|
|
|
| |
| | | |
Den Nederduytschen Helicon
Wim Vermeer
In 1610 verscheen in Haarlem een compact boek met een
negentig dichtstukken van de hand van twintig dichters. Gedrukt door
Jacob de Meester in Alkmaar, werd het op
de markt gebracht door
Passchier van Westbusch, boekverkoper ‘In den
beslaghen Bybel’ te Haarlem. Met 336 bladzijden, dicht
bedrukt in de gotische letter, zonder platen of enige typografische versiering,
zag de uitgave er ouderwetser en heel wat minder aantrekkelijk uit dan de
liedboeken in oblong-formaat die te zelfder tijd in Amsterdam van
de pers kwamen, ruim gedrukt, in verscheiden lettertypen en voorzien van
kopergravures en ornamenten.
1
Den Nederduytschen Helicon, zoals de titel
luidde, was een manifestatie van rederijkers van Vlaamse afkomst uit
Haarlem en Leiden. Het beste kan het een
‘verzamelbundel’ genoemd worden, omdat het naar alle
waarschijnlijkheid min of meer op zichzelf staande dichtproeven zijn die ten
behoeve van de uitgave gebundeld zijn.
Het artikel dat Jan te Winkel bijna een eeuw geleden aan de
Helicon wijdde
2, is nog steeds het meest geschikt voor een eerste algemene
oriëntatie. In verschillende artikelen, met name uit de laatste twintig
jaar, wordt wel op afzonderlijke bijdragen ingegaan, maar een recente
beschouwing over de bundel in zijn geheel is er niet, noch een tekstuitgave of
een reprint. Als lichtpunt valt te signaleren dat ‘Het gezelschap van de
16de eeuw’ - een werkverband van neerlandici
3 - doende is de inhoud te bestuderen met de bedoeling
te zijner tijd een tekstuitgave en/ of een bundel studies te laten
verschijnen.
Aan de titel en ondertitel met hun toelichting valt al heel wat af
te lezen omtrent de inhoud van het boek en de bedoeling van de
samensteller: | | | |
Den Nederduytschen H E L I C O N, Eygentlijck wesende der
Maet-dicht beminders L u s t - t o o n e e l: Daer vertoont worden (tot
vermakelijcke stichtinghe) veelderley versamelde, ende aen een geschakelde
soetluydende leersame Ghedichten, in suyver Nederduytsche sprake ghemaeckt,
door verscheyden Dicht-Konst-oeffenaers.
Volgens Marijke Spies
4 wordt
hier een poëticaal programma omschreven met als hoofdpunten: de
allegorische mythologie, het principe van nut en vermaak naar
Horatius' bekende voorschrift en het voor de Renaissance
zo kenmerkende streven naar een helder en zuiver gebruik van de eigen taal.
5 Daaraan
voeg ik nog toe dat ‘Maet-dicht’ in de eerste plaats betrekking
heeft op de lengte van de versregel, hetgeen wil zeggen dat alle regels van
één gedicht, behoudens het verschil tussen mannelijk en
vrouwelijk rijm, naar Frans voorbeeld een gelijk aantal lettergrepen hebben.
Daarnaast kan de term ook van toepassing zijn op de voet- of versmaat: de
wisseling van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen. ‘Aen een
geschakelde’ ziet op het prozaverhaal dat de gedichten verbindt, daarover
zo meteen. Een klein gedichtje onder de titel heeft tot strekking dat er
onderscheid gemaakt moet worden tussen de rederijkers-oude stijl/kannekijkers
en een nieuwe stroming die zich serieus op de kunst toelegt.
Met een ‘Toe-eygheningh Brief’ heeft de uitgever de
bundel opgedragen aan
Simon Stevin, bekend als voorvechter van het gebruik van
Nederlandse termen in wiskundige vakken. Hij deelt mee dat wijlen
Karel van Mander het initiatief tot de
Helicon nam en er ‘een dadelijck
begin’ mee maakte. Verder wordt de Nederlandse taal geprezen, die hoewel
verbasterd in ere hersteld kan worden, in bewoordingen die herinneren aan de
theoretische geschriften van de Amsterdamse rederijkerskamer ‘De
Eglentier’ uit de jaren tachtig. Het voorwerk sluit met een sonnet
‘Aen de Constlievende Ieught’, dat ze aanspoort déze Helicon
vrijmoedig te beklimmen.
De gedichten, waartoe ik ook drie toneelstukken reken, zijn
opgenomen in een verhaal dat, spelend in een landelijke omgeving, begint op een
lente-ochtend en 's avonds laat eindigt. Als voorbeeld wees R. Foncke
La Bergerie van
Rémy Belleau uit 1565 aan,
6 een collectie pastorale en amoureuze verzen, gevat in
een verhalend kader. Verantwoordelijk voor de samenstelling van de
Helicon en de proza-omlijsting is waarschijnlijk
Jacob van der Schuere, al of niet in samenwerking met
Van Westbusch.
7 De eerste anderhalve à twee bladzijden van het proza zijn
een imiterende bewerking van het begin van
La Bergerie.
| | | |

Den Nederduytschen Helicon (1610) (foto UB
Amsterdam)
Het proza tussen de gedichten is ongelijk van lengte, het varieert
van een enkele zin tot een halve bladzijde. Een vijftal prozagedeelten is
echter opvallend lang. Dat het inleidende stuk, waarin het verhaal op gang moet
komen, meer dan twee pagina's in beslag neemt, ligt in de rede. Maar daarna
komt er nog viermaal een onderbreking van anderhalve à twee bladzijden,
het slot is betrekkelijk kort. De proza-intermezzo's blijken niet aan
onhandigheid of willekeur van de auteur te wijten te zijn, maar weloverwogen
aangebracht om de inhoud een thematische geleding te geven. Als een voorlopige
aanduiding kan dienen dat de eerste afdeling (9-95) gaat over de beoefening van
de dichtkunst, de tweede (97-155) over de trits kunst-deugd-geloof, daarna
volgen gedichten over de elementen, dagen en seizoenen (157-199) èn over
vriendschap en kunstliefde (199-228). Het vierde deel (229-280) draagt een
gemengd karakter en in het laatste (283-329) komen huwelijk en liefde aan de
orde.
