Aan Gaby
In dien tijd, 't was toen Onze-Lieve-Heer nog onder de mensen preekte, leefde er in een kelderken te Jeruzalem een schoenlapper genaamd Ahasverus. Hij was in 't zelfde jaar als Christus geboren, een flinke opgeschoten kerel van een Jood, met een beenderig gezicht en een paar klare kijkers, waar een vlam in stak.
Hij stond gaarne met bei zijn voeten op den grond, en wat niet recht was noemde hij krom, al hield hij weinig van zeggen: ieder gaat toch zijn eigen gang, dacht hij, en de dood is aan alleman gegeven.
Die Ahasverus voelde zich niet gelukkig.
In hem was er iets, dat hem geen rust het, daarbinnen brandde er iets, waar hij geen weg meê wist, hij was gelijk een die zich in zijn bed heenendweer wentelt en zijn slaap niet vinden kan.
Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zat hij in zijn kelderken gedoken, sneed zijn leer, trok zijn pekdraad, lapte pollevijen, hamerde op hak en zool, slaafde dat het tot bij de buren stoof, maar nooit hoorde hij 't zoete gekis van boter in de pan. Dag in, dag uit: 't was altijd zo geweest, 't zou altijd zo blijven: hij kon er niet meer buiten, het leven had hem bij zijn schabbernak vast en duwde hem voort.
aant.aant.Waartoe? Naar het einde.
Waarom? Dáárom.
Hij zag de kinderen ter wereld komen, schamele weerloze dutskens, hij zag de mensen sterven, jong en oud, alles zonder reden. Hij zag hoe de kleinen door de groten worden opgefret; hij zag de uitgehongerde tobbers van zijn straatje tot honden worden, vechtend om een been; hij zag onschuldige bloedjes lijden als martelaars. En hij had om heel die ongerijmde grap willen lachen, want hij kon zelfs niet wenen, hij kropte alles op, en er woog een steen op zijn hart.
Hij zat daar dikwijls lang te dubben, op zijn laag schoenlapperspikkeltje, en zijn gedachte draaide rond als een poedel die naar zijn staart wipt. Hij stond op, ging weer zitten, keek om zich heen in zijn benepen kelderken als rook het er naar het graf. En soms sloeg dan een woeste drang in hem naar boven, hardnekkig klopte hij op de oude laars die tussen zijn knieën gevangen lag, kloppen lijk de nekker op een ziel, en in hem riep er een doffe dreigende stem: 't Moet er mee uit! 't Moet er mee uit! en zijn scherp oog flikkerde. Maar morgen leek op vandaag en overmorgen op gisteren, en Ahasverus, dat spreekt vanzelf, leefde maar voort, naar 's mensen overgeleverd gebruik. En de dagen gingen, de een voor en de ander na, alsof er nooit een Ahasverus bestaan had.
Tastte een klant, gebogen, zijn trappeken af, hij wachtte tot de klant spreken zou, en gaf karig bescheid. Dat ik nu maar zijn hielen zag, dacht hij, om alleen te blijven; - alleen met zijn duisteren gloed brandend in hem. Wat konden die lammelingen hem vertellen, dan
aant.aant.van hun ellendig leven, hetzelfde als het zijne! Met kinderen wilde hij wel eens jokken, maar zij waren bang voor zijn lach, en kwamen niet garen in dat vreemde hol.
Als zijn eenzaamheid hem al te leeg werd, dan ging hij lopen zonder doel langs de gore straatjes vol ellendereuk, waar het druk was van stoeiende snotbengels, groenselwijven die klabbetterden bij hare karretjes, en overal, vóór de kelders, op de stoepen, in hokjes onder de bordessen, smousen aan 't sjoefelen en duivelen en doen. Maar hij bezag met wrok het lijdzame schorremorrie, en voelde zich daar nog eenzamer dan ooit.
't Was hem soms of hij maar één ding vinden moest, maar één woord om gelukkig te zijn: doch geen mens ter wereld wist hem dat woord te zeggen. Hij had zijn armen willen uitsteken om heel het leven eens terdege vast te pakken, maar hij voelde wel dat alle mogelijk gedoe de schrikkelijke gaping van zijn hart niet vullen zou, dat geen stukjes en brokjes zijn honger ooit zouden bevredigen, dat hij altijd verder zou willen, vrij, vrijer dan de leeuwerik, dan de winden, dan de dood, en dat alle wens dus nutteloos was, alles nutteloos.
En zo zat hij gevangen in zijn verdoemenis, als in een kelder zonder deur of luchtgat.
Maar toch, al had het leven geen smaak voor hem, al scheen hij soms helemaal ijlgelopen, er stak in 't diepste van zijn hart, zo diep dat hij zelf het niet zag, iets waar geen duivel aan raken kon. ‘Ze zullen mij niet hebben,’ sprak hij in zijn eigen, en grimlachte, en beet op zijn tanden, en hield zich stijf. Want dat wil ik u maar zeggen: een man was hij van top tot teen, geen zieltje van suiker en zeem, geen flierefluiter of flauwerik, maar een knoestige
aant.aant.kerel uit één stuk, met een pezig paar werkhanden, een klaargesnoten kop en een klokhuis waar aan te pakken was.
Nu moet ge weten, het was een harde tijd, en 't volk had veel te lijden: het graan, opgetast in de zolders der rijken, kostte stukken van mensen, en al 't vet van de soep werd afgeschuimd door belastingen en knevelarijen, grote en smalle tienden zonder eind. Dat er gemord werd, kunt ge wel denken: men stak de hoofden bijeen, kokkerulde hier en daar in hoekskens en kantjes. Als de volders en de wevers 's Zondags gedronken hadden, was er rumoer in hun wijk, en dan beefden de patriciërs en de uitzuigers van 't volk in hun begrendelde huizen. Ahasverus meesmuilde stil en hief de schouders op, want het was hem somwijlen of had hij heel het mensdom kunnen verkopen voor een hesp. Toch zag hij met heimelijk genoegen dat er bij volkstelling en cijnsheffing telkens meer gegronsd werd. ‘Misschien zullen ze toch eens mensen worden!’ dacht hij. Maar wanneer dan de geharnaste hellebaardiers te paard met hun wreedlachende gezichten op de markt verschenen, was er niemand die nog kikte.
Het boeltje kon misschien toch een beteren draai nemen, docht hem, toen hij voor de eerste maal Jezus den Nazarener zag.
Hij had er al enigen tijd van gehoord, hoe die vreemdeling, alle priesters en woekeraars ten spijt, de kleinen om zich schaarde, en ze meesleepte met zijn inwendigbrandend woord; en allen geloofden hem, wanneer hij voorspelde dat zij gelukkig zouden zijn, en dat eens de goedheid op aarde zou heersen.
aant.aant.‘Viezevazen!’ had Ahasverus vastgesteld, en was dadelijk weer in zijn hol gekropen.
Maar een andermaal had hij vernomen, hoe de Nazarener de tafeltjes der wisselaars in den Tempel had omgegooid, en al hun rollebollende schijfjes gestort over het klinkende plaveisel, waar ze naar grabbelden, gebukt onder zijn gesel van touwtjes; en hoe hij ze met hood en poot den Tempel had uitgeflikkerd, en op den hoop toe de duivenmelkers, die er duiven voor de offers verkochten. Dien dag had Ahasverus gezwegen.
En wat later had hij hem zelf gezien. 't Was tegen den avond, buiten de stadsmuren, waar tussen schamele lochtingen en plekjes vol sintelgruis en potscherven de zeeldraaiers werkten en de steenbakkers. Heel een sleep was hem uit Galilea gevolgd, dompelaars die, om hun boers uitzicht, in de straten van Jeruzalem door de kwajongens werden uitgejouwd, rode weerharde vissers, en hongerige slungels met zotte ogen, en bebaarde wijngaardeniers met koppige koppen: zij stonden om hun Meester en knikten ja op alles wat hij zei. De zeeldraaiers hadden hun baan verlaten en de steenbakkers hun oven; de gasten, die uit de stad naar huis keerden, met hun gereedschap op den schouder, bleven staan kijken, en daar waren ook Galileërs uit Jeruzalem, allerhand leeglopers, luizige kreupelen en wat meisjes van plezier, tussen veel kindergebroedsel.
Met de handen in zijn zakken en elleboog-stotend schoof Ahasverus door dat gedrang, nogal wantrouwig: ‘Laat ons nu dien kerel eens zien...’
Hij zag hem, - hij zag die groot-ernstige verschijning, met het lange gezicht, den ietwat bitteren mondplooi,
aant.aant.en de ogen vol liefde. En plots zweeg alles in hem, hij luisterde gespannen, en de stem drong in zijn hart, 't was of een machtige hand zich op hem had gelegd.
Ja, daar stond een man! en zijn woord kwam op Ahasverus af als eenvoudige blote waarheid. Ja maar, ja maar, laat ons eens kijken... En Ahasverus stribbelde tegen, want veel begreep hij niet zoals hij 't gewild hadde, maar één ding had hij toch seffens beet: dat de boel ondersteboven zou gekeerd worden; van den groten Tempel, die daarginds als een geweld van wit en goud in den hemel opkoepelde, zou geen steen op den anderen steen gelaten worden... ‘Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ En Jezus' blik viel vlak op Ahasverus, die zwijgend hem bezag, met ineens, hij wist niet waarom, als een dol gejubel in de verkropte keel.
