terug  begin  verderprepost
[p. 143]

XIV. De herkenning

§ 1. Het klassikale onderzoek

Het onderzoek naar de herkenning, schreven we in hoofdstuk XIII, is een groepsonderzoek geweest, met tweeledige doelstelling.

In eerste instantie ging het om het simpele feit der herkenning van het werkwoord als werkwoord. We hebben de leerlingen daartoe taal voorgelegd van tweeërlei aard: ‘milieu-taal’ speciaal schoolmilieu-taal in de cliché-vorm van het schoolse dictee, ‘persoonlijke taal’, in de vorm van een kinderlijk opstel, al is dit opstel dan ook niet geheel vrij van lectuurreminiscenties.

In tweede instantie is gezocht naar een antwoord op de vraag of deze kinderen, als zij het werkwoord als zodanig herkennen, het ook herkennen in zijn grammaticale kwaliteiten, d.w.z. het herkennen als vorm van de tegenwoordige tijd, van de verleden tijd, als (verleden) deelwoord, als infinitief.

a. Het materiaal

Het dictee.

Het dictee dat wij de leerlingen hebben voorgelegd, wijkt toch van het gebruikelijke schooldictee af. Het heeft er zijn zakelijke inhoud mee gemeen, maar vermijdt de brokkelige, van de hak op de tak springerige bouw die zo karakteristiek is voor dit soort ‘taaloefening’. De drie eerste fragmenten bewegen zich rond centrale onderwerpen en vormen dus naar de inhoud afgeronde gehelen. Dit geldt niet voor het vierde fragment, dat ‘schools’ is in ongunstige zin.

Het bevat 50 werkwoorden, 30 die we opnieuw zullen aantreffen in het testdictee van hoofdstuk XV, ‘De beheersing’, vermeerderd met 20 andere.

Voor kinderen onbekende of ongebruikelijke werkwoorden treft men zo goed als niet aan, wellicht alleen slechten, berokkenen, vermijden en versmaden, ofschoon men deze beide laatste herhaaldelijk in schooldictees aantreft. De taal is dus opzettelijk eenvoudig gehouden. Zij ligt naar de opvatting van de in het onderzoek betrokken onderwijzers niet boven

[p. 144]

het bevattingsvermogen van normale leerlingen der VIe klasse ener lagere school.

Grammaticale listigheden die verwarring zouden hebben kunnen stichten, zoals: ‘zouden hebben kunnen stichten’, zijn vermeden. Het dictee bevat een aantal vormen van de tegenwoordige tijd, van de verleden tijd, enkele verleden deelwoorden en enkele infinitieven. In onderstaande vorm is het aan de kinderen voorgelegd:

De gemeente breidde zich de laatste jaren voortdurend uit. De gemeenteraad besloot daarom, en wel met algemene stemmen, het wandelpark te vergroten. Aanzienlijke bedragen besteedde men aan deze uitbreiding. De afwatering werd verbeterd, men slechtte enkele wallen en dempte enige sloten. Een tuinarchitect stelde een plan op voor de beplanting. Gemeentewerklieden voerden het plan uit. Wie er nu wandelt, herkent het oorspronkelijke park niet meer.
Toen de vijandelijke legers elkaar ontmoetten, ontbrandde er een hevige strijd. De gewonde soldaten werden naar het hospitaal gebracht. Zij bloedden hevig uit hun wonden. Wel trachtten de doktoren onmiddellijk, de wonden te hechten, maar voor velen baatte de hulp niet meer. Hun dood vergrootte weer het aantal slachtoffers van de oorlog. Iedere staatsman die tracht oorlog te voorkomen, verdient onze steun.
Toen Kees de school verliet, kwam hij in dienst bij een winkelier. Iedere morgen zendt de winkelier hem uit om boodschappen op te halen. Kees schelt bij alle klanten aan en noteert de orders. Alle vragen naar de prijs beantwoordt hij nauwkeurig; anders berokkent hij zijn baas schade. Hij wordt dan ook ten volle door zijn baas vertrouwd die nimmer aarzelt hem met moeilijke opdrachten te belasten. Hij vergiste zich echter nimmer.
Geweven goederen zijn vaak sterker dan gebreide. Men hield de ontvluchte gevangene spoedig weer aan; hij heeft zich niet lang in zijn vrijheid verheugd.
Vermijdt je broer wel steeds slecht gezelschap? Hij speelde laatst met een beruchte straatjongen. Waarom versmaad je deze geschenken? De gesmede brugleuningen vormden een sieraad voor de gracht.
[p. 145]

Het opstel.

Het opstel is gekozen uit de 400 te onzer beschikking staande opstellen, die in hoofdstuk XVII nader zullen worden besproken. Het is een opstel van een jongen uit de VIe klasse. Bij de keuze is gelet op onderwerp en stijl; buitendien moest het aan een aantal ‘technische’ eisen voldoen. Het moest boeien, zowel jongens als meisjes (kunnen) interesseren en levendig zijn geschreven; daarnaast moest het een voldoend aantal werkwoorden bevatten, die zowel naar hun frequentie als naar hun wijzen en tijden voldoende variatie vertoonden, d.w.z. er moesten veel verschillende werkwoorden in voorkomen, in de aantonende wijs met veel t.t., v.t. en deelwoorden, daarnaast een aantal werkwoorden in de onbepaalde wijs.

Het gekozen opstel voldeed meer aan stilistische dan aan technische eisen. Het is ongetwijfeld boeiend, het riekt naar avontuur en sensatie, het is levendig en overtuigd geschreven.

Tegenover de onpersoonlijke zakelijke taal van het dictee treft het door zijn bewogenheid en emotioneel karakter. Het roept sfeer op, direct reeds in het begin: ‘Over de eindeloze onherbergzame vlakten van Lapland gleed een slee’. ‘Hoe angstig moet het iemand maken als men alleen maar de witte sneeuw ziet en het gehuil der wolven hoort’. Het tekent de moed en onverschrokkenheid van de menner: ‘Zijn ogen flikkerden en vastberaden omklemde hij zijn geweer’. Het brengt spanning in de tweestrijd, het einde verkwikt. De jonge auteur heeft zich volkomen in de situatie ingeleefd, zelfs als het opstel misschien slechts reminiscentie is aan een gelezen verhaal. Men kan deze jongen een zeker vermogen tot artistieke taalbehandeling niet ontzeggen.

Maar minder dan het dictee valt het binnen de passieve en zeker minder binnen de actieve taalbeheersing van lagere-school-leerlingen. De woordkeuze wijkt vrij sterk van de kinderlijke af, zoals die normaliter in lagere-school-opstellen naar voren komt, in het algemeen èn binnen de categorie der verba:

zij zaten gehuld; door het gehuil aangedreven;
de wolven kwamen aangerend; hij kon een paard prijsgeven;
zijn ogen flikkerden; de kolf opgeheven.
vastberaden omklemde hij;  

Het voornaamste ‘technische’ bezwaar was een teveel aan hulp-

[p. 146]

werkwoorden. Een lichte omwerking werd daardoor noodzakelijk, waardoor dit teveel werd weggewerkt. Het aantal werkwoorden werd teruggebracht op 50; oorspronkelijk waren er 54.

Voorts zijn er enkele kleine stilistische correcties in aangebracht en werd de interpunctie verbeterd. De omwerking heeft echter het essentiële van inhoud en woordkeuze niet aangetast.

De verba zijn naar tijd en vorm onregelmatiger over de stof verdeeld dan bij het dictee. Bij het dictee staan het eerste en het tweede fragment in de v.t., het derde in de t.t., met enkele opzettelijk ingelaste afwijkingen. Ondanks deze laatste verschijnen in het dictee de t.t. en v.t. vormen veel meer als compacte massa dan in het opstel.

De grotere moeilijkheden in het opstel vinden hun weerspiegeling in de zwakkere resultaten.

