Lambert ten Kate's taalwetenschappelijke activiteiten liggen voor een belangrijk gedeelte op werkwoordelijk gebied. Hij is zich van dit feit helder bewust geweest. Zijn ‘Voorreden tot den Lezer’ voert onmiddellijk naar het hoofdterrein zijner werkzaamheden.
‘'t Is al vrij vele jaren geleden, dat ik mijnen aandacht liet gaen over den aerd en de veelheid onzer Ongelijkvloeyende Verba, die bij de Hoofdtijden van Wortelvocael veranderen (als Breken, brak, gebroken, enz.: tot omtrent 200 stuks), welken ik zag dat de Letterkundigen door-gaends Ongeregelden noemden: bij de eerste opmerking scheen 't mij al toe, dat ze dwaelden in zulk een vonnis; en na verdere overweging bevond ik het nog klaerder; ontdekkende met minne moeite, dat niet alleen de Gelijkvloeyende Verba, welke bij alle verbuiging dezelfde Vocael behouden (als Deelen, deelde, gedeelt, enz:) en die alleen bij de schrijvers voor Regelmatig getelt wierden, maer dat ook zelf de veroordeelde Ongelijkvloeyenden eene volmaekte Regelmatige rooij, na ijders rang en aerd, volgens 't Gebruik en zonder eenige verplooying van eigen goeddunken, onderworpen waren; zulks dat het overige getal der ware Ongeregelden zeer klein en gering bleef’1).
De kennis van deze ‘Geregeltheit’ bij de ongelijkvloeiende verba acht Ten Kate ‘vrij gewigtig’ om meer dan een reden. De verba vormen de woordsoort met de grootste frequentie en binnen de verba is speciaal de frequentie der ongelijkvloeiende verba het grootst. Ware dus de oude opvatting juist geweest, dan zou onze taal ‘te jammerlijk ongeregelt moeten geagt worden’. Maar vooral: de ontdekking van deze ‘Geregeltheit’ maakte het mogelijk na te gaan ‘op welk eene wijze onze Tael tot hare rijkheid van Woorden gekomen zij’2).
Zo wordt de regulering der ongelijkvloeiende verba, de onderbrenging dezer verba en hun vormen in systematisch verband, de grondslag voor Ten Kate's arbeid en het is begrijpelijk, dat hij aan ‘Regelmaet en Rangschikking der Nederduitsche Verba’ een afzonderlijk hoofdstuk
wijdt en dat hij dit hoofdstuk inleidt met een passage, waarin hij het verbum verheerlijkt als het meest-onmisbare zinsdeel:
‘Regelmatigheid is de kroone eener Tale; en, onder de Leden eener Sprake is een Werkwoord het voornaemste. Zo min nu in de Uytspraek het Sisgeluid der Consonanten vermag zonder bijvoeging der Klinkers, zo min een romp zonder armen of beenen zig verplaetsen kan, of zo gering als een lichaem zonder ziel is, even zo stom, zo zwak, zo levenloos is een gezeg, dat geen Verbum vervat nogte onderstelt: 't zijn de Werk-woorden, die ons alle begin, voortgang, onderhoud en einde, ja alle soort van beweging uitdrukken’1).
Ten Kate onderscheidt blijkens de Inhoud (zie X Redewisseling: Van de Algemeene Taeldeelen) tien woordsoorten, die hij in de tekst tot negen terugbrengt2). Van deze negen zijn er vier: Adverbium, Praepositio, Conjunctio en Interjectio ‘Onverbuiglyk’, de vijf andere zijn of aan declinatie (Articulus, Pronomen, Nomen Substantivum en Adjectivum, Participium) of aan conjugatie (Verbum) onderworpen. Hij verdeelt de w.w. in Bedrijvende (activa), Lijdende (passiva) en Onzijdige of Bestaende (neutra), resp.: Slaen, Geslagen worden, Blijven (blz. 322). Daarnaast is er het Zelfstandige Werk-woord Zyn of Wezen3). Er zijn twee getallen, drie personen, drie tijden: Tegenwoordige, Voorledene, Toekomende en vier wijzen: de Onbepaelde en drie bepaalde: de Aantoonende, Gebiedende en Onderstellende4).
