a J. de Bruyne. Gods wegen schillen veel van 'smenschen kromme wegen/ Dat hier is meest veracht/ heeft 'tmeest geluck verkregen.
b J. de Brune. De dove-volg-begeert/ gedompelt inde fluymen Van domme-herssens-drop/ doet uyt den setel ruymen Wet/ reden/ en natuer.
In: Adriaen Valerius. Nederlandtsche Gedenck-Clanck. Herdrukt naar de oorspronkelijke uitgaaf van 1626. Ingeleid en voorzien van biografische, taalkundige, historische en musicologische aanteekeningen door P.J. Meertens, N.B. Tenhaeff en A. Komter-Kuipers. Bandversiering van Georg Rueter. Derde druk [= 3e oplage van de editie-1942]. Uitgegeven onder auspiciën van de Stichting ‘Onze Oude Letteren’. Amsterdam-Antwerpen: Wereldbibliotheek N.V., MCMXLVII.
3e herz. opl. van 1080; 2e opl.: 1081; 1e dr.: 1011; facs.-uitg.: 1094
p. 158, 183.
Zie de commentaar onder 1081.