Het opstel luidt als volgt:

wolven

Over de eindeloze onherbergzame sneeuwvlakten van Lapland gleed een slee, bespannen met vier paarden van zuiver ras. De personen op de slee, een man van middelbare leeftijd, een vrouw en een paar kinderen, zaten in dikke dekens gehuld. Men hoorde niets, behalve de hoefslag der paarden en.... het gehuil der wolven in de verte. Hoe angstig moet het iemand maken als men alleen maar de witte sneeuw ziet en het gehuil der wolven hoort. Deze angst bezaten ook de personen van de slee, behalve de man van middelbare leeftijd. Deze was goed voorbereid op een aanval van wolven. In zijn gordel droeg hij twee pistolen en om zijn schouder hing een dubbelloopsgeweer, van kogels voorzien. De wolven kwamen in volle vaart aangerend. En het lijkt wel of dieren mensenverstand hebben, want zij verdeelden zich in twee groepen om van beide kanten de paarden aan te vallen. De man wachtte tot de wolven de slee genaderd waren. Zijn ogen flikkerden en vastberaden omklemde hij zijn geweer, om de eerste de beste wolf die aanviel, in de sneeuw te doen bijten. Nu waagden de wolven een aanval en meteen daarop klonken twee schoten, twee wolven beten in de sneeuw. De paarden hadden er intussen een draf ingezet, door het gehuil der wolven aangedreven.
Daar viel de man wat in: hij kon een van zijn prachtige paarden aan de wolven prijsgeven. Een ogenblik bleef hij in tweestrijd. ‘Nee’,
[p. 147]
spreekt hij bijna halfluid, ‘ik doe het niet. Het paard verdient het niet.’ Weer schoot hij een paar wolven neer. Maar toen vlogen de wolven op de paarden aan. De man sprong uit de slee, de kolf van zijn geweer opgeheven. Hij sloeg om zich heen en vele wolven vielen neer. Onder gehuil dropen de wolven af en nog hetzelfde uur kwamen de gelukkige mensen in Hammerfest aan.

Tot het materiaal behoort ten slotte de staat op blz. 148, waarvan de functie sub c: De werkwijze nader is omschreven.

b. De proefpersonen

200 leerlingen van 8 scholen werden in dit gedeelte van het experiment betrokken; aan 100 werd het dictee, aan 100 andere het opstel voorgelegd. Van iedere groep kregen 60 geen speciale opleiding voor U.L.O. of V.H.M.O.; de 40 anderen waren z.g. opleidingsleerlingen.

De scholen waren als volgt gekozen:

School A (zie Tabel 1) is een zuivere opleidingsschool, vrijwel alle kinderen gaan over naar U.L.O. of V.H.M.O.

De scholen B, C en D vormen in het VIe leerjaar afzonderlijke opleidings- en niet-opleidingsklassen. Van school B werd de opleidingsgroep, van de scholen C en D de niet-opleidingsgroep gekozen.

De scholen E, F en G hebben een gemengde VIe klasse; zij bevat opleidings- en niet-opleidingskinderen. De eerste groep krijgt (enige) speciale training.

School H is een zuivere niet-opleidingsschool. Slechts enkele individuele leerlingen zijn bestemd voor U.L.O. en V.H.M.O. Deze kinderen krijgen, meestal na schooltijd, hun extra-lessen voor ‘taal’, vn. zinsontleding. Deze leerlingen zijn bij de bewerking buiten beschouwing gelaten, daar het gestelde maximum van 40 reeds bereikt was.

School E is een meisjesschool; de overige scholen zijn gemengde scholen. De leeftijd der leerlingen varieert van 11 tot 13 jaar.

Tabel 1 geeft een volledig overzicht.

 

De klassebesprekingen met leerlingen van VIe, VIIe en VIIIe klassen waarvan in hoofdstuk XIII gesproken wordt, vonden plaats op een 4-tal scholen, met in totaal 72 leerlingen. Achtereenvolgens werden gebruikt de vier fragmenten van het dictee. Zij vormden een noodzakelijke aanvulling van het onderzoek naar herkenning en benoeming,

[p. 148]

School:______________________ Datum:_____________

Klasse:_________________________________________

Leerling: Naam:___________________________________

Geslacht: j.m.______________________________

Leeftijd in jaren:_____________________________

nr werkwoord vorm of tijd nr werkwoord vorm of tijd
1     39    
2     40    
3     41    
4     42    
5     43    
6     44    
7     45    
8     46    
9     47    
10     48    
11     49    
12     50    
13     51    
14     52    
15     53    
16     54    
17     55    
18     56    
19     57    
20     58    
21     59    
22     60    
23     61    
24     62    
25     63    
26     64    
27     65    
28     66    
29     67    
30     68    
31     69    
32     70    
33     71    
34     72    
35     73    
36     74    
37     75    
38          

[p. 149]

Tabel 1

Aard van het werk
School Aantal leerlingen dictee opstel
opleiding niet-
opleiding
opleiding niet-
opleiding
A 27 12 - 15 -
B 26 13 - 13 -
C 36 - 18 - 18
D 17 - 9 - 8
E 31 10 5 7 9
F 25 5 8 5 7
G 15 - 8 - 7
H 23 - 12 - 11
  200 40 60 40 60

omdat dit tot op dit ogenblik een uitsluitend kwantitatief karakter had gedragen. De klassebesprekingen hebben de gevonden resultaten, althans gedeeltelijk, verklaard.

c. De werkwijze

Het vinden van de juiste werkwijze bij een didactisch experiment baart steeds zorgen. De grote moeilijkheid is de ‘sfeer’ zuiver te houden. De kinderen moeten niet, althans zo weinig mogelijk, het gevoel krijgen, dat er bijzondere gebeurtenissen op til zijn, dat er dingen van hen gevraagd zullen worden die òf boven hun macht liggen òf hun naaste toekomst bedreigen. Zij moeten onbevreesd en met vertrouwen de komende gebeurtenissen tegemoet gaan.

De eerste taak is angstgevoelens weg te nemen, speciaal wanneer men als inspecteur experimenteert in VIe klassen, kort voor naderende rapporten en examens. Vandaar de noodzakelijkheid van een inleidend toespraakje.

Onze verzekering, dat het op te geven werk niets te maken had met rapporten, overgang en examens, dat de uitslag aan niemand zou worden meegedeeld, dat een enkele fout meer of minder van geen belang was, dat het werk wat ongewoon maar niet moeilijk zou zijn, verdreef in de regel de spanning van de gezichten en leidde tot soms hoorbare opluch-

[p. 150]

ting. Onze adviezen: aandachtig lezen, goed nadenken, grote nauwkeurigheid betrachten werden daarna vrijwel steeds in welwillende gemoedsrust geaccepteerd, vooral als daaraan nog werd toegevoegd, dat ieder voldoende tijd kreeg om het werk rustig af te maken en vragen mocht stellen, als hij of zij de toelichting niet begreep.

Van de ruim 200 onderzochte leerlingen konden slechts 2 niet beginnen; een meisje begon te schreien nadat zij ‘onherbergzame’ als werkwoord had onderstreept; een jongen zat na 10 minuten nog met als enige onderstreping ‘bespannen’. Het meisje bleek een zeer nerveus kind te zijn, dat volgens het hoofd, beschikte over een gemakkelijk wellende tranenbron, vooral als zij aan inspannend werk wenste te ontkomen; de jongen was bij vreemde en onbekende arbeid spoedig geremd. Beiden zijn direct uitgeschakeld. Hun werk is niet in de staten opgenomen.

Na het toespraakje werd het werk uitgedeeld. Er werd, naar ouderwetse trant, scheiding gemaakt tussen links en rechts. De ene groep kreeg het dictee, de andere het opstel. Zo werd het niet alleen onmogelijk, de buur te ‘raadplegen’, maar het isolement bevorderde ook de concentratie op het eigen werk.

Na het uitdelen kregen de kinderen een minuut of vijf gelegenheid om van de inhoud kennis te nemen.

Achtereenvolgens werden nu de 4 opdrachten waaruit het experiment bestond, op het bord geschreven, besproken en uitgevoerd:

 

1.Onderstreep alle werkwoorden.
2.Nummer de onderstreepte werkwoorden in de volgorde 1-2-3 enz. Zet het nummer achter het werkwoord en sla geen enkel werkwoord over.
3.Schrijf de onderstreepte werkwoorden in dezelfde volgorde achter de nummers op het genummerde blad, dus nr 1 achter de 1, nr 2 achter de 2, enz.
4.Vul nu achter ieder werkwoord in:
t.t.
of v.t.
of d.w.
of hele werkwoord (zie voor dit laatste de toelichting sub 4).