In het IIe deel bespreekt Ten Kate de ‘Grondslag van Geregelde Afleiding’ in twee Verhandelingen. Over de onveranderlijke worteldelen der gelijkvloeiende verba valt weinig te zeggen, hij brengt ze gezamenlijk onder in de Eerste Classis. De wortelveranderingen van de ongelijkvloeiende verdienen ‘dat we die nettelijk van Lid tot Lid naeloopen (blz. 35).’ Ten Kate houdt zich letterlijk aan zijn woord: hij geeft van deze w.w. een indeling in drie klassen, die ieder op zich zelf onderverdeeld zijn in resp. 6, 6 en 4 categorieën.
Tot de II Cl. behoren de verba waarvan de wortelklinker in het Praeter. Indicat: & Subj: en bij het Praeterit: Partic: verandert. Er onder vallen:
w.w. van de typen 1. lyden; 2. bieden; 3. druipen; 4. wegen; 5. binden; 6. schenken.
Tot de III Cl. behoren de verba die in Imperf: Indic: & Subj: verwisseling van wortelklinker hebben:
1. geven; 2. blazen; 3. varen; 4. vallen; 5. vangen; 6. roepen.
En tot de IV Cl. de verba, die tweederhande Vocaelwisseling1) vertonen, een in het Imperf: en een tweede in het Praet: Partic2):
1. breken; 2. liggen; 3. helpen; 4. scheren.
De w.w. der V Cl., type brengen, worden niet nader behandeld, omdat ze ‘geene aenzienlijke Hoofdtakken uitleveren’, die van de VI Cl., type bakken niet, omdat ze aan ‘geene verandering van Wortelvocael onderworpen zijn dan onder de Oudheid’.
Aan het einde van dit overzicht constateert Ten Kate niet zonder trots, ‘hoe onze Oude Voorvaderen, in de Afleidinge en in 't verrijken hunner Tale, niet wispeltuerig met de Letterklanken gespeelt hebben, maer, tot verwondering toe, voorzigtig geweest zijn’3). Zijn, grammaticaal, in vele opzichten humanistisch-klassicistische geest vindt in deze zegepraal van het orde-principe duidelijk diepe bevrediging.
Ten Kate is een man van groter allure dan Moonen4).
Voor Moonen waren spellingsproblemen alpha en omega, Ten Kate staat er vrij onverschillig tegenover. In de ‘Eerste Verhandeling’ van zijn ‘Onderzoek over onze Nederduitsche Letterklanken’ behandelt hij de ‘Schikking der Letteren, gewoonlijk Spelkonst genaemt’5). De eerste marginale aantekening luidt: ‘Verdriet en nutteloosheid van de gewoonlijke Letterkrakkeelen over de Daaglijkse Spelling’ en bekend zijn de woordvervormingen, waarmee hij dit gekrakeel hekelt: Zeg in plaats van Spelkonst liever ‘Spil- of Quel-konst: want over al het Grammaticael word zo veel mondelinge kibbeling niet gemaekt, als over die beuzelarije
alleen’1). Het is dus te begrijpen, dat hij in zijn beschouwingen over de w.w. geen paradigmata opneemt, zij passen trouwens ook niet in de opzet van zijn werk. In zijn overigens sobere spelling is hij niet steeds consequent. Hij staat, in zijn geringschatting van de orthographie, buiten de geest der eeuw2).
