De tragedie der werkwoordsvormen


auteur: Isaac van der Velde


bron: Isaac van der Velde, De tragedie der werkwoordsvormen. Een taalhistorische en taaldidactische studie. Wolters, Groningen / Djakarta 1956.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 76]

IX

§ 1. Justus van Effen:
Studentenleven (1731) (Vertogen 19 en 20)

Justus van Effen - in dit opzicht geen kind zijner eeuw - heeft tegenover het spellingprobleem een nogal loszinnige houding aangenomen. Er is geen enkel bewijs, zegt De Vooys, dat Van Effen eerbied gehad heeft voor de gezaghebbende grammatici en ‘taalbouwers’, die b.v. bij Langendijk met ere genoemd worden. Hij laat zich, integendeel, nogal laatdunkend uit over de ‘muggesiftery’ van ‘taalsnuffelaars’. Wat de spelling betreft, erkent hij geen gezag. Hij wil zijn ‘mede-ingezetenen, in hun bevestigt regt, om ieder de taal volgens zyne eigene zinlykheid te spellen niet benadelen’1).

Intussen betekent deze onverschilligheid volgens De Vooys niet, dat in Van Effen's taal geen sporen te vinden zouden zijn van grammaticale regels uit de school van Moonen; evenmin dat zijn spelling volkomen anarchistisch is.

Veel meer dan schaarse sporen zijn dit intussen niet, althans niet wat de werkwoordelijke vormen betreft. ‘Volkómen anarchistisch’ moge de spelling der werkwoordelijke vormen niet zijn, zonder recht en regel is zij wel. Het is niet mogelijk er een leidend beginsel in te ontdekken, als althans de spelling der verbale vormen in de Vertogen 19 en 20 een betrouwbare norm levert.

Teg. tijdsvormen.

a.Van ww., waarvan de stam niet op d eindigt:
Vrijwel even dikwijls komen voor vormen voor de 2e en 3e pers. enk. en 2e pers. mv., bestaande uit stam + t als vormen, bestaande uit stam + d: noemt, luistert, schaamt, bedriegt enz. tegenover: leerd, waagd, diend, doed!2) enz.
[p. 77]
b.Van ww. met stam op d.
Van Effen verwerpt de dt-spelling volkomen. Hier is hij uiterst consequent. Hij schrijft: word gereedgemaakt, hij vind zich, wat beduid, zulks leid opgesloten, wort geligt, dat zich aanbied enz.

Verl. tijdsvormen.

a.Van zwakke w.w.
Hier spelt hij overeenkomstig de tegenwoordige schrijfwijze: hoorde, schaamde, spaarde enz. Evenwel: storte. Misschien verschrijving of drukfout, maar misschien ook inwerking van de uitspraak.
b.Van sterke w.w. Geen afwijkingen.

Verleden deelwoorden.

a.Van zwakke w.w. op d.
Er is een overwicht van deelwoordsvormen op d: gebloeid, verdiend, verleid, aangewend, geleerd, opgezegd, doch daarnaast komen vele vormen op t voor: gepleegt, aangespoort, overtuigt, gelaarst en gespoort, gevoegt enz. Bepaalde motieven voor de keuze zijn niet te vinden.
b.Van sterke deelwoorden. Deze eindigen alle op en.

Infinitieven.

Deze vertonen geen afwijkingen: te verzenden, te verkwisten, te bekleden, deden watertanden, zouden aanvaarden enz.

§ 2. Betje Wolff en Aagtje Deken:

Brieven.

Betje Wolff: De menuet en de domineespruik (1772)

Enkele opmerkingen over de conjugatie bij Betje Wolff en Aagtje Deken vinden we in Koopmans' Bloemlezing uit de ‘Willem Leevend’1). Koopmans schrijft:

‘Haar vervoeging is nagenoeg als de onze. Evenwel vinden we vrij geregeld gij ontfing, gij zuchtte, gij leefde, alleen de éénlettergrepige vormen nemen soms de t: gij zaagt (verl. tijd van zien) naast gij bleef en gij had. Geregeld komt voor gij zoud, zelden vonden we afwijkingen als weggelegt en geleeft’.

Deze zeer summiere samenvatting zou de indruk kunnen wekken

[p. 78]

alsof Wolff en Deken, op enkele sporadische afwijkingen na, de werkwoordelijke spelling naar huidige opvattingen steeds vlekkeloos en onberispelijk hebben gehanteerd.

De lectuur van haar brieven echter leidt snel tot een andere conclusie, voor ieder der beide schrijfsters afzonderlijk. Reeds de eerste pag. van de eerste brief in Dyserinck's uitgave doet twijfelen, als men al niet aan het twijfelen geraakt was door het motto, ontleend aan Deken, op de titelpagina:

Men legd Maaltijden aan om te lagchen, maar schrijft1) Brieven om te genieten.

Op deze eerste pag. vindt men de verl. dw. geleeft en getoont tegenover gedicteerd en aangewend. Vandaar de noodzaak van een uitgebreider onderzoek.