 

Bij de verschillende opdrachten werd, zoals gezegd, enige toelichting gegeven:

[p. 151]

1. Aan de hand van enkele voorbeelden buiten het werk om, neem op, liep door enz., werd de aandacht gevestigd op de scheidbare werkwoorden. Er werd op gewezen dat beide delen konden worden onderstreept, doch dat alleen het ‘echte’ werkwoord van belang was: neem, liep; niet op en door.

2. Tussen de afzonderlijke woorden bij dictee en opstel was dubbele ruimte genomen voor het tussenvoegen van het nummer. De scheidbare werkwoorden werden opnieuw in herinnering gebracht: het ‘echte’ werkwoord moest genummerd worden, de rest niet. Indien tijdens het nummeren of bij de nalezing bleek dat er een onderstreept werkwoord overgeslagen was, moest gewaarschuwd worden. Het vergeten werkwoord is dan aan het slot toegevoegd en genummerd. Wijziging van eenmaal geplaatste nummers was niet toegestaan.

3. Eerst werd de ‘kop’ van het blad in orde gemaakt, daarna werd de opdracht opgeschreven en besproken. Bij vergissingen kon worden gewaarschuwd en de fouten werden door de proefleider hersteld.

4. Gelijk gezegd werd de eenvoudigste benaming gekozen. Vandaar dat er niet gesproken is van onvoltooid t.t., onvoltooid v.t., tegenwoordig of verleden d.w. Bij de infinitief werd steeds het klassegebruik gevolgd; soms zijn de infinitieven dus aangegeven met inf., soms met onb.(epaalde) w(ijs), soms met h(ele) w(erk)w(oord), soms met g(ewone) w(erk)w(oord), soms met onv(eranderde) w(erk)w(oord). Steeds is gezegd dat, als men een bepaalde vorm niet kon benoemen, volstaan kon worden met in de smalle kolom een streepje te plaatsen, ‘de gemakkelijkste manier om de vraag te beantwoorden’. Een stereotiep grapje, dat telkenmale weer insloeg. Stereotiep was ook de angstige opmerking: ‘Meneer, ik heb er geen 75’, zodra het blad was rondgedeeld. Een geruststellend: ‘Zoveel zijn er ook niet’, deed de gemoederen weer bedaren.

 

Het gehele experiment duurde een uur tot vijf kwartier. Zoveel als maar enigszins mogelijk was is de proefleider de kinderen tegemoet gekomen, mits de vragen niet leidden tot directe steun bij herkenning en benoeming. ‘Technische’ fouten, vergeten te nummeren, foutieve overbrenging op het genummerde blad, werden - voorzover ze ter kennis gekomen zijn van de proefleider door vragen of contrôle tijdens het werk - verbeterd. De kern van de opdrachten, het werkwoord, is steeds in herinnering gehouden, zowel door de formulering als tijdens de be-

[p. 152]

spreking, o.a. door opzettelijke en nadrukkelijke accentuering. Niet steeds met succes. Er is dus ernstig getracht maximale prestaties te verkrijgen. In ieder geval is bereikt, gelijk uit de uitlatingen der kinderen zelf bleek, dat de resultaten niet gedrukt zijn door remmende onzekerheden en dat angstgevoelens zijn afgeleid.

 

Ditzelfde geldt voor de klassebesprekingen in VI, VII en VIII. Deze klassebesprekingen staan tot het eigenlijke onderzoek naar herkenning en benoeming als de motivering tot het onderzoek naar de beheersing. Zij hebben ons getoond, ‘in hoeverre de leerlingen de uiteenzetting van de onderwijzer hebben kunnen volgen en zijn grammaticaal “weten” tot het hunne hebben gemaakt’. Het werkwoord als zodanig en zijn vormen hebben voor de onderwijzer weinig geheimenissen, althans voorzover het de morphologie der lagere school betreft; voor de leerlingen blijkt het aantal geheimenissen legio te zijn. De klassebesprekingen hebben ons duidelijk gemaakt welke dit zijn.

 

De klassebesprekingen werden geopend met een inleidend praatje als hiervoor is weergegeven, daarna werd een blaadje uitgedeeld, de persoonlijke gegevens werden ingevuld en het voor de betrokken klasse bestemde fragment op het bord geschreven. De kinderen werd gevraagd de werkwoorden op te zoeken en de tijd of vorm aan te geven, alles overeenkomstig het grote onderzoek. Daarna volgde de bespreking. Eerst werd nagegaan welke woorden als werkwoord waren ‘herkend’, vervolgens werd de benoeming onderzocht. Daarna volgde de klassikale bespreking, waarbij de individuele gezichtspunten zoveel mogelijk tot hun recht kwamen. De proefleider vroeg steeds naar het waarom: ‘Waarom noem je “breidde uit” een werkwoord, waarom “laatste”, waarom “voortdurend”, waarom “besloot”, waarom “stemmen” (dat hier substantief is), waarom “vergroten”. En waarom is “breidde uit” een v.t., waarom “laatste” v.t., waarom “voortdurend” een (verleden) d.w., waarom “algemene” een t.t. enz.’ Er is getracht tot de bodem der kunde of onkunde door te dringen. Op ter zake doende vragen werd ingegaan, soms ook op niet ter zake doende, dikwijls op zich zelf informatieve curiosa; afwijkende meningen voor zover zij publiek werden gemaakt, werden onderzocht. Een boeiend stuk schoolpractijk, dat leerlingen, onderwijzer en proefleider pakte en voor beide laatsten in hoge mate instructief was.

[p. 153]

d. De resultaten

1. De resultaten der afzonderlijke scholen.

De tabellen 2 t/m 9 bevatten de resultaten der afzonderlijke scholen.

Een korte toelichting bij Tabel 2, School A; zij geldt m.m. evenzeer voor de overige tabellen.

De leerlingen zijn, naar hun bestemming aan het einde van het VIe leerjaar, ingedeeld in drie groepen:

1.z.g. ‘niet-opleidings’-leerlingen;
2.leerlingen bestemd voor het U.L.O. (nrs 16-27);
3.leerlingen bestemd voor het V.H.M.O. (nrs 1-15).

School A is een zuivere opleidingsschool; leerlingen van de eerste categorie komen vrijwel niet voor.

In de drie volgende kolommen worden de resultaten van de herkenning aangegeven.

De kolom ‘totaal’ geeft aan het aantal woorden, dat terecht of ten onrechte, als w.w. is aangeduid. Dit aantal varieert bij de toekomstige V.H.M.O. leerlingen van 41 tot 51; bij de a.s. U.L.O. leerlingen van 42 tot 55.

De kolom ‘fout’ geeft aan het aantal onjuiste herkenningen, variërend van 0 tot 2 bij de eerste, van 0 tot 8 bij de tweede categorie.

Kolom ‘goed’ resulteert ten slotte uit de beide voorafgaande kolommen; zij geeft dus aan het werkelijke aantal w.w., wil men, het aantal ‘werkelijke’ w.w., 41 tot 50 bij de eerste; 42 tot 50 bij de tweede categorie.

De dan volgende kolom geeft het resultaat van de laatste der vier opdrachten (zie blz. 150): de benoeming, doch slechts voor zover zij betrekking heeft op de werkwoorden, die terecht als zodanig zijn herkend, in de tabel dus opgenomen in de kolom ‘goed’. De leerlingen 1 en 2 hebben dus alle 45 ‘werkelijke’ w.w. juist benoemd; leerling 3 heeft in de benoeming 1 fout gemaakt; leerling 25 niet minder dan 20.

Het beste werk is overeenkomstig het bovenstaande dus geleverd door leerling 11, die alle 50 w.w. heeft herkend en ze alle 50 juist heeft benoemd. Leerling 12 heeft wel alle 50 w.w. herkend, doch er 9 verkeerd benoemd.

De beide laatste kolommen geven aan, welke leerlingen het opstel, welke het dictee hebben verwerkt.

