Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort


auteur: Gerrit de Veer


editeur: Vibeke Roeper en Diederick Wildeman


bron: Gerrit de Veer, Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort (ed. Vibeke Roeper en Diederick Wildeman). Van Wijnen, Franeker 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]



illustratie

Het interieur van het Behouden Huis in Warhafftige Relation der dreyen newen, unerhörten seltzamen Schiffart, Neurenberg, L. Hulsius, 1598 (coll. Nederlands Scheepvaartmuseum, Amsterdam).


[p. 2]

Gerrit de Veer's Waerachtighe Beschryvinghe
Vibeke Roeper en Diederick Wildeman

In 1598 verscheen bij de Amsterdamse uitgever Cornelis Claesz de Waerachtighe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort. Gerrit de Veer beschreef in dit boek de drie expedities die tussen 1594 en 1597 werden ondernomen om via het hoge noorden een doortocht naar Azië te ontdekken. De eerste twee expedities, die in 1594 en 1595 plaatsvonden, behandelde De Veer vooral als inleiding op de spectaculaire derde reis, die resulteerde in de beroemd geworden overwintering in het Behouden Huis op Nova Zembla. Het verslag van Gerrit de Veer is verreweg de belangrijkste bron voor onze kennis van deze episode uit de Nederlandse expansiegeschiedenis. Dankzij De Veer weten we precies wat zich in de winter van 1596, 1597 heeft afgespeeld. Zonder hem zou bovendien één van de hoofdrolspelers in het overwinteringsdrama en de held van menige herdenking, de stuurman Willem Barentsz., een vrijwel onbekende figuur zijn gebleven.

De drie expedities

Toen tegen het einde van de zestiende eeuw bij de Nederlanders de behoefte ontstond om net als de Portugezen en de Spanjaarden zelf op Azië te gaan handelen, werd een plan ontwikkeld om de mogelijkheid van een noordoostelijke doorvaart te gaan onderzoeken. Ergens ten noorden van Noord-Rusland en Siberië zou volgens de geleerden een korte route naar China en de specerij-eilanden te vinden zijn. Zeeuwse, Enkhuizense en Amsterdamse kooplieden bundelden de krachten en stuurden met steun van de stads- en staatsbesturen in het voorjaar van 1594 de eerste verkenningsexpeditie uit. De vier schepen, waarvan twee erin slaagden de Kara Zee een heel eind in te varen, keerden nog diezelfde zomer terug met het goede nieuws dat de passage zo goed als ontdekt was. Het volgende voorjaar werd dan ook een vloot van zeven schepen uitgerust die naar China door zou moeten varen en pas het jaar daarop terug verwacht werd. Aan de tweede reis kwam echter snel een einde doordat de Kara Zee dat jaar vol bleek te liggen met ondoordringbaar ijs. Na die mislukte expeditie trokken de Zeeuwen en de Enkhuizenaren zich terug. De Amsterdammers, die van mening waren dat de doorvaart niet ten zuiden, maar ten noorden van het eiland Nova Zembla gezocht moest worden, wilden het echter nog een keer proberen. Met twee schepen voeren zij in het voorjaar van 1596 uit. Ook ten noorden van Nova Zembla bleek het ijs de weg te versperren. Na enkele vergeefse pogingen om in het pakijs een opening te vinden, keerde het ene schip terug. Het andere schip, gecommandeerd door schipper Jacob van Heemskerck en stuurman Willem Barentsz, bleef uit. Hopend dat dat schip China wel bereikt had, en vrezend dat de opvarenden in de vrieskou een voortijdig einde hadden gevonden, wachtte men in het vaderland op nieuws. Pas in november 1597 arriveerden twaalf van de zeventien opvarenden in Amsterdam. Zij hadden een lange overwintering en een barre tocht in twee open boten achter de rug. Van een doorvaart naar China was geen spoor gevonden. De belangstelling voor die route was echter al geluwd nadat in augustus 1597 Cornelis de Houtman uit Indië was teruggekeerd. Hij had de oude Portugese route via Kaap de Goede Hoop gevolgd en zijn reis met succes volbracht.

