De groep der predikant-dichters en -grammatici, wier belangrijkste en invloedrijkste woordvoerder de Deventer predikant Arnold Moonen zou blijken te zijn, acht tegen het einde der 17e eeuw de tijden voldoende gerijpt voor codificatie van taal en spelling, om de periode van zoeken en tasten, als hoedanig deze eeuw mag gelden, - we herinneren er aan hoe sterk Van Heule's taalopvattingen zich tussen 1625 en 1633 hebben gewijzigd - af te sluiten en vast te stellen hoe nu eigenlijk het Nederlands van haar dagen diende te worden geschreven. Zij vooral luidt de periode der taalreglementering in Frans-klassicistische geest in. Moonen verwierf zich met zijn Nederduitsche Spraekkunst (Amsteldam 1706) een gezag, dat wel is waar incidenteel werd aangetast, doch in de 18e eeuw nimmer zijn autoriteit verloor. Nog in 1776 wordt gesproken van ‘den onsterfelyken lof des grooten Moonens’1).
Séwel, Hilarides en Verwer waren de opponenten2), maar zelfs de werkelijk grote Lambert ten Kate, die in taalwetenschappelijk
inzicht en wetenschappelijke taalkennis Moonen verre overtrof, boog het hoofd. Hij gaat ‘een heel eind met Moonen mee’1). Moonen's Spraekkunst werd in de loop der 18e eeuw herhaaldelijk herdrukt en daarom mag dit werk gelden als dè exponent der toenmalige taalbeschouwing2).
Maar ook uit een historisch-didactisch oogpunt dienen wij Moonen's opvattingen zorgvuldig te onderzoeken. Het zal blijken dat hij een der feitelijke grondleggers is geweest van onze huidige verbale spellingconventies. Hij heeft niet alleen de orthographie der 18e eeuw voor een belangrijk gedeelte beheerst, zijn invloed werkt, op het meest gecompliceerde onderdeel onzer spelling, door tot op onze dagen. Hij heeft zijn Spraekkunst ‘op den voet der Grieken en Latynen beschreeven’, zij is, zoveel mogelijk, ‘gegrondt op vaste en onloochenbaere regels, en waer of wanneer die ontbraeken, op het gemeene gebruik, dat aen de regels den oirsprong geeft’.
De spraakkunst is voor Moonen ‘eene kunst of weetenschap van recht en zuiver Nederduitsch te spreeken en te schrijven’. (Schottelius: ‘Die Sprachkunst ist eine Wissenschaft, oder kunstmessige Fertigkeit, recht und rein Teutsch zureden oder zuschreiben’. Von der Rechtschreibung Cap. II Lib. II.) Zij bestaat uit twee delen: de ‘Woortgronding’, volgens de tabel der ‘Kunstwoorden, in de spraekkunst doorgaens gebruikt’, Etymologia, en ‘Woortvoeging’, Syntaxis. De woortgronding omvat, behalve de etymologie in engere zin, het onderzoek naar de ‘oirsprongen’, ‘een onderzoek der Letteren of boekstaven’, d.w.z. de spelling, Orthographia, en de uitspraak, Prosodia. De vier bekende onderdelen der grammatica vinden we dus bij Moonen terug3).
De woordsoorten, de ‘byzondere Spraekdeelen’, zijn negen in getal4). Zij worden onderscheiden in veranderlijke (Geslachtwoorden, Naemwoorden, Voornaemwoorden, Werkwoorden, Deelwoorden) en onveranderlijke (Bywoorden, Voegwoorden, Voorzetsels, Tuschenwerpingen)5). Werkwoorden (Kapittel XXII) zijn ‘zulke Veranderlyke woorden, die eenigh werk van Doen, Lyden of Weezen beteekenen met de omstandigheden van den Tegenwoordigen, den Voorgaenden en den Toekoomenden
Tyt’. Ze worden gewoonlijk onderscheiden in Persoonlyke en Onpersoonlyke (Verba Personalia en Verba Impersonalia). Moonen onderscheidt vier wijzen: ‘de Gebiedende, de Aentoonende, de Aenvoegende, en de Eindigende Wijze’; de eerste drie worden ‘Bepaelt’ genoemd, de laatste ‘Onbepaelt’1). Voorts vijf tijden: ‘de Tegenwoordige, de Onvolmaekte Verleeden, de Volmaekte Ganschverleeden, de Meerdanvolmaekte Voorverleeden, de Toekoomende Tyt’2). Er zijn twee ‘Tytvoegingen’ (conjugaties): ‘de Gelykvloeiende of Geregelde (Conjugatio Regularis), en de Ongelykvloeiende of Ongeregelde (Conjugatio Irregularis)’, resp. onze zwakke en sterke vervoeging3).
