Deze periode brengt op het gebied der verbale spelling niet veel verandering. Strevers naar eenheid als Van Lelyveld, Kluit, Krom e.a. vinden hun ideaal vervuld. 21 December 1798 wordt de ‘Instructie voor den Agent van Nationale Opvoeding’ vastgesteld. Art. 15 luidt:
‘Hij zal alle mogelijke middelen beramen, om de Nederduitsche taal te zuiveren, te beschaven, en derzelver spelling op eenen gelijken voet in te richten’.
En art. 17:
‘Hij zal zorgen, dat op de Latijnsche Scholen mede de Nederduitsche Taal naar derzelver regels onderwezen worde, en dat overal dezelfde Grammatica tot dat einde worde gebezigd, opdat de Jongelingen, naar de Hooge School bevorderd zijnde, tot een gewichtiger onderwijs in de Nederduitsche Letterkunde zijn voorbereid’.
In deze artikelen vinden Siegenbeek en Weiland hun latere taak vastgelegd. 3 October 1801 wordt, in een bijeenkomst ten huize van de Agent, ‘eenpariglijk besloten den Heer Weiland en mij te magtigen, den eersten tot het opstellen eener Nederduitsche Spraakkunst, den laatsten tot het vervaardigen eener Verhandeling over de Nederduitsche Spelling’1).
Siegenbeek verdeelt zijn stof over twee hoofddelen. In de ‘Eerste Afdeeling’ behandelt hij de algemene regelen der spelling; in de ‘Tweede Afdeeling’ de geschilpunten in de spelling. In het Aanhangsel bespreekt hij een aantal woorden, waarin de hard-lange e of o twijfelachtig is. De Verhandeling sluit met een Woordenlijst.
Siegenbeek bespreekt de werkwoordelijke spelling slechts incidenteel en zeer summier. Een eerste aanduiding van zijn standpunt vinden we in het Voorberigt (blz. XIX), waar hij de samenstelling der Woordenlijst, achter de Verhandeling opgenomen, bespreekt. Daarin heeft hij niet alleen alle woorden met hard-lange e of o, maar ook die met zachtlange opgenomen. Hetzelfde is geschied met woorden, die g of ch, ei of ij vorderen. ‘Daarentegen heb ik gemeend, de aanwijzing der onderscheidene schrijfwijze met d of t te mogen achterlaten, daar ieder dezelve gemakkelijk kan kennen, wanneer hij slechts aan het verbogene of meervoud denkt’. Hij huldigt hier duidelijk het principe der gelijkvormigheid; de regel der uitspraak, elders genoemd: ‘de grondwet der Spelling’ of, door Adelung, ‘niet onaardig de natuurwet der spelling’: ‘Schrijf, zoo als gij spreekt’1), wordt reeds in de aanvang losgelaten. Siegenbeek volgt in dezen dus Kluit en Zeydelaar2). Met de dt- kwestie zit hij enigszins, ook weer: als Kluit. ‘Ten aanzien der dt, welker vereeniging zeker op zich zelve iets vreemds en wanstaltigs heeft (Kluit sprak van “walglijk en ongerijmd”)3) zij nog met een woord aangemerkt, dat men dezelve, ter voldoening aan het tegenwoordige gebruik, en ter bevordering der duidelijkheid, die hoofdwet der tale, alleen dan te gebruiken heeft, wanneer zij voorkomt als eene verkorting van det, dat is, met andere woorden, in den tweeden en derden persoon van den tegenwoordigen, en den tweeden van den onvolmaakt verledenen tijd der aantoonende wijze, in de werkwoorden binden, vinden, en meer dergelijke’4). Immers oudtijds schreef men:
Ik binde, gij bindet, hij bindet
Ik bonde, gij bondet, hij bonde,
waaruit dan door weglating der e, de gebruikelijke vormen ontstonden.
Met Weiland moeten we ons iets uitvoeriger bezighouden. Hij is, gelijk bekend, wat kinderlijk verheugd geweest over de waardering van Tydeman, Kluit, Siegenbeek en Van der Palm. Hun oordeel is vleiend: ‘.... weshalve zij de voorschrevene spraakkunst van den Heer P. Weiland met ruimte aanprijzen, als de volledigste en beste, welke tot hiertoe het licht ziet’ (5 Julij 1805)1). 30 augustus d.a.v. aanvaardde het Staatsbewind het werk en verordineerde, blijkens het ‘Extract uit het Register der Staatsbesluiten van de Bataafsche Republiek’ sub 4o:
‘Dat de regels en gronden van taalkunde, bij deze Nederduitsche spraakkunst vastgesteld, zullen worden gevolgd in alle onderwijsboeken, welke van 's Landswege ten dienste der scholen zullen worden uitgegeven, met aanschrijving aan alle Schoolopzieners, om hunne beste pogingen aan te wenden, ten einde dezelve regels en gronden alom in de scholen worden geadopteerd’.
Het ‘publicq gezag’ heeft gesproken; aan Krom's wens is voldaan.
Weiland's Spraakkunst bestaat, als Siegenbeek's Verhandeling, uit twee delen. Het Eerste Deel bespreekt de spelling, in het eerste hoofdstuk de klinkers en de medeklinkers, in het tweede hoofdstuk de rededelen. Het Tweede Deel behandelt de woordvoeging. Dit alles wordt voorafgegaan door een Inleiding, waarin enkele principiële kwesties worden behandeld. ‘Spraakkunst’ is voor hem ‘een verzameling van taalregels’ (§ 8), het doel van de spraakkunstbeoefening: ‘onze taal wel leeren spreken en schrijven’ (§ 14)2). De ‘wetten in de
taal’ vloeien voort uit een viertal grondstellingen, kort aangeduid: Het taalgebruik, de regelmaat der taal, de woordgronding, de welluidendheid (§ 17). De vormleer van de achttiende-eeuwse schrijftaal blijkt hij bijna geheel te aanvaarden.
