van deugd te
worden, in ondeugd. Onder deezen rang behooren zij geschikt te worden, die om
de geringste dingen in toorn opvliegen, en bij welken een drift die zich niet
maatigen kan, ligtelijk in geweld, oproer en oorlog uitbarst;’
78……..
Wij zouden kunnen zeggen dat wij hier een vrij nauwkeurige | | | | diagnose hebben van het ‘geval Floris’. Ook hier treedt een
bestiale eigenschap van de graaf naar voren: de krachten van ziel en lichaam
worden niet gematigd door de rede en uiten zich in geweld. Ongetwijfeld behoort
Floris tot degenen, ‘wier moed hoog genoeg rijst, en die anders dapper
zijn’. Zo wordt hij ook gezien door de Rey van Amstellandsche
Joffrên:
O saet des Roomschen Konincx waerdt,
Wat oorsaeck had uw onbesweecken
En moedich hart van eelder aerdt,
Met soo verwoeden brandt ontsteecken?
Reeds in ‘O saet des Roomschen Konincx waerdt’, zoon van
de voortreffelijke rooms-koning, ligt het herediteitsprincipe, zijn aanleg voor
een hogere levensvorm, opgesloten. Bovendien, hij bezat een ‘hart van
eelder aerdt’; het hart is de zetel van die eigenschappen, die de mens
doen uitsteken boven zijn medemensen, die hem opvoeren tot edelheid, een
verzamelbegrip voor alles wat hoog is. Dit hart was ‘onbesweecken’
en ‘moedich’: Floris bezat de noodzakelijke eigenschappen van de
fortitudo, de moed, en de magnanimitas, de grootmoedigheid. Maar dit hart is
‘met soo verwoeden brandt ontsteecken’. Inderdaad, de eigenschap
van moed is in zijn tegendeel veranderd, in toorn. Dit alles werd,
psychologisch gezien, mogelijk geacht. De beschouwingen van de Rey zeggen ons
ook wat de reden was van de toorn van Floris V.
Dat was een antwoort alte straf
En quaelijck op zijn hoofs behouwen,
Dat d'altevrypostighe ridder gaf,
Doen ghy hem verchd' uw boel te trouwen.
Het antwoord is overbekend: ‘Vw slete schoen myn voet niet
passen’ (vs. 292), en de reactie van de graaf evenzeer: ‘De Graef
verbeet zyn leedt’ (vs. 293), totdat Geeraerdt van | | | | Velsen
Machtelt trouwde en Floris door zijn boel, die ‘door verspeeten smart aen
't rasen’ raakte, opgehitst, tot de verkrachting van Machtelt kwam, tot
het gebruiken van geweld. Het geweld kan door de leeuw gesymboliseerd worden,
zoals wij uit
Cicero, uit
Machiavelli, uit
Hooft, kortom uit de renaissance weten. Het is
ongetwijfeld geen toeval, dat wij in het
Droef-Eyndend'-Spel / tusschen Graef Floris,
en Gerrit van Velsen van
Colevelt Machtelt zien dromen dat zij door een leeuw
belaagd wordt
79.
Met de woesticheyt gaat de moedwil gepaard.
Hugo de Groot zegt in zijn
Parallelon dat de Atheners de beschuldiging van
moedwilligheid niet kunnen ontgaan. ‘Want het zeggen van dien
Lacaedemonier is bekend: De Atheniensers zijn niet onkundig van 't geen
betaamelijk en rechtvaerdig is, maar zij bekommeren zich niet om 'er naar te
handelen.’
80 Hierdoor wordt ons duidelijk wat wij hebben te verstaan onder
moedwil; de inhoud ligt dicht bij die van de ‘woesticheydt’, maar
de begrippen zijn niet aan elkaar gelijk te stellen. Bij de
‘woesticheydt’ wordt de rede overstemd door de krachten van de
sensitieve ziel. Bij moedwil weet men op het ogenblik van handelen wat
rechtvaardig, wat eervol is, maar men handelt toch niet in overeenstemming
ermee. Bij de ‘woesticheydt’ slaan de begeerten door, wat deugd kon
zijn, wordt ondeugd, de wil wordt met geweld door de hartstochten onttroond.
Bij de moedwil wordt de mens verleid door het beeld van de lust die hij meent
te zien, en hij levert zich over aan de hartstochten zonder aan de gevolgen te
denken
81, de wil is te zwak om door te
zetten wat men als eervol ziet, hij capituleert voor de hartstochten. In beide
gevallen is er gebrek aan matiging, aan temperantia, die Cicero definieert als
de mogelijkheid om de passies | | | | in te perken en de impulsen
ondergeschikt te maken aan de rede
82. Hoe
zeer de moedwil in tegenspraak is met de goddelijke principes en met de eer,
blijkt in de vss. 436-437, waarin Geeraerdt van Velsen spreekt van de
‘God, en Eervergheten schandt’ die zijn ‘Eerbre Vrouw’
door Floris' moedwil is aangedaan. Floris, stammende uit een edel geslacht,
zoon van de eminente rooms-koning, was uitstekend op de hoogte van de eisen die
in de goddelijke en sociale orde aan hem gesteld werden, maar hij bekommerde er
zich niet om, achtte ze niet en joeg eigen lusten na. Dat bedoelt Geeraerdt van
Velsen, wanneer hij het woord ‘moedwil’ gebruikt; hij legt de
nadruk op het opzettelijke van Floris' daad, begrijpelijk, daar hij ook het
meest getroffen is. Hij spreekt telkens voor zichzelf en van zichzelf uit:
‘Dat heb ick verdient met dulden’ (vs. 422b), en
‘dacht je niet dat iemand als ik in staat zou zijn je uit wraak te doden,
zelfs al zou ik zelf ten onder gaan?’ (vss. 428-437).
Harman van Woerden, even verbitterd, ook getroffen in zijn dochter,
spreekt van uit het groepsbewustzijn: ‘wij’ en ‘onze’
vormen zijn aanduidende pronomina. Hij wrijft Floris diens ‘dartelheden /
Verwaende woesticheydt’ aan. ‘Dartelheden’ zijn ook
moedwillige handelingen, brooddronken daden. Volkomen hierop afgestemd is in
vs. 440 ‘na lust soud springhen om’. Het adjectief
‘verwaende’ is er eveneens mee in harmonie. Dit woord heeft soms
een gunstige betekenis, b.v. in vs. 429 en in vs. 1145, van magnificus d.i.
statig, pompeus in de renaissancistische zin
83, soms een ongunstige, zoals hier waar het gebruikt is voor
hoogmoedig, overmoedig, hovaardig. In een hovaardige, overmoedige stemming,
zich zelve verheven achtend boven ieder ander, liggen daden van moedwil niet
ver voor de graaf. Subtiel is de verhouding tussen ‘verwaende’ en
‘woesticheydt’ (vs. 439). Constateren wij bij het bijvoeglijk | | | | naamwoord een verschuiven van magnificus naar arrogant, van pompeus
naar overmoedig, eenzelfde verschuiving heeft er plaats gehad bij het
zelfstandig naamwoord, waarvan het resultaat ‘woesticheydt’ is.
Doordat Floris in toorn ontbrand is en daarmee het pad der gerechtigheid en
gematigdheid heeft verlaten, is zijn moed overgeslagen naar woestheid. Dit is
het wat Harman van Woerden hem voor de voeten werpt: dacht je zo hoog verheven
te zijn boven ons, dat je je willekeur kunt botvieren op onze eer en op ons
bezit? Nauw blijken moedwil en woestheid verbonden te zijn; wij zien dit
opnieuw in vs. 656, waar van ‘woeste moedwil’ sprake is. Het is de
pessimistische visie van de Rey van Amstellandsche Jofferen op de mentaliteit
‘der grooten kinderen’. En er is aanleiding voor pessimisme. De
samenkomst van edelen en graaf heeft niets opgeleverd dan een uitzichtloos
twistgesprek: de deugden van de heren zijn verdrongen door de ondeugden. Twist,
Geweldt en Bedroch zijn meester van het veld, nu Eendracht, Trouw en
Onnooselheyt naar de hemel zijn geweken. ‘Der grooten kinderen’
weten heel goed wat van hen gevraagd wordt. Zij weten dat justitia en
temperantia hoge deugden zijn, die voortspruiten uit een door God gewilde orde,
maar hun begeerten wenken met andere beloningen - i.c. verzadiging van eigen
wraakgevoelens - en zij bekommeren zich niet om de vruchten die de deugden
opleveren. Hun moedwil is apert en deze is bovendien woest, want de heren
hebben afstand gedaan van hun bevoorrechte plaats in de kosmische
hiërarchie, en door zich door hun haat te laten meeslepen, reageren zij op
de wijs der dieren en een drift wordt openbaar, die ‘ligtelijk in geweld,
oproer en oorlog uitbarst’
84,
zegt ons
Hugo de Groot.
Zo is het mensdom, constateert Machtelt; zwak en broos (vs. 63) en
de misslag van een ogenblik kan noch door de duur van de tijd, noch door de
wijsheid weer in orde gebracht worden. En deze misslag geschiedt ‘door 't
radeloos / Bestaen van | | | | moedwil slincx’ (vss.
64b-65a). Het ‘radeloos / Bestaen’ hoort bij de
moedwil, de daad nl. die niet voldoende wordt overdacht voor de uitvoering, en
deze vooronderstelt het adjectief ‘slincx’ bij
‘moedwil’: de moedwil, die averechts handelt in strijd met het
verkrijgen van eer. In ‘moedwillich Gheweldt’ (vs. 159) wordt het
opzettelijke van het Gheweldt geactiveerd, het Gheweldt dat zich geheel in
dienst van Twist stelt en bereid is overal, het doet er niet toe waar, de
partijen tegen elkaar op te zetten; het bekommert zich niet om recht of
onrecht, het kent geen matiging en is dus duidelijk
‘moedwillich’.
In vs. 488 en vlgg. wenst Floris zijn tegenstanders wijsheid toe,
die hemzelf had verlaten, toen hij in grote toorn besloot de stap te doen die
hem aan het glijden bracht. Wij kunnen de vraag stellen: waarom komt juist hier
de wijsheid ter sprake? Welke is de functie in deze context? In vs. 66
ontmoeten wij eveneens de wijsheid, waarbij geconstateerd wordt, dat
‘'swijsheyts Raedt’ niet kan herstellen, wat de moedwil eens heeft
teweeggebracht. Tenslotte wordt in vs. 1044 Gijsbert van Amstel ‘wijs,
goedertieren’ genoemd. Duidelijk wordt ons uit deze plaatsen, dat
wijsheid niet meer aanwezig is, als iemands gemoed door toorn is meegesleurd en
dat wijsheid niet regressief kan werken, maar preventief moet optreden. Er is
tussen de wijsheid en de reeds behandelde deugden een belangrijk verschil, dat
Hugo de Groot als volgt uiteenzet. ‘Het beleid en
de schranderheid zullen wij liefst tot het laatste spaaren: want deeze beiden
schijnen van de overige deugden zeer verschillend: daar zij niet in de ziel,
dat is in den toorn en de begeerlijkheid, maar in 't verstand haaren zetel
hebben, en zich meer bekommeren over het geen waarachtig dan over het geen
betaamelijk is.’
85 Ik moet daarbij opmerken dat ik
de vertaling niet geheel juist acht, gemeten aan zeventiende-eeuwse normen: de
zeventiende-eeuwer zou aan ‘wijsheid’ de voorkeur hebben gegeven
boven ‘beleid’, aan ‘geest’ in de plaats van
‘verstand’. In tegenstelling tot de behandelde morele deugden is de
wijsheid een intellectuele | | | | deugd. In een later hoofdstuk: Over
verstand en beleid (d.i. Over geest en wijsheid) preciseert hij:
‘Na dus het geen het eigendom van den wil schijnt te zijn, te
hebben voltooid, moeten wij overgaan tot het geen aan het Verstand (de geest)
verknocht is. Dan, hiervan kent men wederom meer dan een enkel soort: want het
Verstand (de geest) brengt of te wege, dat 'er iets gehandeld, of dat 'er iets
gedaan wordt. Want dus onderscheiden hier de leeraars der Wijsbegeerte, dat die
geen gezegd wordt te handelen, welke met de verrichting zelve geheel heeft
afgedaan; die daar en tegen iets te doen, wiens daad in het gewrochte werk de
blijvende gevolgen nalaat. Of eindelijk verkeeren deeze vermogens noch in eene
handeling, noch in eene daad, maar in het enkele inzien der waarheid, 't geen
de Grieken Theorie noemen. Bij de handelingen komen de overleggingen in
aanmerking, welker voortreffelijkheid wij gewoon zijn Beleid (wijsheid) te
heeten.’
86 Het is dus zo dat bij iedere handeling geestelijke
overleggingen gelden die de mens aansporen om de handelingen die goed zijn, te
verrichten en zich van die welke kwaad zijn, te onthouden.
La Primaudaye spreekt van ‘ceste vtile vertu qui fait que
l'homme par vne bonne & meure deliberation, discerne & choisit le bien
d'auec le mal, & le profitable d'auec son contraire, pour fuyr cestui-ci,
& executer l'autre pour laquelle cause dit Aristote, que l'office de la
Prudence est de sçauoir consulter & eslire, à fin d'executer
ce que la vertu commande, à sçauoir l'honneste & le
bien-seant ..… Dont les Philosophes moraux ont pris suiect de donner
à ceste vertu trois yeux, à sçauoir, Memoire,
Intelligence, & Prouidence (que Ciceron appelle parties de la Prudence).
Car du premier oeil, elle regarde le temps passé, du second, le present,
& du tiers, le futur.’ T. I, fol. 45 ro.
De wijsheid d.i. de voortreffelijkheid van het samenstel van
overleggingen dat een handeling bepaalt als in overeenstemming met wat waar is,
of ermee in strijd, en dus moreel toelaatbaar | | | | of ontoelaatbaar, had
Floris verlaten, toen hij in toorn ontstoken zijn daad deed. Het is
begrijpelijk, dat hij het op dit ogenblik ter sprake brengt. Hij ziet dat de
reacties van de heren steeds heftiger worden en dat zijn tegenstanders steeds
minder geneigd zijn met hem tot een compromis te komen. Hij doet een stap in
hun richting door zijn erkenning dat de wijsheid hem verlaten had, toen hij van
het rechte pad afweek, maar het gaat er hem voornamelijk om hen te bewegen haar
als leidsvrouwe te aanvaarden: redelijke overwegingen mogen hen afhouden van
het uitvoeren van hun dreigementen. Hijzelf acht zich geëxcuseerd door
zijn eenzame, hoge positie als vorst. Direct reageert hij op de woorden van
Geeraerdt van Velsen. Deze zegt:
Bevaeren loodsman, sal ons uwe sorghe peylen
De wijsheid houdt zich in de overleggingen nl. bezig met het
verleden, het heden en de toekomst. In het laatste geval sprak men in de
zeventiende eeuw van ‘voorsorghe’, Geeraerdt van Velsen drukt dit
uit in aangehaalde verzen: zult gij, die getoond hebt het zo goed te kunnen,
onze toekomstige handelingen bepalen? En hierop slaat terug Floris' opmerking
dat overleggingen steeds voor ieder nuttig zijn, wat men in de toekomst zal
doen.