De gelijkvloeiende vinden we daar, ‘waer in de Werkwoorden hunne Wortel- of Stamletters door alle de Afgeleidde Tyden behouden’, de ongelijkvloeiende daar, ‘waer in de Werkwoorden hunne Wortel- of Stamletters in de Afgeleidde Tyden eens of meer veranderen’4). Ten slotte zijn er ‘Drie Persoonen aen te merken’5) en ‘twee Getallen’, het ‘Eenvouwige’, het ‘Meervouwige’6). Het XXIII Kapittel behandelt de ‘Helpwoorden’, hulpwerkwoorden, hebben, zullen, worden en zijn, hun functie en hun paradigmata; daarnaast de werkwoorden kunnen, mogen, willen, moeten, durven, laten, helpen en doen, ‘in hunne Tytvoegingen gebreklijk’7).
Behalve de onderscheiding persoonlijke en onpersoonlijke werkwoorden voert Moonen (Kapittel XXIV) een tweede onderscheiding in, die in Bedryvende, lydende en Onzydige werkwoorden, verba activa, passiva en neutra:
‘Bedryvende Werkwoorden zyn, die eenigh bedryf uitdrukken, dat tot een voorwerp overgaet; als Bidden, Hooren, Leezen, Pryzen.
Lydende Werkwoorden zijn, die eene Lyding, van buiten iemant aenkoomende, betekenen; als Gebeeden Worden, Gehoort Worden, Geleezen Worden, Gepreezen Worden.
Onzydige Werkwoorden zyn, die, in den werker met de daet blyvende, en niet overgaende, iet tenvollen betekenen; als Zyn, Worden, Staen, Bloeien, Leeven, Sterven’1).
Vervolgens geeft hij de volledige paradigmata van Hooren (actief), Gehoort Worden (passief) en Woonen (onzijdig). Een gedeelte van het paradigma van Hooren nemen we over - we vinden paradigmata als dit, nagenoeg onveranderd, tot ver in de 19e eeuw terug:
De Gebiedende Wyze.
Tegenwoordige Tyt.
E..... Hoor.
M..... Hoort.
De Aentoonende Wyze.
Tegenwoordige Tyt.
E. Ik Hoore, Gy Hoort, Hy, Zy, Het Hoort.
M. Wy Hooren, Gy Hoort, Zy Hooren.
Onvolmaekte Verleeden Tyt.
E. Ik Hoorde, Gy Hoorde, Hy, Zy, Het Hoorde.
M. Wij Hoorden, Gy Hoorden, Zy Hoorden.
Volmaekte Ganschverleeden Tyt.
E. Ik Hebbe Gehoort, Gy Hebt Gehoort enz.
M. Wy Hebben Gehoort, Gy Hebt Gehoort enz.
Meerdanvolmaekte Voorverleeden Tyt.
E. Ik Hadde Gehoort, Gy Hadt Gehoort enz.
M. Wy Hadden Gehoort, Gy Hadt Gehoort enz.
Toekoomende Tyt.
E. Ik Zal Hooren, Gy Zult Hooren, Hy, Zy, Het Zal Hooren.
M. Wy Zullen Hooren, Gy Zult Hooren, Zy Zullen Hooren2).
Thans dienen we na te gaan langs welke ‘vaste en onloochenbaere regels’ Moonen tot de schrijfwijze der afzonderlijke werkwoordsvormen komt, hoe deze worden ‘gevormt en afgeleidt’1) (Kapittel XXV).