Dyserinck's uitgave bevat brieven van B. Wolff, liggende tussen 21 december 1765 en 8 october 1803, van A. Deken liggende tussen 1776 (niet nader gedateerd) en 5 november 1804. Van ieder der schrijfsters werd een drietal gekozen, van beiden de eerste brief, d.w.z. nr I en L IV, van ieder een brief uit de tussenperiode, d.w.z. van B. Wolff een brief van 17 october 1786, nr C XXII, van A. Deken een brief van 23 october 1781, nr C IX, en uit de laatste periode een gemeenschappelijke brief nr CL XXVI, met duidelijke onderscheiding van ieders aandeel (1801, niet nader gedateerd).

Mede-bepalend voor de keuze is de omvang geweest; het aandeel van B. Wolff omvat ongeveer 10½ blz., dat van A. Deken ongeveer 6 blz.2).

We geven eerst de verbale spelling bij B. Wolff.

Teg. tijdsvormen.

a.Van ww., waarvan de stam niet op d eindigt:
In dit opzicht schrijft Wolff overeenkomstig de huidige spelling, in de 2e en 3e pers. enk. en 2e pers. mv. steeds t: ijvert, arriveert, veroordeelt, admireert, verdient, wandelt, enz. De afwijkende vormen: gij heb en vervuld kunnen vergissingen zijn.
[p. 79]
b.Van w.w. met stam op d.
In bovengenoemde personen overwegend d, minder dt: 't word, hij meld, word belet, gy vind; wordt verboden, men vindt.

Verl. tijdsvormen.

a.Van zwakke w.w. Overeenkomstig het huidige gebruik.
b.Van sterke w.w.
Overwegend overeenkomstig de huidige spelling: zond, vond, wierd, doch daartegenover: hielt. Voorts naast gy waart ook gy waard.
Zwakke werkwoorden met dd en tt komen slechts een enkele keer voor: Wolff schrijft ik wende aan (van aanwenden) en kostte.

Verl. deelwoorden.

a.Van zwakke w.w. op d.
Hier kan men een geleidelijke verschuiving constateren van slot-t naar slot-d. In haar eerste brief eindigt deze categorie d.w. bijna uitsluitend op t: geleeft, getoont, geneigt, getergt, overgekakelt, gedupeert, bekent enz; vormen op d komen veel minder voor. In de tweede brief is evenwicht: gelieft, vervult, gepaart, overtuigt tegenover behandeld, omarmd, bedroefd, geliefd. In de derde brief, die echter slechts enkele part. telt, uitsluitend d: gereinigd, opgedrild, getrouwd. Men is tot zover geneigd aan te nemen dat eerst langzamerhand de gelijkvormigheidsregel op dit punt op deze vrije geest vat heeft gekregen.
b.Van sterke w.w. Overeenkomstig het tegenwoordige gebruik.

Teg. deelwoorden.

De enkele die voorkomen eindigen op end.

Infinitieven.

Geen bijzonderheden: te wagten, moest vlugten, ga beantwoorden, zult achten enz.

Gebiedende wijs.

Steeds in de enkelvoudsvorm, een enkele keer met apocope van de d: hou moed.

[p. 80]

Bij A. Deken.

Teg. tijdsvormen.

a.Van w.w., waarvan de stam niet op d eindigt.
Deken laat deze ww. in de aangegeven personen vrijwel steeds op d eindigen: verseekerd, afkeurd, kund, scheind, vraagd, schreeuwd, wild gy; zij schrijft zelfs leesd en geefd.
b.Van w.w. met stam op d.
Zij schrijft nimmer dt: zig bevind, mijn ziel lijd, gy beantwoord, deze brief word.

Verl. tijdvormen.

a.Van zwakke w.w. Geen afwijkingen.
b.Van sterke w.w.
Deken schrijft gy had, met ‘omissie’ der t en gy waard.
Ook bij haar komen zwakke w.w. met dd en tt slechts een enkele keer voor. Zij schrijft verblyde en achtte.

Verl. deelwoorden.

a.Van zwakke w.w. op d.
Deken's voorkeur voor een slot-d, die zij in zo sterke mate toonde in de praesens-vormen, doet verwachten dat haar part. praet. eveneens op d eindigen, minder vermoedelijk uit spellingovertuiging dan uit een onbewuste, niet geconcludeerde schrijfgewoonte: slechts uiterst zelden eindigt een part. praet. op t: verdeedigt, berooft, overtuigt, tegenover: geloofd, gewandeld, geneygd, gevorderd, gevraagd, gezegd, geflatteerd, afgeschilderd enz.
b.Van sterke w.w.
Deze eindigen steeds op en: geleden, gesproken enz.

Teg. deelwoorden.

Overeenkomstig de huidige regel: end.

Infinitieven.

Geen bijzonderheden: zal antwoorden, kon rusten, zullen verwachten.

Gebiedende wijs.

Vrijwel steeds de enkelvouds-vorm: vraag, zend; in een tweetal gevallen de meervoudsvorm, beide keren in bewogen ogenblikken en met

[p. 81]

minder gebruikelijk taalmateriaal: zegepraalt over uwe oordeeldervende beoordeelaars; vaart wel.