Hoe spelt Ten Kate dan, speciaal, de werkwoordelijke vormen? De citaten uit de Aenleiding geven reeds enige aanduiding, maar meer systematisch onderzoek is noodzakelijk, om tot een betrouwbaar oordeel te komen. We hebben daartoe onderzocht twee passages, die van toelichtend, uiteenzettend karakter zijn, t.w. de ‘Voorreden tot den Lezer’ voorzover deze betrekking heeft op de 14 Redewisselingen, die deel I bevat, en daarnaast het eerste gedeelte van de Veertiende Redewisseling, die de tijden der verba in het algemeen behandelt, blz. 511-518. We hebben ons beperkt tot praes.vormen 2e en 3e pers. enk. en 2e pers. mv. van w.w. resp. zonder en met d als slotconsonant van het worteldeel; tot praet.vormen (alle personen) van zwakke en sterke ww; tot part. praet. van zwakke en sterke ww, voorzover het zwakke w.w. betreft uitsluitend dw., die thans d hebben en tot infinitief-vormen. We komen dan tot het volgend resultaat:
Praes.-vormen: 2e en 3e pers.enk. en 2e pers.mv. van:
| a. | w.w., waarvan het worteldeel niet op d eindigt.
Ten Kate schrijft: groeit, verschilt, verdient; onderstelt, toont aan, schildert af enz. Consequent: Worteldeel + t. |
| b. | w.w. waarvan het worteldeel op d eindigt.
We treffen aan naast vind ik, steeds 2e en 3e personen zonder t: word bevestigt (word herhaaldelijk), vind men, houd op, onderscheid zich, aanduid. Consequent: Uitsluitend worteldeel. |
Praet.-vormen:
| a. | Van zwakke w.w.:
noopte, bespeurde, groeide; dwaelden, maekten, beschouwden; beantwoordeden. |
| b. | Van sterke w.w.:
bevond, vond, wierd, deed; aanrieden, hielden, streken, quamen. |
Verleden deelwoorden:
| a. | Van zwakke w.w.:
Enkele op d: vermeld, gehad, geketend, doch verreweg overwegend op t: gedeelt, getelt, gerekent, naegespoort; gevoegt, genoemt, geketent enz. |
| b. | Van sterke w.w.:
Steeds op en: onderworpen, gesproten; verbonden, gescheiden. |
Infinitieven:
moet smeden, te vermijden, te verbinden, zal afleiden. Daartegenover: te uitten, vermoedelijk een verschrijving of een drukfout.
De Leidse historicus A. Kluit heeft zich zeer intensief met taalproblemen bezig gehouden. Hij schreef een tweetal vertogen over de spelling: 1. Vertoog over de Spelling der Nederduitsche Taal (1763); 2. Vertoog over de tegenwoordige Spelling der Nederduitsche Taal (1777)1). In het eerste hield hij zich uitsluitend bezig met de vocalen, het tweede is, behoudens een samenvatting van het eerste, aan de consonanten gewijd en dan speciaal aan wat hij noemt ‘de verwantschapte Medeklinkers’, waaronder hij verstaat, ‘die in haren aard verandering onderhevig zijn’, de V - F, B - P, D - T, Z - S, G - CH2), in hun functie als slotconsonant, gelijk hij reeds aan het einde van zijn eerste vertoog aankondigde3).
Op blz. 31 van zijn tweede vertoog komt hij tot de D - T: ‘Zoo klaar de oude taalgesteldheid is met V, F: Z, S: G, CH: zoo klaar is het ook gelegen met de D en T, voor zulken ten minsten, die niet willens dwalen
willen’. De T heeft aan het einde der woorden steeds de plaats vervuld van de D. Deze letters staan elkaar zo na, dat zij telkens onderling wisselen.
Maar sedert vele jaren tracht men, ‘dezen ouden en vasten grondregel’1) omver te werpen. Men ontkent niet de ‘gelijkheid’ van de F en de V, van de S en de Z, maar weigert de ‘gelijkheid’ van de D en de T te erkennen. Op deze weigering berust ‘het gansch gebouw der thans door 't gebruik bijna gewettigde gewoonte der spelling met D, in brood, hand, daad, boord, enz.’ Men verdedigt zijn standpunt met de opmerking, dat, zo de D en de T ‘letteren van een natuur’ waren, men ze niet, ‘dan walglijk en ongerijmd’, te zamen kon voegen. De ‘oudheid’2) kende geen spelling met dt; voor hij brandt, hij wordt enz. schreef men òf hij brandet, hij wordet, òf kortweg brant, wort. De dt-spelling is ‘een toevallige, in later tijd opgerezen’, waartegen Kluit ernstig bezwaar heeft en die hij via een analoge combinatie (zs) met klemmende argumenten bestrijdt, een betoog, dat in een strijd voor verder gaande vereenvoudiging onzer spelling nuttige diensten zou bewijzen. Stel, zegt hij, dat niet de T, maar b.v. de S onze ww. ‘geeindigd had’.