Basis is het ‘Wortelwoort’. Het wortelwoort is het enkelvoud van de gebiedende wijs van het bedrijvende of onzijdige w.w. Het bevat ‘alle de Wortel- of Stamletters’: Ga, Zie, Loop, Slaep enz.2). Van het wortelwoort worden alle tijden in alle wijzen in alle categorieën w.w. afgeleid, ‘door byvoeging van een of meer letteren’3). Het zijn e (Ik Hoore), t ((Gij) Hoort), en (Wij Hooren), de (Ik Hoorde), den (Wij Hoorden), die hier vormingsfuncties verrichten4).
De spellingmoeilijkheid der dt stelt Moonen niet expliciet aan de orde (zie echter Kapittel VII), ofschoon de dt in enkele zijner v.b. voorkomt, t.w. bij het lijdende werkwoord:
Ik Worde, Gij Wordt, Hij Wordt gehoort.
Ik Werd, Gij Werdt, Hij Werd gehoort.
Dit is merkwaardig, omdat hij hier wel nadrukkelijk de dd en tt kwestie in de onv. verl. tijd behandelt. De onv. verl. tijd wordt bij de bedrijvende en onzijdige w.w. afgeleid van het wortelwoord ‘door het bijvoegen der Merkletteren’ De, Den; na de harde medeklinkers f - k - p - s - t - ch door Te, Ten: ‘Waerom Wortelwoorden, die in eene D na eenen voorgaenden Medeklinker of eenen Langen Klinker of Tweeklinker uitgaen, in deeze Persoonen met eene dubbele D geschreeven worden’, enz. De dd en tt na korte klinker ontgaan hem niet: Ik Schudde, enz., Ik Schatte enz., zowel in o.t.t. als in o.v.t.5).
De deelwoorden (Kapittel XXXI) vragen afzonderlijke behandeling6). Zij zijn ‘van de Werkwoorden gesprooten’7), drukken wel een tijd uit, maar volgen de eigenschap en Buiging der Naemwoorden8). Ze zijn
tweeërlei: “Werkende en Lydende”1). De eerste geven geen (spellings)-moeilijkheden, de laatste wel.
De lijdende deelwoorden eindigen op t of en, ‘naer dat zij beide van aert zijn’. De gelijkvloeiende eindigen op t, de ongelijkvloeiende op en: Gehoort, Geleert enz.; Geleezen, Gezongen enz. ‘Men ziet hier uit,’ vervolgt Moonen, ‘dat zij gevormt worden door het Lettergreepigh Byvoegsel Ge voor zich aen te neemen; als Gehoort, Geleezen; uitgezondert in de Werkwoorden, die met Be, Her, Ont en Ver, Onscheidbaere Voorzetselen beginnen; waerom men zegt, Bestoolen, Hertimmert, Onthooft, Verlooren’2). De lijdende deelwoorden der ‘Gelykvloeiende Tydvoeginge’ (der zwakke conjugatie dus), die in t eindigen, ‘worden afgeleidt van het Meervouwige Getal der Gebiedende Wyze, dat het Onscheidbaer Voorzetsel Ge voor zich ontfangt’, d.w.z. het wordt opgebouwd uit het praefix ge-, het wortelwoord + t. Weer: het ontgaat Moonen niet, dat deelwoordsvormen, die met be-, her-, (mis-, om-,) ont-, ver- beginnen en op t eindigen, in zijn systeem tweeërlei functie hebben; behalve deelwoord kunnen ze ook vormen ‘het Meervouwige Getal der Gebiedende Wyze’: Bemint, Herbout, Misduidt, Omtuint, Ontkent, Verhaelt3).
De opbouw van het werkwoordelijk systeem en de spelling der afzonderlijke werkwoordsvormen zijn nu, naar we menen, voldoende duidelijk. Alleen: de motivering der gekozen schrijfwijze ontbreekt. We vinden deze in de Kapittels II en VII, vn. in Kapittel VII. Kapittel II bevat veel klankleer, ofschoon het begint met een uiteenzetting van ‘De rechte spelling’. De rechte spelling bestaat voor Moonen hierin, ‘dat zoo wel elke deezer Letteren, Klinkeren, in zynen rechten klank en rechte plaetse geschreeven worde, als anders elk Woort met zyne eigene boekstaven, zonder die te weinigh of te veel te hebben, uitgedrukt’. Hij pleit voor een zekere spellingeconomie, zonder zich consequent aan zijn eigen principe te houden: ‘Weshalve Letters, die den Woorden in de Uitspraeke geene hulp toebrengen, als overtolligh, uitgelaeten en niet geschreeven moeten worden’.