De voortreffelijkste overleggingen zijn niet in staat te helen wat
de moedwil heeft kapot geslagen, zo constateert Machtelt (vs. 66). Inderdaad,
de wijsheid werkt vooraf en voorkomt het onheil. Wanneer van Gijsbert gezegd
wordt dat hij wijs is, betekent dat dan ook, dat hij al zijn gedragingen laat
vooraf gaan door redelijke overleggingen.
Aan de orde zijn nu gekomen de volgende deugden: prudentia
(wijsheid), justitia (gerechtigheid), fortitudo (moed) en temperantia
(gematigdheid). Daarnaast ook grootmoedigheid en goedertierenheid, maar deze
zijn nevenverschijnselen van de genoemde hoofddeugden. Zo kunnen wij ze
inderdaad noemen, | | | | het zijn de bekende kardinale deugden die reeds in
de oudheid als zodanig golden. Cicero bouwt er zijn De Officiis op.
In Boek I, caput 5, lezen wij: ‘Maer alle dat eerlic is,
spruyt wt een van dese vier deelen: want het is gelegen in die clare kennisse
der waerheyt ende cloecheyt: ofte inde bescherminge van tmenschelicke
geselschappe ende ghemeen vrede, een yegelic tzijne gevende: ende in
ghetrouwicheyt der beloften: oft in grootmoedicheydt ende onverwinlicke
vroomherticheyt: oft in goede mate ende ordeninge van alle datmen seyt oft
doet, daer de manierlickheyt ende maticheyt inne begrepen zijn. Ende al
hoe wel dese viere groote gemeenschap met malcander hebben ende onderlingen
seer in een geknoopt zijn: soo vlieten nochtans wt elc van dese, sekere
manieren van officien.’
87 Met Augustinus mogen de christelijke deugden meer nadruk
verkrijgen, toch blijven de klassieke waarden bestaan; Thomas van Aquino tracht
een synthese tot stand te brengen en de belangrijkste ethische en moralistische
geschriften in de zestiende en zeventiende eeuw hebben de kardinale deugden tot
basis, waarop verder gebouwd wordt. Vaak worden er deugden aan toegevoegd, maar
ze zijn of een soort bijprodukten van de hoofddeugden, of ze zijn aan
Aristoteles ontleend, die tien deugden onderscheidde.
Wij keren thans terug tot de eer en de algemeen aanvaarde, ook door
Hooft gehanteerde definitie: ‘Eer is het lof des
Deuchts’. Het is de klassieke definitie en met bijzonder raffinement
brengt Hooft haar te pas in de Rey van Aemstellandsche Jofferen aan het einde
van het tweede bedrijf. In dit bedrijf is het twistgesprek voorgevallen tussen
de graaf en de groten, met een volkomen uitzichtloos resultaat. Geeraerdt doet
een noodlottige stap: hij stuurt zijn schildknaap naar Timon de tovenaar.
Eendracht, Trouw en Onnooselheyt verlaten de aarde, vergiftigd door de
aanwezigheid van Twist, Geweldt en Bedroch. De Rey is pessimistisch, haar lied
is een preludium op het onheil dat gaat komen, het thema is vergankelijkheid
en | | | | sterfelijkheid, macht van noodlot en geluk, slechtheid van het
menselijk geslacht. Bij de eerste strofe zou ik even willen stilstaan.
O Rome rijck van roem, o dochter 's hoochghemelden
Grootmoedicheyts, van soo kloeck opgheschooten leên;
Vruchtbaere Moeder der ouwling vergooder helden,
Die zijn door deuchdes kerck ten eerslot inghetreên!
Stoett geeft als commentaar bij ‘'s
hoochghemelden grootmoedicheyts’: der hooggeprezen dapperheid. Deze
interpretatie is net niet juist. Wel heeft de grootmoedigheid te maken met de
dapperheid, er is zelfs een nauw verband, maar gelijkstelling gaat te ver.
Neen, Rome was de dochter van de edele grootmoedigheid, van ‘de
verhevenheid van geest en het rechtmatig zelfvertrouwen’, waardoor zij
tot heerseres van deze wereld uitgroeide. Vs. 608 wordt door Stoett als volgt
weergegeven: ‘die door hunne deugdzaamheid algemeen geëerd
werden’. Ook deze verklaring lijdt aan hetzelfde euvel, het is de halve
waarheid. ‘Algemeen geëerd’ richt zich slechts op
één kant van de eer en nog wel op de minst belangrijke: ‘de
roep des vollix licht als wint’; belangrijker is ‘het stadig
loftrompetten van het eigen gemoed, waarin de deugd haar eer vindt’. Deze
gehele strofe is typisch geënt op klassieke waarden. Rome is de
‘vruchtbaere Moeder der ouwling vergooder helden’.
‘Want’, zegt
Hugo de Groot, ‘de nakomelingschap vereert met den
naam van Goden en Helden, hen, die een gevaaren-tartende geest tot den
oorlogsroem heeft opgevoerd’.
88 En dezen zijn ‘door deuchdes kerck ten eerslot
inghetreên’ d.w.z. door hun deugden hebben ze de eer in volle
omvang ontvangen. Maar achter dit beeld - en hier toont
Hooft zijn raffinement - staat een klassieke realiteit.
Een in de renaissance populaire beschrijving van de nauwe verbondenheid van
deugd en eer vinden wij bij
Thomas de Rouck in zijn werk
Den Nederlandtschen Heravld. Daarin lezen wij:
‘Doch in de oude tijden bestont den Edeldom eyghentlijck | | | | in
Theologischen / ende Moralen Aedel; uyt reden / dat den selven is prijselijck
ende eerweerdich in syn selven. want sonder deucht (nae de opinie van Cicero)
niets prijs-weerdich ghevonden werdt. Waer van templum honoris bij de Romeinen
is gheweest een notabel exempel / alwaer niemandt konde ingaen quam per templum
virtutis; dat is als door den wech des deuchts.’
89
Curtis Brown Watson zegt dat een geliefde metafoor waarin de onscheidbaarheid
van deugd en eer is neergelegd, die van lichaam en schaduw was, en dan gaat hij
verder: ‘An equally popular description of the inseparable connection
between honor and virtue is that of La Primaudaye. “For this cause the
auncient Romans built two Temples joined together, the one being dedicated to
Vertue, and the other to Honor: but yet in such sort, that no man could enter
into that of Honor, except that he passed through the other of
Vertue”’.
90
Nu kunnen wij ons realiseren wat deze definitie inhoudt, nu wij het
begrip deugd hebben geanalyseerd, het in zijn componenten: de vier kardinale
deugden met samenhangende eigenschappen, hebben beschouwd. Nu kan het ons ook
duidelijk zijn, waarom eer in het denkpatroon van die tijd werd gereserveerd
voor de edelen, voor de aristocratische kringen. Immers algemeen was de
opvatting - wij hebben het reeds gezien - dat het gemeen slechts reageerde,
gedreven door de vrees voor straf bij overtreding van geboden en niet door de
begeerte het goede te doen en het kwade te laten, m.a.w. het streefde niet naar
deugd en kon dus nooit aanspraak op eer maken, in ieder geval niet op eer in
zijn ruimste zin, als beloning van de deugd. Juridisch bezat de man uit het
volk wel eer, als onvervreemdbaar bezit, in de enge zin van reputatie, maar
juist de door de aristocratie algemeen begeerde combinatie met innerlijke
integriteit, was niet zijn deel, tenminste niet in de ogen van hen die van
oordeel waren dat eer een adellijk, in ieder geval een aristocratisch privilege
was. Ook is het ons nu duidelijk, dat de hoogste adel het felst het begrip
verdedigde, overtuigd als men was, dat | | | | de verplichtingen tegenover
het voorgeslacht hier het grootst waren.
Het is een lange weg geweest van af het punt dat wij voor het eerst
‘Eelmans eer te doôn met valsche schulden’ als probleem
stelden tot hier. Maar wij zien nu de vernietigende kritiek, die in deze regel
ligt besloten, uitgebracht door Gijsbert, die ‘wijs en
goedertieren’ is. Gijsbert van Amstel, behorend tot de aanzienlijke adel,
verwijt hier Floris, dat deze de standscode heeft geschonden door een gelijke
in adeldom, die onder dezelfde erecode valt, die dezelfde opvattingen heeft
gehad over het bezit van eer, verworven door de combinatie van een aantal
voortreffelijke eigenschappen, te doden. Het gebruik van ‘eelmans
eer’ veronderstelt wat er op volgt: door valse beschuldigingen. En dit
functioneert naar twee kanten. Immers eelmans eer zou niet mogelijk geweest
zijn, als er van werkelijke schuld sprake was geweest, als de veroordeling van
Velsens broer terecht zou zijn geschied. Maar ook richt het zich tegen Floris,
omdat er geen erger onrecht bestond dan dat wat door bedrog tot stand kwam.
Cicero had gezegd: ‘Maer daer is groot onderscheyt in alle
ongherechticheyt, oft zy door eenderhande verstoornisse comt ende en gheduert
niet lange: dan vvt voorraet ende puere moetvvillicheyt. Die vvt eenighe
haestighe beweginghe gheschieden, zijn lichter dan die met voordachticheyt
ghedaen werden.’
91
De ‘voordachticheyt’ van Floris stond vast in de ogen
van de groten en zijn ‘moetwillicheyt’ al evenzeer. Zo is het te
begrijpen dat Gijsbert, die wijs was, d.w.z. die bij alle handelingen zijn
overleggingen vooraf liet gaan, die bovendien goedertieren was, d.w.z. die
rechtvaardig was, dit vernietigende oordeel uitspreekt en het werkt des te
heviger, omdat het, gezegd door één van de beide andere heren,
heftiger van natuur, bezield door wraak, minder dramatische spanning zou
bezitten en ook minder overtuigende kracht. En dit alles wordt in hoge mate
versterkt door ‘O gruwel’. Men kan hier direct denken aan de | | | | passus in Vondels
Gijsbrecht van Aemstel: ‘O gruwel,
Badeloch, ben ick van zulck een' aerd, / Dat ick een vrouw, en noch mijn eige,
met mijn zwaerd, / Zoo eerelijck voor haer, voor kinderen, en magen, / En deze
goe gemeent, mijn leven lang, gedraegen, / Vermoorden zou, gelijck een
gruwelijck tyran?’ (vss. 1747-1751). Ik wijs nog op twee plaatsen in de
Baeto: de vss. 1082 en 1145. Penta ziet haar
toeleg om Baeto te doden mislukt, en haar werktuig Ot wijkt lafhartig terug.
Zij bezweert nu Medea haar te helpen en belooft:
Ick zal (en by uw hóóft dies lóftenisse
doe)
Een staatsi naar, met pracht vol grouwels, rusten toe,
Ter eeren u, o braaf sieraadt der helsche rycken;
In het vierde bedrijf komt een dialoog tussen Zeghemond en de Rei
van Nonnen voor. De laatste begrijpt niet dat de goden de schelmstukken van
Penta kunnen verdragen. Zeghemond stelt haar gerust: de wraak van de hemel is
traag. Dan barst de Rei in klachten uit; de context toont duidelijk dat deze op
Penta's streven, op haar daden en gezindheid slaan.
O ellend! o onverwachte druck!
O valsheidt fel! o gódtvergeten schellemstuck!
Een gruwel is dat wat ingaat tegen de hoogste morele waarden, tegen
de goddelijke wetten, tegen de hierop berustende orde. Deze orde doorbreken is
een verzet tegen de hiërarchie, dus uiteindelijk tegen God. Zo bedoelt
Gijsbert van Amstel het en zijn hele claus functioneert als volgt: Gij, Floris,
door uw afkomst, door het lichtende voorbeeld van uw voorouders, | | | | bestemd te regeren, de hoogste positie in te nemen in het land in
politieke en sociale zin, met de daaraan verbonden eerste rang in deugden, tot
handhaving van de door God gestelde orde, hebt die deugden verloochend, hebt in
het bijzonder de justitia, de gerechtigheid, verwaarloosd, waardoor gij van uw
in de hiërarchie eminente plaats van mens zijt verwezen naar een lagere
trap, waardoor gij zijt gestorven wat betreft het rationele aspect van uw ziel
en waardoor gij gekomen zijt tot de eerberoving van een edelman, voor wie deze
eer het hoogste bezit was, verworven door voortreffelijke daden, voortspruitend
uit de hoogste deugden, voor wie deze eer meer was dan zijn leven, en dit door
bedrog, gemengd met geveinsdheid: door valse beschuldigingen, voorwaar een
gruwel voor Gods ogen. ‘O gruwel, Eelmans eer te doôn met valsche
schulden!’ als peroratie van Gijsberts afkeurende woorden, bewijst wel
hoe groot de rol was die de eer speelde in de toneelsituatie en hoe groot de
betekenis geacht moet worden in het cultuurpatroon van het begin van de
zeventiende eeuw.
| |
6
Wij hebben nu eer gedefinieerd, wij hebben de relatie gezien met
de adel, met de aristocratie in het algemeen, de relatie met de deugden en het
fungeren in een bepaalde situatie van de
Geeraerdt van Velsen. Het eerbegrip is in dit
treurspel niet beperkt tot deze ene passus; de nadruk die er hier op valt kan
niet toevallig zijn. Integendeel, het neemt een belangrijke plaats in, wat o.a.
blijkt uit het aantal keren dat het woord ‘eer’ voorkomt, nl.
zeventien maal en nog vijftien maal in samenstellingen en afleidingen. Dat
hangt zonder twijfel samen met het milieu waarin het treurspel speelt: een
wereld waarin de edelen de toon aangeven en hun code van waarden als de hoogste
geldt, maar evenzeer wordt hiermee door
Hooft een appèl gedaan op de eigentijdse situatie
en de drijvende krachten daarin.
Om de betekenis van eer in volle omvang te begrijpen in de | | | |
Geeraerdt van Velsen moeten wij ook de andere
plaatsen in onze beschouwing betrekken. Daarvoor keren wij eerst terug tot het
gedeelte van de monoloog van Machtelt, dat reeds eerder ter sprake is gekomen
en wij bepalen ons nu tot vs. 60. De vss. 40 en vlgg., zo constateerden wij,
waren - in Machtelts verbeelding - een confrontatie van Floris met zijn vader.
In een climax houdt de laatste zijn zoon diens misdrijf voor ogen en dan neemt
Machtelt het woord: hoe zoudt gij uw vader hierop antwoord kunnen geven?
Slechts door van hem weg te vluchten, tenzij gij ‘eer en schaemt ghelijck
ter aerden hebt ghedaen’. Welke is de verhouding tussen eer en schaamte
in de renaissance? Wanneer wij zien dat het hoogste voor de aristocraat in die
periode de eer is, volgt daaruit logisch dat de oneer, de schande het meest
gevreesd wordt. Schande was erger dan de dood. Wij horen iets hiervan
doorklinken in de bekende woorden van
Michiel de Ruyter … ‘en daar de Heeren
Staeten hunne vlagh betrouwen, zal ik myn leven wagen’
92. Cicero prijst de staten en acht ze
gelukkig, waarin de beste mannen streven naar lof en eer en zich verre houden
van ongenade en schande. Zij onthouden zich inderdaad niet zo zeer van slechte
daden uit vrees voor straf, vastgesteld bij de wet, als wel door een gevoel van
schaamte dat de Natuur de mens heeft gegeven in de vorm van een zekere vrees
voor gerechtvaardigde afkeuring
93. Vrees voor gerechtvaardigde berisping moest Floris, volgens
Machtelt, verhinderd hebben zijn vader onder de ogen te komen, de schaamte
moest hem zich hebben doen onttrekken aan dat samenzijn, tenzij hij met zijn
eer ook zijn schaamte weggeworpen had. Floris' eer was door zijn daad te gronde
gericht, dat stond onherroepelijk vast, maar als hij daarbij ook nog de
schaamte vernietigd had, zou dit de totale ondergang van Floris als moreel mens
betekend hebben.
Euripides had reeds vastgesteld dat een slecht mens geen
schaamte kent. Het zeventiende-eeuwse publiek, in ieder geval de toeschouwers
van een zekere educatie | | | | moeten scherp op deze passage gereageerd
hebben. Men wist: niets is erger voor een edele geest dan oneer, dan schande;
onverschilligheid ten aanzien van deze gevoelens, dus het ontbreken van
schaamte, of de veronderstelling dat die teniet zou zijn gedaan, moest ertoe
leiden, Floris bij de schurken in te delen en hem verdacht te maken van in
staat te zijn tot alles wat slecht was. En er is nog iets. Machtelt zegt
‘ten zij ghij’ en stelt het dus conditioneel, maar juist hierop kan
het publiek gereageerd hebben. Behalve de historische bronnen in de vorm van
geschiedverhalen, gaat de
Geeraerdt van Velsen duidelijk terug op het
historie-lied dat het drama van 1296 tot onderwerp heeft. Dit lied nu was
bekend in het begin van de zeventiende eeuw, misschien wel populair, te weinig
weten wij van de mondelinge overlevering. Gedrukt is het zeker tweemaal in die
tijd. Het komt voor achter in de eerste druk van
Melis Stokes kroniek, die in 1591 door de zorgen van
Spiegel en
Dousa verscheen
94, en ook in
Jacob Duyms
Oudt Batavien van 1606
95. De
versies zijn niet gelijk, de laatste maakt de indruk een overdichting van Duym
zelf te zijn. Hierin komt de volgende strofe voor:
Hier door wert den haet opghehist
Al swijghende tusschen haer beyden
Den Graeff heeft op zijn tij gevist
En heeft schaemt met eere doen scheyden.
Is het lied in deze versie bekend geweest bij de toeschouwers, dan
moeten zij bij de claus van Machtelt onmiddellijk het conditionele
geconfronteerd hebben met de stellige bewering van het lied en met wat zij zelf
als juist hebben gezien in deze kwestie. Dan kan het conditionele een factor
worden voor de bepaling van het karakter van Machtelt. Straks zal ons blijken
hoe belangrijk deze passus is voor de dramatische structuur van de
Geeraerdt van Velsen.
| | | | Intussen biedt het treurspel ons nog meer facetten van
het eerbegrip en daarvoor beschouwen wij de vss. 113, 436-437, 1135, 1173,
1403, 1606, 280, 370. Er doen zich twee vragen voor: wat verstond men in de
renaissance onder de eer van de vrouw en welke is de verhouding tussen man en
vrouw, in het bijzonder in verband met de laatste twee verzen. In de bespreking
van de vss. 49-56 van
Dankbaar Genoegen
96 is de
verhouding tussen man en vrouw uiteengezet. Hier geef ik nog enkele citaten van
Guazzo die mij voor de
Geeraerdt van Velsen van belang lijken.
‘Nochtans voeghe ick daer nu by / dat sy haer behoort te
bevlijtighen (tot naevolginghe der Ghenees-meesteren) die ghebreken des Mans te
ghenesen met teghenstrijdende behulpselen: Sulcx dat soo hy rouw ende
heerschappich is / behoort sy hem t'overwinnen metter ootmoedicheyt: Indien hy
schreeuwt / dat sy stille swijghe / want d'antwoorde van de wijse Huysvrouwe /
is t' gheswijgh / ende verwachte te spreken / ende hem haren wille te verclaren
/ wanneer hy het Herte stil ende gherust sal hebben: Soo hy hartneckigh is /
dat sy hem toegheve / .… Den ghehuweden Man verblijdt hem niet
alleenlijck / zijn Wijf nuttich ende weerdich kennende / maer gheraeckt oock in
goede ende sekere ghevoelinghe van hare Eerbaerheyt / ende stelt zijn harte te
vreden / siende dat sy / midts haer in de nuttighe ende eerlijcke oeffeningen
des Huyses bemoeyende /’
97 …….
De ijdele vrouwen doen juist het tegendeel. Gehoorzaamheid is dus
wel een belangrijke deugd van de vrouw. Zij moet zich in alle opzichten
aanpassen bij haar man; zij moet hem liefhebben met al zijn fouten, zij moet
zich kleden in overeenstemming met zijn wensen; zij zal zich slechts bemoeien
met het besturen van de huishouding en de opvoeding van zijn kinderen. In deze
zaken zal zij alles doen wat behoort, zonder zijn bevelen af te wachten en er
hem in te mengen
98. De
tweede deugd, die in belangrijkheid nauwelijks onderdoet voor de gehoorzaamheid
is de kuisheid; vaak wordt zij als eerste deugd beschouwd. Voor | | | | de
gehuwde vrouw is kuisheid van meer belang dan voor de ongehuwde; de laatste
zondigt tegen God en haar ouders, de eerste behoudens tegen dezen ook nog tegen
haar man, haar kinderen, haar beloften, tegen de kerk, de maatschappij en de
staat. Kuisheid in het huwelijk betekende trouw aan haar echtgenoot in feite en
ook in gedachten. Daarom moet zij elke gelegenheid tot het koesteren van ijdele
gedachten vermijden en in het bijzonder zich niet aan ledigheid overgeven. De
beschouwende Rey van Amstellandsche Joffrên die na de monoloog van
Machtelt en na het optreden van Twist, Geweldt en Bedroch ons allerlei
feitelijkheden meedeelt, heeft de volgende strofe:
Vrouw Machtelt staeckte' haer naeldwerck knap,
Als zy de tyding heeft vernomen,
En daelde vande wenteltrap,
Om haer Landtsheer te moet te komen.
Bij oppervlakkig lezen kunnen wij verbaasd zijn over het feit dat in
een treurspel, gesitueerd in een hoog-adellijke omgeving, dat reeds in het
eerste bedrijf vol dreigend onheil is, een dergelijk detail wordt vermeld. Wij
kunnen het ook omdraaien en zeggen dat juist de aanwezigheid van dit detail ons
moet waarschuwen en ons moet doen afvragen, welke de functie van dit vers kan
zijn. Want inderdaad, deze op het eerste gezicht futiele mededeling heeft zijn
functie in de onmiddellijke context en ook in de gehele handeling. Machtelt is
de onteerde, het onschuldig slachtoffer van de twist der mannen. Zij was en zij
is de getrouwe echtgenote van Geeraerdt van Velsen. Verschillende tekstgegevens
verzekeren het ons. Deze plaats hier is er één van. Het is niet
de bedoeling dat er geconstateerd wordt, dat Machtelt gezellig zat te borduren,
toen Floris verscheen en reageerde, of met de blijde uitroep: ha, eindelijk
iemand! of met de knorrige verzuchting: hè, 't ging juist zo fijn! Neen,
er wordt een trekje toegevoegd aan de andere gegevens die op haar
huwelijkstrouw, op haar kuisheid betrekking hebben. De vrouw, zegt Kelso, moet
zich beschermen tegen het | | | | geringste vermoeden van onkuisheid. Haar
grootste verdediging ligt in het bewaren van een kuise geest, en een vrouw kan
niet de kwalificatie van kuis verdienen, voordat haar daden haar gedachten
evenaren. Zij mag niet slechte wensen koesteren, want wensen kunnen stukje bij
beetje de geest ongezond maken. Daarom moet zij ledigheid, de vijandin van
beheerste gedachten, vermijden. Daarom laat
Hooft Machtelt, juist op het ogenblik van Floris' komst,
bezig zijn aan een werkje dat de duivel der ledigheid verre houdt, een werkje
dat Machtelt tekent en kenmerkt als de trouwe echtgenote, op wie geen smet mag
kleven. Zo krijgt deze ogenschijnlijk onbetekenende, ietwat huiselijk aandoende
passus èn in deze specifieke context zijn optimale, èn in de
handeling als totaliteit zijn zinvolle functie. De betekenis van kuisheid
blijkt het duidelijkst uit het feit dat vrouwelijke eer en kuisheid onderling
verwisselbaar waren, dat zij identiek waren. De vss. 1403 en 1606 demonstreren
dit duidelijk. In vs. 1403 is het Machtelt zelf die het meedeelt voor een
situatie, waarbij van eigen wil geen sprake is. De trompetter passeert op de
vlucht het Muiderslot en doet Machtelt het verhaal van de aanslag
op de graaf. Hijzelf houdt zich daar echter niet veilig en verzoekt toestemming
om verder te trekken. Machtelt blijft dan alleen achter en verzucht: waar moet
ik heengaan, waar kan ik vinden ‘vaylicheyt, aen leven oft aen
eer’. Zij begrijpt en vreest, dat bij deze baldadige menigte, tot woede
gebracht door de dood van hun geliefde graaf, òf haar leven in gevaar
zal zijn, òf haar kuisheid geweld zal worden aangedaan. Vs. 1606 heeft
op dit punt geen interpretatie nodig als wij bedenken wat vrouwen en meisjes
vaak te lijden hadden bij oorlogshandelingen, in het bijzonder bij verovering
van steden, als die stormenderhand genomen werden. De eer van de vrouw bestond
in haar reputatie, die haar huwelijkstrouw betrof. Breekt zij deze trouw,
pleegt zij overspel, dan bezoedelt zij daarmee allereerst de eer van haar man,
dan ook haar eigen. Hiërarchisch stond de man in het huwelijk boven haar,
hij was verantwoordelijk voor haar doen en laten - immers hij had de laatste
hand aan haar opvoeding gelegd - en hij was ook het eerst getroffen | | | | door haar ontrouw.
De Groot zegt in zijn
Inleiding: ‘Wie overspel bedrijft met een
ghehoude vrouw, al doet hy zulcks met haer wille, doet hoon aen den man, ende
is overzulcks ten dien aenzien aen de man verbonden, boven vergoedinge van
schade die de man ofte kinderen daer door komen te lijden.’
99 Zo
kon Geeraerdt van Velsen dus in vs. 370 zeggen:
De Dwinghelandt nu leere,
Wien hy onsuyver heeft verreuckeloost zijn eere.
Zijn ere, d.w.z. Geeraerdts ere. Niet dat hier van overspel sprake
was, het ging om een nog veel zwaarder vergrijp. Hugo de Groot zegt in
hetzelfde werk: ‘'t Aller-zwaerste hoon is vrouwe-kracht.’
100 Hoeveel te meer was er dus voor Geeraerdt van Velsen
reden zich in zijn eer aangetast te gevoelen.
De Rey van Amstellandsche Joffrên staat in deze fase van de
handeling, dat is in haar eerste ontwikkeling, geheel aan de kant van Geeraerdt
van Velsen en zijn medestanders. Zij deelt mee dat de Heer van Velsen
‘zijn nieuwe bruydt’ heeft moeten verlaten, omdat hij door de graaf
als gezant naar verre landen is gezonden, en dan volgt:
Hoe luttel vermoed hy, dat ouwden haet
Hem had soo verre doen versenden,
En middeler tijdt, met oevelen raedt,
De Graaf zijn eere socht te schenden?
‘Zijn eere’ d.i. Geeraerdts eer, die Floris ‘met
oevelen raedt’ - het tegengestelde van 's wijsheyts Raedt (vs. 66) -
wenste te schenden. Uit dit alles wordt ons duidelijk, hoe de verhoudingen in
dezen liggen. Geeraerdt spreekt in vs. 370 tegen Machtelt en zegt: mijn eer is
aangetast. De moderne lezer of toeschouwer zou het niet vreemd gevonden hebben,
misschien zelfs meer aanvaardbaar, als hij had gesproken van ‘haer
eere’. Maar de zeventiende-eeuwer had andere overwegingen. | | | | Hier is de wreker aan het woord, de wreker in een hiërarchisch
geordende maatschappij, waarin de man, volkomen in overeenstemming met het
recht, de schade hem toegebracht in zijn echtgenote door verkrachting,
‘het allerzwaerste hoon’, op de dader gaat verhalen. Of het recht
veroorloofde dit te doen op de wijze die Geeraerdt en zijn schoonvader Harman
van Woerden voor ogen stond, valt te betwijfelen, maar daarover komen wij nog
te spreken, het rechtsconflict is in ieder geval aanwezig. Nu zal de tiran, de
dwingeland, leren, wiens eer hij op een wellustige manier heeft neergehaald
door niet de deugd der wijsheid te betrachten; iemand die geen rekening houdt
met de uitwerking van zijn daden in de toekomst, is reukeloos. Een zeer
bijzondere nadruk krijgt hier ‘dwingeland’. Dit woord wordt
volkomen logisch gebruikt en in de context door wat voorafgaat bepaald, immers
de tiran is iemand die tegen de wetten handelt, die hij bij zijn inhuldiging
heeft bezworen, maar bovendien is de term dwingeland geladen met de bittere
smaak van het tegen recht en moraal ingrijpen in het particuliere leven van de
onderdanen.
Ook de Rey staat op dit moment nog aan de zijde van de edelen, van
Geeraerdt van Velsen in het bijzonder, die het meest getroffen is, en zij
oordeelt in overeenstemming met de door God gevestigde orde, waarin aan ieder
schepsel zijn plaats is toegewezen, waarin de man het natuurlijke hoofd van de
vrouw is en als zodanig van zijn eer beroofd wordt, indien de hare - die zoals
wij zagen identiek is met haar kuisheid - wordt gekrenkt. Daarbij kwam dat
Floris zeer beslist Geeraerdt wenste te treffen. Het was geen kwestie van
‘minnes dulheyt’ (vs. 55), maar van welberekend overleg, nadat de
laatste in bepaald niet hoofse, maar aan duidelijkheid niets te wensen
overlatende termen (vs. 292) had geweigerd 's graven minnares te trouwen. Deze
voelt zich daardoor gepasseerd en vernederd, en wanneer dan Machtelt als bruid
naar het Huys te Velsen wordt gevoerd, weet zij de graaf te brengen tot zijn
daad die in dubbele zin eerberovend is. Ook zij wenst Geeraerdt uiteindelijk te
treffen en te gemakkelijker bereikt zij haar doel, daar Floris zijn woede | | | | heeft onderdrukt (vs. 293) en in zijn trots maar al te zeer geneigd is
aan haar influisteringen gehoor te geven. Wel is Machtelt het object van de
elkaar bestrijdende machinaties der hoofdfiguren, terwijl zij van haar
zuiverheid overtuigd zijn. De graaf heeft het ervaren: de Rey vertelt van haar
verzet (vss. 321-332) en als Floris na zijn mislukte poging tot verzoening met
Geeraerdt van Velsen (vss. 1109-1142) tot een juist inzicht van zijn
deplorabele toestand geraakt - ‘Wat is de myne' een val?’ - (vss.