[p. 3]

Gerrit de Veer

Stuurman Willem Barentsz keerde niet in het vaderland terug. Na de tien maanden in het Behouden Huis overleefd te hebben, stierf hij tijdens de terugreis. Op de noordpunt van Nova Zembla kreeg hij een graf in het ijs. Schipper Jacob van Heemskerck kwam wel heelhuids thuis. Een paar maanden later vertrok hij weer, als vice-admiraal in dienst van één van de nieuwe handelscompagnieën op Oost-Indië. Noch Barentz, noch Van Heemskerck waren in de gelegenheid om hun belevenissen op papier te zetten en te publiceren. Gerrit de Veer deed dat wel. Zijn Waerachtighe Beschryvinghe verscheen waarschijnlijk al in het voorjaar van 1598 in druk. Hij beschreef niet alleen de overwintering, maar ook de twee eerdere expedities. De eerste had hij niet zelf meegemaakt, maar hij kon zich voor die reis baseren op aantekeningen van Willem Barentsz.

Over Gerrit de Veer is helaas weinig bekend. Tijdens de overwintering moet hij nog een jonge man, tussen de twintig en dertig jaar oud, geweest zijn. Hij was de zoon van notaris Ellert de Veer die ook politieke pamfletten en historische werken schreef. Evenals zijn oudere broer Albert genoot Gerrit een goede opleiding. Hij koos echter niet - zoals zijn vader en broer - voor de rechtenstudie, maar volgde bij de vermaarde leermeester Robbert Robbertsz lessen in de zeevaartkunde. Aan boord had hij vermoedelijk een functie in de rang van onderofficier; lager dan Barentsz en Van Heemskerck, maar hoger dan de gewone zeelui. Vooral met Barentsz stond hij op goede voet en hij bewonderde zijn stuurman zeer.

Ellert de Veers belangrijkste werk was een nieuwe, aangevulde editie van de zogenaamde Divisiekroniek van Cornelius Aurelius, het gewichtigste boek over de geschiedenis van Nederland van dat moment. Een exemplaar van dit werk werd in 1871 tussen de restanten van het Behouden Huis aangetroffen. Het boek was in 1590 bij uitgever Cornelis Claesz verschenen. Het is waarschijnlijk dat vader De Veer zijn zoon Gerrit bij zijn uitgever heeft geöntroduceerd. Misschien heeft hij hem bij het schrijven zelfs een handje geholpen. Van Gerrit zijn geen andere geschriften bekend en over wat er na terugkeer in Nederland van hem is geworden zwijgen alle bronnen.

De publicatiegeschiedenis

Tot omstreeks 1600 bestond in Nederland geen traditie in het publiceren van actuele reisverslagen. Gegevens over Nederlandse land- en zeereizen, die uiteraard wel degelijk plaatsvonden, vonden slechts in stukjes en brokjes hun weg naar de drukpers: als nieuwe informatie op kaarten, als aanvullingen op geografische beschrijvingen of als curiosa in historische kronieken. De Middelburgse uitgever Barent Langenes en zijn Amsterdamse collega Cornelis Claesz brachten daar verandering in. Toen Cornelis de Houtman in 1597 uit Indië terugkeerde, publiceerde Langenes een verslag van deze reis. Cornelis Claesz deed in 1598 hetzelfde en hij vond bovendien Gerrit de Veer bereid om zijn geschriften te laten publiceren. De uitvoering die Langenes en Claesz voor hun reisverhalen kozen - een kwarto-oblong formaat, gezet in een gotische letter en voorzien van vele kopergravures - was nauw verwant aan eerdere zeevaartkundige werken. Op een oblong-formaat kwamen afbeeldingen van kustprofielen het beste tot hun recht. Ook voor de reisuitgaven zullen de uitgevers op een zeevarend publiek hebben gemikt. Maar er waren meer belangstellenden: de kooplieden die Oost-Indië als braakliggend handelsgebied hadden ontdekt; de geleerden die hun geografische theorieën in een reisverslag bevestigd dan wel weerlegd zagen; de liefhebbers van avontuurlijke verhalen die benieuwd waren naar de verrichtingen van hun landgenoten in den vreemde.