Ons interesseert in verband met de schrijfwijze der werkwoordelijke vormen vooral datgene, wat Moonen zegt over de d en de t.
De d beschouwt hij uitsluitend phonetisch, hij wijst op overeenkomst en verschil met de t.
Over de t is hij veel uitvoeriger, hij verwijst naar hetgeen bij de d ‘aengetekent is’, bespreekt de t, waar die ‘met eenen valschen klank uitgesprooken (wordt) in woorden van eene Latynsche afkomste’1) (Oratië, justitië, redemptië) en komt dan tot de grammaticaal-orthographische functie der t, een passage die van genoegzame betekenis is, om in zijn geheel te worden geciteerd:
‘Met de T spelt men, als met de Merkletter, in de Werkwoorden den tweeden persoon in het Meervouwige Getal der Gebiedende Wyze; als, Neemt, geeft, leeft, hoort, zingt, &c. als afgeleidt van de Wortelwoorden, de tweede persoonen in het Eenvouwige Getal, Neem, geef, lees, hoor, zing &c.
De T is ook de merkletter en nootwendigh in het spellen der tweede persoonen van beide Getallen der Aentoonende Wyze, en des derden persoons in het Eenvouwige Getal; als Gy, Hy, Neemt, geeft, leeft, hoort, zingt &c.
Dit houdt zynen regel, schoon het Wortelwoort in een D eindigt, wanneer de T niet achtergelaeten wordt, noch de D in de T verandert. Want men schryft Gy, Hy houdt, wordt, vindt, landt, grondt, &c. alle afgeleidt van de Wortelwoorden in de Gebiedende Wyze, Houd, word, bind, vind, land, grond’2).
Het VII Kapittel is meer speciaal gericht op een bespreking der ‘zes en twintigh letteren’ als slotconsonanten. Zij kunnen alle aan het eind van een woord staan, uitgezonderd v - z - b - d, die nooit of zelden als slotconsonant fungeren, doch vervangen worden door f - s - p - t.
Moonen verzet zich tegen ‘de hedendaegsche nieugesmeedde spelling’3), om i.p.v. graf, staf, hof, brief, gerief; huis, gruis te schrijven grav enz.; huiz enz. Men meent dan wel afkomst en verwantschap der woorden nader te komen, doch benadeelt ‘de welluidendheit ten hoogsten’. Om dezelfde reden verwerpt hij de schrijfwijze land, zand, strand, hand, blind, kind, grond, vond zonder T, ‘die nochtans in de uitspraeke deezer woorden meer dan de D gehoort wordt’4). Evenzeer de spelling
‘der Werkwoorden in den tweeden en derden Persoon van de Aentoonende Wyze en Tegenwoordigen en Onvolkoomenen Tyt, gy, hy bind, vind, gy bond, vond, en diergelyke; gelijk ook der Deelwoorden Verblind, gegrond &c. zonder de zelve T, dewyl zoo de Werk- als Deelwoorden de T, als hunne merkletter in zommige Persoonen en Tyden, hier alzoo weinigh kunnen missen, als gy, hy hoort, loopt, mint, gy riept, sliept, en gehoort, bemint, gegunt &c. Waerom het noodigh is, dat men schryve Gy, hy bindt, vindt, gy bondt, vondt, en Verblindt, gegrondt’1).
In de controverse: lant, hant - landt, handt (subst.) en goet, out - goedt, oudt (adj.) kiest Moonen voor de eerste vormen; ofschoon het meervoud eist landen, handen - goede, oude. Er is een grondregel, ook in andere talen bekend en gebruikelijk, ‘dat letters van het zelve werktuig dikwyls met elkandere verwisselt worden’. Buitendien bestaat er bij subst. vormen als landt, raedt, verbondt gevaar voor verwarring met verbale vormen, daarom liever lant (subst.), landt (verbum)2).
Ten slotte, wat de deelwoorden betreft, men schrijft: ‘Ik hebbe gehoort, ik was bemint, het is mij gegunt’3): zij zijn als deelwoord niet onderworpen aan enigerlei verandering door buiging. Flectie treedt slechts op, wanneer zij ‘veranderen’ in bijv.nw.