1143-1181), komt hij tot de erkenning dat zijn daad moraliter volkomen
verwerpelijk was. Typerend is weer dat hij zijn misstap geheel beoordeelt in
het licht van het eerbegrip.
Uws opgheblaesenheyts, d'eerwaerdighe' heb onteert!
Daer 't soo bederflijck in bestier van alle staeten
Is, sonder eers ghenot, d'eerwaerdighe te laeten.
Vs. 1173 is zeker ad personam bedoeld, de eerwaardige hier is
ongetwijfeld Machtelt van Velsen, de context pleit voor deze opvatting. Haar
die de eer waard was door haar gedrag, dat wil in dit geval zeggen, die haar
huwelijkstrouw en kuisheid als haar voornaamste taak zag, de taak van de vrouw
in de renaissance - in ieder geval idealiter en in theoreticis - heeft hij de
eer ontnomen en dat terwille van de trots van zijn minnares, nu ‘valsche
vrouw’ (vs. 1170), ‘smeeckende vyandin’ (vs. 1162). Geeraerdt
ziet het anders en zegt botweg: ‘Soo schendt ghy liên van eer, den
hoeren te ghevalle’. (vs. 1131) Met deze woorden treft hij Floris niet
minder dan diens minnares. Maar onmiddellijk verwijdt de graaf zijn op Machtelt
toepasbare woorden tot een algemene sententie; hier is de eerwaardige niet meer
één persoon, niet meer specifiek Machtelt, maar ieder die eer
waard is. Hij constateert hoe verderfelijk het is bij het besturen van staten,
degene die eer verdient - wij weten dat hiermee bedoeld wordt niet alleen het
juridische begrip eer, het enge begrip nl. ‘het goed ghevoelen dat
anderen van ons hebben’, maar het ruime dat op de deugden gebaseerd | | | | is en reputatie en gevoel van innerlijke integriteit gezamenlijk
omvat-niet te laten in het genot van zijn eer, waarmee de betekenis van dit
begrip opnieuw emfase ontvangt. Floris heeft geleerd, waarheen zijn daden:
gerechtelijke moord en vrouwenverkrachting, beide eerrovende handelingen, hem
hebben geleid, ook al laat de schrijver duidelijk merken dat de door de edelen
gevoerde procedure om hem te straffen verwerpelijk is.
In het gesprek tussen Geeraerdt en Floris waarin de laatste een
poging doet zich met zijn felste tegenstander te verzoenen, komen beide
misdaden ter sprake. De graaf begrijpt heel goed welke van de twee het zwaarst
weegt. Eerst brengt hij de veroordeling van Velsens broer ter sprake en zegt
dan:
‘Helaes! noch heb ick u in swaerder stuck
misdaen’.
Zijn handelen is in overeenstemming met wat de honer verplicht was
te doen. ‘By ons werd den honer verstaen ghehouden te zijn de hoon te
beteren, met opentlicke schuldbekentenisse ende bidding om vergiffenis, ende
daer en boven met geld ……’
101
Van een openlijke schuldbekentenis is geen sprake, maar Woerden en Amstel
hebben zich vrijwillig teruggetrokken en alles overgelaten aan Velsen (vss.
1105-1108). Floris erkent zijn misdrijven, maar bij iedere betuiging van schuld
en poging tot verklaring wordt hij door de onvermurwbare Geeraerdt scherp
teruggewezen. Begrijpelijk wordt het dat hij in arren moede uitroept:
‘Ach Velsen! gheeft mijn pais; siet hoe ick my verneder’ (vs.
1134). Hij constateert daarmee toch in feite, dat hij doet wat van hem verwacht
wordt. ‘Hoon als spruitende uit verachting werd verevent door nederigheid
ende eerbieding.’
102 Voor de trots van een Floris, voor een man van zijn
hoge positie in de hiërarchie, was de vernedering groot, gedwongen te zijn
het hoofd te buigen voor een mindere in aanzien.
| | | | Ook de volgende clauzen sluiten organisch aan elkaar in
de gedachtengang van het juridische conflict. Terecht, maar bitter
onverzoenlijk pareert Geeraerdt met:
Gheeft ghy mijn broeder 't lijf, mijn vrouw haer eere weder!
Bij
Hugo de Groot lezen wij: ‘Tot de weder-evening is
iemand ghehouden soo haest de selve kan geschieden, ende voor soo veel die kan
gheschieden. Daerom alsoo een doodslagher het leven niet en kan weder-gheven,
zoo moet hy weder-gheven dat hy kan, aen die ghenen die door sijn dood zijn
verkort ……’
103
Onherroepelijk is de dood, onvergetelijk is de door vrouwenkracht aangedane
hoon. Geeraerdt begrijpt dan ook onmiddellijk wat Floris wil, als hij zegt:
‘Doet afstandt van 't crackeel, o Ridder! en ick sal’ (vs. 1136).
Voor een goed verstaander is maar een half woord nodig:
Wat soudy, die nu hebt dat u is niet met al?
Inderdaad, de graaf wordt al onderbroken door het hier volkomen
adequate, ironische antwoord: wàt zoudt gij, gij die niets meer het uwe
kunt noemen? En de nauwelijks verholen dreiging in deze woorden moet de graaf
wel duidelijk hebben gemaakt, dat hij in handen van personen is gevallen, die
niet zijn leven zullen ontzien. Reeds eerder op de avond, heeft Geeraerdt
geconstateerd op een vraag van zijn Schildknaep:
Plach eens de schrick te zyn van kieckens mack en duyven.
Ghekeert' ist, en hy self benaghelt inde kluyven
Is het niet de diepste vernedering die denkbaar is, is het niet de
ironie van het noodlot, als de graaf dan voorstelt Geeraerdts bastaard-dochter
te trouwen? Hij, de vorst van Holland, die zijn kroon niet zou hebben willen
ruilen voor die van menige | | | | koning (vss. 1149b-1151), die de
kroon van Schotland had kunnen dragen, (vs. 1337) die zich hovaardig en
overmoedig in dit avontuur heeft gestort, biedt aan, Geeraerdts bastaarddochter
te trouwen, een bastaarddochter van degene die geweigerd heeft zijn minnares
als vrouw te nemen, die zonder hem er in te kennen, zijn keus voor een
huwelijkspartner heeft bepaald. En de prijs die hij vraagt? ‘Laet my 't
leven’ (vs. 1138b). Maar onverstoorbaar, op dezelfde agressieve
wijze die hij gedurende het gehele onderhoud getoond heeft, kaatst Geeraerdt
terug:
Te waerd is zy me' ick wilse' aen gheen verraeder gheven.
Een verrader? Waarvan? Wij hebben het gezien, een verrader van de
aristocratische erecode, een man die de deugden die daarvoor fundamenteel zijn,
met de voeten heeft getreden, die op grond van zijn afkomst en van zijn hoge
functie een voorbeeld had moeten zijn voor allen. Er blijft nog slechts een
jammerlijke vraag van een ontredderd man: wat staat er mij te wachten? Een
afsluitend antwoord van Geeraerdt van Velsen, volkomen afwerend en in de toon
die hij tot nu heeft gebruikt: dat zul je vanzelf zien, al ons gepraat leidt
tot niets! Men moet wel ziende blind en horende doof zijn om niet getroffen te
worden door de sublieme wijze, waarop deze scène met de volgende, een
alleenspraak van Floris, is verbonden. Psychisch is de graaf op een dieptepunt
en in de grootste détresse begint hij: ‘Wat is de myne 'een
val?’ En niet minder subliem volgt op deze alleenspraak vol van
zelfbeklag en passiviteit een sterk contrasterende scène vol actie en
trompetgeschal.
Laten wij terugkeren tot het besproken tekstgedeelte. Wij hebben
gezien dat op één der plaatsen die essentieel voor dit gesprek
zijn, de eer als hoogste goed in het geding wordt gebracht. Geef mijn vrouw
haar eer terug d.w.z. herstel het onherstelbare. Geeraerdt stelt zich op het
standpunt dat schending van de eer niet kan worden goed gemaakt en hij stelt
zich daarmee buiten de juridische principes van zijn tijd; als zodanig is zijn
houding | | | | afkeurenswaardig, maar het is mee het eerbegrip dat hij
heeft, dat hem stijft in zijn onverzoenlijkheid.
Ook vs. 1131 is vernietigend voor Floris. Deze voelt dat heel goed
en terstond daarop verandert hij van toon. Hij is gauw geïntimideerd en
dat is door de omstandigheden verklaarbaar. Opvallend is dat de graaf
onmiddellijk begint met de erkenning van zijn perfide houding in de rechtszaak
tegen Velsens broer, maar in de kwestie-Machtelt zoekt hij nog uitvluchten.
Zijn eerste reactie houdt wel verband met de verschijning van de geest, die hem
benauwd heeft en tot bekentenis gedreven. De daad tegenover Machtelt heeft geen
schrikbeelden bij hem opgeroepen en hier begint hij toch weer met te trachten
een gedeelte van de verantwoordelijkheid op zijn minnares te schuiven.
Mijn boelschap terchdme staech; dees heeft de schuldt van
alle.
Geeraerdts hard, maar efficiënt antwoord doet hem van gedachten
veranderen.
Soo schendt ghy liên van eer, den hoeren te ghevalle.
Wie zijn de ‘liên van eer’? Machtelt en hijzelf
ongetwijfeld, maar ook zij beiden als representanten van een klasse die de eer
hooghoudt en leeft in haar code van waarden. Zo wordt er een tegenstelling
geconstitueerd tussen hen en Floris die ‘den hoeren te ghevalle’
handelt, d.i. ten gunste van eerlozen - immers de vrouwelijke eer is gelijk aan
haar kuisheid - en reeds daardoor alle aanspraak op dit hoogste goed der
aristocratie heeft verloren. Floris' gang naar de vernedering is ook af te
lezen uit zijn aanspreekvormen tot Geeraerdt van Velsen. Hij begint in de
hoopvolle verwachting van een toenadering met het door de hoger gesitueerde
tegen de lager geplaatste gebruikte gemeenzame ‘neef van Velsen’
(vs. 1109)
104, maar | | | | zakt, nadat Geeraerdt hem elk eergevoel ontzegd heeft, daar hij
‘den hoeren te ghevalle’ is geweest, af tot ‘Velsen’
zonder meer (vs. 1134) en eindigt, wanneer hij, daar van hem het onmogelijke
geëist wordt, inziet dat hij een zwak spel in handen heeft, met het
formele ‘o Ridder’ (vs. 1136), waarmee hij een beroep doet op de
ideële code van waarden die de edelman als behorend tot de ridderstand
bezat, terwijl hij in feite een zakelijk aanbod doet, zoals wij zagen.
Door een analyse van verschillende passages is ons duidelijk
geworden, hoe zeer de begrippen van eer en deugd een rol spelen in de
toneelwerkelijkheid van de
Geeraerdt van Velsen, waarin ons een
aristocratische wereld voor ogen wordt gesteld. Maar tevens hebben wij gezien
dat deze ethische beginselen de uitdrukking waren van idealen die doorwerkten
in de moraal van de aristocratie der renaissance, of deze aristocratie nu
bestond uit de oude elite, zoals in Frankrijk, of uit een nieuw gevormde zoals
in de Italiaanse steden en later in Holland. Een elite zoekt nu eenmaal naar
distinctieve kenmerken en vormt deze op bijna alle levensgebieden: bepaalde
ambten en bezigheden stroken met het aristocratische ideaal. Men kon een
drostambt bekleden, men kon aan het hof een belangrijke functie innemen, maar
men kon geen kousen verkopen. Dichterschap bracht niet de gelijkheid,
geleerdheid wel. Wij zien
Huygens zijn dichterlijke arbeid als korenbloemen
betitelen, wij zien
Hooft tegenover
Heinsius zich verontschuldigen over het feit dat een
gedeelte van zijn dichterlijke werkzaamheid openbaar is geworden
105 en dat is
serieuzer gemeend dan men zou denken; de
Achilles en Polyxena en de
Ariadne verschijnen als pirated editions
106. De
aristocraat-dichter was een aanvaardbaar | | | | type, de
dichter-kousenkoopman maar ten dele. De Muiderkring bewierookte
Barlaeus, maar hield
Vondel op een afstand. Men kleedt zich anders dan de
massa, men gedraagt zich anders, men heeft een andere moraal. Men heeft wel
gevoel voor de underdogs - zie Hoofts verhouding tot de eerzame
Aaltjen de Lange en zijn optreden tegenover het volk in
ambtelijke sfeer
107 - maar dat
gevoel ontsproot niet aan een geloof in fundamentele gelijkheid en aan de
noodzaak van opvoeding tot gelijkwaardigheid, maar meer aan het besef, als
vertegenwoordiger van een elite zo te moeten handelen, een superieure moraal te
moeten ten toon spreiden.
In wezen is de
Geeraerdt van Velsen een stuk dat een
appèl doet op de ervaringen van de elite. Dat ook de groundlings er naar
konden kijken, ligt natuurlijk allereerst aan de ook door hen aanvaarde
hiërarchisch geordende bouw van de maatschappij, - immers door de traditie
bevestigd, door kerk en school onderwezen en verdedigd - verder aan de
bekendheid van de behandelde gebeurtenissen, aan allerlei sprekende dramatische
effecten zoals de opkomst van de edelen met de gevangen graaf, de
toverscène, de Naarders die de stervende graaf op het toneel brengen.
Kalff heeft terecht hierop gewezen
108. Overigens is het allerminst een typisch zeventiende-eeuws
verschijnsel dat slechts een gedeelte van de toeschouwers zich kan inleven in
de problematiek in volle omvang, die een toneelspel aanbiedt. Niet anders is
het in de twintigste eeuw gesteld.