Later was hij er beschaamd om, en 't leek hem wel of die Nazarener hem betoverde: want als hij voor hem stond werd hij als een ander wezen, hij voelde dat hij een mens was en dat er nog mensen waren gelijk hij zelf, en dat het leven een uitkomst heeft, en alle dingen wellicht zo eenvoudig zijn. Maar wat hoopte hij eigenlijk? Hij wist het niet. En thuis knaagde en knuffelde hij nog meer aan al zijn twijfel en hij haatte dan dien Jezus, die den stommen gloed daarbinnen in zijn borst had opgekoterd, want nu kon zijn ziel niet meer slapen.
Wist die Galileër zelf wel wat hij wilde? Waarom praatte hij van vergiffenis en liefde, als hij de macht breken wou? En hoe zou hij het aanleggen om hongerigen en bedrukten de eerste plaats aan tafel te geven?
aant.aant.Hoe zou hij nu de mensen veranderen? Was zijn Nieuwe Rijk in de wolken, of wilde hij koning van Jeruzalem worden, en zou het dan alle dagen Zondag en alle Zondagen kermis zijn? Hij zei wel: Laat zijn uw woord ja, ja, neen, neen! Maar waarom dan al die gelijkenissen en die beeldspraak, waar een mens niet wijs uit raakte? Hij was toch maar een dromer!... En wat zat hij uren lang in den Tempel te pezeweven over de Wet en de Profeten met de huichelende farizeën, ‘die wit gepleisterde graven,’ hij had het zelf erkend, ‘die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid?’ Zijn Apostelen, die als simpele bloeden overal meeliepen, konden daar zelf niet veel van snappen. Waarom wilde hij niet eens, met enkele stevige maatjes, de vuisten uit de mouw steken? Maar als de hoofden warm werden en daar iets aan 't kraaien ging, dan wandelde hij op zijn zeven gemakken naar Bethanië bij de zusters van Lazarus! Neen, dat ook beviel Ahasverus niet: er was altijd te veel vrouwvolk rondom hem.
O kon hij eens al die zotte meisjes en die lomperiken, die babbelaars en zonnekloppers van den Man wegrukken, en ergens alleen met hem zitten, in den avond, en zijn hand in de zijne nemen, en in zijn vreemde stille ogen kijken, en hem vragen wat hij doen moest! Want hij kon ze niet vergeten, die zachte stem die door begerende lippen uit de diepte klonk, dat vastberaden gezicht, dien blik die eens op hem was gevallen, en waarin hij gelezen had, ja, duidelijk gelezen, dat er in Jezus ook iets brandde als in hemzelf, iets waar hij geen weg meê wist...
aant.aant.Maar er was zulk een waas van vurige droefheid om heel zijn wezen, wanneer hij zijn blik liet varen over zijn hoopvolle volk en verder naar de hoge tinnen van Jeruzalem, dat Ahasverus hem niet aanspreken dorst.
Hij bleef zwijgend op een afstandje, en dikwijls, lang naar hem kijkend, had hij het voorgevoel van een groot geluk, terwijl 't hem voort kwelde, dat er aan dat geluk zo weinig grijpens was. Maar dát wist hij toch: dat daar een man was zoals hijzelf, een man die hem begrijpen zou, die hem redden kon, en als die eindelijk, naar zijn belofte, het zwaard over de vale rotheid van de wereld eens deed blinken, o, ja! dan zou hij, Ahasverus, wild in den strijd vliegen, zo dicht mogelijk naast hem, en vechten dat het kraken zou, hardnekkig en vrolijk en triomfantelijk tot den dood, - tot den nuttelozen dood, want waarvoor gevochten? hij kon het niet zeggen: de hemel zou altijd de hemel zijn, zo hoog boven ons hoofd, en de aarde op haar plaats blijven, met lafaards van mensen er op, - maar om eindelijk toch uit zijn kelderken en zijn dompig leven recht te springen, en zich een weg te kerven naar iets anders, wat het ook zijn mocht, naar het ongerijmde, het bloedig gekke, en toch één ogenblik boven dat vernielde leven te mogen dansen in een groot feest van wanhoop waardoor de wereld zou barsten en vergaan...