Duidelijk is dat de samensteller de verzen zorgvuldig gerangschikt
en verbonden heeft, al lukt dat de ene keer beter dan de andere. Zijn
voorliefde voor een fraaie en evenwichtige zinsbouw verleidt hem soms tot
formuleringen en constructies die ons gemaniëreerd voorkomen. Zo lezen we
bijvoorbeeld over het | | | | vreugdebetoon bij de afkondiging van het
Bestand: ‘Soo veel vreught betooninghe, loven, ende dancksegginghe wasser
over al, dat men wel klaer-blijckelijk sien konde, dat het hart, yseren wreet
wraeckgierigh ghemoedt, nu verandert was, in eenen sachten, gheestighen,
goedertieren, ende danckbaren sin’ (278-279).
Daar de
Helicon alleen in de grote wetenschappelijke
bibliotheken voorhanden is en ik niet naar een tekstuitgave of een reprint
verwijzen kan, zal ik om een indruk van de opzet en de inhoud te geven beginnen
met het verhaal te volgen en de interessantste bijdragen te signaleren.
Vervolgens noem ik de voornaamste medewerkers en behandel de dichtsoorten en
-vormen, om tenslotte op de chronologie van de gedichten in te gaan.
Als de verteller in de morgen zijn huis verlaat, komt hij al spoedig
op een plaats waar kunstliefde en enthousiasme hem zijn zinnen doen verliezen.
In zinsverrukking ziet hij een middelhoge berg voor zich. Van dan af lopen de
Franse en de Nederlandse tekst uiteen: de Franse verteller gaat naar een terras
en de onze begeeft zich naar een schouwburg aan de voet van de berg. Daar
aangekomen ziet hij dat er juist een ‘Vreught-eyndigh Spel’
aanvangt over het misbruik en de juiste beoefening van de dichtkunst. De
intrige is eenvoudig: het spel draait om Vrouwe Redenrijcke, de personificatie
van de poëzie. Zij beklaagt zich over de ontheiliging van haar
‘Helicons prieel’ door drie onwaardige
kunstbedrijvers-drinkebroers. Als vierde is er Oudt ghebruyck, de
verpersoonlijking van de zuivere rederijkerskunst, echter geheel verloederd
door de omgang met de drie anderen. Tegenover hen staan drie ware
kunstbeoefenaars die streven naar ‘eerlijck reyn vermaeck’ waaruit
de deugd voortkomt. De afloop laat zich raden: na veel geruzie moet het eerste
drietal het veld ruimen. Oudt ghebruyck, ontdaan van zijn slonzige kleed,
blijkt de oorspronkelijke, zuivere kunst te vertegenwoordigen. Qua problematiek
en vormgeving maakt het stuk een ouderwetse indruk, op meer dan
één plaats blijkt het poëticaal nog te steunen op
Const van Rhetoriken (1555) van
Matthijs de Castelein. Marijke Spies wijst erop dat in de
figuren van ‘Liefhebber der konst’ en ‘In konsten
vierigh’
8 een paar optreedt -
namelijk de kunstminnaar en de kunstbeoefenaar - die we nog meermalen in de
bundel zullen tegenkomen.
9 Auteur is
Jacob Celosse uit Leiden.
10
De schouwburg is versierd met schilderingen en taferelen die in
gedichten beschreven worden. Zo wordt in ‘Choor, ofte Versamelinghe der
Muses’ een uitbeelding van de zanggodinnen verklaard. Het lange gedicht
bevat een overstelpende hoeveelheid gegevens over de namen, bijnamen en
attributen van de | | | | Muzen en de deugden die hun toegekend worden.
Vermoedelijk heeft de maker,
Jacob van der Schuere, het meeste daarvan, zo niet
alles, ontleend aan
Wtlegghingh op den Metamorphosis Pub. Ovidii
Nasonis van
Karel van Mander. Het volgende ‘Lofdicht der
Duytscher Talen’ van
Dirck Woutersen is geïnspireerd door een paar
passages uit Van Manders ‘Strijdt tegen Onverstandt’, waarover
straks meer. Afkerig van de heidense Oudheid met haar mythologische fabels eert
de dichter de Bijbelse Jubal (Genesis 4:21) als uitvinder van de
zangkunst. De blanke top der duinen is voor hem ònze Helicon. Zo
ontstaat een mythe voor de dichtkunst in de eigen taal, gemodelleerd naar het
antieke voorbeeld en wat hem aangaat Bijbels van aard en strekking:
Een vaster grondt en beter stijl wij treffen,
Om Scheppers werck end'Schepper self verheffen. (63)
Bij het verlaten van de schouwburg vangt de verteller een lange
‘Veldt-dichtsche T'saemspraeck’ op, een dialoog als van landlieden,
tussen een kunstbeoefenaar en een liefhebber. Aan het Spaarne bij
Haarlem willen ze een Helicon voor de Nederlanden stichten door er
een ‘Lust-tooneel’ te bouwen. Ze zingen de lof der dichters door
niet alleen tal van Griekse en Romeinse te noemen, maar ook Italiaanse,
zestiende-eeuwse Franse, Duitse en Nederlandse; Engelse dichters worden echter
niet vermeld. De dichter is een zekere
I. Bernardus. Wanneer de verteller de twee uit het oog
verliest, is hij getuige van een schipbreuk: ‘Droef eynde eener
Schip-vaert’, door
Pieter Vergeelseun, een dialoog tussen
‘Konstlievigh Hert ende Yverigh tot Konst’, dezelfde twee als in
het toneelstuk en de dialoog. De eerste spoelt als drenkeling aan land. Hij is
scheepgegaan ‘om 't nieu gebouw / Op Helicon ghemaekt te moghen gaen
besoecken’ (89), maar negatieve krachten als Momus - de vitterij - en
Invidia - de naijver - hebben de zee- en windgoden tegen hem opgezet. De ander
heeft de tocht naar de zangberg over land ondernomen, maar eveneens erg van
Momus en Invidia te lijden gehad. Tot hun vreugde constateren zij echter dat ze
niet ver meer van het Lusttoneel verwijderd zijn. Hiermee eindigt de eerste
afdeling.
De verteller realiseert zich dat het menselijke leven evenzo een
moeitevolle reis is waarbij velen struikelen op de weg naar de deugd. Zoekend
naar die weg, ziet hij een bode aankomen met een brief die door ieder die dat
wil gelezen mag worden.