Ionesco's
De koning sterft trekt geen volle zaal en in de
pauze verdwijnt een gedeelte van het publiek. Toch gaf de kleine beschouwing
over de auteur op het programma een sleutel. Op een vraag, welke schrijvers hij
las, noemde Ionesco er enkele en voegde er bij: en ik lees Plato altijd! Wie
dat niets zegt, kan De koning sterft
109
| | | | niet in al zijn symboliek begrijpen, maar niet ieder
kent Plato. En zo was het ook in de zeventiende eeuw, niet ieder las
Castiglione, Guazzo of La Primaudaye.
| |
7
De hiervoor doorgevoerde analyse van het morele aspect van de
Geeraerdt van Velsen geeft ons bovendien inzicht
in de structuur van het treurspel. Er is de vraag gesteld, waarom het drama de
naam draagt Geeraerdt van Velsen en niet Floris V, die toch
sociaal gezien de belangrijkste persoon is; bovendien, hij gaat ten onder,
sterft zelfs op het toneel. Dat is niet met Geeraerdt van Velsen het geval, al
wist het publiek welk lot hem te wachten stond.
Ik meen nu een afdoend antwoord op deze vraag te kunnen geven.
Floris V kan niet als tragische figuur fungeren, omdat hij reeds aan het begin
van het stuk een moreel gevallen man is, natuurlijk in de voorstellingswijze
van
Hooft. In de monoloog van Machtelt die ons de expositie
geeft, die ons dus de feiten meedeelt die nodig zijn te weten om de handeling
te kunnen volgen, en tevens reeds een kijk geeft op de karakters der personen
en de motieven die hen drijven, blijkt dat duidelijk. De confrontatie van
Floris met zijn als voortreffelijk voorgestelde vader, ‘de Koning
Willem’, laat ons al zijn tekortkomingen en zijn wandaad tegenover
Machtelt zien. Zonder aarzeling zal de toeschouwer en ook de lezer reageren te
zijnen ongunste, als Machtelt zegt:
En eer en schaemt ghelijck ter aerden hebt ghedaen,
Inderdaad, zal men concluderen, de graaf heeft zowel zijn eer als
ook zijn schaamte laten vallen. De renaissance rangschikte iemand die dat deed
onder de schurken. Floris is dus een schelm en als zodanig kan hij niet de
hoofdfiguur van een treurspel zijn. | | | | Bij het begin van de handeling,
zo moeten wij vaststellen, staan de heren en dus ook Geeraerdt van Velsen
volledig in hun recht. In het bijzonder Geeraerdts eer is aangetast door
Floris' daad, nl. zijn eer eng genomen, in de zin van reputatie in de wereld.
In feite is hij hoorndrager, de grootste schande die een man kon ten deel
vallen. En dat niet alleen, zijn broer is naar zijn mening en die van zijn
medestanders op een slinkse wijze veroordeeld en terechtgesteld. Geeraerdt van
Velsen is dus aan het begin van het stuk het slachtoffer van de machinaties van
zijn heer; deze heeft zijn eer gekrenkt in zijn vrouw en in zijn broer. Het
feit dat hij moreel in zijn recht staande de handeling ingaat, kan hem tot een
centrale figuur van een treurspel maken. Natuurlijk zal hij trachten de
schending van zijn eer ongedaan te maken en juist in de keuze van de middelen
daartoe zal hij falen, hij zal zijn recht tot onrecht maken, hij die
aanvankelijk moreel onaantastbaar scheen te staan, zal door zijn daden en zijn
beslissingen tot een zedelijk verworpene worden; en daarin ligt het tragische
in dit treurspel en daarom heeft de schrijver het de naam van
Geeraerdt van Velsen gegeven. Een gevallene is
Floris reeds aan het begin van de handeling; als hij te gronde gaat, kunnen we
dit niet anders ervaren dan als de straf die op de misdaad volgt: de
gerechtigheid heeft zich aan hem voltrokken. Wij kunnen enig meegevoel voor hem
opbrengen, wanneer er zelfverwijt in de monoloog doorklinkt (vss. 1143-1181) en
zijn sterven voorbeeldig is. De zeventiende-eeuwse aristocraat zal zeker voor
het laatste eerbied hebben gehad. Uiteindelijk was ook de graaf een mens, die
zijn zwakheden had gehad en daarvoor met zijn leven boette. Zo toont
Hooft ons hem. Machtelt is vol bange zorgen over wat
gaat gebeuren:
En voorbood is my 'thart van schrickelijcke quaên:
Zij kent haar man, zij kent haar familie, zij weet dat zij kunnen
misgrijpen, zij kent hun karakters; zij weet dat zij heftig van aard zijn en
dat zij niet zullen vergeven, dat zij niet genoegen | | | | zullen nemen met
de vernedering van de dader, maar dat zij tot het einde de wraak zullen
doorvoeren:
Maer gramschap siedend' brouwt den schendere, met wrocken,
'Tbederf, al soud'mer sich en al de zyne' in brocken.
Er is iets Medeïsch in deze wraakgevoelens die met
zelfvernietiging gepaard kunnen gaan. En Machtelt zag ook de grond voor een
dergelijk handelen:
Nu is 'er niemandt van mijn Maeghen, noch mijn Man
Die 's lasters heughenis, helaes! af leeren kan:
‘'s Lasters heughenis’, dat is de herinnering aan de
aangedane smaad.
Hugo de Groot zegt: ‘Misdaed jegens eer werd
ghenoemt lastering’
110.
Stoett geeft bij vs. 72 het volgende commentaar:
‘die de herinnering aan den smaad mij aangedaan, kan vergeten.’
Onjuist, naar ik meen. Machtelt zegt hier dat haar man en haar familie niet
kunnen vergeten, dat hun eer gekrenkt is. Hùn eer - daarin ligt de hare
opgesloten -, want zij als de verdedigers van het aanzien, van de ideële
goederen van de geslachten, zijn getroffen, en zij zullen de schande ongedaan
willen maken, het koste wat het wil. Zij zullen het leven van Floris niet
ontzien, zij zullen hun eigen leven gering achten, zij zullen de belangen van
het land opofferen. Wij zien opnieuw de betekenis van de eer op een punt dat
zeer belangrijk is voor de ontwikkeling van de handeling.
Maar wij keren terug naar Floris V. De Rey van Aemstellandsche
Joffrên in het vijfde bedrijf legt nog eens de nadruk op de morele
verwording van de graaf reeds aan het begin van het stuk. De Rey is bekend met
de dood van Floris, zij weet van de smart van het volk hierover. Aan het hoofd
van het leger sneuvelen voor het vaderland zou roemvoller voor hem zijn
geweest. Dan vervolgt zij: | | | |
Dit 's laete rouw. 'T was tijdt te schreyen, doen de Ziel
Van Vorstelijcken lof, oneelder wijs, verviel
In laster grondeloos; en storf, aen ontrouw groot,
En aen meyneedicheyt, een schandelijcker doodt.
Wij moeten enkele vragen stellen over dit tekstgedeelte om inzicht
te krijgen in de wijze waarop het in de context van het geheel functioneert.
Wat betekent hier: ‘doen de Ziel …… storf ……
een schandelijcker doodt’. Wij kunnen dit alleenbegrijpen, als wij als
rapprochement aanhalen een tekstgedeelte, waarvan vs. 420 de kern is. Iemand
die de stem van zijn geweten tot zwijgen brengt, verdelgt
Het leven vande ziel, dat is de reedlijckheydt.
Zo wordt het ons duidelijk dat slechts één van de drie
aspecten van de ziel bij het sterven is betrokken, maar het is juist dat
gedeelte dat de mens zijn bevoorrechte plaats in de kosmos geeft: het redelijk
aspect. Deze ziel was ‘van Vorstelijcken lof’, d.w.z. zij ontving
de lof die alleen voor de vorst is weggelegd, immers in de hiërarchisch
geordende wereld werd aan de vorst als hoogste in rang ook de hoogste eer
toegekend. Maar zij ‘verviel .… oneelder wijs .… in laster
grondeloos’, dus op de wijze van iemand voor wie de eer niets betekent,
van de niet-aristocraat die zich niet daarvoor interesseert. Ook kunnen wij
lezen: de ziel verviel ‘van Vorstelijcken lof … in laster
grondeloos.’ De interpretatie echter blijft dezelfde. De ‘laster
grondeloos’ is de diepst denkbare schande door het krenken van de eer van
een ander. De ‘ontrouw groot’ ligt voornamelijk in de ontkenning
van de hoge principes van de moraal van de elite, beginselen die eer schenken
in de ruimste zin aan de belijders. De ‘meyneedicheyt’ wil ik
vooral zien in verband met de vss. 365-369, 743-745 en vss. 455-461. Floris
heeft bij zijn inhuldiging ‘met daeghing Gods, en by ghestaefden
eed’ gezworen dat hij dit vrije volk in oorlog en in vrede
‘trouwlijck berechten ..… en vroomelijck beweyren’ zou. Hij
heeft | | | | echter het recht naar zijn willekeur gebogen en met allerlei
expediënten - ‘door dreyghen en ontsich’ - (vs. 745) de legale
vergaderingen van de Staten weten te verhinderen. Dit alles is in staat geweest
zijn ziel ‘een schandelijcker doodt’ te doen sterven. Maar wij
moeten goed bedenken dat al deze misstappen van Floris in het verleden zijn
gebeurd. Zij zijn de oorzaak van het optreden van de adel tegen hem. Aan het
begin van het treurspel is dus de ziel van de graaf wat betreft het redelijke
aspect gestorven d.w.z. dat Floris het menselijke niveau heeft verlaten,
‘al 't beestelijck leyt boven’
111, en hij kan dus
onmogelijk als een tragische held fungeren. Zijn deel in de handeling is dan
ook zijn gang naar de dood. Maar de auteur moet ons deze visie die hij op
Floris V heeft, in het treurspel zelf tot een levende realiteit maken. Wij
hebben reeds gezien hoe Machtelt haar voorbereidt. Zij wordt verder uitgewerkt
door de Rey van Aemstellandsche Joffrên aan het einde van het eerste
bedrijf. De Rey staat beslist aan de zijde van Geeraerdt van Velsen, de eerste
strofe laat hierover geen twijfel bestaan. Terecht, zoals de situatie nu is.
Evenals Machtelt begint zij met Floris' afkomst aan te wijzen, zoon van
‘de Roomsche Koning’, een afkomst die zin voor de hoge beginselen
van de moraalcode der elite garandeert: zijn hart was moedig en van edele aard,
maar het wordt ‘met soo verwoeden brandt ontsteecken’ (vs. 284)
d.w.z. de hartstochten laaien in grote heftigheid op, wanneer Geeraerdt platweg
weigert de minnares van zijn heer te trouwen. Floris dwingt zijn woede en
geraaktheid weg, maar zo krijgt de minnares al te gemakkelijk vat op hem, als
Velsen Machtelt van Woerden trouwt en ook zij zich gepasseerd voelt; in haar
hart slaan eveneens de hartstochten door. Hovaardigheid en overmoed beheersen
Floris, beide geschikt om hem te brengen tot minachting voor anderen en tot
daden daarmee in overeenstemming. In een dergelijke gemoedsgesteldheid stuurt
hij Geeraerdt van Velsen arglistig naar het buitenland om vrij spel te hebben
tegenover Machtelt, die hij onder het bedrieglijke voorwendsel, nieuws van haar
man te hebben, | | | | alleen in een kamer weet te lokken, waar hij zijn
daad volbrengt. Deze inlichtingen verschaft ons de Rey.
Zo is de figuur van Floris voorbereid, wanneer hij in het tweede
bedrijf met een handschoen in de mond op het slotplein van Muiden
wordt gevoerd. Hij moet dan ook alle verwijten zonder verweer aanvaarden en
wanneer hem eindelijk de mogelijkheid tot spreken wordt gegeven, zijn z'n
eerste woorden:
Ghy Heeren ben ick niet uw wettich Vorst?
Dit tekent de stemming, waarin Floris het gesprek begint. Hij is
zich nog geenszins bewust van de gevaarlijke situatie waarin hij zich bevindt -
hij heeft Velsen niet dreigend horen zeggen dat de wouw nu is ‘benaghelt
inde kluyven / Van moedigher gediert’ (vss. 342b-343a) -
hij kan zich niet voorstellen, dat de orde van de schepping doorbroken zal
worden, hij gelooft er niet in dat zijn verheven plaats in de hiërarchie
geen eerbied meer afdwingt, ook al heeft hij daden gedaan die niet in
overeenstemming met zijn bijna sacrale positie zijn en die zijn tegenstanders
de naam tiran in de mond geven. Nog durft hij vol te houden dat Velsens broer
veroordeeld is in overeenstemming met het recht, nog beroept hij zich op de
eenzaam hoge plaats waar hij gezeten is, nog durft hij zijn val psychologisch
te verklaren en een beroep te doen op zijn tegenstanders om niet in zijn fout
te vervallen; maar ook begint in hem het besef door te breken dat hij niet
zonder schuld is en zijn leven en dood in handen zijn van de heren. En zijn
uiteindelijke, formele, met weinig of geen emotie vastgestelde conclusie:
Heeft dien zijn misdaedt rouwt, dan niet ghenoech
gheleên?
is niet in staat iemands sympathie te winnen. De graaf is in deze
scène te zeer de diplomaat die eruit tracht te halen wat er voor hem in
zit, die door brutale verklaringen zijn recht tracht te bewijzen en als dat
niet lukt, door toegeven, maar onbewogen, zakelijk, tot een overeenkomst
probeert te komen. Dit lokt de | | | | theoretische uiteenzettingen over de
vorstelijke macht van Gijsbert van Amstel uit en de heftige beschuldigingen van
tirannie van Velsen en Woerden. De critici die
Hooft hier politieke debatten verwijten
112, hebben zich de functie hiervan in de
directe context zowel als in die van het hele treurspel niet gerealiseerd. Het
is de houding van Floris, het zijn diens opvattingen over de vorstelijke macht
en wat aan deze geoorloofd is, die zijn tegenstanders dwingen hun visie er
tegenover te stellen. De meningen in hun fel op elkaar botsen vormen een
integrerend deel van de handeling; ze zijn essentieel voor de karakters en
beslissend voor de verdere gang van zaken in het spel. Hierop kan niet genoeg
nadruk gelegd worden. Bovendien, het drama speelt in een milieu dat zich voor
deze vraagstukken interesseerde, terwijl deze ook in de toenmalige maatschappij
een belangrijk probleem, een levende werkelijkheid, vormden. Het gesprek is op
niets uitgelopen. Machtelts droombeelden Twist, Geweldt en Bedroch worden
realiteiten, Eendracht, Trouw en Onnooselheyt verlaten de door de boze machten
in bezit genomen aarde. De Rey van Aemstellandsche Joffrên doet een
laatste beroep op de partijen om de vrede te bewaren, maar weet dat alles
tevergeefs is.
Het vierde bedrijf begint met de scène, waarin de geest van
de terechtgestelde Velsen Floris in de gevangenis verschijnt. In 't geheel geen
Senecaanse gruwelscène en wat dies meer zij, maar zeer effectief toneel,
dat iedereen in de zeventiende eeuw zonder omwegen de schuld van de graaf voor
ogen stelde en zijn naderend einde tevens. In de laatste zin vat ook de graaf
de verschijning op; hij wordt ertoe gedreven, nu op een ander niveau dan in het
tweede bedrijf, met Geeraerdt van Velsen tot overeenstemming te komen.