Na deze toelichting zullen ook de overige tabellen duidelijk zijn.

[p. 154]

School A
Tabel 2

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1     × 45 0 45 45   ×
2     × 45 0 45 45   ×
3     × 45 0 45 44   ×
4     × 44 0 44 42   ×
5     × 45 1 44 39   ×
6     × 45 0 45 41   ×
7     × 43 0 43 41   ×
8     × 43 0 43 43   ×
9     × 41 0 41 31 ×  
10     × 49 0 49 45 ×  
11     × 50 0 50 50 ×  
12     × 50 0 50 41 ×  
13     × 51 2 49 41 ×  
14     × 41 0 41 39 ×  
15     × 49 0 49 45 ×  
      15 686 3 683 632 7 8
16   ×   43 0 43 41 ×  
17   ×   47 0 47 33 ×  
18   ×   48 1 47 44 ×  
19   ×   51 7 44 32 ×  
20   ×   52 2 50 45 ×  
21   ×   52 6 46 35 ×  
22   ×   55 8 47 39 ×  
23   ×   46 0 46 34   ×
24   ×   48 2 46 44   ×
25   ×   54 6 48 28   ×
26   ×   44 0 44 42   ×
27   ×   42 0 42 28 ×  
    12   582 32 550 445 8 4

[p. 155]

School B
Tabel 3

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1     × 45 0 45 44   ×
2     × 44 0 44 40   ×
3     × 48 2 46 29   ×
4     × 51 5 46 34   ×
5     × 44 0 44 41   ×
6     × 44 0 44 34   ×
7     × 54 7 47 34 ×  
8     × 48 2 46 28 ×  
9     × 38 8 30 15 ×  
10     × 44 1 43 41 ×  
11     × 56 7 49 35 ×  
12     × 54 6 48 39 ×  
13     × 52 4 48 44 ×  
14     × 46 5 41 37 ×  
      14 668 47 621 495 8 6
15   ×   54 6 48 35   ×
16   ×   45 0 45 45   ×
17   ×   50 6 44 33   ×
18   ×   44 6 38 24   ×
19   ×   40 3 37 27   ×
20   ×   51 3 48 45   ×
21   ×   61 14 47 30   ×
22   ×   49 5 44 38 ×  
23   ×   47 2 45 40 ×  
24   ×   58 11 47 34 ×  
25   ×   41 4 37 24 ×  
26   ×   55 5 50 41 ×  
    12   595 65 530 416 5 7

[p. 156]

School C
Tabel 4

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1 ×     50 24 26 3 ×  
2 ×     61 21 40 21 ×  
3 ×     61 23 38 26 ×  
4 ×     26 8 18 16 ×  
5 ×     26 1 25 13 ×  
6 ×     62 40 22 5 ×  
7 ×     45 5 40 29 ×  
8 ×     36 10 26 23 ×  
9 ×     31 1 30 25 ×  
10 ×     59 10 49 36 ×  
11 ×     60 14 46 40 ×  
12 ×     52 7 45 21   ×
13 ×     48 1 47 41   ×
14 ×     57 9 48 44 ×  
15 ×     55 9 46 28   ×
16 ×     60 19 41 25   ×
17 ×     44 1 43 35   ×
18 ×     40 2 38 14   ×
19 ×     34 1 33 22   ×
20 ×     40 3 37 18   ×
21 ×     39 27 12 6   ×
22 ×     54 12 42 24   ×
23 ×     57 9 48 45 ×  
24 ×     55 6 49 39 ×  
25 ×     29 4 25 20 ×  
26 ×     46 0 46 42 ×  
27 ×     57 13 44 31 ×  
28 ×     43 0 43 41 ×  
29 ×     27 1 26 18 ×  
30 ×     48 4 44 33   ×
31 ×     49 10 39 28   ×
32 ×     53 6 47 41   ×
33 ×     36 0 36 27   ×
34 ×     39 4 35 15   ×
35 ×     51 9 42 27   ×
36 ×     47 2 45 40   ×
  36     1677 316 1361 962 19 17

[p. 157]

School D
Tabel 5

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1 ×     48 1 47 38   ×
2 ×     40 3 37 18   ×
3 ×     43 12 31 16   ×
4 ×     44 8 36 24   ×
5 ×     23 7 16 4   ×
6 ×     31 2 29 13   ×
7 ×     69 31 38 13   ×
8 ×     56 21 35 18   ×
9 ×     32 2 30 9   ×
10 ×     54 12 42 24 ×  
11 ×     33 5 28 22 ×  
12 ×     38 9 29 25 ×  
13 ×     48 38 10 6 ×  
14 ×     32 10 22 12 ×  
15 ×     33 4 29 16 ×  
16 ×     22 7 15 7 ×  
17 ×     56 39 17 3 ×  
  17     702 211 491 268 8 9

[p. 158]

School E
Tabel 6

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1 ×     45 9 36 20   ×
2 ×     46 11 35 17   ×
3 ×     49 9 40 19   ×
4 ×     40 6 34 15   ×
5 ×     33 14 19 12   ×
6 ×     44 28 16 4 ×  
7 ×     41 3 38 15 ×  
8 ×     40 8 32 26 ×  
9 ×     38 6 32 14 ×  
10 ×     48 17 31 23 ×  
11 ×     40 3 37 33 ×  
12 ×     25 7 18 13 ×  
13 ×     37 6 31 23 ×  
14 ×     29 5 24 14 ×  
  14     555 132 423 248 9 5
15   ×   44 1 43 39   ×
16   ×   45 0 45 45   ×
17   ×   41 1 40 36   ×
18   ×   50 2 48 36   ×
19   ×   36 0 36 30   ×
20   ×   45 0 45 40   ×
21   ×   32 0 32 32 ×  
22   ×   38 2 36 26 ×  
    8   331 6 325 284 2 6
23     × 45 0 45 44   ×
24     × 45 0 45 44   ×
25     × 52 3 49 44   ×
26     × 46 7 39 29   ×
27     × 38 1 37 35 ×  
28     × 45 0 45 41 ×  
29     × 48 5 43 38 ×  
30     × 46 0 46 44 ×  
31     × 51 4 47 40 ×  
      9 416 20 396 359 5 4

[p. 159]

School F
Tabel 7

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1 ×     47 5 42 20   ×
2 ×     45 14 31 24   ×
3 ×     46 1 45 38   ×
4 ×     30 21 9 8   ×
5 ×     64 23 41 22   ×
6 ×     57 27 30 11   ×
7 ×     57 13 44 15   ×
8 ×     48 11 37 12   ×
9 ×     47 44 3 0 ×  
10 ×     63 45 18 5 ×  
11 ×     56 53 3 0 ×  
12 ×     41 8 33 23 ×  
13 ×     44 4 40 23 ×  
14 ×     60 46 14 13 ×  
15 ×     46 29 17 7 ×  
  15     751 344 407 221 7 8
16   ×   49 4 45 38   ×
17   ×   43 2 41 28   ×
18   ×   49 0 49 40 ×  
19   ×   53 6 47 38 ×  
20   ×   46 10 36 24 ×  
    5   240 22 218 168 3 2
21     × 45 0 45 44   ×
22     × 55 7 48 45 ×  
23     × 46 3 43 33 ×  
24     × 50 4 46 37   ×
25     × 45 4 41 36   ×
      5 241 18 223 195 2 3

[p. 160]

School G
Tabel 8

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1 ×     33 0 33 30   ×
2 ×     49 7 42 31   ×
3 ×     37 2 35 12   ×
4 ×     48 4 44 44   ×
5 ×     34 1 33 31   ×
6 ×     31 1 30 22   ×
7 ×     36 9 27 21   ×
8 ×     62 14 48 39   ×
9 ×     40 3 37 33 ×  
10 ×     74 65 9 1 ×  
11 ×     32 7 25 17 ×  
12 ×     31 2 29 20 ×  
13 ×     34 1 33 32 ×  
14 ×     27 3 24 10 ×  
15 ×     50 13 37 21 ×  
  15     618 132 486 364 7 8

[p. 161]