De tweede afdeling is gewijd aan de beoefening van de deugd en de
kunst en aan het christelijke geloof, welke zeker voor
Karel van Mander nauw verbonden zullen zijn geweest. Hij
heeft ook het sterkst zijn stempel op de afdeling gezet door niet minder dan
drie grote gedichten te leveren op een totaal van tien bijdragen.
Het briefgedicht ‘Strijdt tegen Onverstandt’ schreef hij
in ‘'tgulden Jaer’ 1600 | | | | voor een jongere vriend.
11 Nu is Onverstand een begrip dat, herhaaldelijk in de
Helicon voorkomend, een scala aan negatieve
betekenissen bezit, reikend van onwetendheid, onnadenkendheid tot ondeugd en
kwaadwilligheid. In de brief gaat het om de godsdienstige bekrompenheid, de
intolerantie. De dichter begint met de Hollandse regenten te prijzen, die geen
gewetensdwang uitoefenen, zodat er vrede en welvaart op hun grondgebied
heersen: ‘Ghy weet, o, Landt! niet, hoe gheluckigh dat ghy zijt’
(98). Dan houdt hij een indrukwekkend pleidooi voor gematigdheid en
gewetensvrijheid - niet een strak logisch betoog, al zit er ondanks
uitweidingen en gedachtensprongen wel degelijk lijn in. Na dit algemene
moraliserende deel richt hij zich in tweede instantie tot zijn vriend met een
persoonlijk woord over de poëziebeoefening. Hij spoort hem aan zich roem
te verwerven door in de eigen taal te dichten en schrijft dan:
Mijn Helicon zy slechs voortaen den witten blinck.
Dit Landt, daer Reden heerscht so matelijck bescheiden:
Wat soude mijnen sin daer van doch moghen leyden?
12 (108)
Voor zichzelf heeft hij Vlaanderen voorgoed afgeschreven, maar in de
woorden waarmee hij over zijn geboortestreek spreekt, schrijnt het heimwee.
‘Strijdt tegen Onverstandt’ is een lang en stug gedicht,
maar toen ik me er eenmaal in verdiepte, raakte ik steeds meer geboeid.
Ofschoon het uit twee ongelijke en ongelijkwaardige delen bestaat, heeft
Van Mander deze met een zekere behendigheid weten te
verbinden. Door zijn vrienden is het gewaardeerd, zoals blijkt uit de weerklank
die het in hun werk gevonden heeft.
Op een goed ogenblik ziet de verteller op een steile rotspunt een
tempel staan. Het is ‘De Kerck der Deught’, beschreven in een
uitvoerig gedicht van
Ronsard, door
Van Mander nagevolgd.
13 Volgens de tekst zelf
geeft het een droomgezicht weer. Daarin worden de enkelingen die de tocht naar
het heiligdom aanvaarden en volbrengen, door Deugd geleid tot het beoefenen van
de kunsten, dat de mens tot in de hemelse sferen van de Muzen voert. Het
werkstuk, een nieuwjaarsgroet uit 1600 voor de schilder
Cornelis Ketel, is tevens bestemd voor de graveur
Hendrick Goltzius en een Amsterdamse notaris. Naar zijn
inhoud en betekenis is ‘De Kerck’ het centrale gedicht van de
afdeling, al is ‘Strijdt’ mijns inziens poëtisch interessanter
en karakteristieker voor zijn maker.
De tempel is versierd met afbeeldingen die hun neerslag gevonden
hebben in gedichten welke ik onvermeld laat. ‘Verhael van 'tleven des
Menschen, afsterven, ende ghevolgh
14’
van
Karel van Mander
15, gepresenteerd als een alge- | | | | meen grafschrift op het
kerkhof bij de Deugdkerk, besluit de afdeling. Niet gedateerd of aan een vriend
opgedragen, is het een dringende oproep gehoor te geven aan Christus'
uitnodiging tot Hem te komen zolang het nog kan, dan heeft de mens dood noch
Oordeel te vrezen.
De verteller zet zich neer om het grafschrift nog eens ‘te
lesen, overlesen, doorlesen, ende herlesen’ (156), maar slaap overmant
hem. Als hij wakker wordt en om zich heen ziet, ontdekt hij dat de kerk en
alles wat erbij hoorde, verdwenen is… Zijn geestvervoering is voorbij.
Aan de voet van de berg kijkt hij uit over akkers en boomgaarden, waar gewerkt
wordt. Het is inmiddels middag geworden en de landarbeiders verzamelen zich om
te schaften. Zij houden hun maal ‘niet met uytghesochte leckere spijse
ende dranck, om dertele kelen te verlustigen, maer met hertelijcken boere-kost,
om den hongherigen buyck te versadighen’ (156-157) - de bekende
tegenstelling tussen het leven op het eenvoudige land en dat in de verwende
stad.
Als iedereen gezeten is worden er twee tafelspelen opgevoerd: een
redetwist van de elementen Lucht en Aarde, die beslist wordt door de Mens, en
één van Vuur en Water waarin Redelijk Verstand het laatste woord
spreekt.
16 Beide
zijn van
Celosse die ook voor het openingsspel tekende. In
‘Seven nieuw-ghemaeckte Klinck-dichten, ghestelt op de namen van elcken
dagh van der Weke’ beschrijft
Maerten Beheyt
17 hoe de planeet/godheid waaraan een
dag zijn naam dankt, het karakter ervan stempelt en welke morele of
godsdienstige lessen de mens daaruit trekken kan. Met deze originele
sonnettencyclus heeft Beheyt, een middelmatig verzenmaker, zichzelf
overtroffen. Over de daarop volgende liederen op de seizoenen, vol met
godennamen, merkt de verteller/samensteller achteraf met voldoening op dat ze
‘geen hierlantsche boerensangh’ over drinken en vrijen waren; de
groep arbeiders leek hem wel een gezelschap van antieke faunen en bosgoden die
zich van onze taal bedienden (199).
Als twee kunstlievende jonge mannen een kunstbeoefenaar - daar zijn
ze weer! - aanklampen met het verzoek de schatkamer van zijn kunst voor hen te
openen, vangt het tweede deel van de derde afdeling aan. Op hun aandringen
haalt de beoefenaar een boek tevoorschijn waarin achttien vriendschapsverzen
geschreven staan: verzoeken, aansporingen, nieuwjaarsgroeten en
beterschapswensen, merendeels sonnetten. Veel van de gedichten lijken in
wisselwerking paarsgewijs tot stand gekomen te zijn.
| | | |
Het tweeledige pronkstuk van de serie wordt ongetwijfeld gevormd
door de nieuwjaarsgroeten - geen sonnetten - in 1601 gewisseld door
Jonker Jan van der Does,
Heer van Noordwijk, en de jonge
Daniël Heyns.
