terug  begin  verderprepost
[p. 48]

V
Chr. van Heule:
De Nederduytsche Spraec-konst ofte Tael-beschrijvinghe (1633)

Bij de beschouwing van het werk van Van Heule baseren we ons op de herdruk van zijn ‘De Nederduytsche Grammatica ofte Spraeckonst’, onder de titel ‘De Nederduytsche Spraec-konst ofte Taelbeschrijvinghe’ in 1633 opnieuw verschenen, naar de uitgave van Dr. W.J.H. Caron (Groningen 1953). Het zou tegenover Van Heule niet billijk en wetenschappelijk niet verantwoord zijn, de eerste druk van 16251) te nemen. Sinds 1625 is Van Heule gegroeid tot een gerijpt grammaticus en zijn werk draagt daarvan de sporen, al tracht de schrijver, misschien uit bescheidenheid, zijn geestelijke groei te maskeren. Het is onjuist dat zijn ‘Exemplaren’ van 1633 slechts van de vorige (1625) verschillen ‘alleen in order en niet in de zake’ (blz. 5). De Vooys waarschuwt: Het verschil is groter dan de oppervlakkige lezer, misleid door Van Heule's mededeling, zou menen2), en Caron bevestigt dit: ‘De beide drukken verschillen namelijk vrij veel’3).

Tussen 1625 en 1633 heeft hij zich verdiept in historische taalstudie - vandaar wellicht de wending tot oudere, soms wat geforceerde, taalvormen -, heeft hij de Hoogduitse spraakkunst bestudeerd en heeft hij gevolg gegeven aan aansporingen van ‘geleerde vrienden’ het Grieks te bestuderen. Het is duidelijk dat hij in 1633 wetenschappelijk op vaster grond staat en dat met de uitbreiding en verdieping van zijn kennis zijn betekenis als grammaticus is toegenomen.

Van Heule beschrijft (titelblad 1625) ‘de gemeyne deelen der Nederduytsche spraeke (nae de manier der Grieken ende Latijnen)’. Hij steunt vooral op de Grammatica Latina van Lithocomus, een eenvoudig, voor de scholen geschreven leerboek. De toevoeging: ‘nae de manier der Grieken ende Latijnen’ komt op het titelblad van 1633 niet meer voor,

[p. 49]

een bewijs van toegenomen zelfstandigheid. Caron acht hem, in tegenstelling tot De Vooys, beter taalobservator dan taalhistoricus1).

 

Voor Van Heule is de spraec-konst ‘eene wetenschap om wel te spreken’ (blz. 7)2). Zij omvat de bekende vier hoofddelen uit de humanistische grammatica's van zijn tijd: Spellinge, Klank-maet, Oorspronkelikheyt en Samen-vouginge3).

‘Deze vier delen en zouden ooc niet onbequamelic moghen ghenaemt worden, Het schrijven, Orthographia, Het spreken, Prosodia, Het veranderen of buygen der woorden, Etymologia, Het redenen, Syntaxis’ (blz. 7). Van Heule onderscheidt ‘zesderleye soorten’ woorden (blz. 15):

[p. 50]

ledekens, Namen, of Naem-woorden, voor-namen, werk-woorden, deel-woorden Help-woorden (Articuli, Nomina, Pronomina, Verba, Participia, Adverbia). Op blz. 56 volgt de definitie der verba: ‘Een wercwoort beteykent eene werkinge die gedaen of geleden wort of geschiet’. Weer, als in het spraakkunstfragment en de Twe-spraack, de driedeling: doen, lijden, geschieden.

Op blz. 57 volgt het grote indelingsschema, dat de verschillende soorten w.w. en de accidentia bevat:

illustratie

Veel toelichting is bij dit schema niet noodzakelijk. Van Heule's terminologie is in hoofdzaak nog de onze. Op het schema volgen definities van de verschillende categorieën werkwoorden en de onderverdeling der accidentia. Alleen de indeling der tijden is voor ons minder duidelijk: bedoeld zijn successievelijk: o.t.t., o.v.t., volt.t.t., volt.v.t., toekomende tijd, volgens blz. 59 alleen de onvolt.toek.tijd: Ic zal minnen.

Terwijl Spieghel vijf vervoegingen onderscheidde, onderscheidt Van Heule er - in het indelingsschema althans - vier, in de tekst

[p. 51]

echter vijf: ‘De buygingen der Werc-woorden worden om des onderscheyts wille Vervougingen genaemt en geschieden door Wijzen Tijden en Personen, deze Vervougingen zijn vijfderley’ (blz. 59)1).

