In 1769 publiceerde Kornelis van der Palm, Fransch en Duitsch Kostschoolhouder te Rotterdam, bij een uitgever ter plaatse zijn Nederduitsche Spraekkunst voor de Jeugdt, uit verscheidene onzer voornaemste Spraekkunstschrijveren opgestelt, in vier ‘stukjes’. Hij verwerkt de stof volgens de catechetische leervorm, in vragen en antwoorden: ‘Met opzet heb ik verkozen het zelve by vragen en antwoorden te behandelen, om dat de ervarenheit my geleert heeft, dezen weg dienstigst voor de jeugd' te zijn’. Meer dan een eeuw lang zal dit voorbeeld navolging vinden. Van der Palm meent dat hij de eerste schrijver van een grammatica voor de lagere school is: er is, ‘naer myn weten, nimmer een werkje van dien aert,...., in onze Nederlandsche sprake geweest’1).
Het werk van Ernst Zeydelaar, Fransche Kostschoolhouder der Stad Thiel, Néderduitsche Spraakkonst, ten dienste der Néderlandsche taalbeminnaars, in 1781 te Utrecht verschenen1), is zeker geen spraakkunst voor de school, al zal zijn werk ‘ook vanägter ten nutte van de jeugd.... moeten uitvallen’2). Zeydelaar is een belezen en bestudeerd man, die èn de letterkunde èn de taalkunde van zijn eeuw kent, er over heeft nagedacht en soms tot verrassende en originele vindingen komt. Hellinga noemt hem, op grond van zijn theorie over de relatie oo - eu, ‘een knap taalhistoricus’3).
Van der Palm en Zeydelaar bewegen zich bij de spraakkunstbeoefening in de oude 18e-eeuwse banen. Hun optreden is van belang, omdat ze de gangbare taalopvattingen in bredere kringen verbreidden, maar buiten deze opvattingen treden ze zelden. Dit blijkt onmiddellijk, zodra we hun werk vergelijken met dat van Schottelius - Moonen, ook als we ons blijven beperken tot de gedeelten, aan de inleidende definities en indelingen en aan de verba gewijd. Voor Zeydelaar blijft de spraakkunst ‘die konst of weetenschap, door welke men een Taal regt en zuiver leert spreeken en schrijven’4); Van der Palm en Zeydelaar blijven binnen de spraakkunst onderscheiden Woordgronding en Woordvoeging; de Woordgronding blijft bij beiden omvatten de oorsprong(en), de eigenschap(pen), de afleiding(en) en de verdubbeling(en) der (van enkele) woorden5); de Woordvoeging een schikking der woorden, om tot een goede (verstaanbare) rede te komen6).
Noodzakelijk is ten eerste: kennis der letteren, onderzoek der letteren, spelling; ten tweede onderzoek der lettergrepen, uitspraak1). Orthographie en prosodie blijven dus, naar het schema Schottelius - Moonen, tot de Woordgronding behoren.
Dezelfde afhankelijkheid vertoont zich bij de verba. Van der Palm distantiëert zich in zijn definitie licht van Moonen, Zeydelaar copieert. De dubbele indeling: in persoonlijke en onpersoonlijke, in bedrijvende, lijdende en onzijdige nemen beiden over, Van der Palm voegt er vrijmoedig de wederkerige aan toe2). Er blijven bij Van der Palm vier wijzen en vijf tijden met nagenoeg onveranderde namen (blz. 56 en 57, 2e stukje); Zeydelaar handhaaft eveneens de vier wijzen, Moonen's aanvoegende wijs heet bij Zeydelaar: Bijvoegende wijse (blz. 212); in plaats van vijf tijden onderscheidt Zeydelaar er zes: als zesde fungeert een Onbepaalde tijd, die eigenlijk onder de toekomende ressorteert: Ik zou of zoude hebben (blz. 217). Opvallend is dat Van der Palm wel het woord ‘tijdvoegingen’ gebruikt (II, blz. 55), doch de gelijkvloeiende en ongelijkvloeiende w.w. als differente categorieën niet behandelt; het blijft bij paradigmata van de ‘hulpwoorden’ zijn, hebben, worden, zullen3); het bedrijvende w.w. beminnen, het lijd. ww. bemint worden, het onz. ww. sterven en het wederk. ww. zich vleien. Zeydelaar blijft de getrouwe copiïst: hij neemt ook de termen wortel- of stamletters over (blz. 213).