18 De laatste
beantwoordt een complimenteus vers van zijn oudere vriend met speels-beleefd te
verklaren dat wat de Ouden over Apollo beweerden slechts ten dele waar is: die
is wèl aan de zeekust geboren, niet op Delos echter maar te
Noordwijk, bovendien spreekt hij ònze taal. Dit
afstandnemen van de klassieken ten gunste van het modern-nationale, ofschoon
hier niet in volle ernst, troffen we al eerder aan. Hoe beide gedichten in de
Helicon terecht gekomen zijn, laat zich slechts
gissen.
Van der Does noch
Heyns behoren tot de Vlaamse rederijkers. Op grond van een
rouwdicht van
Heyns voor
Van Mander, overigens niet in de
Helicon opgenomen, neem ik aan dat de twee elkaar
kenden. Verder maakte
Abraham van der Mijl in 1604 een nieuwjaarslied voor
Melchior Wijntgis, een Middelburgse kunstverzamelaar en
een goede bekende van
Karel van Mander, op het thema ‘Ghelijck soeckt
zijns ghelijck’: ziel en geest van de aangesprokene zoeken overal de
schoonheid. Het onderling verkeer van kameristen is onderwerp in een sonnet van
Woutersen voor een vriend in Hoorn, hem
aansporend zijn dichtwerk in Haarlem bekend te maken, en in twee
dringende verzoeken van hem aan
Beheyt om een geschil tussen twee Haarlemse kamerbroeders
te sussen.
Van der Schuere zorgde voor een lied ter gelegenheid van
een ontmoeting van de Amsterdamse kamer ‘De Eglentier’
en de Haarlemse ‘Witte Angieren’.
Tenslotte zijn er nog twee curieuze verzen:
Van der Schuere doet op een ongewoon losse verteltoon,
grotendeels in de directe rede, verslag van het bezoek aan een ernstig zieke
vriend, vervolgens verhaalt
Vergeelseun hoe hij als reconvalescent op een lentedag
voor het eerst weer naar buiten gaat - opvallende punten van overeenkomst doen
vermoeden dat ze bijeenhoren.
Dan is volgens het proza-intermezzo de rusttijd om en gaan de
arbeiders weer aan het werk. Op zijn verdere tocht ontmoet de verteller een
landbouwer die de lof zingt van ‘Bauw-heers Wel-leven’ (233-238),
het bekendste dichtstuk uit de bundel, vervaardigd door
P.J. Schaghen.
19 Het is een variatie op het motief van
Horatius' ‘Beatus ille (…)’. De
dichter maakte een imiterende bewerking van het slot van de derde dag uit
Du Bartas'
La Sepmaine uit 1578
20, een destijds
alom bewonderd dichtwerk over de scheppingsweek. Zo bekwaam wist hij er
fragmenten van andere Franse en ook Nederlandse gedichten in te verwerken
21, dat het bij het lezen niet opvalt. Over het geheel
genomen maakt het ge- | | | | dicht een frisse, natuurlijke indruk. Een boer
die zijn melkschuitje door een sloot duwt, wordt beschreven:
Zijn sorglijck swervend' schip, dwers drijvend' op de Zee,
Is niet tot tijdverdrijf der licht draeywinden ree,
Noch als mallustigh, die bezeylen 'sweerelts hoecken,
Wil hy zijn eyghen doot soo verr' niet loopen soecken,
Maer zijn melckpraempjen ranc, in't ondiep water spoeyt
na 'tvelt, daer hy het schuyft, oft daer hy't kloet oft roeyt,
Verlatend' nemmermeer zijn hofsteed' uyt het ooghe,
Maer neemt zijn nacht-rust op zijn eygen bed in't drooge:
Hy kent gheen ander Zee, weet van gheen aar Rivier,
Dan van zijn beeckjen klaar, het gorgel-stroom ghetier:
End' dit zijn landt, dat hem in't leven liet verwerven
Zijn levens onderhoudt, beaerd' hem na zijn sterven.
22 (235)
Deze vierde afdeling heeft een gemengde inhoud. In het eerste
gedeelte staan overwegend moraliserende bijdragen. Daarna ziet de verteller
drie herders voorbij komen die op hun pansfluiten een paar liedjes spelen over
anekdotische onderwerpen. Die zullen waarschijnlijk ter afwisseling opgenomen
zijn maar in het geheel van de
Helicon maken ze een wat verloren indruk.
Een redetwist tussen Menelaüs en Agamennon over Iphigenia's
offerdood, waarvoor
Beheyt een Franse prozatekst in Nederlandse
alexandrijnen omzette
23, vormt vervolgens de
inleiding tot een reeks gedichten en liederen over de oorlog,
vredesonderhandelingen en het sluiten van het Bestand, die de afdeling vol
maken.
24 Het
twistgesprek is nauwelijks ten einde of daar verschijnen ineens Mars en zijn
trawanten ten tonele, de mensen stuiven uiteen.
Woutersen laat de godin van de landbouw over de oorlog
klagen en
Van der Schuere schrijft met gebruikmaking van
Erasmus'
Querela Pacis een klaaglied van de Vrede.
25
Karel van Mander sluit daarop aan met een
‘Boere-klacht’ bij monde van een Vlaamse landman. Het is een
rederijkersreferein met de sterke stokregel ‘Die Oorlog heeft geproeft,
die weet hoe Vrede smaeckt’ (264-266). De drie klachten zijn realistische
tegenhangers van het idyllische ‘Bauw-heers Wel-leven’. Tenslotte
zijn een zestal bijdragen van Woutersen en Van der Schuere zo gerangschikt dat
ze min of meer het verloop van de onderhandelingen tot en met het Bestand
volgen. Van de meningsverschillen over de wenselijkheid van vrede of
wapenstilstand, zowel | | | | onder de Zuidnederlandse immigranten als onder
de Hollanders zelf, is niets terug te vinden, er spreekt alleen een vurig
verlangen naar vrede. Wat verwondert is dat de uitgeweken Vlamingen in een
gedicht niet de eis stellen dat eerst de achtergeblevenen in het Zuiden bevrijd
worden.