Spieghel onderscheidt zwakke en sterke w.w. overeenkomstig het wezenlijke buigingsverschil; Van Heule is veel minder principieel: het buigingskenmerk der zwakke w.w. vermeldt hij niet, dat der sterke slechts incidenteel, niet bij de 4e, waar de sterke w.w. voor het eerst aan de orde worden gesteld, doch bij de 5e (blz. 61): ‘Deze woorden veranderen ook in den Onvolmaekten tijt hare klinkletteren, als Ic bederve heeft Ic bedorf...., enz.

De drie eerste categorieën vallen onder onze zwakke w.w. Ze zijn achtereenvolgens van het type deelen, braeken, achten (arbeyden), d.w.z. 1e. van het type dat zijn praet. vormt met het suffix de, 2e. idem met het suffix te, 3e. van het type met t of d op het eind van de ‘stam’. Deze differentiatie doet denken aan de huidige lagere-school-practijk; we zullen haar opnieuw ontmoeten in Deel II Hs. XVII.

De beide laatste categorieën vallen onder onze sterke w.w. Spieghel differentieert scherper. De 4e vervoeging omvat onze huidige 1e klasse: bijten, de 5e vervoeging de overige sterke w.w.

Merkwaardig kinderlijk doet Van Heule's beschrijving o.a. van de vorming der tijden aan: het is of hij bezig is met een legpuzzle, die in verschillende etappes gereed komt.

Van de eerste Vervouginge.

Als men in de eerste Vervouginge der werk-woorden van de woorden der onbepaelde wijze op het eynde EN af neemt ende dan DE in die plaetse stelt zo heeftmen een woort dat den onvolkomen tijt uytdrukt. Als tot voorbeelt Deelen is een woort der onbepaelde wijze hier van op

[p. 52]

het eynde EN genomen zo is het Deel, hier dan op het eynde DE gestelt zo is het Deelde, dit is een woort van den onvolkomen tijt in den eersten persoon als men ook by Deel stelt eene T ofte D, zo is het Deelt, Hier dan de silbe Ge voorgestelt (welke silbe is het by-vougsel des verleden tijts) zo is het Gedeelt, dit woort drukt den verleden tyt uyt.

Tot deze eerste Vervouginge behoren deze werk-woorden als Aezen, bouwen, hooren, hongeren, etc. (blz. 60).

 

In de geciteerde instructie voor het vaststellen van praet. en part. pr. van delen trekt een passage de aandacht:

.... ‘als men ook bij Deel stelt eene T ofte D, zo is het Deelt’. Men kan het onvermeld blijven van ‘Deeld’ beschouwen als een kleine onnauwkeurigheid, in wezen heeft o.i. deze omissie een diepere betekenis. Van Heule is nl. voorstander van phonetische spelling der slotklanken, behalve waar dit moeilijkheden oplevert, zoals rat - rad (blz. 11). Het ‘Neder-duytsch’ kent nl. enkele ‘veranderliche Letteren’ (blz. 9): ch verandert soms in g, s in z, en T ooc wel in D: woort-woorden. Zijn standpunt verdedigt hij op blz. 10:

 

‘De Geleerde onzer eewe zijn zeer twistich om dezer Letteren veranderinghen wille vele achten datmen alle woorden behoorde met de minste veranderingen te schrijven daerom op het eynde der woorden altijt G in plaetse van CH, ooc D, Z, K in plaetse van T, S, en C stellende de aenzienlixste Tael-kenders die deze spellinghe voorstaen zijn Kilianus, Grotius, de Hubert, Ampsingius en Iacob vander Schure.

De Geleerde welke met onze Voor-ouderen en ons over-eenstemmen zijn byzonderlic Koornhert, Heynsius, Cats, ende de Bybelsche Overzetters.

Onze Voor-ouders welke wy in dezen dele nae-volgen hebben in hare spellinge de meeste lichticheyt der uytsprake neirstelic waerghenomen want deze woorden Dach, levendich, Hant, geleert vallen in het uytspreken lichter als Dag, levendig, hand, geleerd, daerom ooc Ampsingius in zijn Tael-bericht toe-staet datmen de woorden na ouder gewoonte behoort te lezen alhoewel hy die anders oordeelt te schrijven. Wy oordelen in het tegendeel dat wy meerder reden hebben om volgens onze uytsprake te schrijven dan dat wy om des gevolgs wille anders zouden

[p. 53]

schrijven dan wy behoren te lezen: deze redenen en het loffelic gebruyc der Grieken hout ons aen de outheyt daer-en-boven ooc de verzoetinge onze menichvoudige swaer-tongige silben’.

 

Van Heule prefereert het schrijven ‘volgens onze uytsprake’ boven het schrijven ‘om des gevolgs wille’, d.w.z. volgens de regel der gelijkvormigheid. Hij volgt Spieghel dus niet1). Trouwens, van spellinghervorming verwacht hij niet veel, hij houdt zich in hoofdzaak aan het oude. ‘Het schrijven van g en d aan het einde van een woord, naar analogie van de verlengde vorm, acht hij een overbodige nieuwigheid’2). Hij legt het zwaartepunt op de grammatica, hij acht het noodzakelijker taalkwesties te behandelen dan spellingregels. Deze geringe interesse verklaart misschien de omissie deeld, maar eveneens zijn spaarzame aanwijzingen voor de schrijfwijze der werkwoordelijke vormen.

