terug  begin  verder

[p. 65]



illustratie
1014: reproductie ex. 1

[p. 66]

1014

J. de brune. Sege teecken [gravure] Op gerecht ter onsterffelicker eere en lof vande doorluchtige ende hoochgeboren Vorst Frederick Hendrick bijder gratien Godts Prince van Orangien Grave van Nassau Meurs Buren Leerdam etz. Marquiz van Vere en Vlissingen etz. Baron van Breda etz. Gouverneur over Gelderlandt Hollandt Zeelandt Westfr. Zutphen Wtrecht Overyssel etz. Admirael Generael vande Zee Ridder vande Ordre vande Kousebant. [1629].

 

plano

inhoud:

Gekalligrafeerde en gegraveerde prent met bovenaan de zinnebeeldige prent, de titel daarboven en daaronder, en vervolgens een gedicht van 36 regels in twee kolommen met daaronder nog eens vier verzen verdeeld over twee regels over de volle breedte. De namen van de ontwerper, de graveur en de auteur staan resp. links-, midden- en rechtsonder.

gecollationeerde exemplaren:

= 1 ROTTERDAM, Atlas van Stolk: 1704.

commentaar:

Deze zinnebeeldige prent op de verovering van 's-Hertogenbosch en Wezel door Frederik Hendrik moet van 1629 dateren, het jaar waarin de bezongen wapenfeiten plaatsvonden die aanleiding gaven tot veel meer dergelijke lofdichten. De ontwerper van de prent is J. Prestre, de graveur is I. Looff en het gedicht is van De Brune. Een transcriptie van de tekst wordt hieronder gegeven:

 
Hoe was elck een verstelt? hoe saghmen elc een beven?
 
hoe was elck sonder hert? hoe leefd' elck sonder leven?
 
Als die raedrycke Vorst, die vaderlands piloot
 
wert uyt het land gheruckt, met een verraders loot.
 
Maer d'hemel sagh ons aen, die liet ons haest aenschouwen
 
Een helt uyt 't selve bloed, die Spaignien heeft doen grouwen,
 
En buyghen onder 't iock: die snoode roomsche beest.
 
maer hemels droeve slagh: die isser oock gheweest.
 
Wat dan? Immanuel en wilt ons niet begheven.
 
hy wilt niet, dat syn kudd' sou sonder herder sweven.
 
Siet Henrick Frederick, tot lust en rust van 't land,
 
Troer van ons droeve schip stracks nemet inde hand.
 
Hy hadde nu al langh selfs in syn lente leven,
 
ghetoont, wat voor een henghst sulck veulen ons sou gheven.
 
Men sagh in 't bloedigh veld, doen Maurits Albert sloegh,
 
wat martiael ghemoed, hy in syn boesem droegh.
 
Maer dit blad is te kleen, om veel van hem te schryven,
 
dit echter sal altyd in FAMA tempel blyven:
 
Tis goed, 'tis groot, 'tis stout, 'tis wys, 'tis onghemeyn
 
Wat Henric doet, of voet, in syn ghemoet of breyn
 
Grol heeft syn kracht ghevoelt: Grol heeft syn krygsche wercken
 
syn hert, syn kloeck bedryf, syn wysheyt connen mercken.
 
Grol? neen ghewis, gheen grol, een sleutel van het land,
 
van plaets en kunst ghesterckt niet minder als ghemant.
 
Onwinbaer, soo het scheen, nochtans soo heeft sy moeten.
 
nu onlanghs onsen helt, als overwinner groeten.
 
doch wie is soo versnoft, en voel-loos van ghemoed,
 
die niet en rieckt en smaeckt, wat ons de hemel doet?
 
Dient Wesel niet in plaets van hondert duysent tuyghen?
 
maent ons 's, Hertogenbosch niet voor de heer te buyghen?
[p. 67]
 
die stad, die steeds als maeghd, veel leghers heeft gheweert
 
is (wonder wonderbaer!) van onse Prins verheert
 
Maer is hier in een naem, die nimmers sterft, te werven,
 
door een rechtschapen man, int veld van eer te sterven:
 
Dit, o macht rycke stad? oock voor een eere draeght,
 
dat ghy nu eenmael syt door desen helt ont-maeght.
 
 
 
Is Hapsburgh pruytsch en prat met d'Oostenrycksche vorsten
 
Nassauw veel eer en meer verheffe syn gemoet;
 
want soo naer 's weerelts ryck de Oostenrycksche dorsten,
 
Nassauw die ist alleen, die haer wanhopen doet.

Prestre Inventor.

I. Looff Sculp.

J. de brune

literatuur:

Muller nr. 1652; Van Rijn 1897-03, nr. 1704.

terug  begin  verder