Uitvoerig beschrijft de verteller de uitbundige feestviering ter
gelegenheid van de afkondiging van het Bestand in 1609. Als hij een groot huis
waar feestgevierd wordt binnengaat, komt hij in een ruime zaal waar in elke
hoek een pas getrouwd paar met zijn gasten staat. Van de dan volgende
bruiloftsgedichten zijn twee de moeite waard: één van
Karel van Mander en één van
Dirk Woutersen. Het eerste ter ere van het huwelijk van
Mr. Th. Schrevelius en
Jonkvrouw M. van Teylingen in 1599 is de vroegste proeve
van een epithalamium volgens klassiek model in de Noordelijke Nederlanden.
26 Qua vormgeving nog leunend op de
rederijkerstraditie, is het naar genre en mentaliteit renaissancistisch. Het
tweede is bestemd voor G.I. (zetfout voor G.T.) en S.I.B., welke initialen met
behulp van een anoniem bruiloftsdicht voor hetzelfde paar in een liedboek uit
1608 te identificeren zijn als
Gillis Tayspil en
Sarah Iacobs Bey.
27 Het
merkwaardige is nu dat de tekst van de
Helicon, geheel in de geest van de bundel, een
geleerd-mythologisch karakter draagt, terwijl het andere gedicht
bijbels-christelijk van signatuur is. Hierna worden verzen over de liefde en de
vrouw in het algemeen ten gehore gebracht.
Onverwachts treden vier gemaskerde mannen de zaal binnen, zij zullen
de bruiloftsgasten met voordrachten vermaken. De eerste stelt ‘den
vermaerden Tuscaner’ voor, klagend over Laura's dood. Hij declameert zes
sonnetten van
Petrarca, vertaald door
Beheyt
28 - weliswaar overgenomen uit het Frans van
Clément Marot, maar dat wordt niet vermeld. De
overzettingen van Marot zijn geen meesterstukken en Beheyt is geen groot
poëet, het resultaat staat dus ver van de Italiaanse originelen af. De
volgende man lijkt op de ‘Cahorschen kluchtigen Kamerlingh’,
hiermee wordt
Clément Marot bedoeld. Hij laat ‘Le Temple
de Cupido’ horen als ‘Cupidos Kerck’
29 in de overzetting van
Jacob van der Schuere, die ook de overige drie
vertalingen voor zijn rekening genomen heeft. Het langademige werk beschrijft
de zoektocht naar ‘Trauwe Liefde’ en het heiligdom waarin zij
zetelt. De derde zingt een ‘Vendamoisch Liedeken’, wat erop duidt
dat hij
Ronsard voorstelt. Diens ‘Elégie à
Janet’ met het renaissancistische motief van het portret van de geliefde
kreeg de titel ‘Kluchtigh versoeck om 't Liefs afbeeldinge’. De
laatste artiest,
Philippe Desportes voorstellend, zingt een | | | | ‘Nacht-Minne-klacht’: ‘O nacht, zeloerschen nacht,
tegen my boos verbonden’, een vertaling van diens beroemdste gedicht.
30 Als er onder de toehoorders
een discussie ontstaat over ‘wat eygentlijck het minnen mochte
wesen’, zingt ‘de Vendamoyser’ de ‘Wtbeeldinghe van
Cupido’, een vertolking van Ronsards bekende chanson ‘Qui veut
sçavoir (…)’.
31
Jacob van der Schuere is een nauwgezet vertaler, hij
probeert de Franse verzen, zo mogelijk, woordelijk weer te geven, met behoud
van regellengte, rijm-schema en strofevorm. Bij de overzetting van Desportes en
in ‘Wtbeeldinghe’ naar
Ronsard heeft hij strofen verplaatst en sommige
gedeelten weggelaten of vervangen, als men ze met moderne edities vergelijkt,
maar of hij dat op eigen initiatief deed of van een ander origineel uitging, is
nog onduidelijk. Over het algemeen genomen levert hij bekwaam en verdienstelijk
werk. De gedichten worden uitdrukkelijk als vertalingen met aanduiding van de
oorspronkelijke makers gepresenteerd, zulks in tegenstelling tot de eerder
genoemde navolgingen - imitationes - naar
Ronsard en
Du Bartas waarvan de herkomst onvermeld blijft. Die
navolgingen en de vertalingen van Ronsard en
Desportes aan het slot van de
Helicon vormen een modern tegenwicht voor het
toneelstuk waarmee de bundel opent. Een afscheidsliedje maakt laat in de nacht
een einde aan het samenzijn. De bruidsparen en hun gasten vertrekken om te gaan
slapen. Met een uitweiding over de Slaapgod, overgenomen uit Van Manders
Wtlegghingh op den Metamorphosis en het vertaalde
slot van
Belleau's
Bergerie sluit de verteller zijn verhaal af.
Zoals gezegd bevat de
Helicon een verzameling dichtwerk die voor het
merendeel afkomstig is uit de kringen van de Vlaamse rederijkers in
Haarlem en Leiden. Tussen 1590 en 1600 richtten
uitgeweken Zuiderlingen in enige Hollandse steden eigen rederijkerskamers op,
zo te Haarlem ‘De witte Angieren’ met de zinspreuk
‘In Liefde getrouwe’ en in Leiden ‘De Orangie
Lelie’ met ‘In liefde groeyende’.
32 In de bundel staan tegenover vijftien dichters van Vlaamse afkomst
- dat wil zeggen: gevlucht uit Vlaanderen of uit Vlaamse ouders geboren; er
zijn dus geen Brabanders onder! - slechts een vijftal Hollanders met
één of meer bijdragen.
Zoals gebruikelijk in rederijkerskring zijn de dichtstukken, enkele
uitzonderingen daargelaten, niet ondertekend met een naam maar met een
kenspreuk. Van de meeste dichters kennen we de naam en, als ze die voeren, de
spreuk, | | | | van vijf alleen maar een spreuk. Omdat het weinig zin heeft
hier alle twintig namen en/of spreuken op te sommen, beperk ik me tot degenen
die hetzij om hun werk hetzij hun persoon vermelding verdienen.
33
Als eerste moet natuurlijk de dichter-schilder
Karel van Mander (1548-1606) genoemd worden, vroom
tekenend met ‘Een is noodigh’.