De populariteit van De Veers verhaal ergerde de ontdekkingsreiziger Jan Huygen van Linschoten. Deze Enkhuizenaar had de eerste twee expedities naar het noorden meegemaakt en hij vond bij De Veer veel onjuistheden en onnauwkeurigheden. Daarom besloot

[p. 4]

hij zijn eigen verslagen te publiceren. Hoewel het boek Voyagie, ofte schip-vaert, van Jan Huygen van Linschoten, van by noorden om over de twee beschreven expedities uitvoeriger en nauwkeuriger was dan het boek van De Veer, bereikte het een veel kleiner publiek. De eerste druk verscheen pas in 1601 en het boek beleefde slechts één herdruk.

Anders was het met de Waerachtighe Beschryvinghe die door Cornelis Claesz in 1599 en 1605 al tweemaal herdrukt werd, en daarna in vier belangrijke bundels reisverhalen, gepubliceerd in 1617, 1645, 1648 en 1663, een prominente plaats innam. Bovendien zag Cornelis Claesz al direkt dat voor dit verhaal ook in het buitenland belangstelling zou bestaan. Tegelijk met de eerste Nederlandse druk publiceerde hij vertalingen in het Frans en Latijn. Hij koos voor die vertalingen, die vooral een 'geleerd' publiek moesten bereiken, niet het kwarto-oblong formaat, maar het veel grotere folioformaat. Hij zette de tekst niet in de gotische letter, maar in romein, de standaardletter voor wetenschappelijk drukwerk, die pas tegen het einde van de achttiende eeuw ook voor populair Nederlandse proza gebruikelijk zou worden.

In Duitsland publiceerde Levinus Hulsius in 1598 reeds een vertaling van De Veers verhaal. Hij vulde de tekst hier en daar aan met informatie uit andere bronnen, waaronder het Meer oder Seehahnen Buch van Conrad Löw. Ook de prenten nam Hulsius niet klakkeloos over, maar voegde er allerlei details aan toe en gaf ze een meer 'verhalend' karakter. De beroemde plaat van het interieur van het Behouden Huis is zijn belangrijkste aanvulling; een dergelijke illustratie ontbreekt in de edities van Cornelis Claesz. Het is niet bekend waarop Hulsius deze afbeelding baseerde, maar zijn bron moet betrouwbaar zijn geweest; toen in de tweede helft van de negentiende eeuw het Behouden Huis ontdekt werd, bleek de prent vrij goed met de werkelijkheid overeen te stemmen. Niet alleen in Duitsland bestond belangstelling voor het Nederlandse avontuur. In Venetië verscheen in 1599 een Italiaanse vertaling en in Londen in 1609 een Engelse.

Tot halverwege de zeventiende eeuw werd het verhaal van Gerrit de Veer regelmatig herdrukt. Daarna nam de belangstelling af. In de meeste historische kronieken bleef het een plaats houden, maar de expedities en de overwintering genoten geen algemene bekendheid meer. Hierin kwam op slag verandering toen de dichter Hendrik Tollens in 1821 zijn lange heldendicht Tafereel van de overwintering op Nova Zembla publiceerde. Duizenden lezers verslonden dit epos gedurende de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De ijzingwekkende gebeurtenissen bleven sindsdien bewerkers, editeurs en vertalers inspireren. In 1995 en 1996 verschenen ter gelegenheid van het herdenkingsjaar maar liefst zes nieuwe versies van De Veers verhaal, waaronder vertalingen in het Engels, Frans, Italiaans en Noors.

De facsimile-editie

De eerste druk van de Waerachtighe Beschryvinghe Van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort verscheen in 1598 in Amsterdam bij Cornelis Claesz. Het boek, gedrukt op het formaat kwarto-oblong, telt 61 bladen tekst en bevat 28 platen en drie kaarten, gegraveerd door Baptista à Doetechum.

Deze facsimile-editie is gemaakt van het exemplaar uit de collectie Van het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam (boeksignatuur A XII 2, inventarisnummer A.24). Dit exemplaar werd in 1917 verworven uit het bezit van S.P. L'Honoré Naber, die er in datzelfde jaar een geannoteerde uitgave van verzorgde in de reeks Werken van de Linschoten-Vereeniging.

De facsimile werd in februari 1997 uitgegeven door uitgeverij Van Wijnen te Franeker in een oplage van 500 exemplaren.

Het ISBN-nr. is 90 5194 159 5.