‘Wat dunkt u? zoude men in de plaats van lezet, gehuizet, verguizet, eens met S schrijvende lezes, gehuizes, verguizes, en voords bij zamentrekking, of uitsnijding (syncope) leezs, gehuizs, verguizs: zoude men, zegge ik, om die tweederlei letter ZS niet opelkander te doen slaan, dan niet aanstonds de Z in leezs, gehuizs, verguizs, hebben uitgelaten? Doet men dat niet altijd, ook met de T, wanneer men, b.v. hij batet, hij stortet, nuttet, verandert in hij baat, hij stort, hij nut, in plaats van hij baatt, hij stortt, hij nutt? Of ten hoogsten genomen! men zoude die Z in verhuizs (dit eischt de Regelmaat) aanstonds, om de volgende S, verscherpt hebben in S, schrijvende verhuiss, en eindelijk verhuis. En dan kwam 't weder op 't zelfde uit. Even dit doet duidlijk zien, dat we van zelf met de DT, in brandet, zendet, wordet, op der Ouden natuurlijke Regelmaat neêrkomen, om, de E wegsnijdende, niet te schrijven brandt, zendt, wordt; maar brant, zent, wort’3).
Maar Kluit is geen revolutionair doorzetter, eer een plooibaar burger der achttiende eeuw. Zijn betoog moge steunen op historische en phone-
tische gronden, maar: ‘het achtbare gebruik’ kiest voor dt. ‘Tegen een algemeen gebruik, hoe kwaad ook, is het vergeefs te worstelen. ....Edoch het is er; het heeft er lang geweest; en het gebiedt ons derhalve deze onregelmatigheid over 't hoofd te zien, en 't als ene taalwet aantenemen’1). Deze decisie, beter deze overgave, is voor de spellinggeschiedenis der w.w. vormen van beslissende betekenis geweest. De beslissende keuze, die het negentiende-eeuwse spellinggebruik zou beheersen, is feitelijk reeds door Kluit gedaan2). Meer dan door Siegenbeek of Te Winkel. Kluit polemiseert nog wat na met B. Huydecoper3). Men schrijft niet brood en noot om de meervouden brooden en nooten; ook niet, met Huydecoper, brooden en nooten vanwege de enkelvoudsvormen brood en noot. De ouden schreven immers broot - brooden, zo goed als erf - erven, berch - bergen, deucht - deugden, consequent stemloze slotconsonanten in het enkelvoud, stemhebbende consonanten in het meervoud. Maar met de formulering van de gangbare spellingregels voor d, dt en t geeft Kluit alle verzet op:
‘Men heeft thans dezen regel, dat woorden, die zich in de buiging door de D laten kennen, in de sluiting ook door D gespeld worden’.
Daartoe behoren:
‘(2) De Deelwoorden; als: bekeerd, geloofd, gezegd; om dat men bekeerde, geloofde, gezegde schrijft’.
(3) De eerste Persoon; als: ik vind, ik brand enz.
‘Met DT eischt men te besluiten den tweeden en derden Persoon der Werkwoorden in D, die oulings DET hadden; als hij of gij brandt, oulings brandet; hij laadt; windt van winden; andwoordt, treedt, wordt, enz.
Daar integendeel met de Enkele T gespeld worden:
(1) De overige Werkwoorden; als: gij keert, hij keert; verzint; wint van winnen; enz.’4).