34 Nadat hij zich in 1583 te Haarlem gevestigd
had, speelde hij er een vooraanstaande rol in het artistieke en literaire
leven. Als dichter maakte hij in 1597 naam door
Ossen-stal en Landtwerck, de vertaling van
Vergilius'
Bucolica en
Georgica. In of kort na 1600, neem ik aan, zal
hij het initiatief tot een collectieve poëzie-uitgave genomen hebben, maar
omdat hij toen waarschijnlijk de handen vol had aan
Het Schilder-Boeck (1604), is zijn plan niet tot
uitvoering gekomen. In 1603 vertrok hij naar Heemskerk en in 1604
ging hij in Amsterdam wonen, waar hij twee jaar later overleed. Te
zijner gedachtenis verscheen in 1609 een bundel rouwdichten waaraan ook
Haarlemse en Leidse kameristen meegewerkt hadden
35. In de
Helicon staan acht bijdragen van zijn hand, geen
groot aantal, maar uit alles blijkt dat hij de centrale, bezielende figuur voor
de Haarlemse en Leidse Vlamingen geweest is. Hun kennis van de mythologie is
geput uit
Wtlegghingh op den Metamorphosis Pub. Ouidij
Nasonis., opgenomen in Het Schilder-Boeck, terwijl zijn
dichtwerk, met name ‘Strijdt tegen Onverstandt’, meer dan
één van hen geïnspireerd heeft.
Naast hem komt
Jacob van der Schuere (1567-na 1643) als belangrijke
medewerker naar voren.
36 Hij geeft de bundel welke
Van Mander op het oog had immers zijn definitieve vorm,
bovendien dragen negentien gedichten zijn spreuk ‘Doorsiet den
grondt’. Zijn vertalingen bewijzen dat deze ‘Francoyse
Schoolmeester’ de taal en letterkunde van Frankrijk goed kende.
Dirck Woutersen - ‘De Liefde sticht’ - heeft
met dertien bijdragen eveneens een aanzienlijk aandeel in de
Helicon. Over hem en
Pieter Vergeelseun - ‘Liefde baert vrede’ -
met twee stukken, weten we verder niets. Van ‘Lust boven konst’ die
goed is voor niet minder dan negen nummers, voornamelijk seizoensliederen en
liefdesklachten, kennen we zelfs de naam niet; een bruiloftslied voor een
kamerlid en vermoedelijk plaatsgenoot wijst in de richting van
Haarlem.
Onder de Leidse Vlamingen nam
Jacobus Celosse (1560-1630) een voorname plaats in,
vermoedelijk was hij van ongeveer 1610 tot 1631 factor van ‘De
Orangie Lelie’.
37 Zijn spreuk ‘Ick wensch om 't beste’
staat onder het toneelwerk in de Helicon. Over
Maerten Beheyt - ‘Met arbeydt heen’ -,
verantwoordelijk voor vier bijdragen, waaronder twee series sonnetten, zijn tot
nu toe geen bijzonderheden | | | |

Karel van Mander (uit: Het Schilder-boeck (1604);
foto UB Amsterdam)
| | | |
gevonden.
Iasper Bernaerts oftewel
Bernardus - ‘Ick haet bedrogh’ - die in zijn
tweegesprek bladzijden lang de namen van vreemde en inheemse dichters wist te
verwerken, was schoolmeester en van 1596 tot 1603 woonachtig in
Leiden.
Daniël Heyns (1580-1655) uit Gent
maakte geen deel uit van ‘De Orangie Lelie’. Deze begaafde student
en later hoogleraar aan de Leidse universiteit is meer bekend onder zijn
geleerde naam
Heinsius. Behalve de dichtkunst in het Latijn beoefende
hij met succes de Nederlandse. Hetzelfde geldt, zij het wat het laatste betreft
in mindere mate, voor
Jonker Jan van der Does (1545-1604), geen Vlaming maar
een Hollander van geboorte. Curator van de universiteit, genoot hij onder de
naam Janus Dousa in humanistische kringen bekendheid als Latijns dichter.
Pieter Janssoon Schaghen (1578-1636) uit
Alkmaar, koopman en regent met artistieke interessen, ondertekende
‘Bauw-heers Wel-leven’ met een raadselachtig anagram
‘Door Ghenaa, is Christ onse Open’, waarover veel discussie
geweest is totdat de dichter in 1977 geïdentificeerd werd.
38
Abraham van der Mijl (1558-1637), afkomstig uit een
Dordtse familie, stond van 1589 tot 1610 als predikant te
Vlissingen. Uit zijn studietijd had hij Vlaamse relaties, hij was
bevriend met D. Heyns. In de Helicon is hij vertegenwoordigd met een
anekdotisch gedicht en een nieuwjaarslied uit 1604.
De schilder
Cornelis Ketel (1548-1616), in Gouda
geboren, woonde sinds 1581 te Amsterdam. Als ‘Deucht
verwint’ publiceerde hij liederen en gedichten. Gegeven zijn vriendschap
met Van Mander behoeven het ons niet te verwonderen dat hij aan de Haarlemse
bundel meegewerkt heeft, en wel met een tiental sonnetten en twee liedjes.
Deze, uit de jaren 1600 en 1601, zijn veelal voor met name genoemden
bestemd.
Tenslotte zij vermeld dat de Alkmaarse drukker
39 een Vlaming was, evenals de uitgever uit
Haarlem.
40 Al met al zal het duidelijk zijn dat de Helicon in opzet
en uitvoering hoofdzakelijk een aangelegenheid van de Haarlemse Vlamingen en
hun connecties geweest is.
Het is een verzameling gedichten uit de tijd van overgang van
laat-middeleeuwse rederijkerij naar de renaissancekunst. Een bundel van
rederijkers die bewust en definitief voor het nieuwe gekozen hebben, zonder dat
ze behoefte voelen uit het kader van hun kamers te treden. Die organisatievorm
zullen ze nog gewaardeerd hebben, overtuigd als ze zijn dat ze alleen
gezamenlijk verder kunnen komen. Al proberen ze zich met het nieuwe vertrouwd
te maken, in | | | | menig opzicht zijn ze nog met het overgeleverde
verbonden. Om antieke namen aan te leren en in de mythologische verhalen thuis
te raken is zo moeilijk nog niet, maar zich een andere mentaliteit eigen maken
vraagt tijd en een nieuwe dichttechniek onder de knie te krijgen kost oefening
en inspanning. We hoeven er niet aan te twijfelen dat
Van Mander en
Van der Schuere cum suis de bedoeling hadden hun lezers
te bewijzen dat een dichtkunst naar klassiek model en op voorgang van Fransen
en Italianen in onze taal bestaansrecht had: niet minder dan andere moderne
talen had het Nederduits recht op een eigen Helicon!