Uit de combinatie deel + d kan men afleiden, dat Van Heule deze schrijfwijze gekend heeft, althans mogelijk achtte. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij haar gekend. Hij heeft Samuel Ampzingh's Taelbericht, dat van 1628 is, grondig bestudeerd: hij noemt het in zijn druk van 1633 herhaaldelijk (zie o.a. het laatste citaat). Ampzingh verdedigt de spelling leerd: ‘So schrijf ik ook inde werk-woorden den derden persoon in 't eenvoudig getal vande verkondigende maniere met eene d, om 'tgevolg van den eersten persoon in den onvolmaekten tijd, in die woorden die dat gevolg hebben: als hij leerd, ik leerde’3). Maar liever dan Ampzingh volgt hij Pontus de Heuiter, wiens De Nederduitse Orthographie van 1581 hij ook kende en wiens grondregel luidde: ‘Laet alledijnc schriven alsoot luit en klijnct’4). De vorm deeld had voor hem geen wezenlijke betekenis.

We hebben, als bij Spieghel, de schrijfwijze der w.w.vormen nagegaan en wel in de passage ‘Van de Werk-woorden’ (blz. 56-69). Van

[p. 54]

het volgen van de gelijkvormigheidsregel is geen sprake; wel blijkt Van Heule uiterst consequent in het toepassen van de phonetische spelling van de slotklank-t.

De praesensvormen van de zwakke w.w. met het praet. op -de schrijft hij met t: beteykent, regent, mint, waeyt, zeyt, rouwt, leert, hoort, zegt, bepaelt, stelt, aanteykent. Ampzingh zou een d hebben geschreven. Hij schrijft ook wort, geschiet, vint, waar, wegens de infinitieven, een d toch eerder mogelijk was. Naast wort schrijft hij wiert (praet)1). De -t vinden we ook in de deelwoorden van deze categorie w.w. en wel zonder uitzondering: ic worde bemint, het wort gezeyt (geseyt), het wort gelooft, genaemt worden, worden verandert, ic hebbe gemint, gestelt, gearbeyt, gebloet, gheneycht, gewortelt, gehat, bewaert hebben, ingevoert, gevolgt.

 

Eén categorie w.w. vormen die bij Van Heule voorkomt, dient nog te worden vermeld, t.w. die welke behoren bij het pronomen du. De ondergang van du kunnen veel grammatici moeilijk verwerken. Spieghel herdacht het, Van Heule, radicaler, herstelt het2). Hij neemt het op in de introductie der pronomina: ‘.... en zijn deze Ic, du’ enz. (blz. 49), rangschikt het onder het ‘eenvoudig’ getal: ‘Ic du en hy’ (blz. 50), en geeft de volledige declinatie.

Van Heule acht de wederinvoering van gewicht: ‘.... want Gy is zo veel als Gy-lieden, het onderscheyt van Du en Gy is onze Tale zeer dienstich om dat de woorden kort zijn ende het onderscheyt groot is’ (blz. 52). Maar du heeft zijn eigen conjugatievormen en die vinden we dan ook terug.