De Raaf en
Griss oordelen in
Stroomingen en Gestalten dat Floris in het vierde
bedrijf, ‘nadat | | | | de wrekende schim van den door hem
onrechtvaardig ter dood verwezen broeder van Gerard van Velsen hem verschenen
is’ tot een ‘laffe zelfvernedering’ komt
113.
Daarvan is geen sprake, de graaf is geen lafaard; bij alles wat de heren hem
verwijten: perfidie, verraad aan de aristocratische erecode, moedwil,
onrechtvaardigheid, tekort aan matiging en aan wijsheid, overmoed, tirannie,
vindt men geen lafheid. Voor een zeventiende-eeuwer was er geen sprake van
lafheid, wanneer men op een wijze gewaarschuwd, die niet mis te verstaan was,
het hoofd boog en voor de dreigende Dood tot bekentenis van zijn daden kwam.
Floris geeft toe dat door zijn machinaties Velsens broer is terechtgesteld, hij
beseft dat hij in Machtelt Geeraerdts eer nog directer heeft getroffen. Hij is
bereid boete te doen en nederigheid te tonen, hij biedt aan, vergoeding te
geven voor het onherstelbare. Maar alles stuit af op het ondoordringbare
haatpantser van zijn tegenstander. In zijn dan volgende monoloog komt Floris
eindelijk tot een juist inzicht èn van zijn huidige situatie èn
van zijn weg daarheen. Hij begrijpt dat hij een verloren man is: gelijk de
sneeuw die neervallend wegdooit in het slijk, zo is in één dag
heel die schittering waarin hij zich koesterde, verdwenen. Maar niet in
één dag is het zo ver gekomen, realiseert hij zich nu, reeds veel
vroeger is hij gaan vallen en hij ziet, hoezeer hij de dupe is geweest van zijn
minnares, die haar jaloezie en rancune op hem heeft overgedragen; en in
overeenstemming met de renaissancistische opvattingen verwijt hij
generaliserend de vrouwen, oorzaak van velerlei ramp te zijn. Maar ook komt hij
tot de erkenning hoe funest eerroof door de vorst is. Zijn laatste woorden
tonen ons zijn psychische ontreddering:
Ellend, wort ghy niet mat, soo mat my haestich af.
Neen, Floris kon niet de centrale figuur van een treurspel zijn, hij
was de schelm wiens ondergang als een gerechte straf door de toeschouwers moest
worden ervaren. Zo wilde het de | | | | schrijver. Zijn sterven vergoedde
iets en kon hem een deel van de verloren sympathie teruggeven; de renaissance
deelde de klassieke opvatting dat de dood mee oordeelt over iemands leven.
Welnu, Floris' sterven was in overeenstemming met zijn leven,
vóórdat hij de moraalcode der elite verloochende. Bovendien,
Hooft veroordeelt de moord op de graaf om meer dan
één reden, dit hangt samen met de visie die hij heeft op de
handelingen van Geeraerdt van Velsen.
Deze is degene die zich aan het begin van de handeling nog moreel
kan rechtvaardigen. Maar zijn antwoord ‘alte straf’ (vs. 285) wijst
op een tekort in zijn karakter en de Rey van Amstellandsche Joffrên aan
het einde van het derde bedrijf stelt generaliserend:
O menschen broosch, hoe glad is voor u allen
Daer niemandt seecker staen
De renaissance beschouwde enerzijds de mens als het bevoorrechte
wezen op aarde met mogelijkheden die hem de weg naar omhoog openden, maar
anderszins moest zij erkennen dat die zelfde mens tot de meest verworpen
schepsels kon behoren. De mens weet dat de weg van de deugd hem leidt waar het
heil is te vinden, maar zijn zwakheid maakt dat deze weg glad is en hij nooit
zeker ervan is te kunnen blijven staan. Deze fundamentele tegenstrijdigheid in
het wezen van de mens, gaf aanleiding tot tragische situaties. Er is in de
Geeraerdt van Velsen geen sprake van een held die
onbewust zondigt tegen een duister noodlot. Geeraerdt weet heel goed dat zijn
daden niet door de beugel kunnen. Maar hij behoort tot
De gheen, die door bedompte tocht des moeds ghedreven
Wij hoeven niet in het onzekere te verkeren op wie de Rey dat van
toepassing acht, want onmiddellijk erop volgt: | | | |
Ghelijck de Velser heer, die gaet besluyten,
Dat hy, om wraex versaên,
's Lands hoocheyt wil verraên,
Het is een renaissancistisch thema van de eerste rang: de zwakheid
van de mens bestaat in het uit de band springen van zijn hartstochten, in de
verloochening van de regulerende macht van de rede. En dit zal leiden tot:
Den jammerlijcken val der Eedelinghen dwaes,
Die door wraeckgiericheyt soo verre zijn gheraeckt,
Dat zy tot onrecht haer goedt recht hebben ghemaeckt.
Zo oordeelt de Rey aan het einde van de handeling.
‘Wraex versaên’ (vs. 1025),
‘wraeckgiericheyt’ (vs. 1458), deze hartstocht, moeilijk
bedwingbaar, heeft Geeraerdt van Velsen en zijn schoonvader Harman van Woerden
ten val gebracht. Er is gezegd dat zij weinig karakterdifferentiatie vertonen,
maar alleen exponenten zijn van de wraak. Inderdaad, deze beheerst hun geest,
en een geest, hierdoor in beslag genomen, laat weinig ontwikkeling zien, er
bestaat slechts één ding: de verzadiging van de wraak. De gang
van Geeraerdt van Velsen is er dan ook één van handelingen
voortspruitend uit die wraakzucht en erdoor beheerst. Machtelt kent haar man,
zij kent haar vader, zij weet dat zij niets en niemand zullen ontzien, ook al
zullen zij er zelf bij ondergaan. Zij voorziet de dood van haar echtgenoot:
Maer o myn Bruydegoom, myn uytverkooren schat,
Myn uytverkooren Heer, hoe seere ducht ick, dat
Ghy 't weeuwelijcke kleedt verbiedt in uwen daeghen,
Op dat ick 't korteling hebb' om uw doodt te draeghen!
En maar al te zeer zullen haar voorgevoelens bewaarheid worden.
Reeds is de eerste zet gedaan: de coup waarbij de graaf | | | | is gevangen
genomen: de eerste zet in het spel, ook de eerste stap naar de ondergang. Maar
er is nog een terug. Machtelts laatste bede op haar man kan nog in vervulling
gaan:
Godt gheve dat ghy u ten besten moocht beraên.
Niet ieder heeft met dezelfde bedoelingen gehandeld: de intensiteit
van de haat is er in af te lezen. Geeraerdt van Velsen en Harman van Woerden
willen de graaf naar Engeland voeren, zij hebben overleg gepleegd met
buitenlandse heren en wensen de zoon van Floris onder toezicht van de Engelse
koning als staatshoofd. Gijsbert van Amstel is hiervan onkundig: hij wil de
graaf gevangen houden om een vergadering der Staten, die Floris onmogelijk
heeft gemaakt, bijeen te kunnen roepen, maar elke invloed van uitheemse machten
wijst hij af, al erkent hij aan de onderhandelingen met ‘de Vorsten ons
ghebuyren’ te hebben deelgenomen, maar dit geschiedde slechts met het
doel naar hen te kunnen uitwijken, indien de opzet mislukte. (vss. 735-741).
Van dit ogenblik af distantieert Gijsbert zich van de anderen. De Rey evolueert
in deze richting mee. Terwijl de kritiek op Velsen en Woerden toeneemt, wordt
Gijsbert uitgezonderd. De Rey ziet in dat hij de misleide is, ook al wordt hij
meegesleurd in de maalstroom der gebeurtenissen.
Geeraerdt van Velsen en Harman van Woerden willen geen overeenkomst
met Floris in het gesprek dat zich ontspint, als zij op het Muiderslot zijn
aangekomen. Natuurlijk niet, in hun handelingsschema past geen verzoening, nog
afgezien van het feit dat hun rancune die niet zou toestaan. Toch is Geeraerdt
allerminst zeker van zijn zaak, juist in zijn felheid en sarcasme steekt een
stuk twijfel aan de goede afloop van de onderneming. En gedreven hierdoor doet
hij een tweede stap, helemaal alleen, zonder zijn schoonvader erin te kennen,
een stap die hem in de ogen van de zeventiende-eeuwse toeschouwers definitief
als verloren doet beschouwen: hij stuurt zijn schildknaap naar Timon de
Tovenaar om uitsluitsel te krijgen over de afloop van hun plannen. Dit
geschiedt aan het einde van de scène, | | | | waarin het twistgesprek
met Floris plaats vindt. Hoezeer zijn voorgevoel van moeilijkheden juist blijkt
te zijn, toont ons het derde bedrijf, waarin Velsen en Woerden aan Gijsbert van
Amstel hun geheime bedoelingen voorleggen en waarbij zij ervaren dat zij van
hem niet de hulp kunnen verwachten die zij voor de verwezenlijking van hun
plannen nodig hebben: een schip om de graaf naar Engeland te voeren. Zij moeten
zich wel bij Gijsberts weigering neerleggen en besluiten de nacht in
Muiden door te brengen, maar Geeraerdts ongerustheid treedt
nogmaals aan de dag:
Soo ghy my overstemt, ick moet 'er onder staen.
Maar sal doch nimmermeer hier blyven vaylich vinnen.
Bij Machtelt terug treedt zijn onzekerheid weer aan de dag:
een begheerte sonder maet,
My 't harte nimmermeer te snerpen af en laet,
Om weten wat gheluck wy hebben te verbeyden.
En zichzelf ziet hij als het mikpunt van het lot:
't Is rondom vol ghevaers en 't gelt my boven al.
Men denke niet dat Geeraerdt een lafaard is, of zelfs maar
vreesachtig. En dit wordt ons op een zeer onopvallende wijze meegedeeld. Vlak
daarop zegt hij:
Van vaeck ick my en van vermoeytheydt voel vermaenen.
Ondanks de spanningen van de dag: het gevangen nemen van de graaf,
zijn overbrengen naar Muiden, de weigering van Gijsbert van Amstel met hun
plannen mee te gaan, ondanks de door hemzelf als gevaarlijk geachte situatie,
is hij in staat zich aan de slaap over te geven. Het was in de renaissance een
locus communis: de held die bij de nadering van grote gebeurtenissen | | | | en dreigende gevaren zijn lichaam gebiedt te rusten.
Hooft heeft later dit thema verwerkt in het sonnet
Op 't Rymen vanden Heere Constantyn Huygens, In 't
Leger voor Grol
114. Hier is het
Octavianus, die vlak vóór de slag bij Actium tegen Antonius en
Cleopatra, zijn lichaam tot rust dwingt en hier is het
Huygens, die zelfs onder het strijdgewoel zijn geest bij
de dichtkunst weet te bepalen. Zo ook kan Geeraerdt zich te ruste leggen
temidden van dreigende gevaren, temidden van de grootste onzekerheden, die
geaccentueerd worden door het bezoek van de schildknaap aan Timon de tovenaar,
dat terzelfder tijd plaatsvindt.
De Timon-scène wordt onmiddellijk gevolgd door de Rey van
Amstellandsche Joffrên:
Och hoe veel beter waer het noyt te zijn ghebooren,
De Rey houdt zich geheel bezig met Geeraerdt van Velsen, alleen de
slotstrofen zijn gewijd aan Ghijsbrecht van Aemstel
waerdich Heer van onsen vaderlande,
Waarom treedt juist hier de Rey met zulk een duidelijke afkeuring
van Geeraerdts daden en met een voorspelling van toekomstige verworpenheid op?
Waarom deze zo positieve veroordeling niet na de dood van Floris V? Omdat
Geeraerdt in contact is getreden met de duivel
115! Hij heeft zijn
schildknaap | | | | naar Timon de tovenaar gezonden en deze is er
één van het allerergste soort, hij doet aan negromancie, hij
roept de doden op om voorspellingen te doen. Nu werd algemeen aangenomen -
natuurlijk voorzover aan tovenarij werd geloofd - dat de tovenaar een verbond
met de duivel had gesloten; ook degene die zich tot de tovenaar wendde, riep
dus via hem de hulp van de boze in. Hierop berust de onmiskenbare veroordeling
van Geeraerdt van Velsen en juist op dit ogenblik. Zo kunnen wij ook de
Timon-scène op zijn juiste waarde schatten: centraal in het treurspel
geplaatst, neemt zij ook een centrale plaats in de handeling in. Geeraerdt van
Velsen offert de belangen des lands op aan een persoonlijke vete en
wraakneming, hij ontziet zich niet de duivel te mengen in zijn overleggingen en
met deze laatste daad is zijn val volledig. De toeschouwers in de zeventiende
eeuw nog nahuiverend - voor een deel van hen gaat dat zeker op - over de
scène, waarin een helse geest oprijst, kunnen niet anders dan instemmend
meegegaan zijn met de Rey:
Tot noch toe Velsen ging, soo 't scheen, dat niemandt vaster
Nu is, helaes! helaes! zijn lof verkeert in laster.
Voortaen sal elck, die plach te prysen, smaelen;
Voortaen sal niemandt meer,
Voor het oog van de wereld was Velsen tot nu toe de ridder zonder
blaam; ‘soo 't scheen’ zegt de Rey erbij, want reeds had hij in het
geheim deelgenomen aan de samenzwering tegen de | | | | graaf om deze aan
vreemde machten uit te leveren. Nu, na alles wat er gebeurd is, heeft hij zijn
eer verspeeld. Er is hier alleen sprake van de uiterlijke eer, van ‘het
goed ghevoelen dat anderen van ons hebben’, begrijpelijk, omdat
Geeraerdts handelingen in nauw verband staan met de gemeenschap en deze
feitelijk geweld aandoen. Alles waarop de aristocraat zich voorstond en wat
voor hem van waarde was, is in zijn tegendeel gekeerd: zijn lof is veranderd in
blaam, zijn roem in schande. Niemand zal de eer van zijn geslacht, die zonder
enige vlek was, die onberispelijk was, meer als voorbeeld verkondigen. De eer,
het is de ultima ratio van de edelman, met zijn eer valt hij, schande is erger
dan de dood. De aristocraat die zijn eer verliest, brengt daarmee schande over
zichzelf niet alleen, maar ook over zijn gehele geslacht: aan de voorouders die
gewaakt hebben over die eer, aan de nakomelingen die ervan verstoken zullen
zijn, want:
En 't leelijck ongherucht sterft t'gheenen stonden,
Maer wispelt naer, en voor
En bovendien is het slechte voorbeeld eens gegeven. De Rey spreekt
het uit:
Gheen ding en isser dat soo seer verleydt de vroomen,
Als slimme voorgang; meest van ouwders, en van oomen
In haerliêr spoor, zijn voeten onghebonden,
Elck licht verreuckeloost,
En met 't gheselschap troost
Maar het is wel duidelijk dat niet alleen de reputatie naar buiten
wordt aangetast, ook het innerlijk gevoel van integriteit blijft niet
onaangeroerd. De Rey in het vijfde bedrijf constateert dit dan ook met
beslistheid. Machtelt, zegt zij, wordt door grote ellende bezwaard, maar buiten
haar schuld, zij is het slachtoffer | | | | van de verdorvenheid van haar
tijd. Veel erger echter is de ellende van hen die schuldig staan:
Want, als de voorspoedt vliedt, soo comen de misdaên
Die hy verborghen droech, den boose' om 't harte slaen.