Celosses spelen, die een aparte plaats innemen, buiten
beschouwing gelaten, zien we dat van de oude genres het referein nog in ere
gehouden wordt: Van Mander leverde er twee en Van der Schuere drie. Van de
moderne dichtvormen komt het sonnet het meest overtuigend naar voren met
zesendertig stuks van redelijke kwaliteit, merendeels in alexandrijnen, geen
amoureuze zoals men misschien verwachten zou maar meest in de
vriendschappelijke sfeer. Daarnaast zijn het briefgedicht en het
‘verhaalgedicht’ met enige specima vertegenwoordigd, verder zijn er
een paar ‘t'samenspraken’, een bruiloftslied in klassieke trant,
een elegie of klaagdicht dat die naam eigenlijk niet verdient en een
‘lierdicht’ dat wel als ode zal moeten gelden. Een aantal korte
gedichten zouden epigrammen genoemd kunnen worden, ook al valt die naam niet.
Een belangrijke plaats nemen een stuk of vijf lange, niet-strofische
dichtstukken in, geschreven in gepaard-rijmende alexandrijnen, met een
verhalende of betogende inhoud, naar het voorbeeld van Ronsards
Discours. Mijn indruk is dat de Heliconisten er
niet zozeer op uit waren een staalkaart van allerlei modern dichtwerk met de
bijbehorende fraaie benamingen aan te bieden als wel dat ze in poeticis, zoals
de titelpagina ook aangeeft, vooral belang hechten aan het praktiseren van het
maatdicht, het telvers. Wat hun echter het meest ter harte ging is de
taalzuiverheid. Dat vermeldt het titelblad, daarop wijst de uitgever
nadrukkelijk in zijn opdrachtbrief aan het begin en daarvoor gebruikt de
samensteller het slotwoord, waarin hij verzekert dat hij naar vermogen
geprobeerd heeft ‘om alle uytheemsche woorden uyt te wieden’ (330)
en zich verontschuldigt als er aan zijn aandacht ontsnapt mochten zijn.
Een intrigerende vraag is hoe het met de chronologie van de
gedichten staat. Van de ruim negentig nummers zijn er drieëntwintig
gedateerd, dat wil zeggen van een jaartal voorzien, terwijl er van zestien bij
benadering te bepalen valt wanneer ze vervaardigd kunnen of moeten zijn. De
gedateerde zijn in meerderheid door
Van Mander en
Ketel geschreven in 1600 of 1601, waarschijnlijk behoren
zij tot de oude kern van de verzameling.
Wat de gedichten betreft die bij benadering te dateren zijn ben ik
van drie feiten uitgegaan: Van Manders Vergiliusvertalingen verschenen in 1597,
Het Schilder-Boeck met de
Wtlegghingh kwam in 1604 van de pers en de auteur
overleed in 1606. Als zijn ‘Boere-klacht’ gelijksoortige
reminiscenties aan de vertalingen vertoont als zijn bruiloftslied van 1599,
neem ik aan dat de klacht om- | | | | streeks 1600 geschreven is. Wanneer een
gedicht van een kamerist mythologische gegevens verwerkt die qua inhoud en
formulering afkomstig zijn uit de Wtlegghingh, moet het tussen 1604 en
1610 geplaatst worden, terwijl een gedicht van
Van Mander of voor hem bestemd op zijn laatst in 1606
vervaardigd kan zijn. Wat ‘Bauw-heers Wel-leven’ betreft: omdat een
paar versregels geïnspireerd zijn door een vertaling van
A. van der Mijl en het slot herinnert aan een gedicht van
D.V. Coornhert, welke beide afgedrukt zijn in een
uitgaafje uit 1599, moet ‘Wel-leven’ nadien gemaakt zijn.
41
Dat de
Helicon aandacht verdient, zal naar ik hoop
duidelijk zijn. Niet omdat hij veel werk bevat van hoog esthetisch gehalte,
maar dat is ook niet te verwachten van deze verzenmakers; slechts een enkeling
onder hen wordt nog in de literatuurgeschiedenis genoemd. Het is echter een
interessante bundel omdat we er getuige van zijn hoe vernieuwing de overhand
krijgt op traditie. De dichtproeven mogen we niet zonder meer als verouderd
afdoen, wat wel gebeurd is, al is er evenmin reden om juichend te spreken over
een doorbraak van de renaissancekunst, zoals ook gedaan is. Nog niet geheel
vrij van het oude en nog niet helemaal vertrouwd met het nieuwe, draagt de
Helicon een tweeslachtig karakter, wat hem tot een boeiend studieobject
maakt. Als document uit de overgangsperiode lijkt de verzameling me
illustratief voor een ontwikkeling die zich aan het einde van de zestiende en
het begin van de zeventiende eeuw niet alleen in de Vlaamse kamers van
Haarlem en Leiden maar ook elders voorgedaan zal
hebben.
|
1Zie E.K. Grootes, ‘Het
jeugdig publiek van de “nieuwe liedboeken” in het eerste kwart van
de zeventiende eeuw’ in: W. van den Berg en J. Stouten, red.,
Het woord aan de lezer. Zeven literatuurhistorische verkenningen
(Groningen 1987) 72-88.
2J. te Winkel, ‘Den
Nederduytschen Helicon van 1610’, Tijdschrift voor Nederlandse
Taal- en Letterkunde (verder aangeduid TNTL) 18 (1899) 241-267. Zie
ook R. Jacobsen,
Carel van Mander (1548-1606), dichter en
prozaschrijver (Rotterdam 1906, herdruk Utrecht 1972)
215-251.
3‘Het gezelschap van de 16de
eeuw’ verspreidt onder zijn leden tweemaal per jaar een
Nieuwsbrief, waarin verslagen van bijeenkomsten, lezingen en onderzoek,
mededelingen, enz. Hoewel deze publikatie niet aanwezig zal zijn in de
universiteits- en instituutsbibliotheken, verwijs ik terwille van de
volledigheid van de documentatie enige malen naar bijdragen in de
Nieuwsbrief.
4Voor de behandeling van het titelblad, de
opdrachtbrief en de eerste afdeling van de bundel heb ik gebruik gemaakt van
Marijke Spies, ‘Poëticale opvattingen in de
Helicon’, Nieuwsbrief 8 (1991) 3-15.