1)De Vooys dateert 1626. Zie: Uit de jeugd van onze spraakkunst V.T.O. I, blz. 293 en 305. Insgelijks doet Hellinga: De Opbouw..... Bronnen III. De spraakkunsten blz. 37 en Register blz. 363. Het titelblad van de 1e druk (zie Caron blz. 1) vermeldt: ‘Tot Leyden.... Anno 1625’, dat bij De Vooys: Geschiedenis enz. naast blz. 133: 1626. Zie over de dateringskwestie Caron I blz. XX en XXI.
2)t.a.p. blz. 305.
3)Caron, t.a.p. blz. XXVII.
1)De Vooys, t.a.p. blz. 311, spreekt wat schamper over Van Heule als constructeur van ‘een taal-op-papier’.
2)Vgl. het spraakkunstfragment van 1568 en de Twe-spraack. Er schuilt iets tragisch in het consequente streven van onze humanistische grammatici naar het hooghouden der welsprekendheid, althans in hun definities. Als Van Heule, ook reeds in de eerste druk van zijn spraakkunst, de grammatica definieert als ‘eene wetenschap om wel te spreken’, heeft het humanisme, dat in het cultiveren der welsprekendheid zijn hoogste roeping zag, reeds geruime tijd tal van aanvallen te verduren gehad. Vives (1492-1540), schrijft Bot (Humanisme en onderwijs in Nederland, blz. 84) is het geweest, die de trotse burcht der eloquentia van binnen uit heeft geschokt. Men zie o.a. ook: Van Duyvendijk: De motivering van de klassieke vorming. Een historisch-paedagogische studie over twee eeuwen, Eerste deel, Hoofdstuk I: De humanistische beweging verzwakt en tevens bestreden, waarin hij, kort, de kerkelijke, wijsgerige en wetenschappelijke oppositie tegen het humanisme schetst. Terecht vestigt hij o.a. de aandacht op de opkomst van empirisme en rationalisme. Bacon (1561-1626) streeft er naar het menselijk leven te transformeren, ‘en assurant la maitrîse de l'homme sur la nature’ (Bréhier: Histoire de la philosophie, tome II: La philosophie moderne. 1. Le dix-septième siècle, p. 23). Het schone woord heeft voor hem zijn betekenis verloren. En even later Descartes (1596-1650). Hoe stelt de studie der letteren hem teleur, hem die een brandend verlangen bezat hen te leren kennen. ‘Car je me trouvais embarrassé de tant de doutes et d'erreurs, qu'il me semblait n'avoir fait autre profit, en tâchant, de m'instruire, sinon que j'avais découvert de plus en plus mon ignorance’.
En verder: ‘J'estimais fort l'éloquence, et j'étais amoureux de la poésie; mais je pensais que l'une et l'autre étaient des dons de l'esprit, plûtot que des fruits de l'étude’.... (Descartes: Discours de la méthode, ed. Robert Derathé, Paris 1937, p. 24 en 25.)
Pos zegt, dat zijn waardering voor vakken als oude talen, welsprekendheid en zedeleer ‘soms lichtelijk ironisch’ klinkt. (Pos: Inleiding tot: Vertoog over de methode, Amsterdam 1950, blz. 61). Daarnaast, menen wij, zeker ook gedesillusioneerd.
3)t.a.p. blz. 7.
1)Van Heule is in het aanduiden van het aantal vervoegingen onnauwkeurig. In A (blz. 39-46) geeft hij 4 vervoegingen, die echter niet alle w.w. omvatten. Vandaar de toevoeging (blz. 46): ‘Daer zijn noch eenige Werkwoorden....’ enz. Het is begrijpelijk dat Caron op blz. XXXII (A) schrijft: ‘De coniugatio omvat in beide edities vijf soorten....’ enz. De resterende ‘eenige Werkwoorden’ beschouwt hij dus als behorende tot een 5e vervoeging. In B echter treedt bovengenoemde tegenstelling op tussen het schema op blz. 57 en de feitelijke indeling. Herbert Penzl baseert zich in een recensie in Language 1955, p. 295 e.v. die Prof. Caron ons ter inzage deed toekomen, op het door Van Heule in A genoemde viertal, met negatie dus van de 5e categorie: ‘In A. van Heule subdivides the Dutch verb into four classes, three of them weak and one strong’.

1)Op blz. XXIX schrijft Caron: ‘Van Heule's practijk komt met zijn opvattingen overeen. Hij past doorgaans de gelijkvormigheidsspelling toe.’ Prof. Caron was zo vriendelijk ons mede te delen dat het woord niet helaas achter doorgaans is uitgevallen, waardoor de (schijnbare) tegenstrijdigheid met bovenstaand citaat verklaard wordt.
2)De Vooys: Uit de jeugd van onze spraakkunst. V.T.O. I blz. 282.
3)S. Ampzingh: Nederlandsch Tael-bericht, in: Zwaan: Uit de geschiedenis der Nederlandsche Spraakkunst, Groningen 1939, blz. 173.
4)De Vooys: Pontus de Heuiter, V.T.O. I, blz. 267.
1)In de gebiedende wijs schrijft hij Werd gy. Dikwijls vindt men ‘werd in plaetse van wiert’, doch ‘doorgaans in de Bibelsche verbeteringen’ (blz. 69). Ook de spelling der subst., adj. en adv. is phonetisch: woort, voorbeelt, gelegentheyt; out; altijt, somtijts.
2)Over de ondergang van het voornaamwoord du, waardoor tegelijk de bijbehorende verbale vormen verdwenen, bestaat een uitgebreide literatuur, waarvan de bespreking buiten ons onderwerp valt, al is er, gelijk bleek, directe samenhang. We noemen: Vor der Hake: De aanspreekvormen in 't Nederlandsch, Utrecht, 1908; idem: De ondergang van het voornaamwoord du, N.T. 9, blz. 98; Kloeke: De ondergang van het pronomen du, N.T. 20, blz. 1; Muller: Bijdragen tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandsche aanspreekvormen, N.T. 20, speciaal blz. 81 e.v.
prepostterug  begin  verder