Waer heenen dan ghewendt? waer heenen dan ghekeert?
Van binnen is 't ghemoedt verettert en verseert;
't Voorlachend schellemstuck toont ysselijck ghelaet:
Van buyten, houdt de plaech op lichaem aen, en staet.
De graaf van Holland, gaat zij verder, is door de dood verlost uit
deze pijniging van het gemoed, maar het zijn nu de edelen die jammerlijk
gevallen zijn en in dezelfde positie verkeren als eens Floris V
116. Zo is de gang
van Geeraerdt van Velsen door het stuk. Hij is voor
Hooft de tragische figuur; hij gaat onder aan de
innerlijke tegenstrijdigheid van de mens. Floris verzoekt zijn belagers
dat ghy niet en laet verrocken
Uw reedlijckheydt, door tocht en hevicheydt van moe.
De hartstochten hebben bij Geeraerdt van Velsen inderdaad de rede
van zijn plaats verdrongen en hieruit zijn alle verkeerde beslissingen
voortgekomen met als slot het indirect contact met de duivel. Wanneer wij dan
later horen van de Trompetter, wat er op de aftocht uit het Muiderslot met
Floris is gebeurd, verbaast ons dat niet, èn omdat wij het weten als
historisch feit, èn omdat de auteur ons van het begin af, reeds in
Machtelts monoloog, vertrouwd heeft willen maken met een Geeraerdt van Velsen,
die zulk een daad zou kunnen volvoeren. Hoor het in de woorden van iemand,
vervuld van ontzag voor zijn heer en wat die gedaan heeft; grotesk steekt zijn
verhaal af tegen de naakte werkelijkheid: | | | |
Doen wy aen 't koorenlandt te Berch ghecomen waeren,
Verhief sich uyt de laech een drommel ysre liên.
Myn Heer van Velsen reedt voor aen, om uyt te sien:
1380
Hy hield zyn paerd cort op, en vraechd' haer wat zy
sochten.
Haer antwoordt was; den Graef die wy ghevanghen brochten.
Dat mist u, seyde daer de dappre Velsen op;
En wendt, dewyl hy spreeckt, 'tgheswinde ros den cop;
En stoot ten Graevewaerts. daer sit hy vanden paerde
1385
En treedt zijn vyandt toe, met uytghetooghen
swaerde.
Die schrickt: en waende met een sprong t'ontgaen de doodt,
Ghebonden op het paerdt, maer snevelt inde sloot.
De strenghe Ridder volcht, en gheeft hem soo veel steecken,
Dat ick hem seecker min niet als voor doodt en reecken.
Velsen heeft zijn wraak bevredigd, hij heeft zich door zijn toorn
laten meeslepen, maar ook, hij heeft beulswerk gedaan: de graaf
‘ghebonden op het paerdt’ was niet partij voor een man van eer,
voor de ridder die hij was, toen het stuk begon. Zo is hij geworden tot de
figuur, van wie de Rey zegt dat zijn goed recht tot onrecht is geworden, wiens
eer in de ruimste zin te gronde is gegaan, die door verloochening van de
aristocratische code van waarden een smet heeft geworpen op zijn geslacht en
terecht verguisd wordt.
|
1Het eerste motto ontleen ik aan de
Dialogo dell' Honore di M. Gio. Battista Possevini Mantovano fol. 25
v. o Vgl. Aristoteles Ethica IV, 3. Possevino betoogt daar
dat alleen de ‘honnête homme’ eer-waardig is, al erkent hij
dat ‘uiterlijke’ bezittingen als rijkdom, macht en adeldom kunnen
meehelpen de eer te vergroten. Dit is het algemeen aanvaarde standpunt van de
schrijvers over deze materie. Het tweede motto is ontleend aan de
Affkomst ende Korte Historie der Graven van
Hollandt/Zeelandt ende Vrieslandt, waaraan een korte inleiding uit
Erasmus' Institutie van de christelijke vorst voorafgaat.
2Expliciet wordt ons dit meegedeeld in de vss.
523-524 en aan het begin van het derde bedrijf. Woerden gaat de ronde doen om
te zien of niets is nagelaten de veiligheid te waarborgen. Hij eindigt dan met
de woorden:
Verseeckert houd ick ons voor schielijck overvallen:
Ten zy selfs 's Hemels haet ten oorloch ons ontseg.
3Blijkbaar is het de bedoeling van Geeraerdt
van Velsen zijn vrouw mee te nemen naar Engeland. Anders zou zij niet op het
Muiderslot zijn. De schildknaap heeft haar daarheen begeleid, moeten wij
concluderen.
4De graaf staat daar nl. nog steeds met de
handschoen in de mond. Ook al zou hij willen, hij kan niets terugzeggen. Vs.
446 geeft ons deze informatie. Woerden zegt daar:
Nu treckt den Dwingheland den Handtschoen uyt den Monde:
5De oudste bron over de dood van Floris V is
de
Rymchronyk van
Melis Stoke, tijdgenoot van het gebeuren.
Dousa gaf in 1591 deze kroniek voor het eerst in druk
uit.
6Dit hangt ongetwijfeld samen met het feit dat
men zich in de pas gevestigde jonge Republiek bezon op zijn bestaansrecht en
daarbij was een confrontatie met het verleden onontkoombaar. De veranderende
opvattingen kunnen afgelezen worden in de politieke geschriften - weldra zal
Hugo de Groot optreden als vertegenwoordiger van een
uitgesproken richting - en ook in de geschiedwerken.
7In Hugo de Groots Parallelon, Dl. I,
blz. 22 van de vertaling lezen wij: ‘Hier ontstaat bij de overweeging van
de Zeden der Volkeren terstond deeze vraag: of de aart van bodem en luchtstreek
invloed op dezelven hebbe: iets, waaraan de meesten alles, ik althans oneindig
veel toeschrijve. En men moet zich niet verwonderen, dat de ziel, schoon
ongetwijffeld van een' zuiverder oorsprong, door de besmetting der grovere
deelen eenigermaate lijdt: daar het niet zwaar te bewijzen valt, dat de
tusschenkomst van het ligchaam die uitwerking noodwendig moet hebben; en wat
behoeft men nog eenig betoog, als de voorbeelden zelven het ons onderrichten?
Doorgaans hebben de Noordwaards woonende volkeren grootere zielskrachten; de
Oosterlingen een fijner verstand: want dit is de wijze waarop Aristoteles hen
onderscheidt. Daar en tegen zijn de Zuidelijke Natiën vreesachtig, de
Westelijke zonder vermogens. Ook een bergachtige of moerassige grond, ook de
winden en de buurt der zee oeffenen hunne kracht.’
8Zie hiervoor Paul Bénichou,
Morales du grand Siècle, blz.
131.
9Zie Myron P. Gilmore,
The Renaissance conception of the Lessons of
History, in Wallace K. Ferguson e.a.,
Facets of the Renaissance, blz. 73-101.
10Men vergelijke b.v. Langlois, La
connaissance de la nature et du monde au moyen age blz. 229-230, Boystuau,
Toonneel blz. 156 en een citaat van La Bruyère in J. Boulenger,
Le grand siècle blz. 380.
11Hugo de Groot,
Parallelon, Dl. II, blz. 96 van de
vertaling.
12Hugo de Groot, Parallelon, Dl. I,
blz. 21 van de vertaling.
13Th. de Rouck, Den
Nederlandtschen Heravld, blz. 1.
14 Zie voor de vertalingen uit het Italiaans de
bibliografie: J.Th.W. Clemens,
Italiaanse boeken in het Nederlands
vertaald.
15Zie aantekening 1 op blz. 209.
16Guazzo, Hevschen Bvrgerlycken
Ommegangh, blz. 158.
17Guazzo, Hevschen Bvrgerlycken
Ommegangh, blz. 159-160.
18Guazzo, Hevschen Bvrgerlycken
Ommegangh, blz. 164.
19Romei, Discorsi, blz. 269 .…
‘la perfetta nobiltà sia vn bene di fortuna causato dallo
splendore de suoi maggiori, & insieme dalla patria: per il quale si
suppone, che il nato nobile, sia più dell' ignobile atto et
i nclinato alla virtù.’
20Romei, Discorsi, blz. 270 .…
‘stando che non solo l'occulta virtù del seme, ma anco la ragione
l'huomo stimola ad imitare la conosciuta virtù de' suoi maggiori per
dimostrarsi non in tutto del loro splendore indegno.’
21Zie hiervoor Curtis Brown Watson,
Shakespeare and the Renaissance concept of honor, blz. 81.
22De Rouck, Den Nederlandtschen
Heravld, blz. (*) 2 r o en v o.
23De Rouck, Den Nederlandtschen
Heravld, blz. 2.
24Hugo de Groot,
Inleiding, B. I, D. 3, § 8. (blz. 8 en
blz. 7.)
25Guazzo, Hevschen Bvrgerlycken
Ommegangh, blz. 159.
26Curtis Brown Watson, Shakespeare and the
Renaissance concept of honor, blz. 86. Zie hier ook voor het hoofdstuk
‘Power’ (blz. 199-270) van L. Stone, The Crisis of the
Aristocracy. 1558-1641.
27Hooft zelf geeft er in zijn
Neederlandsche Histoorien de volgende
voorstelling van: ‘Maar, gheduurende deeze handelingen, en 't gaan en
keeren te hoove, werd hun de naam van Geux aangehanghen: welk Fransch woordt,
gesmeedt schynende naar het Nederlandsche guits, zoo veel als fielen, oft
lantloopers zeggen wil. Oft eenighen, uit den schuime des volx, hen hier meede
hebben willen verguizen; oft de Baroen van Barlemondt ghewaant, door deeze
kleenachtinge der bondtgenooten, de flaauwmoedighe Landtvooghdes te verquikken,
zoud' ik voor gheen waarheit darren verzeekeren……’ blz.
73.
28Guazzo, Hevschen Bvrgerlycken
Ommegangh, blz. 158.
29 Vgl. Curtis Brown Watson, Shakespeare
and the Renaissance concept of honor, blz. 85. ‘To justify this
exaltation of the monarch, the pagan philosophers argued that the first men to
become kings were selected for their goodness and virtue. Hurault, quoting from
the Offices of Cicero, states that “the first chusings of Kings,
was for the estimation which men had of them, that they were good and just
men.”’ Bij Hooft vinden wij dit motief in een sonnet van 1610
aan Christina van Erp. Het eerste kwatrijn daarvan luidt:
In d'ouwde' eenvouwde tijdt voor duisend jaer verleden
'T standttijdeloos geslacht, dat vander Aerden leeft,
Met loffelijcken naem van goôn, vergolden heeft
De geene die haer nut, of vreuchd, of vriendschap deden:
Het sonnet staat in hs. A op blz. 340 en is voor het
eerst door Leendertz Wz. uitgegeven. In zijn uitgave van de
Gedichten van P. C. Hooft staat het op blz.
100 van Deel I, bij Stoett vinden we het op blz. 92 van Deel I.
30W.N.T., Dl. XV, kol. 831.
31Kiliaan,
Etymologycvm, blz. 627.
32Guazzo,
Hevschen Bvrgerlycken Ommegangh, blz. 167.
De rijkdommen geven de ‘Edelheyt’ niet, maar schenken haar wel meer
glans.
33Romei, Discorsi, blz. 350:
.… ‘e che quello che non è ricco, non potrà esser
perfettamente felice, stando che non potrà essercitar la virtù
della liberalità, della beneficenza, e magnificenza: le quali fanno
l'huomo degno d'honore’.
34De Rouck,
Den Nederlandtschen Heravld, blz.
1.
35Guazzo,
Hevschen Bvrgerlycken Ommegangh, blz.
159-160: ‘… Nae desen eersten Aerdt der half Edelen / dat is / der
Edelen van wegen des Bloedts / volght die tweede / welcke is / van die Edelen
door Deucht.
Ridder. Welcke acht ghy
van dese twee d'uytnemenste
Edelheyt?
Hannibal. Welcke dingen achtet ghy meest
/ die gene / welcke men met moeyten ende dapperheyt vercrijght / oft die /
welcke de Natuere oft dat Gheluck u
toereyckt?
Ridder. D'eerste.
Hannibal. Ende
welcke achtet ghy van meerder uytnementheyt / die van der Siele / oft des
Lichaems?
Ridder. Die van der
Siele.
Hannibal. Nu aenmerckt ghy wel / dat
d'Edelheyt des Bloedts u gantsch niets en cost / ende ghy hebtse by Erffenisse:
maer die ghene / welcke ghy vander Deucht treckt / die hebt ghy vercregen door
eenen goeden strijdt / zijnde eerst by middel van vele angsten doorghegaen.
Boven desen heeft men t'overleggen / dat d'Edelheyt des Bloets het Lichaem
aensiet / en de die van der Deucht siet op 't Ghemoedt: t' welck den
Tyran Phalaridi, als hy ghevraeght werdt / wat hy van der Edelheyt
ghevoelde / oorsake gaf te segghen / dat hy alleen voor Edelheyt kende / die
door Deucht te wege ghebracht zy: en de dat alle andere dinghen / als van
t' Geluck hercomen.’
36Citaat naar Leendertz- Stoett II, blz.
57-58 en 53. Ook de andere aanhalingen uit de Achilles en Polyxena zijn
naar deze editie.
37De Discorsi van Romei zijn
verdeeld over zeven dagen, Nella quali tra Dame e Cauaglieri
ragionando. Nella: Prima si tratta della Bellezza, Seconda dell'Amor
humano, Terza dell'Honore, Quarta dell' iniquità del Duello, del
combatter alla Macchia; e del modo d'accommodar le querele, e ridur à
pace le inimicitie priuate, Quinta della Nobiltà, Setta delle Ricchezze,
Settima della precedenza dell' arme, & delle lettere. Con la riposta
à tutti i dubbij, che in simil materie proponor si sogliono.
38Romei, Discorsi, blz. 106-107:
‘Bello, & eminente soggetto ci propone hoggi da ragionare la nostra
Reina, ch' è quello dell' Honore, il quale con l'humana vita è
talmente congiunto, che conditioni d'huomo non si troua, a cui vtilissima non
sia la cognitione dell' honore; ma sopra il tutto all' huomo nobile &
ciuile tanto necessario, che senz' essa, quasi da oscura caligine d'ignoranza
adombrato, il più delle volte in vece dell' honore abbracia
l'infamia.’
39Romei, Discorsi, blz. 108:
.… ‘che l'honore è il più pretioso di tutti i beni
esterni.’
41Curtis Brown Watson heeft dit verhaal als
motto aan zijn Shakespeare and the Renaissance concept of honor
meegegeven.