Aan de ongelijkvloeiende w.w. schenkt Van der Palm geen aandacht, Zeydelaar behandelt ze zeer uitvoerig. Hier is hij Moonen niet gevolgd, kòn hij met zijn wetenschappelijk-systematische geest Moonen ook niet volgen. Moonen's behandeling der ongelijkvloeiende w.w. is verward en weinig overzichtelijk; hij noemt de verandering die de klinkers of tweeklanken van het wortelwoord ondergaan, ‘veelvouwigh en verscheiden’4). Het gelukt hem niet orde te scheppen. Zeydelaar preciseert: Bij de gelijkvloeiende onderscheidt hij drie categorieën, in feite vier, naar de typen: adem-de; buk-te; antwoord-de, acht-te; de ongelijkvloeiende worden in vijf klassen ondergebracht:
bedrijven; buigen; binden; bedriegen; breken, behoudens enkele, die buiten dit schema vallen. Bij de gelijkvloeiende verba zou gedacht kunnen worden aan invloed van Van Heule, wiens eerste drie klassen door gelijksoortige w.w. worden gevormd: deelen; braeken; arbeyden, achten (zie blz. 51), bij de sterke aan invloed van Ten Kate (zie blz. 64 e.v.). Zeydelaar heeft blijkens zijn literatuuropgave beide werken gekend; van Van Heule's grammatica zelfs beide drukken.
Van der Palm's negatie van de klassenindeling der ongelijkvloeiende w.w. is opmerkelijk. Vloeit zij voort uit de onderwijservaringen van deze ‘kostschoolhouder’? Hij heeft, zagen we, ‘de onvermoeide Ten Kate’ gekend, doch is hem ten deze niet gevolgd. Bezien vanuit de spellingdidactiek der lagere school terecht, zij bieden buiten de groep binden, bieden enz. geen of weinig specifieke spellingmoeilijkheden1).
Welke spellingvoorschriften met betrekking tot de w.w. geven nu Van der Palm - Zeydelaar?
De vraag of men woorden, die in het mv. een d krijgen, in het enkelvoud ook met een d moet schrijven: antwoord dus vanwege antwoorden, beantwoordt Van der Palm als volgt2):
Men kan, vanwege de uitspraak, het woord sluiten met een t; of het, vanwege het meervoud, sluiten met een d; of wel, om ‘aen de uitspraek en tevens aen den aert der woorden te voldoen’3) met dt. Hij kiest persoonlijk voor dt, al acht hij ‘de zaek van geene groote aengelegenheit, als men zich zelven slechts altoos gelyk is’4).
Consequent is Van der Palm inderdaad. Zijn praesens-vormen 2e en 3e pers. enk. en 2e pers. mv. eindigen in de werkwoorden die in de stam geen slot-d hebben, standvastig op t, in het andere geval op dt. Hoofdstuk 10 van het IIe deeltje geeft o.a.: veronderstelt, beteekent, noemt, berouwt; onderscheidt, geschiedt, bevindt, duidt aan.
Even constant hebben de part. praet. van gelijkvloeiende w.w. op d een t: gedeelt, gekent, genoemt, geëindigt enz.