 

De overeenstemming tussen beide schrijfsters ligt bij die vormen, waar a priori overeenstemming te verwachten was: de zwakke praeterita van het type: permitteerde, strookte - verseekerde, verraschte; de sterke part. praet.: aangeboden - gezeten; de part. praes. overtuigend - liefhebbend; de infinitieven en de gebiedende wijs-vormen. Dit zijn tegelijk, met als uitzondering de zwakke praeterita, de minst frequente categorieën. De verschillen liggen bij de meest frequente categorieën: de praesens-vormen zonder of met d als slot-consonant van de stam; de sterke praeterita en de zwakke part. praet. Bij Wolff eindigt de praes.-vorm van 2e en 3e pers. enk. en 2e pers. mv. vrijwel steeds op t, bij Deken even permanent op d; bij Wolff vindt men enkele malen dt, bij Deken nimmer. Bij Wolff komen enkele sterke praet. voor op t, bij Deken geen. Wolff schrijft lange jaren de zwakke part. praet. steeds met t, tot ze naar het eind harer jaren zwenkt; Deken houdt vanaf de eerste tot de laatste brief vast aan consequent d, waar wij thans nog d schrijven.

Van een spellingovertùiging is bij beide schrijfsters, evenmin als bij Van Effen, vermoedelijk sprake geweest. Tegenover het probleem der verbale spelling stonden zij - de feiten pleiten sterk voor deze opvatting - onverschillig, althans in haar particuliere correspondentie. Er is ook geen sprake van enige wederzijdse beïnvloeding. In de gemeenschappelijke brief aan Mr. Vollenhoven (1801) schrijft Deken, die begint: wild gy, behoord, schreeuwd, verdiend, kend, leesd!, geefd!; Wolff volhardt bij haar t: verdient, afboent, afdrilt enz.

‘Spelling-krakkeelen’ zullen de huiselijke vrede op Lommerlust nimmer hebben verstoord. Wolff legt zich zonder bezwaard gemoed neer bij haar gebrekkige beheersing der werkwoordelijke spelling: ‘ofschoon noch hy (Loosjes), noch vader N(oordkerk), noch Houttuin, in staat zijn geweest my te doen begrypen wat taalregelen zyn, en ik altoos iemand noodig heb die hen in haar, d in t, t in d of dt veranderd’. (Brief XXXII van 9 Juni 1772).

Het is mogelijk dat in deze zelfbeschuldiging wat gewilde overdrijving schuilt en dat de slot-d van veranderd niet zonder enige schalkse arglist is neergeschreven. Want juist in haar praes. vormen

[p. 82]

van het type verandert, minder van het type wordt, is zij consequent.

Enige voorzichtigheid bij het beoordelen van Wolff's verbale spellinggewoonten blijft geboden. In hetzelfde jaar waarin zij zo openhartig grammaticale onkunde en hulpbehoevendheid op het gebied der ‘taalregelen’ beleed, verscheen haar: De menuet en de domineespruik. De verbale spelling in dit proza-gedicht komt nl. slechts gedeeltelijk overeen met die van haar brieven. De praesensvormen behouden hun t: op enige tientallen ‘correct’ geschreven vormen komt slechts een enkele afwijkende vorm voor: dat bef en mantel draagd (blz. 16). Onzeker is ook hier haar dt spelling: het aantal spellingen niet corresponderend met de onze, is ongeveer even groot als het aantal ‘correcte’. Zo vindt men: myn consciëntie gebied, 't word laat, Eerryk zend, enz. Maar de zwakke part. praet. schrijft zij, zulks in tegenstelling tot haar brieven van 1765 en 1786, overwegend met d, waar wij dit ook doen. Het aantal afwijkingen is gering: gezegt, 'k sta verbaast, Jan liet hen uit, bekommert en verlegen, hadden verschoont. Wispelturig is zij weer in het gebruik der imperatief-vormen: voor het enkelvoud gebruikt zij naast enkelvoudsvormen soms meervoudsvormen en omgekeerd:

‘Jan....
.... neem dees tabouret, en zet ze voor de hand;
Brengt ook dit schryfgereedschap binnen’ (blz. 10).

tegenover:

‘Neem dan niet kwalyk, dat ik U alleenig laat.
Bedien u, vryelyk, van alles wat hier staat.
Met uw permissie, zeer eerwaarde en vroome Heeren!’ (blz. 15).

Voor De menuet.... kan Koopmans' oordeel: ‘Haar vervoeging is nagenoeg als de onze’, cum grano salis worden aanvaard.

Men krijgt de indruk dat Wolff twee ‘verbale spellingen’ aanwendde: een ongedurige, minder verzorgde, weinig consequente in haar brieven, een - meer - consequente in werk dat voor publiciteit bestemd was. In dit laatste conformeert zij zich, voor wat de part. praet. aangaat, aan een groeiend gebruik. Minder misschien uit overtuiging dan als een meedrijven op een steeds sterker wordende stroming, die korte tijd later definitief zegeviert als Weiland tot fixatie komt.