School H
Tabel 9

nr v/d ll. Inde-
lings-
groep
aantal w.w. ‘her-
kend’
van de wer-
kelijke w.w. juist be-
noemd
aard van het werk
niet opl. a.s. ULO a.s. VHMO totaal fout goed opstel dictee
1 ×     37 16 21 14 ×  
2 ×     52 32 20 6 ×  
3 ×     29 3 26 23 ×  
4 ×     32 31 1 0 ×  
5 ×     31 9 22 15 ×  
6 ×     36 15 21 9 ×  
7 ×     40 13 27 22 ×  
8 ×     43 1 42 37 ×  
9 ×     40 9 31 27 ×  
10 ×     43 12 31 17 ×  
11 ×     37 6 31 26   ×
12 ×     39 2 37 21   ×
13 ×     21 6 15 13   ×
14 ×     25 0 25 13   ×
15 ×     32 1 31 17   ×
16 ×     37 0 37 24   ×
17 ×     39 6 33 19   ×
18 ×     34 0 34 30   ×
19 ×     33 27 6 2   ×
20 ×     45 13 32 22   ×
21 ×     26 6 20 11   ×
22 ×     37 1 36 33   ×
23 ×     42 0 42 28   ×
  23     830 209 621 429 10 13

[p. 162]

Het ligt niet in onze bedoeling de resultaten der afzonderlijke scholen aan gedetailleerde kwantitatieve beschouwingen te onderwerpen. We bepalen ons tot enkele globale, vergelijkende opmerkingen, die vnl. de kolommen der herkenning en der benoeming betreffen, zulks voor we met § 3 overgaan tot een samenvattende bespreking.

De kolom ‘totaal’.

Twee verschijnselen trekken direct de aandacht: enerzijds is er een surplus aan herkenning, anderzijds een tekort. Beide verschijnselen vindt men bij alle drie groepen leerlingen; bij iedere groep weer zowel bij het opstel als bij het dictee. Dezelfde twee hoofdtendenties zijn dus bij alle drie indelingsgroepen en bij beiderlei soort materiaal aanwezig. Bij de groepsanalyse zal echter blijken dat zij zich kwantitatief demonstreren in sterk uiteenlopende getalverhoudingen, kwalitatief in sterk variërende stofbeheersing. Men mag uit het feit, dat het werk van alle drie indelingsgroepen door dezelfde verschijnselen gekenmerkt wordt dus niet besluiten tot even grote zuiverheid en betrouwbaarheid van het grammaticale herkenningsvermogen, voorzover het verba betreft.

Het surplus betekende een verrassing, en wel een verrassing die steeg met het aantal ‘herkende’ werkwoorden; het tekort viel te verwachten en werd verwacht.

Voor rekening van de 120 niet-opleidingsleerlingen komen 28 overschrijdingen; voor de 37 a.s. Ulo-leerlingen 11; voor de 43 a.s.V.H.M.O.-leerlingen 9. Het verschil ligt dus, percentsgewijze, niet zozeer in het aantal overschrijdingen, dan wel in het graadverschil. Leerling G 10, niet-opleidingsgroep, bereikt het maximum; hij ‘herkent’ 74 ‘werkwoorden’; B 21 ‘vindt’ bij de a.s.U.L.O.-leerlingen het hoogste aantal, 61; B 11 bij de a.s.V.H.M.O.-leerlingen: 56.

Naar beneden overeenkomstige afwijkingen van het juiste aantal, 50. H. 13, niet-opleiding, vormt het dieptepunt: 21; de laagste a.s.U.L.O.-leerling is E 21 met 32; de laagste a.s.V.H.M.O.-leerling B 9 met 38.

We vinden dus de volgende spreiding:

Minimum Maximum Verschil
niet-opleiding 21 74 53
bestemd voor U.L.O. 32 61 29
bestemd voor V.H.M.O. 38 56 18

[p. 163]

De kolom ‘fout’.

Uit het voorgaande valt reeds met vrijwel maximale waarschijnlijkheid af te leiden, dat het aantal fouten het grootst zal zijn bij de nietopleidingsgroep. Hoe groter de distantie van 50 naar boven en naar beneden, hoe groter het aantal fouten zal zijn. G 10 met zijn 74 ‘herkenningen’ mòet reeds 24 fouten hebben gemaakt; H 13 met zijn 21 reeds 29. Het aantal fouten zal het geringst zijn bij de groep met de geringste spreiding, dus bij de groep a.s.V.H.M.O. De groepsanalyse zal dienaangaande zekerheid verschaffen.

We volstaan voor het moment met het aangeven der spreiding:

Aantal fouten:
Minimum Maximum Verschil
niet-opleiding 0 65 65
bestemd voor U.L.O. 0 14 14
bestemd voor V.H.M.O. 0 8 8
       
Het betreft resp. de leerling G 10: 74 ‘herkend’, 65 fout;
  B 21: 61 ‘herkend’, 14 fout;
  B 9: 38 ‘herkend’, 8 fout.

De kolom ‘goed’.

Deze kolom is door de beide voorafgaande bepaald. Hij bevat het gezuiverde resultaat, het aantal ‘werkelijke’ werkwoorden, dat de leerlingen individueel hebben herkend. In hoeverre hier van wèrkelijk herkennen sprake is, valt niet uit te maken; ongetwijfeld heeft het toeval zijn rol gespeeld, zoals later uit de klassikale besprekingen zal blijken.

De spreiding:

Minimum Maximum Verschil
niet-opleiding 1 49 48
bestemd voor U.L.O. 32 50 18
bestemd voor V.H.M.O. 30 50 20
       
Het betreft resp. de leerlingen: H 4 en C 10;
  E 21 en A 20;
  B 9 en A 11.

[p. 164]

De benoeming.

Deze kolom kan voor dit gedeelte van het onderzoek als de belangrijkste gelden. We zoeken thans een antwoord op de vraag, of de leerlingen, als zij het werkwoord als zodanig hebben herkend, het ook herkennen in zijn grammaticale kwaliteiten. In deze paragraaf toetsen we dus de passieve werkwoordbeheersing, als hoedanig wij herkenning en benoeming beschouwen; de actieve werkwoordbeheersing, de juiste vormgeving overeenkomstig traditionele spellingvoorschriften, komt in de volgende paragraaf aan de orde.

De spreiding:

Minimum Maximum Verschil
niet-opleiding 0 45 45
bestemd voor U.L.O. 24 45 21
bestemd voor V.H.M.O. 15 50 35

Het betreft resp. de leerlingen: o.a. H 4 en C 23; B 18 en A 20; B 9 en A 11.

De kolom ‘goed’ vormt de grondslag voor de kolom ‘benoeming’. Er zijn twee mogelijkheden:

Er is volkomen overeenstemming tussen de getallen in beide kolommen: alle ‘werkelijke’ w.w. zijn juist benoemd, hetgeen toevallig het geval is bij de nrs A 1 en A 2 (45-45), of, hetgeen natuurlijk veel vaker voorkomt: het aantal juiste benoemingen blijft beneden, soms zeer ver beneden, het aantal ‘werkelijke’ w.w.

Overeenkomst bestaat slechts in 8 gevallen; op de overige 192 passen we onderstaand vrij grof verdelingsschema toe.

Tabel 10
Verschil in aantal tussen ‘werkelijke’ w.w. en juist-benoemde w.w.

Inde-
lings-
groep
overeen-
stemming
1-5 6-10 11-15 16-20 meer dan 20 totaal
niet-
opleiding
1 31 31 26 20 11 120
bestemd voor U.L.O. 3 10 9 13 2 - 37
bestemd voor V.H.M.O. 4 24 10 3 2 - 43
  8 65 50 42 24 11 200

[p. 165]

De uitkomsten van de niet-opleidingsgroep zijn het ongunstigst: 47,5 % valt onder de drie zwakste groepen: verschil 11-15; 16-20; meer dan 20. Voor de a.s.U.L.O.-leerlingen bedraagt dit percentage 40,5 %, doch het verschil ligt vnl. in de 4e kolom, de 5e en 6e zijn bijna blanco. Voor de a.s.V.H.M.O.-leerlingen vinden we slechts 11,6%.