42Geeraerdt Brandt,
Het leven van Pieter Corn. Hooft, blz. 10.
Ed. P. Leendertz Jr.
43Het gedicht ‘Weet yemant beter
saus als honger tot de spijsen’ vinden wij in hs. A op blz. 306. Het is
hier geciteerd naar Leendertz-Stoett I, blz. 30-31. Vgl. ook F. Veenstra,
Bijdrage, blz. 102-110.
44Romei, Discorsi, blz. 111-112.
…. ‘E questo sia da me detto à bastanza per far conoscer la
natura di questo honore, ilqual verame nte si può dir honor
imperfetto a comparatione dell' honore, che col proprio valor s'acquista.
Questo principalmente conuiene alla più eccellente di tutte l'opere
virtuose, ch' è l'opera della beneficenza, Et è stato dal
Filosofo diffinito in due modi, nel primo della Rhetorica dicendo; l'honor'
è segno di opinione benefattiua, e nel quarto dell' Ethica: l' Honor
è premio di virtù.’
46I. Calvinus,
Institvtie, III, fol. 126 r oa.
47Pascal, Oeuvres Complètes,
blz. 1156; N o 225.
48Pascal, Oeuvres Complètes,
blz. 1129; N o 151.
49Pascal, Oeuvres Complètes,
blz. 1303; N o 698.
50Romei, Discorsi, blz. 113:
‘.… l'honor innato si può più tosto dire vna preuia
dispositione al vero honore, che con valor s'acquista, che honor perfetto
..…’
51Zie hiervoor ook Curtis Brown Watson,
Shakespeare and the Renaissance concept of honor, blz. 89-90.
52Du Vair, Les Oeuvres, blz.
527.
53In deze zin laat
Hooft zich meer dan eens uit over de vorst; het citaat
is ontleend aan het reeds eerder aangehaalde sonnet (noot 29), maar ook elders
vindt men dergelijke uitspraken. Zie hiervoor F. Veenstra, Bijdrage,
blz. 202. Curtis Brown Watson wijdt een hoofdstuk The notion of godlike
excellence aan dit verschijnsel. (blz. 102-106 van zijn boek).
54Zie hiervoor Leendertz-Stoett, I, blz.
190-194; het citaat is hieraan ontleend.
55Geciteerd door Curtis Brown Watson,
Shakespeare and the Renaissance concept of honor, blz. 107. Zie ook
Greaves, The Blazon of Honour.
56Piccolomini, Della Institvtione di vtta
la vita dell' Hvomonato nobile, et in citta libera, fol. 106 r o
& v o-107 r o. ‘Il nom' istesso della
magnanimità, dimostra com'ella consiste intorno à cose grandi, e
di pregio. per laqual cosa diffiniendo Arist. il magnanimo dice, che gli
è colui, che essendo degno di cose grandi, e pregiate, conosce
parimente, ch'egli ne sia. Et è medesimamente questa uirtu in mezo
à due estremi uitij riposta. conciosia che coloro, che eccedendo nel
troppo, si stimano d'esser degni di cose grandi, senza che degni ne siano;
fumosi, ò sfacciati ò uer prosontuosi chiamar si possano.
dall'altra parte poi quei che meritano gran cose, di quelle non degni si
stimano, Pusillanimi per ecceder nel poco si chiamano … ma perche di
tutti quei beni, che all'huomo esterni ne sono, di gran lungi l'honore è
supremo; il qual solo è quel, che merita d'esser premio de'uirtuosi, per
non trouarsi maggior cosa da premiarli; di qui à che principalmente la
magnanimità, insieme co i suoi estremi, intorno all'honore, piu che
intorno ad altro si truoua; all'honor dico, che non picciolo ò breue
sia, ma grandissimo, e di momento, è tale, quale della uirtu premio
esser suole.’
57De Groot, Parallelon, Dl. I, blz. 56
van de vertaling.
58De Groot, Parallelon, Dl. I, blz. 83
van de vertaling.
59De Groot,
Parallelon, Dl. I, blz. 83-84 van de
vertaling.
60Curtis Brown Watson citeert deze passage in
zijn Shakespeare and the Renaissance concept of honor, blz.
108-109.
61Eveneens door Curtis Brown Watson
aangehaald op blz. 107.
62P.C. Hoofts
Neederlandsche Histoorien, blz. *** 4
v o.
63P.C. Hoofts
Neederlandsche Histoorien, blz. *** 4
v o.
64Cicero, De Officiis, fol. 21
r o: ‘Maer tis hatelijck, dat hartneckicheyt ende onmatige
begeerte tot de regeringe oft hoocheyt so lichtelick gheboren wert in dees
grootmoedige herten:’.
65Cicero, De Officiis, fol. 20
v o.
66Hugo de Groot,
Inleiding, B. I, D. I. (blz. 1.)
67Hugo de Groot, Inleiding, Dl. II,
blz. 1.
68In de brief van
Erasmus aan
Antonius van Bergen, Londen, 14 maart 1514 komt deze
sententie ook voor. ‘Maar, zult gij zeggen, het recht der vorsten moet
gehandhaafd worden. Het ligt niet in mijn bedoeling, lichtvaardig over de daden
der vorsten te spreken. Dit eene echter weet ik, dat dikwijls het hoogste recht
het ergste onrecht is en dat er sommige vorsten zijn, die eerst vaststellen wat
zij willen en die vervolgens zich van een of andere leuze bedienen als
voorwendsel voor hun handelwijze’.
Erasmus in den spiegel van zijn brieven, blz.
95.
69Cicero, De Officiis, fol. 10
v o.
70Cicero, De Officiis, fol. 14
r o.
72Hoe zeer dit alles ligt in de sfeer van
het recht en de rechtvaardigheid, blijkt ook bij Charron. ‘Le Prince donc
doit être le premier juste & équitable .… Mais il est
à sçavoir que la justice, vertu & probité du souverain
chemine un peu autrement que celles des privés, elle a ses allures plus
larges & plus libres à cause de la grande, pesante et dangereuse
charge qu'il porte & conduit … Il lui faut quelquefois esquiver
& gauchir, mêler la prudence avec la justice, comme l'on dit, coudre
à la peau du lion, si elle ne suffit, la peau du renard. Ce qui n'est
pas toujours & en tous cas, mais avec ces conditions, que ce soit pour la
nécessité ou évidente & importante utilité
publique .…’ De la Sagesse, L. III, T. II, blz.
14-15. Dit is wel de algemene opvatting: een vorst moet meer ruimte van
handelen hebben dan een particulier, maar hij mag toch de deugden die men in de
renaissance verhief, niet ter zijde stellen. Zo oordeelt ook Hurault in zijn
Trois Livres des Offices d'estat, blz. 110: ‘Par loyauté
& magnanimité Alexandre a conquis tout le monde. Ie croy bien qu'un
Prince doit estre sage & auisé, sçauoir comment il faut faire
du lion pour combatre ceux qui le veulent assaillir, & du renard pour se
garder des filez, mais non pas pour y enuelopper les autres.’
73N. Machiavelle,
Prince ofte Onderrichtinghe …. blz.
80.
74P.C. Hooft,
Rampsaligheden der Verheffinge van den Huize van
Medicis, blz. 1-2.
75Hugo de Groot,
Parallelon, Dl. I, blz. 85 van de
vertaling.
76Hugo de Groot, Parallelon, Dl. I, blz.
85 van de vertaling.
78Hugo de Groot, Parallelon, Dl. I, blz.
86 van de vertaling.
79Zie aantekening 2 op blz.
209-210.
80Hugo de Groot,
Parallelon, Dl. I, blz. 146 van de
vertaling.
81Een beschrijving hiervan vinden wij b.v. bij
Cicero in zijn De finibus, I, XIV; Dl. I, blz. 33: … ‘Mais
la plupart des gens sont incapables de tenir et de conserver la
résolution qu'ils ont prise eux-mêmes: séduits et affaiblis
par l'image du plaisir qu'ils ont devant les yeux, ils se livrent
eux-mêmes aux chaînes des passions sans prendre garde aux
conséquences …’.
82Cicero, De finibus I, XIV; Dl. I, blz.
32-33: ‘La tempérance est en effet la vertu qui nous avertit de
nous laisser guider par un calcul réfléchi à propos des
choses qui sont à rechercher ou à fuir’. In II, XIX;
Dl. I, blz. 92 lezen wij over de temperantia ‘… laquelle est l'art
de modérer les désirs au moyen de la raison’.
83Zie hiervóór blz.
32-33.
85Hugo de Groot,
Parallelon, Dl. I, blz. 145 van de vertaling.
De Latijnse tekst heeft: Prudentiam vero & solertiam melius extremo loco
servabimus .… (Dl. I, blz. 103).
86Hugo de Groot,
Parallelon, Dl. II, blz. 95-96 van de
vertaling.
87Cicero, De Officiis, fol. 5
v o.
88Hugo de Groot,
Parallelon, Dl. I, blz. 85 van de
vertaling.
89Th. de Rouck,
Den Nederlandtschen Heravld, blz. 2.
90Curtis Brown Watson,
Shakespeare and the Renaissance concept of
honor, blz. 94.
91 Cicero, De Officiis, fol. 8
v o-9 r o.
92G. Brandt,
Het Leven en Bedryf van den Heere Michiel de
Ruiter, blz. 912.
93Curtis Brown Watson,
Shakespeare and the Rennaissance concept of
honor, blz. 388. Hij citeert hier Cicero's De Re Publica, V,
4.
94Het
History liedt van Graef Floris ende Geraert van
Velsen komt in de
Hollandsche Riim-Kroniik voor op fol.
101.
95't Liedeken van
Gerard vinden wij op blz. 106-109 van
Oudt Batavien Nu ghenaemt Holland.
96Zie hierna blz. 122-124.
97Guazzo,
Hevschen Bvrgerlycken Ommegangh, blz. 273 en
blz. 275.
98Kelso,
Doctrine for the Lady, blz. 96-97.
99Hugo de Groot,
Inleiding, B. III, D. 35, § 9.
100Hugo de Groot, Inleiding, B. III,
D. 35, § 7.
101Hugo de Groot,
Inleiding, B. III, D. 35, § 2.
102Hugo de Groot, Inleiding, B. III,
D. 32, § 17.
103Hugo de Groot,
Inleiding B. III, D. 32, § 16.
104In het bijzonder vorsten spraken zo hun
belangrijkste medewerkers aan.
Hooft laat in zijn
Histoorien een koninklijk schrijven aan de
groten in Nederland beginnen met: Mêneeven (blz. 40).
105In een brief aan
Daniël Heinsius zegt hij: ‘Ick ben geen
schrijver, al heb ick somtijts yet om de geneuchte gedicht, dat tot mijn
becommering onder de gemeente geraeckt is. Ick ken mijn onvolmaecktheit soo
wel, dat ick haer noch by vroomen jonst, noch by spotters vajligheit kan
versekeren.’ P.C. Hoofts
Brieven, Dl. I, blz. 30-31.
106De
Achilles en Polyxena en de
Ariadne verschenen beide in 1614. In de eerste
druk van de
Granida richtte de drukker zich als volgt tot
de lezer. ‘Dit spel Leser geschaepen om maer over een toonneel getrocken
te werden en was niet vroom genoech stal te houden onder d'ooghen des werelds.
Die 't gedicht heeft had’ er dat niet mede voor. Maer men heeft bujten
sijn weten bestaen Achilles en Ariadne voor den dach te haelen met scheuren en
breecken, gelijck men sejdt, soo verkrepelt dat het eene niet soo veel als
eenen regel tot sijn wil heeft, en 't ander oock van sijn voornaemste leden
verlooren: sulx dat hijse niet en ken voor de sijne, al geven haer de druckers
sijnen naem recht oft dat genoech waer om haer afcoomst te bewijsen.’
Leendertz-Stoett,
P.C. Hoofts gedichten, II, blz. 147.
107Vergelijk hiervoor b.v. P.C. Hoofts
Brieven I, blz. 358-361.
108G. Kalff,
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, Dl.
IV, blz. 218.
109Dit zegt niets over mijn appreciatie van het
stuk.
110Hugo de Groot,
Inleiding, B. III, D. 36, § 1.
112Zo G. Kalff,
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,
Dl. IV, blz. 215 en vlgg. en P. Geyl,
Tochten en Toernooien in het opstel:
Shakespeare als Geschiedschrijver (blz.
1-92). Hier kan men o.a. het volgende lezen: ‘Feitelijk zijn die figuren
in
Geeraerdt en in
Baeto geen mensen. Het zijn maskeraderende
buiksprekerspoppen, die een verhandeling van
Hooft over gezag en vrijheid, recht van opstand en
beperkingen ervan, het belang van eendracht en vrede, en de verschrikkingen van
burgertwist ten gehore brengen, in dialoogvorm en quasi over een geval in het
verleden.’ (blz. 55).
113K.H. de Raaf en J.J. Griss,
Stroomingen en gestalten, blz. 273.
114Zie hiervoor F. Veenstra,
Bijdrage, blz. 98-99.
115Ik citeer uit J. Wiers,
Histoires, Dispvtes et Discovrs des Illvsions et
Impostvres des Diables. ‘La prediction des choses futures,
dit il (sc. S. Chrisostome) est seulement vne oeuure de Dieu immortel, &
non d'autre. Mais s'il est auenu que les diables ayent predit quelque chose,
ils ont deceu le pauure & simple peuple, car toutes leurs prognostications
se trouuent tousiours fausses .… Et pourtant ce que dit Origene au 3.
liure de ses commentaires sur Iob demeure ferme: Ceux (dit-il) qui ont recours
aux vains augures & enchantemens, prognostications, ligatures &
sorceleries, se fouruoyent, leur trauail est inutile, la grace de Dieu
s'eloigne d'eux, les saincts Anges les abandonnent, le diable leur tient
compagnie, infatuant leurs esprits, endurcissant leurs coeurs, & les
destournant de droite intelligence .… Ainsi donc le Chrestien pour estre
sauant, ne se doit point enquester des choses auenir .… Car de vouloir
conoistre l'auenir par augures ou autres moyens illicites, c'est vne tentation
diabolique, & ocasion de damnation eternelle …’ Dl. I, blz.
250-251. In Bodin's De la Démonomanie des Sorciers lezen wij:
‘Vray est, que de toute ancienneté, il s'est trouué des
princes Sorciers, ou qui se sont voulu seruir des Sorciers, par lesquels
neantmoins ils sont tousiours precipités du haut lieu d'honneur au
gouffre de toute misere & calamité. Car ils s'enquierent aux
Sorciers s'ils auront victoire, Dieu les rend vaincus: s'ils demandent a Sathan
qui sera leur successeur, Dieu fait leurs ennemys leurs successeurs: s'ils
demandent aux Sorciers, s'ils gueriront de leurs maladies, Dieu les faict
mourir .…’ fol. 166 r o.
116Zie over deze rei mijn bezwaren tegen de
mening van A. Kluyver in F. Veenstra,
Bijdrage, blz. 84-86.
|
|