5Zie L. van den Branden,
Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van
het Nederlands in de 16de eeuw (Koninklijke Vlaamse Academie van
taal-en letterkunde, reeks VI, nr. 77; reprint Arnhem 1967).
6R. Foncke, ‘Wie was de
samensteller van Den Nederduytschen Helicon?’, TNTL 37
(1918) 261-269.
7Zie Foncke, ‘Wie was de
samensteller’, en Karel Bostoen, ‘Medewerkers aan Den
Nederduytschen Helicon’, Nieuwsbrief 7 (1990)
3-18.
9Zie Spies, ‘Poëticale
opvattingen’.
10J.J. Mak, ‘Jacobus Celosse,
factor van de Vlaamse kamer “In liefde groeiende” te
Leiden’ in: J.J. Mak, Uyt ionsten versaemt, Retoricale
studiën 1946-1956 (Zwolle 1957) 211-248.
11W. Vermeer, ‘Karel van Manders
“Strijdt tegen Onverstandt”’, TNTL 102 (1986)
81-103.
12Blinck = duintop, met name een bekend
hoog duin bij Overveen; bescheiden = wijs; moghen = kunnen.
13Karel van Mander (1548-1606),
De Kerck der Deught, Hessel Miedema en
Marijke Spies, ed. (Amsterdam 1973, 2e ed. 1977).
14Ghevolgh = wat daarna volgt.
15Wim Vermeer, ‘Korte
aantekeningen bij Karel Van Manders “Verhael van 'tleven des menschen,
afsterven ende ghevolgh”’, Nieuwsbrief 7 (1990)
2.
16Rob Tempelaers, ‘ Den
Nederduytschen Helicon en de tafelspelen van Jacobus Celosse in P. Pikhaus'
Het tafelspel bij de rederijkers. Een kritisch
signalement’, Nieuwsbrief 6 (1990) 12-14.
17W. Vermeer, ‘Een opmerkelijke
cyclus: de sonnetten op de dagen van de week door Maarten Beheyt’
in: H. Duits, A.J. Gelderblom, M.B. Smits-Veldt, red., Eer is het lof des
Deuchts, Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan dr. Fokke
Veenstra (Amsterdam 1986) 77-87.
18W. Vermeer, ‘Een
“brief”wisseling tussen Jan van der Does Sr. en Daniël
Heyns’ TNTL 96 (1980) 161-189.
19L. Strengholt,
De dichter van ‘Bauw-heers Wel-leven’: Pieter
Janssoon Schaghen. Een oud literair-historisch vraagstuk opgelost
(Leiden 1977).
20J.A.N. Knuttel, ‘Bauw-heers
Wel-leven’, TNTL 46 (1927) 180-185.
21W. Vermeer, ‘“Bauw-heers
Wel-leven” als dissimulatieve imitatio’, TNTL 94
(1978) 107-128.
22Bij de verheerlijking van het landleven
behoorde afkeer van de gevaarlijke scheepvaart. Ree = beschikbaar; mallustigh =
dwaas; spoeyt = spoedt; schuyft = vooruit duwt; kloet = voortboomt; aar =
andere; ghetier = geruis; beaerd' = begrave.
23J.C. Arens en L.C. Michels,
‘“Redenen van Menelaus ende Agamemnon” door M. Beheyt
(Den Nederduytschen Helicon 1610) naar A. vanden Bussche dit le
Sylvain’, Verslagen en mededelingen Koninklijke Vlaamse
Academie van taal- en letterkunde (1967) 5-30.
24Voor deze passage heb ik gebruik gemaakt
van E.K. Grootes, ‘Oorlog en vrede in Den Nederduytschen
Helicon’, Literatuur 8 (1991) 283-290.
26M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
‘Een bruiloftsdicht van Karel van Mander’,
TNTL 92 (1976) 189-202.
27Rob Tempelaers, ‘G.I. en
S.I.B. Een raadsel uit Den Nederduytschen Helicon
opgelost’, Nieuwsbrief 8 (1991) 29-31.
28Zie Catharina Ypes,
Petrarca in de Nederlandse letterkunde
(Amsterdam 1934) 40-43.
29Lucas d'Heere maakte een halve
eeuw eerder ook al een bewerking. Zie Lucas d'Heere,
Den Hof en Boomgaerd der Poësien, W.
Waterschoot, ed. (Zwolle 1969) 5-13.
30Van Desportes' gedicht verscheen in 1615
nog een andere, anonieme vertaling in
Apollo of Gesangh der Musen, A. Keersmaekers
en K. Bostoen, ed. (Deventer 1985) 23-24.
31Van der Schueres vertaling van Ronsards
chanson werd ook afgedrukt in
Den nieuwen Lusthof. Zie A.A. Keersmaekers,
Wandelend in Den nieuwen Lusthof (Nijmegen
1985) 100-101.
32J.G.C.A. Briels, ‘“Reyn
genuecht”. Zuidnederlandse kamers van Rhetorica in Noordnederland
1585-1630’, Bijdragen tot de geschiedenis 57 (1974)
3-89.
33Hiervoor heb ik gebruik gemaakt van
Bostoen, ‘Medewerkers aan Den Nederduytschen
Helicon’.
34Zie Nationaal biografisch
woordenboek XI (Brussel 1985) 474-479, een bijdrage van Werner
Waterschoot.
35Epitaphien ofte Grafschriften
ghemaeckt op het afsterven van Carel van Mander, in sijn leven cloeck Schilder
ende Poët, overleden zijnde den 11. September 1606 (Haarlem
1609).
36Zie over hem de inleiding bij Jacob van der
Schuere,
Nederduydsche spellinge, F.L. Zwaan ed.
(Groningen/Djakarta 1957).
37Zie Mak, ‘Jacobus
Celosse’.
38Zie Strengholt,
De dichter van ‘Bauw-heers
Wel-leven’.
39Alice van Diepen ‘Jacob de
Meester (?-1612); een opmerkelijk drukker’, De zeventiende
eeuw 6 (1990) 117-121.
40H.J. Laceulle-van de Kerk,
De Haarlemse drukkers en boekverkopers
1540-1600 ('s-Gravenhage 1951) en J.G.C.A. Briels,
Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de
Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630 (Nieuwkoop
1974).
41Zie Vermeer, ‘“Bauw-heers
Wel-leven”’.
|
|