Zeydelaar gaat dieper. De gecompliceerdheid van het probleem drukt hem: Hierom zal ik naauwkeurig tragten te bepaalen, van-
wégens de naauwe verwantschap deeser letter (de D), met de T,
| 1. | Welke woorden met D moeten eindigen. |
| 2. | Welke woorden met T moeten geslooten worden. |
| 3. | Welke woorden met D en T beide te gelijk moeten geslooten worden1). |
Met d schrijft men ‘.... de Werk- en Deelwoorden, die in het meervouwdige getal.... den of de hebben’. Dus: Ik lijd, wij lijden. Ik zond, zij zonden. Getékend, getékende2).
Op t eindigen ‘.... de tweede en derde persoon des enkelvouwds, en de tweede persoon des meervouwds van zoodanige Werkwoorden, wier eerste persoonen des tégenwoordigen tijds van de Toonende Wijse, in n of r uitgaan’. Zo: Gij bemint, hij bemint. Een voorbeeld met een r ontbreekt, wel komt voor: Ik zout, wij zouten!3).
Met dt sluit men:
| 1. | ‘De tweede en derde persoon des eenvouwds, en de tweede persoon des meervouwds van den tégenswoordigen tijd der Aantoonende wijse, van zoodanige Werkwoorden, die de D tot een wortelletter hebben, en dezelve in de buiging behouden’4). Dus: ik antwoord, gij antwoordt, hij antwoordt. |
| 2. | ‘Alléén de tweede persoon des enkelvouwds en de tweede persoon des meervouwds, van den onvolmaakten voorleeden tijd’. Dus: gij ondervondt, gijlieden ondervondt5). |
Zeydelaar's polemiek met Tuinman en Ten Kate toont, hoe serieus hij dit spellingprobleem, voor Van der Palm ‘van geene groote aangelegenheid’, opvat en met hoeveel hardnekkigheid hij een oplossing zoekt. Tuinman (Oude en nieuwe Spreekwijsen, blz. 57) wil als part. praet. van beminnen bemint, als Moonen en Van der Palm, niet bemind. Ten Kate wil nauw lettende ‘op een' nétte úitspraak’ (I blz. 127) de part. praet. van de gelijkvloeiende w.w. op d, wanneer ze onbuigzaam zijn, overeenkomstig de uitspraak, met een t spellen, anders met een d, derhalve: de beesten zijn verjaagt, doch een verjaagd beest, zoals men ook zegt: een verjaagde wolf.
Zeydelaar wil vastheid, tegenover beiden. Met Tuinman is hij het niet eens: ‘Men schrijft bemind met d, omdat men zegt beminde’6).
Ook Ten Kate's opvatting (prioriteit van de uitspraak, althans gedeeltelijk), verwerpt hij in een krachtige, met overtuiging geschreven passage, waarin we de basis vinden van een gedeelte van onze huidige werkwoordsdidactiek:
‘Wij moeten niet zoo zeer ons bepaalen, bij eene nette uitspraak, noch bij het geene, criticè, best is, maar wij moeten ons voornaamelijk gronden op de régelmaatige afleiding' en schikking der werkwoorden. - Nu is't immers zéker, dat de D, in de bovenstaande woorden, meer in aanmerkinge komt dan de T. Men heeft niet zoodra gezeid: ik verjaag, bemin, tem, of er volgt: ik verjaagde, ik beminde, ik temde, en dus ook, ik heb of ik ben verjaagd, bemind, getemd, enz. - Wanneer men deese régelmaat slegts in het oog houdt, zal men nooit verlégen staan omtrent het gebruik van D of T’1). En om het tegengestelde te tonen: smeekte, waakte - gesmeekt, gewaakt.
Zeydelaar laat geen ruimte aan twijfel en onzekerheid: consequent wenst hij toepassing van de regel der gelijkvormigheid bij de part. praet.: getemd om temde; gesmeekt om smeekte. Hij wil de congruentie tussen praet. en part. praet., die we nóg onderwijzen. Hij maakt zich dus op een der meest cardinale punten los van Moonen.