Als we de indeling naar de normen van Tabel 10 toetsen aan de feitelijke resultaten wordt de uitkomst voor de niet-opleidingsgroep nog ongunstiger: kolom 1-5 blijkt bij nadere beschouwing een zeer geflatteerde indruk te maken. Als men (D 13) 10 w.w. goed heeft herkend, is de kans op een groot aantal fouten in de benoeming wel zeer gering. Toch altijd nog groter dan bij F 4, die slechts 9 w.w. goed herkend heeft en zeker groter dan bij F 9 en F 11, elk met 3 goede herkenningen. H 4 benoemt het ene goed herkende w.w. fout, doch met het verschil 1 valt hij onder de categorie 1-5.

Een feit mag bij de beoordeling dezer resultaten niet uit het oog worden verloren. Hoe belangrijk de kolom der juiste benoeming ook moge zijn, hij is niet absoluut beslissend voor de kwaliteit van het werk. Men vergelijke de volgende drie leerlingen, gekozen naar een willekeurig aantal juiste benoemingen:

totaal fout goed juist benoemd
A 22 55 8 47 39
E 15 44 1 43 39
G 8 62 14 48 39

Het beste werk is hier in feite gemaakt door leerling E 15, die, uitgaande van het basisgetal 50, daarbij 11 beneden blijft. Dit is ook het geval voor A 22 en G 8, maar hun aantal ‘fouten’ is resp. 5 en 12 groter, doordat zij 5 en 12 niet-werkwoordelijke vormen als werkwoordelijk hebben aangeduid.

Volledigheidshalve geven we ook de spreiding aan van de berekende verschillen tussen het aantal ‘werkelijke’ w.w. en het aantal juist benoemde. Blijkens Tabel 10 is (zijn) er in alle drie indelingsgroepen een of meer gevallen van volledige overeenstemming; voor alle drie groepen is dus het minimum nul. We krijgen het volgende overzicht:

[p. 166]

Minimum Maximum Verschil
niet-opleiding 0 29 29
bestemd voor U.L.O. 0 20 20
bestemd voor V.H.M.O. 0 18 18

De laatste cijfers betreffen de leerlingen F 7 (44-15), A 25 (48-28), B 8 (46-28).

De spreiding.

Bij de behandeling der afzonderlijke kolommen hebben we regel-

De spreiding
Tabel 11

Indelings-
groep
niet-opleiding bestemd voor ULO bestemd voor VHMO
Tot. aant. herkenningen      
minimum 21 32 38
maximum 74 61 56
verschil 53 29 18
Foutieve herkenningen      
minimum 0 0 0
maximum 65 14 8
verschil 65 14 8
Juiste herkenningen      
minimum 1 32 30
maximum 49 50 50
verschil 48 18 20
Juiste benoemingen      
minimum 0 24 15
maximum 45 45 50
verschil 45 21 35
Verschil tussen juiste herkenningen en juiste benoemingen      
minimum 0 0 0
maximum 29 20 18
verschil 29 20 18

[p. 167]

matig aandacht geschonken aan de spreidingscijfers. We vatten ze nu in Tabel 11 samen.

 

Men heeft reeds kunnen constateren dat er een zeer grote, om niet te zeggen verbijsterende verscheidenheid is in de individuele prestaties. Speciaal bij de niet-opleidingsgroep. Bij de herkenning treffen we een variatie aan van 21-74; het aantal fouten varieert van 0-65! Deze cijfers onthullen enerzijds hoe gering bij deze groep de stabiliteit der kennis is, anderzijds betekenen ze een waarschuwing. De mogelijkheid zou nl. kunnen bestaan dat de grote verschillen tussen de extremen het gevolg zijn van het feit, dat er enkele geïsoleerde waarden1), zeer klein en (of) zeer groot, voorkomen, waardoor de verschillen aan betekenis zouden verliezen. Het is daarom gewenst de frequentieverdeling nader te onderzoeken.

We zullen dit uitvoerig doen voor de niet-opleidingsgroep, omdat daar de spreiding het grootst is; voor de beide andere groepen beperken we ons tot het aangeven van en het elimineren van de geïsoleerde minima en maxima.

 

Niet-opleidingsgroep.

  Kolom Totaal: Minima.  
School C: 26-27-29-31-34 enz.
  D: 22-23-31-32-33 enz.
  E: 25-29-33 enz.
  F: 30 enz.
  G: 27-31-32-33-34 enz.
  H: 21-25-26-29-31-
32-33-34
enz.
  Geïsoleerde
waarden komen
niet voor.
   
  Idem: Maxima.  
School C: 62-61-60-59-57-55-
54-53-52-51-50
enz.
  D: 69-56-54 enz.
  E: geen enkel geval van 50 of meer. enz.
  F: 64-63-60-57-56 enz.
  G: 74-62-50 enz.
  H: 52 enz.

[p. 168]

Als geïsoleerde waarden mogen worden beschouwd G: 74 en D: 69; vanaf 64 is er een regelmatige, ononderbroken daling. Er is dus enige reductie t.a.v. de spreiding, een reductie die, gezien de afhankelijkheid der volgende kolommen van de eerste, zich ook in deze kolommen zal voordoen.

  Kolom Fout: Minima.  
School C: 0-1-2-3-4-5-6-7-8-9 enz.
  D: 1-2-3-4-5-7-8-9 enz.
  E: 3-5-6-7-8-9 enz.
  F: 1-4-5-8 enz.
  G: 0-1-2-3-4-7-9 enz.
  H: 0-1-2-3-6-9 enz.
  Geen geïsoleerde waarden.    

  Idem: Maxima.  
School C: 40-27-24-23-21 enz.
  D: 39-38-31-21 enz.
  E: 38 enz.
  F: 53-46-45-44-
29-27-23-21
enz.
  G: 65 enz.
  H: 32-31-27 enz.

Geïsoleerde waarden G: 65 en F: 53. Verder een regelmatige frequentieverdeling.

  Kolom Goed: Minima.
School C: 12-18-22-25 enz.
  D: 10-15-16-17-22 enz.
  E: 16-18-19-24 enz.
  F: 3-9-14-17-18 enz.
  G: 9-24-25 enz.
  H: 1-6-15-20-21-25 enz.
  Geïsoleerde waarden H: 1; F: 3; H: 6.    

[p. 169]

  Idem: Maxima.  
School C: 49-48-47-46-45-
44-43-42-41-40
enz.
  D: 47-42 enz.
  E: 40 enz.
  F: 45-44-42-41-40 enz.
  G: 48-44-42 enz.
  H: 42 enz.
  Geen geïsoleerde waarden.    
       
  Kolom Benoeming.    

Aangegeven wordt, overeenkomstig de berekeningen op blz. 164 e.v. het verschil tussen het aantal ‘werkelijke’ werkwoorden en het aantal juist benoemde werkwoorden.

    Minima.  
School C: 2-3-4-5-6-8-9-10 enz.
  D: 4-6-8-9-10 enz.
  E: 4-5-6-7-8-10 enz.
  F: 1-3-7-10 enz.
  G: 0-1-2-3-4-6-8-9 enz.
  H: 1-2-3-4-5-7-9-10 enz.
  Geen geïsoleerde waarden.    

    Maxima.  
School C: 15-16-17-18-19-
20-23-24
enz.
  D: 15-16-17-18-
19-21-25
enz.
  E: 16-18-19-21-23 enz.
  F: 17-19-22-25-29 enz.
  G: 16-23 enz.
  H: 16 enz.
  Alleen F: 29 kan als geïsoleerde waarde worden beschouwd.    

We komen nu tot het volgende resultaat:

Kolom Totaal:

Minima: Geen geïsoleerde waarden. Het minimum blijft 21.
Maxima: De geïsoleerde waarden 74 en 69 vervallen; het maximum wordt 64.
[p. 170]

Kolom Fout:

Minima: Geen geïsoleerde waarden. Het minimum blijft 0.
Maxima: De geïsoleerde waarden 65 en 53 vervallen; het maximum wordt 46.

Kolom Goed:

Minima: De geïsoleerde waarden 1-3-6 vervallen; het minimum wordt 9.
Maxima: Geen geïsoleerde waarden. Het maximum blijft 49.

Kolom Benoeming: (verschil met voorafgaande kolom)

Minima: Geen geïsoleerde waarden; minimum-verschil blijft 0.
Maxima: De geïsoleerde waarde 29 vervalt; het maximum-verschil wordt 25.

Op overeenkomstige wijze schakelen we bij de beide andere indelingsgroepen de geïsoleerde waarden uit en komen daarna tot de reductietabel 12 (blz. 171), die we, om vergelijking mogelijk te maken, plaatsen naast de oorspronkelijke niet gereduceerde Tabel 11.

Tabel 12 stelt ons tot een zuiverder vergelijking in staat dan Tabel 11. Alle extreme gevallen zijn geëlimineerd. De frequentieverdeling bij de niet-opleidingsgroep is thans zeer regelmatig. Dat is ze a fortiori bij de beide andere groepen.

Duidelijk blijkt dat de homogeniteit bij de beide laatste veel groter is dan bij de eerste; hun passieve werkwoordbeheersing (herkenning en benoeming) blijkt aanzienlijk beter gefundeerd te zijn. Zelfs als we er rekening mee houden, dat de niet-opleidingsgroep numeriek sterker is, wat natuurlijk enigermate de sterkere spreiding kàn verklaren.

2. Specimina van leerlingenwerk.

Ter illustratie en nadere adstructie thans een zestal specimina van leerlingenwerk, van iedere indelingsgroep twee, telkens het beste en het slechtste werk, toevalligerwijze drie opstellen en drie dictees.

a. Leerlingen bestemd voor het V.H.M.O.

Twee opstellen, resp. van de nrs A 11 en B 9.

[p. 171]

Tabel 12

Indelingsgroep
niet-opleiding bestemd voor ULO bestemd voor VHMO
A. Tabel met geïsoleerde waarden      
verschillen tussen minima en maxima      
totaal 53 29 18
fout 65 14 8
goed (c) 48 18 20
juist benoemd (d) 45 21 35
verschil c en d 29 20 18
       
B. Tabel met geëlimineerde geïsoleerde waarden      
verschillen tussen(nieuwe) minima en maxima      
totaal 64 - 21 = 43 55 - 36 = 19 56 - 41 = 15
fout 46 - 0 = 46 11 - 0 = 11 8 - 0 = 8
goed (c) 49 - 9 = 40 50 - 36 = 14 50 - 37 = 13
juist benoemd (d) 45 - 0 = 45 45 - 24 = 21 45 - 28 = 17
verschil c en d 25 - 0 = 25 14 - 0 = 14 18 - 0 = 18

A 11.

Resultaat: 50-0-50-50

 

Deze leerling heeft zich op waarlijk bewonderenswaardige wijze van zijn taak gekweten. Alle 50 werkwoorden zijn zonder uitzondering als zodanig herkend en zonder uitzondering goed benoemd. Hij heeft zich geen enkele maal vergist, noch in het onderstrepen, noch in de nummering, noch in het overnemen op het werkblad, noch in de benoeming. Hij is veruit de beste der 200 onderzochte p.p., op zich zelf een ‘geïsoleerde waarde’.

Hij heeft een voorsprong van 5 op de overigen.

Knap werk voor een knaap van 11 jaar.

[p. 172]

School:______________________ Datum:_____________

Klasse:_________________________________________

Leerling: Naam:___________________________________

Geslacht: j.m.______________________________

A 11. Leeftijd in jaren:_____________________________

nr werkwoord vorm of tijd nr werkwoord vorm of tijd
1 gleed v.t. 39 bleef v.t.
2 bespannen d.w. 40 spreekt t.t.
3 zaten v.t. 41 doe t.t.
4 gehuld d.w. 42 verdient t.t.
5 hoorde v.t. 43 schoot v.t.
6 moet t.t. 44 vlogen v.t.
7 maken onb.w. 45 sprong v.t.
8 ziet t.t. 46 opgeheven d.w.
9 hoort t.t. 47 sloeg v.t.
10 bezaten v.t. 48 vielen v.t.
11 was v.t. 49 dropen v.t.
12 voorbereid d.w. 50 kwamen v.t.
13 droeg v.t. 51    
14 hing v.t. 52    
15 voorzien d.w. 53    
16 kwamen v.t. 54    
17 aangerend d.w. 55    
18 lijkt t.t. 56    
19 hebben t.t. 57    
20 verdeelden v.t. 58    
21 vallen onb.w. 59    
22 wachtte v.t. 60    
23 genaderd d.w. 61    
24 waren v.t. 62    
25 flikkerden v.t. 63    
26 omklemde v.t. 64    
27 aanviel v.t. 65    
28 doen onb.w. 66    
29 bijten onb.w. 67    
30 waagden v.t. 68    
31 klonken v.t. 69    
32 beten v.t. 70    
33 hadden v.t. 71    
34 ingezet d.w. 72    
35 aangedreven d.w. 73    
36 viel v.t. 74    
37 kon v.t. 75    
38 prijsgeven onb.w.      
        50-0 50
        fout 0
          -----
          50

[p. 173]

B 9.

Resultaat: 38-8-30-15

 

Dit werk stelt voor velerlei puzzles.

B 9 heeft 38 ‘ww’ gevonden, 8 blijken geen w.w. te zijn, resteren 30. Er zijn dus 20 w.w. niet herkend, t.w.:

moet hing bijten kon
ziet voorzien klonken bleef
hoort hebben beten doe
was waren hadden sprong
droeg doen viel in vielen neer

Hoe komt het, dat deze VI-klasse-leerlinge, 11 jaar oud, niet herkent:

eenvoudige t.t. als moet, ziet, hoort enz.;

eenvoudige v.t. als was, droeg, hing enz.;

eenvoudige infinitieven als doen en bijten? Terwijl het meisje wel herkent minder gebruikelijke woorden als: bespannen, gehuld, genaderd, flikkerden?

Is de aandacht voortdurend geconcentreerd geweest op het vinden van de ongewone en zijn daardoor zeer-bekende, althans gedeeltelijk, aan de aandacht ontsnapt?

Onjuist zijn als w.w. aangegeven 8 vormen:

hoefslag aanval (tweemaal)
gehuil (viermaal) schoten.

Deze fouten zijn verklaarbaar: er is bij alle vier verwantschap met werkwoorden, resp. met slaan, huilen, aanvallen en schieten. De beide laatste, aanval en schoten, bestaan in deze vorm zelfs als w.w. Deze onjuistheden kunnen tot zover worden gepardonneerd1). Maar dan rijzen de vragen:

Waarom is ‘hoefslag’ een infinitief?

‘Gehuil’wordt 4 keer een d.w. genoemd. Is er een reminiscentie ge-

[p. 174]

School:______________________ Datum:_____________

Klasse:_________________________________________

Leerling: Naam:___________________________________

Geslacht: j.m.______________________________

B 9. Leeftijd in jaren:_____________________________

nr werkwoord vorm of tijd nr werkwoord vorm of tijd
1 gleed v.t. 39    
2 bespannen d.w. 40    
3 zaten v.t. 41    
4 gehuld d.w. 42    
5 hoorde v.t. 43    
6 · hoefslag inf. 44    
7 · gehuil d.w. 45    
8 maken - t.t. 46    
9 · gehuil d.w. 47    
10 bezaten - o.w. 48    
11 voorbereid - t.t. 49    
12 · aanval inf. 50    
13 kwamen v.t. 51    
14 aangerend d.w. 52    
15 lijkt t.t. 53    
16 verdeelden - d.w. 54    
17 aanvallen - t.t. 55    
18 wachtte v.t. 56    
19 genaderd - o.w. 57    
20 flikkerden - inf. 58    
21 omklemde v.t. 59    
22 aanviel v.t. 60    
23 waagden - o.w. 61    
24 · aanval t.t. 62    
25 · schoten v.t. 63    
26 ingezet - o.w. 64    
27 · gehuil d.w. 65    
28 aangedreven - ----- 66    
29 prijsgeven - d.w. 67    
30 spreekt t.t. 68    
31 verdient - inf. 69    
32 schoot v.t. 70    
33 vlogen - ----- 71    
34 opgeheven d.w. 72    
35 sloeg v.t. 73    
36 · gehuil d.w. 74    
37 dropen - inf. 75    
38 aan kwamen - o.w.      
        38 - 8 (.) 30
        fout (-) 15
          ---
          15

[p. 175]

weest aan de regel, dat veel d.w. gevormd worden met het praefix ge-? Maar er is ook geleerd, veel nadrukkelijker zelfs, dat zwakke d.w. steeds eindigen op -d of op -t. Waarom, waardoor is de herinnering aan deze nadrukkelijke lering vervaagd en domineert de vermoedelijk zwakkere?

‘Aanval’ is een keer infinitief. Toch is er geleerd, dat infinitieven steeds eindigen op (e)n.

We wagen ons aan een beschouwing der overige 15 fouten:

8. maken t.t. 26. ingezet o.w.
10. bezaten o.w. 28. aangedreven ?
11. voorbereid t.t 29. prijsgeven d.w.
16. verdeelden d.w. 31. verdient inf.
17. aanvallen t.t. 33. vlogen ?
19. genaderd o.w. 37. dropen inf.
20. flikkerden inf. 38. aankwamen o.w.
23. waagden o.w.      

Allereerst: waarom blijven ‘aangedreven’ en ‘vlogen’ onbenoemd? Een eenvoudig deelwoord en een eenvoudige v.t. Bespannen, gehuld, aangerend e.a. worden herkend en terecht als d.w. benoemd; waarom aangedreven niet? Gleed, zaten, kwamen e.a. worden herkend en benoemd als v.t.; waarom vlogen niet?

Er zijn ook hier weer voor de hand liggende fouten: 8 maken kàn een t.t. zijn, 11 voorbereid en 17 aanvallen eveneens.

Maar verder: Welk een begripsverwarring!

Lijkt en spreekt zijn herkend als t.t., terecht, maar waarom is verdient een infinitief?

Gleed, zaten, hoorde enz. zijn herkend als v.t. Maar flikkerden en dropen zijn infinitieven, bezaten, waagden en kwamen aan onbepaalde wijzen!

Bespannen, gehuld, aangerend enz. terecht: deelwoorden; maar waarom zijn genaderd en ingezet onbepaalde wijzen?

Merkwaardig is ook het gebruik van de termen: infinitief en onbepaalde wijs naast elkaar. Niet duidelijk is, of het meisje ze identificeert. Infinitieven zijn: hoefslag, aanval, flikkerden, verdient en dropen; onbepaalde wijzen: bezaten, genaderd, waagden, ingezet en kwamen aan. Zonderlinge conglomeraties.

Onder de infinitieven valt een substantief dat verbum kan zijn:

[p. 176]

aanval, maar hoefslag kan dit nimmer; voorts één t.t. en enkele verleden tijden, zwak en sterk; onder de onbepaalde wijzen ook verleden tijden, zwak en sterk, benevens twee zwakke deelwoorden. Identificatie? Het gemeenschappelijke voorkomen der verleden tijden pleit er voor; het exclusief voorkomen der substantieven bij de infinitieven, der deelwoorden bij de onbepaalde wijzen pleiten er tegen. We laten het probleem maar onopgelost, constateren slechts de terminologische chaos.

Herkent en benoemt dit kind naar vorm-onderscheid? T.t. als lijkt en spreekt pleiten er voor: ‘stam’ + t; maar waarom geldt dit vormcriterium dan niet bij verdient, dat infinitief is.

Geschiedt herkenning en benoeming naar functie-onderscheid?

Voor de L.S. hebben de hulpwerkwoorden zullen, kunnen, mogen, weten, moeten en heeft het voorzetsel te voor w.w. de functie, infinitieven - onbepaalde wijzen - aan te kondigen:

Hoe angstig moet het iemand maken....

van beide kanten de paarden aan te vallen....

in de sneeuw te doen bijten....

hij kon een van zijn prachtige paarden prijsgeven....

Desondanks wordt

maken t.t. te doen bijten niet herkend
aan te vallen t.t. prijsgeven d.w.

De functie van moet, kon en te heeft dus niet als onderscheidingscriterium gediend.

Maar: Op welke grond zijn hoefslag, flikkerden en verdient wel als infinitieven bestempeld?

b. Leerlingen bestemd voor het U.L.O.

Twee dictees, resp. van de nrs B 16 en B 21.

 

B 16.

Resultaat: 45-0-45-45.

 

Het lijkt ons niet noodzakelijk deze staat over te nemen; hij is natuurlijk vrijwel conform aan die van A 11. Er ontbreken 5 w.w., t.w.: gewonde - geweven - gebreide - ontvluchte - zijn.

Voor dit ontbreken is een plausibele verklaring te geven: de school gaf voor de z.g. ‘dw. als bnw. gebruikt’ òòk aan, dat het eigenlijk bnw. zijn. Dit intelligente meisje - 11 jaar oud - heeft vermoedelijk bewust

[p. 177]

de ‘d.w.’ gewonde, geweven, gebreide en ontvluchte uitgeschakeld, al is het een kleine inconsequentie, dat ze gesmede wel opneemt. De omissie zijn kan misschien verklaard worden uit verwarring met het bezittelijk vnw.; het wordt onmiddellijk voorafgegaan door ‘zijn baas’ en onmiddellijk gevolgd door ‘zijn vrijheid’.

 

B 21.

Resultaat: 61-14-47-301).

 

Er zijn 47 werkwoorden herkend. Dit betekent dat 3 van de 50 w.w. niet herkend zijn. Als compensatie kunnen de elf niet-ww., die als ww. zijn aangeduid, moeilijk gelden.

Niet herkend zijn: kwam - vergiste - zijn.

Men behoeft dit deze l.l. niet zwaar aan te rekenen.

Anders staat het met de 14 niet-ww., die als ww. zijn beschouwd. Het zijn:

4. bedragen 24 en 26. wonden 56. beruchte
6. uitbreiding 34. dienst 58. geschenken
11. sloten 39. vragen 61. sieraad
13. beplanting 42. schade    
19. strijd 46. opdrachten    

Veel fouten zijn weer verklaarbaar, eensdeels door verwantschap met ww., anderdeels doordat overeenkomstige woorden als ww. bestààn.

Onder de eerste categorie vallen:

 

uitbreiding - beplanting - dienst - opdrachten;

 

onder de tweede:

 

bedragen - sloten - strijd - wonden - vragen.

 

Minder begrijpelijk zijn:

 

schade - beruchte - geschenken - sieraad.

 

De afwijkingen in de benoeming zijn minder storend dan bij B 9; trouwens, het resultaat is ook aanzienlijk beter: 30 tegen 15.

Uitbreiding en beplanting worden beide onbepaalde wijs genoemd;

[p. 178]

School:______________________ Datum:_____________

Klasse:_________________________________________

Leerling: Naam:___________________________________

Geslacht: j.m.______________________________

B 21. Leeftijd in jaren:_____________________________

nr werkwoord vorm of tijd nr werkwoord vorm of tijd
1 breidde v.t. 38 noteert t.t.
2 besloot v.t. 39 · vragen t.t.
3 vergroten - (t.t.) 40 beantwoordt - d.w.
    d.w. 41 berokkent - d.w.
4 · bedragen t.t. 42 · schade t.t.
5 besteedde v.t. 43 wordt t.t.
6 · uitbreiding o.w. 44 vertrouwd d.w.
7 werd v.t. 45 aarzelt t.t.
8 verbeterd d.w. 46 · opdrachten d.w.
9 slechtte v.t. 47 belasten - d.w.
10 dempte v.t. 48 geweven - t.t.
11 · sloten t.t. 49 gebreide - t.t.
12 stelde v.t. 50 hield - t.t.
13 · beplanting o.w. 51 ontvluchte - t.t.
14 voerden v.t. 52 heeft t.t.
15 wandelt t.t. 53 verheugd d.w.
16 herkent t.t. 54 vermijdt t.t.
17 ontmoetten v.t. 55 speelde v.t.
18 ontbrandde v.t. 56 · beruchte v.t.
19