De Vooys vat zijn oordeel over: De taalbeschouwing van Siegenbeek-Weiland en van Bilderdijk aldus samen:
‘Uit deze opsomming blijkt dat Weiland, evenals Siegenbeek, behoudens kleine concessies, angstvallig de achttiende-eeuwse grammatica handhaaft’1).
De beschouwing van de w.w. is voor Weiland ‘een der gewichtigste gedeelten der spraakkunst’. Hij omschrijft de w.w. als volgt:
‘Door dezelve drukt men de beweging en rust, den tijd, het bestaan en worden, het werken en lijden der personen of zaken uit, welke door de zelfstandige naamwoorden aangeduid worden’2). (§ 246). Van een definitie kan men moeilijk spreken: hij geeft een vrij verwarde opsomming van mogelijkheden, die door zijn niet parallel gegeven voorbeelden eer verduisterd dan verhelderd wordt: zijn, worden, beminnen, staan, loopen enz.
Men onderscheidt, ‘in onze taal’, ‘drie rangen van werkwoorden’: ongelijkvloeijende, gelijkvloeijende en onregelmatige (§ 248). De definities zijn bekend: ongelijkvloeijende veranderen in de vervoeging de
wortelklinker; hun part. praet. eindigt op en; gelijkvloeijende zijn niet aan ‘verwisseling van wortelklinker’ onderworpen; zij hebben in de onvolmaakt verledenen tijd de of te; in het part. praet. d of t (§ 249). In de verdeling van de ongelijkvloeijende w.w. volgt hij Ten Kate op de voet: zijn eerste drie ‘soorten’ zijn overeenkomstig Ten Kate's Classis II, III en IV (zie Hs VII § 1). Er zijn vier hulpwoorden: hebben, zijn, zullen, worden (§ 262). Een ‘nadere verdeeling’ der w.w. verdeelt ze in bedrijvende, lijdende, onzijdige, wederkeerige en onpersoonlijke (§ 264 e.v.) Het aantal wijzen bedraagt vier (§ 287): de onbepaalde, de aantonende, de gebiedende en de aanvoegende wijs; het aantal tijden vijf (§ 301), de tegenwoordige, de onvolmaakt verledene, de volmaakt- en meer dan volmaakt verledene, de toekomende tijd.
In § 303 e.v. wordt de spelling behandeld: Alle w.w. hebben in de 2e en 3e pers. van de tegenwoordige tijd in het enkelvoud een t, gij en hij zegt, leest enz., ook de w.w. ‘welke een d in hun zakelijk deel hebben’: gij en hij brandt, zendt enz. (§ 303). De onvolmaakt verledene tijd van de gelijkvloeijende w.w. voegt achter ‘het zakelijke deel’, eindigend op b, d, g, i, l, m, n, r, v, w en z de, doch te als het zakelijke deel eindigt op f, k, p, s, t en ch (§ 305). De 2e pers. van de onv.verl. tijd heeft, als de 2e pers. van de teg. tijd, ‘altoos eene t achterop’: gij bondt, krabdet, schriktet enz. Er is verdubbeling van de korte a in gij laast, naamt enz.; van de korte e in gij greept, streekt enz. (§ 306). Weiland geeft een zestal voorbeelden van vervoeging, t.w. van de vier hulpwoorden, van het gelijkvloeijende drukken en het ongelijkvloeijende geven. Praes. en praet. van drukken luiden bij hem:
| Ik | druk | Ik | drukte |
| Gij | drukt | Gij | druktet |
| Hij | drukt | Hij | drukte |
| Wij | drukken | Wij | drukten |
| Gij | drukt | Gij | druktet |
| Zij | drukken | Zij | drukten. |
De deelwoorden beschouwt Weiland als ‘van de werkwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden’ (§ 289). De bedrijvende krijgen de achter de onbepaalde wijs, de lijdende eindigen op d of t: gehoord, gedreigd, gedrukt, gehoopt, omdat horen en dreigen in de onv. verl. tijd hoorde en dreigde, drukken en hopen, drukte en hoopte hebben (§ 290).
Voor de gebiedende wijs gelden de vormen hoor en hoort; voor het enkel- en het meervoudige getal (§ 294).
Lied en wijs zijn bekend: Weiland handhaaft de vormleer van de achttiende-eeuwse schrijftaal. Op zich zelf zou dit niet verontrustend zijn, maar hij beheerst vrijwel onbestreden de lagere-school-taaldidactiek der negentiende eeuw meer dan driekwart eeuw, zoals Moonen's gezag in de achttiende eeuw vrijwel onaangetast bleef. Dit blijkt uit § 1 van Hs. XII, waarin we een twaalftal lagere-school-grammatica's, uitgegeven in de jaren 1805 tot 1893, nader zullen beschouwen, bij welke beschouwing tegelijk de eigenlijke w.w. didactiek aan de orde zal worden gesteld, voorzover ze in deze grammatica's aanwezig is. Voor 1880 kan ternauwernood van een w.w. didactiek, althans aanwijsbaar in de leerboekjes, worden gesproken. Het besef, dat hier problemen, en moeilijk te verwerken problemen, liggen voor het lagere-school-kind, schijnt eerst te ontwaken in de generatie van auteurs, wier activiteiten liggen na bovengenoemd jaar. Een, eveneens summier, overzicht van hùn activiteiten, speciaal t.a.v. hun verbale spellingdidactiek, geven we in § 2 van het volgende Hs.
In de grammatica's der Lagere School: