terug  begin  verderprepost

Hoofdstuk XI.
De klemtoon in het Nederlandsch.

In dit hoofdstuk wensch ik mij te bepalen tot het bespreken van den klemtoon in het woord, het woordaccent. Ik laat dus beschouwingen over den klemtoon in den zin, over het expiratorische accent of de toonsterkte, het muzikale accent of de toonhoogte, en over den rhetorischen toon achterwege1) en beperk mij tot enkele opmerkingen, vooral over sommige eigenaardigheden, die wij bij den klemtoon in onze taal opmerken en waarin zij zich van de andere Germaansche talen, in het bijzonder van het Hoogduitsch, onderscheidt.

Het oorspronkelijke Germaansch had nog het vrije accent, dat o.a. ook eigen was aan het Sanskrit en dat hierin bestond, dat de klemtoon niet aan eene bepaalde plaats in het woord gebonden was, of in bepaalde lettergrepen niet voorkomen kon.

Dit vrije accent heeft in het Germaansch geheerscht tot na den tijd, waarin de taalverschijnselen vielen, die wij met den naam ‘klankverschuiving’ aanduiden*): immers verschillende storingen in de werking dezer wet moeten daaruit worden verklaard; de door Verner ontdekte taalwet berust geheel en al op de waarneming dezer eigenschap**). Later is het accent zoo ver mogelijk naar voren geplaatst, uitgezonderd bij de met voorvoegsels samengestelde werkwoorden, die het accent behielden op de stamlettergreep. In het Nederlandsch is die toestand niet meer zoo. Thans hebben de scheidbaar samengestelde werkwoorden het accent op 't praefix, de onscheidbaar samengestelde op de stamlettergreep: aánbreken, dóorloopen,

[p. 154]

ómwerpen, ópbreken, uítvliegen naast doorlóopen, omríngen, ondergáan, herstéllen, voldóen. Dit onderscheid moet hierdoor worden verklaard, dat de scheidbaar samengestelde werkwoorden jonger zijn. Het eerste deel heeft zijn oorspronkelijk accent, dat het in den zin had, behouden, gesteund door de nominale afleiding van 't werkwoord. Zoo behield aan het accent, dat het in den zin: Hij komt aan (bijw. bepaling) had, in de samenstelling áankomen, en werd daarin gesteund door de nominale samenstelling áankomst.2).

Dit verschil van klemtoon tusschen de nominale en de (onscheidbare) verbale samenstellingen blijkt ook uit ántwoord*) naast ontbieden, bíecht (uit bíëchte, biachte) naast mnl. begíen (bekennen, belijden), mnl. bivanc (erf, gebied) naast bevángen, óorkonde naast erkénnen; zoo ook bij dóorzicht, mísdaad, ómvang, ónderzoek, ónderwijs, óvertrek, óverleg**), wéerspraak, hérdruk naast doorzíen, misdóen, omvángen, onderzoeken, onderwijzen, overtrékken, overléggen, weerspréken, herdrúkken.***) Merkwaardig is ook, dat on- bij zelfstandige naamwoorden den hoofdtoon heeft (ónkosten, ónzin, ónmensch, ónweder, óngelijk) en bij bijvoegelijke naamwoorden toonloos is (onréin, onédel, onnút, ongáar, ongelijk), behalve alleen bij ónklaar. Men kan dit verschijnsel verklaren door uit te gaan van de verbaal-adjectieven, wier on- zich aanpast bij de verbale praefixen,

[p. 155]

die ook geen toon hadden; vandaar namen ook andere adjectieven dit zwakbetoonde on aan.*)

Doch met deze vastheid van het accent als hoofdregel gaat in het Nederlandsch gepaard eene verplaatsbaarheid van den klemtoon, eene rekbaarheid in dit opzicht, waarin onze taal eene opmerkelijke tegenstelling vormt met het Hoogduitsch, dat deze eigenschap in eene veel geringere mate bezit. En nu bedoel ik niet het leggen van een oratorischen klemtoon op eene toonlooze lettergreep of het verplaatsen van het accent voor een bepaald geval, wanneer een woord in tegenstelling met een ander wordt gebruikt, zooals in ‘niet békeerd, maar vérkeerd’, ‘A'msterdam en Rótterdam’, ‘liever bóerin dan kóningin’ en dgl. Dit geval heeft met hetgeen ik wilde doen opmerken niets te maken. Ik bedoel in de eerste plaats het geval, dat het accent van een woord op de naastvolgende lettergreep wordt overgebracht; zoo b.v. wanneer een znw. door een der uitgangen ig, lijk, baar, loos en zaam tot bnw. wordt gemaakt. De uitgang trekt dan als het ware den klemtoon naar zich toe. Men vergelijke slechts vóorbeeld, mísdaad, driehoek met voorbéeldig, misdádig, driehóekig; hártstocht, áartsvader, áanzien met hartstóchtelijk, aartsváderlijk, aanzíenlijk; uitvoeren, áfzetten, návolgen en uitvóerbaar, afzétbaar, onnavólgbaar; vóorbeeld, médedoogen3) met voorbéeldeloos, meedóogenloos; árbeid, médedeelen met arbeidzaam, mededéelzaam4). Door eene toonlooze lettergreep wordt natuurlijk het verschijnsel belemmerd; zoo blijft de klemtoon onveranderd in hândelbaar, óuderloos, gewétenloos; búrgerlijk, rijkelijk, ópenlijk; huíverig, béenderig, wínderig. Bij sommige vinden wij eene weifeling in den klemtoon; zoo b.v. bij bijvoeglijk (b.v. ‘bijvóeglijk gebruikt’ en ‘bijvoeglijk naam-

[p. 156]

woord’) en aartshertogelijk; bij andere wordt het accent op den uitgang zelf overgebracht; zoo b.v. bij trouwelóos en goddeloos, en bij openbáar, doch daarvoor moeten ongewone oorzaken hebben gewerkt*). Een bewijs van de kracht van den regel levert het woord ordéntelijk, dat evenals het hd. lebéndig den klemtoon heeft overgebracht op de toonlooze lettergreep, die daardoor opgehouden heeft toonloos te zijn. De bnw. op achtig hebben twee verschillende klemtonen, ééne waarin de uitgang het accent tot zich heeft getrokken, nl. die waarin achtig de oudere beteekenis ‘hebbende’ heeft, als schaamáchtig, waaráchtig, woonáchtig**), vreesáchtig, en die waarin de eerste lettergreep den klemtoon behoudt, d.i. daar waar achtig de beteekenis heeft ‘iets hebbende van, gelijkende op’, als in róodachtig, stéenachtig, bérgachtig. Eene weifeling hoort men o.a. bij réusachtig of reusáchtig.

Dezelfde verplaatsbaarheid van den klemtoon merkt men op bij de tegenwoordige en verleden deelwoorden, en hier gaat het verschijnsel gepaard met een verschil in beteekenis: de klemtoon is hier nl. het onderscheidende kenmerk tusschen het deelwoord met zijn begrip van tijd en werking, en dat van het bijvoeglijk naamwoord, waarin het begrip van blijvende eigenschap of hoedanigheid voor het tijdelijke en toevallige is in de plaats gekomen. Zoo komen van uítmunten, ópletten, árgwanen of érg denken, beláng stellen, nóod lijden, den géest dooden, te húis zitten, ónrust baren, innemen, áftrekken, de bnwn. uitmúntend, opléttend, argwánend, erg-

[p. 157]

dénkend, belangstéllend, noodlijdend, geestdóodend, (t)huiszíttend, onrustbárend, innémend, en ingenómen(heid), afgetrókken, en onderscheidt men ópgeblazen en opgeblázen, úitgelaten en uitgeláten, áfgemeten en afgeméten, ópwekkend en opwékkend, vóorkomend en voorkómend, áchterhoudend (‘iets a.’) en achterhóudend, úitstekend en uitstékend, wántrouwend (‘iemand w.’) en wantróuwend (van aard), ópgewekt, ópgewonden en opgewékt, opgewónden*).

Bij de samengestelde zelfstandignaamwoorden, wier typen uit het Indogermaansch waren overgeleverd, onderscheidt men, evenals bij de werkwoorden, verschillend accent naar gelang van den aard der samenstelling. Hebben wij te doen met eene zoogenaamde oneigenlijke samenstelling of samenkoppeling, waarvan het eerste deel een bijvoeglijk naamwoord is of daarmede in beteekenis gelijkstaat, dan blijft het accent op het tweede deel der samenstelling, d.i. daar waar het staan zou, als het eerste lid door een afzonderlijk woord werd aangeduid; zoo b.v. in hoogepríester, plattegrónd, zoethóut, zoetemélk, koudvúur, nieuwjáar, oudejaarsávond, hoogeschóol, die samengekoppeld zijn met een bnw.; boerenkóol, noordenwínd, arbeidslóon, rijksdáalder, waarin het eerste lid in beteekenis met een bnw. gelijkstaat. Zoo ook bij vele namen van steden en dorpen, als Amsterdám, Maastrícht, Enkhúizen, IJselmónde, Genemúiden, Oudhúizen, Zwartslúis, Nieuwerslúis, Oudendíjk, Rijpwétering, Rijnsaterwóude; van polders, wateren en eilanden, als Diemerméer, Watergraafsméer, Lauwerzée, Zuiderzée, Alblasserwáard, Bommelerwáard, Goerée, Schiermonnikóog, Zuid-Béveland; van provinciën, als Zuid-Hólland, Noord-Brábant, Oost-Friesland; van pleinen, grachten, straten, bruggen, als Nieuwepléin, Koningspléin,

[p. 158]

Heerengrácht, Torenslúis, Bostelbrúg*) (te Leiden), Amstelvéld, Noordéinde, Leidschestrâat.

Bij de eigenlijke samenstelling, waar de beide deelen worden versmolten tot één geheel, hetwelk niet meer hetzelfde is als de som dier samenstellende deelen, en de beteekenis van ieder deel afzonderlijk niet duidelijk meer wordt gevoeld, heeft er verplaatsing van den klemtoon naar de eerste lettergreep plaats: door de engere verbinding ontstaat er een nieuw woord, dat dus den hoofdregel volgt. Zoo hebben den klemtoon op de eerste lettergreep de woorden blíndeman, drónkenman, gróotvader, béstevaar, vólzin, wíjsneus, hóogmoed, róodvonk, óudgast. Een blindeman is niet hetzelfde als een blinde mán: bij het eerste is gekomen het denkbeeld van hulpbehoevendheid en armoede; een ‘blinde man’ kan rijk zijn; een ‘blindeman’ verdient in den regel den kost met bedelen. Een dronken mán is een man die zich slechts eenmaal behoeft te buiten te gaan om dien naam te verdienen; een drónkeman is een dronkaard of iemand die zich als een beschonkene gedraagt. Een gróotvader (fr. grand-père), waarin ‘groot’ de beteekenis ‘oud’ heeft, is iets geheel anders dan een ‘groote (oude) vader’; hij behoeft niet eens zoo heel oud te zijn, en wordt alleen zoo genoemd in tegenstelling met zijn ‘kleinkind’. Een vólzin is niet een zin waarin alle deelen zijn uitgedrukt, maar hij kan beknopt of zelfs elliptisch wezen; een wijsneus is iemand die wijs wil zijn of wijsheid wil verkoopen te pas en te onpas, en hóogmoed is eveneens de gemoedstoestand van iemand, die tegenover allen en altijd een hoog hart of het hart hoog draagt.**)

[p. 159]

Ook verplaatst zich de klemtoon, waar de beide deelen in eene andere dan attributieve verhouding tot elkander staan. In burgerhúis, roggeméel, noordenwind, rijstebríj, jodenkerk, christenzíel, boerenkóol, staat het eerste deel met een bijv. naamwoord gelijk; máalloon is ‘loon voor het malen’, dágloon ‘loon gedurende of voor één dag’; reisgeld ‘geld voor eene reis’; kóopsom ‘geldsom om te koopen’; eérzucht ‘verlangen naar eer’; géldnood, géldgebrek ‘gebrek aan geld’; wátersnood (beter ware wáternood) ‘gevaar door water’; bloedwraak ‘wraak die bloed eischt’.

Onder de plaatsnamen zijn er vele, waarbij het gevoel voor de beteekenis der samenstellende deelen heeft plaats gemaakt voor de opvatting van het woord als eene meer of minder doorzichtige formule voor het begrip, dat men onder woorden wil brengen: zoo b.v. in de namen uitgaande op heim, daal, burg e.a. Men spreekt uit A'rnhem, Sássenheim, Vóorburg, Véenendaal, Vóorschoten, enz.; Múiderstraat, Hártenstraat, Héerenstraat, Kálverstraat, waar straat een soort achtervoegsel is geworden, naast Leidschestráat, Weesperstráat (te Amsterdam), omdat straat daar de meer zelfstandige beteekenis had van ‘straatweg’5).

Sommige namen spreekt men op twee verschillende wijzen uit. De bewoners zelf b.v. noemen hunne woonplaatsen Genemúiden, Blókzijl, anderen daarbuiten spreken uit Génemuiden, Blókzijl: voor hen is het woord eene formule geworden, waarmede zij de plaats aanduiden; de bewoners zelf kunnen iets meer nog voelen van de eigenlijke beteekenis der samenstellende deelen.

Doch dit is niet het eenige dat hierbij in aanmerking komt: ook het feit dat een woord voor ons gewoon wordt, kan dezelfde uitwerking hebben, en de meer of minder bewuste

[p. 160]

vergelijking met andere woorden, waarbij ook het rhetorische accent eene rol kan medespelen. Eene buitenplaats Meer-en-bérg onder Heemstede wordt nooit anders uitgesproken dan met den klemtoon op de laatste lettergreep; terwijl het tot krankzinnigengesticht ingerichte landgoed onder Bloemendaal, dat denzelfden naam draagt, als Méerenberg wordt uitgesproken: hier is de beteekenis der samenstellende deelen geheel vergeten en het woord voor het taalgevoel eene eenheid en een gewoon woord geworden. Zoo zeggen de Friezen schoorsteenmántel, de Hollanders daarentegen schóorsteenmantel, en hoort men zoowel vóormiddag, námiddag als voormíddag, namíddag, víerkant en vierkánt, júffrouw, schíereiland, vóornemens, wáanwijs naast juffróuw, schieréiland, voornémens, waanwíjs; Vóorhout en Voorhóut (het dorp6)). En zoo zijn er op dit terrein nog allerlei afwijkingen en schijnbare tegenstrijdigheden die opmerking verdienen; ook verschillende punten, waarop de vroegere taal niet met de hedendaagsche overeenstemt*), doch ik moet mij beperken. Met de aanwijzing der hoofdtrekken in de geschiedenis van den klemtoon meen ik hier te kunnen volstaan, en ik wijs ten slotte nog slechts op den invloed, dien de klemtoon van vreemde woorden op het Nederlandsch heeft gehad, en op de talrijker gevallen, waarin men het tegenovergestelde ziet plaats grijpen.

De regel, die bij vreemde woorden wordt gevolgd, is dat zij hun eigen accent behouden. Zoo hebben dus o.a. alle woorden met een basterduitgang**), b.v. -ment, -uur, -ier, -es, -et, -eel, -ij den klemtoon op de laatste, die op -age en -eeren op de voorlaatste lettergreep. In navolging en door het voorbeeld van den uitgang -es heeft ook de echt Germaansche uitgang -in den klemtoon tot zich getrokken, b.v.

[p. 161]

hertogin, koningin, boerin, terwijl in het Hoogduitsch de woorden aan den Germaanschen regel zijn getrouw gebleven. Hetzelfde is het geval met ndl. woestíjn, dat, oorspronkelijk Germaansch (wóestine), zijn klemtoon heeft gewijzigd onder den invloed van Romaansche woorden op -ine; vgl. mnl. ordine, en daarnaast ook wapine, beide bepaaldelijk in het rijm met een sterken bijtoon op de i. Zoo is ook misschien, gelijk wij boven zagen, de ongermaansche klemtoon van goddelóos en trouwelóos toe te schrijven aan den invloed van een gelijkluidenden Romaanschen uitgang.

Van de woorden, die hun Romaanschen klemtoon tegen een inheemschen hebben verwisseld, is meer op te merken.7) Ook hier is de oorzaak der toonverplaatsing gelegen in de gewoonheid van het woord, het veelvuldige gebruik, hetwelk maakt dat het voor ons ophoudt een vreemd woord te schijnen en in alles het karakter van een inheemsch aanneemt. Men vergelijke b.v. de spraakkunstige termen op -ief, als ádjectief, cónjunctief, nóminatief e.a., die veel vaker worden gebruikt dan de andere en (onbewust) in tegenstelling met elkander, met perspectief, initiatief, prerogatief; zoo staan ook súbject en óbject tegenover trajéct en projéct.

Een soortgelijke verplaatsing van den klemtoon merken wij op bij de in verschillende tijdperken aan het Fransch ontleende woorden báljuw (ook baljúw), májesteit, quíntessens, interest, pónjaard, ímpost (ofr. impost), hárnasch, luitenant, bástaard, páspoort, hóbo, lómmerd (uit lómbard, oorspronkelijke benaming van een bewoner (geldhandelaar) van Lombardije); de naar Grieksche voorbeelden gevormde hórizon, árchipel; het oorspronkelijk Italiaansche úlevel (it. olivella). Bij andere, die in het overgangstijdperk zijn, is de klemtoon zwevend, zooals bij lázaret of lazarét, támboer of tambóer, trícot en tricót.

Vooral sterk zien wij deze toonverplaatsing werken, wanneer wij de oudste woorden nagaan, die uit het Romaansch, d.i. in dit geval het Latijn, in het Germaansch zijn opgenomen en op deze wijze ook van den Nederlandschen woordvoorraad

[p. 162]

een deel zijn gaan uitmaken. Een aanzienlijk getal Latijnsche woorden heeft door deze verplaatsing van den klemtoon en de daarmede gepaard gaande of daaruit voortspruitende vormveranderingen geheel en al een inheemsch gewaad aangenomen en is van de inboorlingen niet meer te onderkennen. In deze eigenaardigheid heeft men een der kenmerken van den ouderdom der overneming; deze moet alsdan geschied zijn in den oudgermaanschen tijd. En waar een woord, gelijk nu en dan heeft plaats gehad, in een later tijdperk nogmaals is overgenomen, ziet men het oorspronkelijke Romaansche accent bewaard, zoodat het zich dan in twee verschillende vormen in onze taal zal vertoonen. De toonverplaatsing is ongetwijfeld in de hand gewerkt door den uitgang der woorden, die toevallig ging samentreffen met in het Nederlandsch bestaande achtervoegsels, waardoor de meening nog kon worden versterkt, dat men echt Germaansche woorden voor zich had. Men vindt van deze soort o.a. uitgaande op el: schótel, vlégel, zégel, kérvel, vénkel, van lat. ‘scutélla, flagéllum, sigíllum, caerefólium, foeniculum’; op -en: kéten, déken, kéuken, zégen (net), métten, éven (haver), van lat. ‘caténa, decánus, coquina, sagéna, matutina (nl. hora), avéna’; op er: áker, béker, kélder, vénster, múnster, réefter, dórmter (eetzaal en slaapzaal in een klooster, fr. réfectoir en dortoir), spijker (voorraadschuur), zólder, zéker, van lat. ‘aquárium, bicárium, cellárium, fenéstra, monastérium, refectórium, dormitórium, spicárium, solárium, secúrus’, op -uw: péluw van lat. pulvínus; en verder munt van lat. ‘monéta’, jood van ‘judaéus’, markt van ‘mercátus’, oogst van augústus, áalmoes van ‘eleèmósyna’, pélgrim van ‘peregrínus’, e.a.8).

Van de woorden, die wij met twee verschillende klemtonen, en meestal ook verschillende vormen, in onze taal bezitten, noem ik látuw en latúw*), pijler (lat. pilárium) en piláar;

[p. 163]

kémel (lat. camélus) en kameel, órgel (lat. órganum) en orgáan, zéker (lat. secúrus) en sekúur, óuter (lat. altáre) en altáar (ook áltaar; mv. áltaren en altáren), en enkele woordparen, waarvan er een aan het Latijn en een aan het Fransch is ontleend, zooals lauwer (lat. láurus) en laurier; vgl. baander en banier. Over deze laatste soort van woorden, die men, wanneer zij behalve verschil in vorm, ook verschil in beteekenis hebben, tweelingwoorden, ook wel dubbelvormen of doubletten, noemt, zal in een volgend hoofdstuk nog iets uitvoeriger worden gehandeld.

1)Voor deze onderwerpen kan men raadplegen J.H. Gaarenstroom: ‘De klemtoon in het Nederlandsch’, waaraan ik verscheidene opmerkingen en voorbeelden heb ontleend, en er voor vergelijken Te Winkel t.a.p. bl. 812; Van Ginneken in N. Taalgids, IV, bl. 1 vlgg.
*)Zie bl. 13 vlgg.
**)Zie bl. 19 en aanteekening.
2)Zie Van Wijk-Schothorst, ‘De Nederlandsche Taal’ § 120.
*)Het eenige nog heden bestaande woord, waarin het voorvoegsel ont zijn ouden vorm heeft bewaard. Vgl. nog Antwerpen (den naam der stad) naast ontwérpen; mnl. anthoofd, antwerde (tegenwoordigheid; vgl. hd. überantworten, overhandigen, presenteeren, van praesens, tegenwoordig), hd. antlitz.
**)Door den invloed van het ww. heeft bij dit znw. de klemtoon zich verplaatst, doch de uitspraak óverleg is nog niet geheel en al ongehoord.
***)Als de afleiding nadrukkelijk aan het grondwoord wordt tegengesteld, heeft het praefix den klemtoon: Iets zeggen en herzeggen. Zie Ndl. Wdb. VI, 582.
*)Zie N. Taalgids XVII, 39-40. Natuurlijk vormen slechts eene schijnbare uitzondering de bnw. met -ón, die door de tegenstelling, waarin zij gebruikt worden, een emphatischen toon hebben, als édel en ónedel, blind en ónblind (Huygens).
3)Daarentegen had het als znw. gebruikte ww. meedóogen bij dichters nu en dan den klemtoon op oo. Zie Ndl. Wdb. IX, 346.
4)Een poging om deze verschuiving te verklaren doet Schönfeld in N. Taalgids XVII, 37-39. Vgl. ook Van Wijk in N. Taalgids XIV, 246.
*)Bij de woorden op -loos kan de aan het Fransch ontleende uitgang -loos hebben gewerkt, b.v. schandeloos (bij Vondel), orgelioos (mnl.), of het van het bnw. gevormde znw. op heid; vgl. goddelóosheid, moedelóosheid; bij openbaar (naast ópenlijk) het ww. openbáren met openbáring of ook openbáarheid. Zie Hesseling in N. Taalgids II, 249.
**)Schaam, waar en woon zijn in deze woorden znw. met de beteekenis ‘schaamte, waarheid, woning’. Vgl. hd. scham; ndl. waarzeggen; metterwoon.
*)De adjectief-tegenwoordige deelwoorden bewaren de oudgerm. accentuatie, welke zich ook mededeelde aan enkele verleden deelwoorden. Zie N. Taalgids XVII, 38.
*)Aldus genoemd, omdat in hare nabijheid voorheen de ‘Bostelmarkt’ gehouden werd. Bostel beteekent ‘het uitgetrokken, afgewerkte mout, bestaande uit de bolsters en de onoplosbare bestanddeelen er van’; het werd ook als veevoeder gebruikt; zie Ndl. Wdb. op het woord. Thans heet zij gewoonlijk Borstelbrug.
**)Dat sommige woorden een klemtoon hebben met deze regels in strijd, is een gevolg van analogie: samenkoppelingen nemen het accent aan van samenstellingen en omgekeerd; zie daarover en over samenkoppelingen en samenstellingen in het algemeen, Van Wijk-V. Schothorst, De Nederlandsche Taal § 140.
5)Zie over deze accentverschillen Schrijnen in N. Taalgids, X, 142 vlgg.; XI, 19 vlgg. of Ndl. Volkskunde, II, 66 vlgg.
6)Zie nog vele voorbeelden verzameld door R.A. Kollewijn in Taal en Letteren IV, 226.
*)Vgl. b.v. het 17de-eeuwsche slagórde, bij Vondel gewoon, en bázuin (Lucifer, vs. 1284). Vgl. Te Winkel, bl. 813, voor verschillen tusschen Nederlandsch en Middelnederlandsch.
**)Zie hoofdstuk XIII bij de beschrijving van den invloed van het Fransch.
7)Zie de opmerkingen van Salverda de Grave in Franse Woorden in het Nederlands, bl. 127-129; en vooral Essai sur quelques groupes de mots empruntés par le Néerlandais au Latin ércit, p. 32 vlgg.
8)Vgl. Wilmanns, Deutsche Gramm. dl. I, § 303 Anm.
*)Bij sommige woorden wijst dit verschil in klemtoon op de verschillende talen, waaruit de woorden zijn overgenomen; zoo b.v. série (uit het Latijn), serie (uit het Fransch).
prepostterug  begin  verder