Doch Jezus bleef maar voortpreken, en met de priesters twisten, en daar Ahasverus sedert enigen tijd meer achter hem had gelopen dan op zijn werk gepast, en zich deerlijk in de schuld had gestoken, verscheen er in zijn kelderken, den Donderdag vóór Pasen, een kort-dikke, bontgetulbande en hoogbepluimde boeba van een
aant.rechtsbode, die sprak: dat men de naaste week zijn krotterig inboeltje zou verkopen, en hem zelfs geen nagel laten om zich meê te krabben.
Even had Ahasverus lust om die helen Jan eens met zijn hersenen tegen den wand te kwakken. Maar er was iets stuk in hem: hij roerde niet, en zweeg en zweeg, en keek als een beest dat den dood ziet. Hij voelde de vuist weer, die hem in den nek gegrepen hield, hij zat gevangen in zijn lot, hij kon er niet meer uit. Hij lag daar weggespoeld, zonder wil, half ingezakt in een drabbigen hoek. Ware hij maar zes voet diep begraven! Als ge kapot zijt, is 't gedáán, meende hij; de mensen zijn even zwak voor het kwaad als voor het goed, zij zijn noch Hel noch Hemel waardig. Maar niemendal, niemendal, dat scheen hem nog vreselijker dan de hellebrand zelf...
De gloed loerde weer in hem, wist niet waar uit te slaan; hij voelde een dodelijke lamheid hem besluipen en een wilde razernij schuimde in zijn gebroken hoofd, nutteloos, nutteloos. Uren gleden 't een achter 't ander weg, en hij zat daar nog, toen het duister alles had ingenomen. Hij kreeg kou, zijn tanden klapperden. O vechten! vechten! Waartegen? dat was hem gelijk... Hij kon toch zo niet heentrekken, hij had ineens willen vergaan in een alles verbrijzelende daad, maar hij kon niet meer denken, heel de wereld scheen hem leeg, zo verschrikkelijk stil... Hij lag eindelijk op zijn strozak, en de uren gingen weer over hem voort, alles vervaagde, verzonk...
Hoe was Jezus binnengekomen? Ahasverus lachte, een zotten lach zonder klank, toen hij in 't bleke gezicht
aant.aant.de ogen koortsig zag glinsteren. 't Was als dien dag, bij de Stadspoort. ‘Ik heb nog een mes,’ zei Ahasverus, ‘ze zullen mij dat niet willen afpakken...’ Ze liepen op straat, omstuwd door een haastig gedrang van kerels met knotsen en bijlen, en smidshamers gedragen op geweldige schouders. Van overal, uit alle steegjes, kwam getrappel van mensen en paarden, iedereen had de onuitgesproken boodschap begrepen. Ahasverus liep om voor te zijn, en daar stond hij met Jezus boven op den Tempel, tegen den gouden koepel, zo dicht bij den flauw-schemerenden Melkweg, dat hij de rode starrentroppels haast had kunnen plukken als vruchten. Boven Jeruzalem blonk een staartster, hemelhoog onbeweeglijk in den krioelenden nacht, als een bloedig zwaard. Ah ah! daar begonnen de huizen van de woekeraars in de verte te branden met vrolijke knettering, en de vlammen wapperden en dansten zo dol tegen de sulferlucht... Maar kijk, beneden, in het donker, was het éne roezemoezende zee van bleke gezichten, die over heel de Grote Markt kwam aanstromen tegen trappen en portalen. Koppig beukten de stormrammen; nu zal de boel instorten, dacht Ahasverus, want de marmer-plaveisels schokten onder zijn voeten. Maar dat scheen hem ook heel natuurlijk; hij was zeker van zijn stuk; hij zou met wilde vreugd naar beneden donderen, of zich misschien aan de sterren vastklampen... Nu was het volk binnengebruist als door sluizen, hij hoorde gegil van verkrachte vrouwen, en een aanhoudend gerekt razend geloei, met nu en dan trommelgeroffel en het schril zot gepiep van een fijfelfluitje, dat was als het zilveren stemmetje van een kind op een slagveld. Al
aant.aant.dat lawaai maakte Ahasverus dronken en het deed hem deugd, den warmen wilde-beesten-reuk van dat stuivend gedrang op te snuiven. Ineens kwam het doodangstige blote hoofd van den rechtsbode over de tinne kijken, hij wilde er op, want van beneden schreeuwden duizenden monden moord en brand naar hem toe, en hij smeekte, zijn klauwen in de goot gekramd. Maar Ahasverus drukte met bei zijn poten op dien beschimmelden kaaskop en zag dan het manneken met olijken zwier in de duizelende diepte neerspartelen. Dat maakte hem plots stapelgek van weelde, 't was of hij nu de wereld had kunnen vermorzelen als een stekje; met een idioten lach liep hij de wenteltrappen af, boven zijn hoofd klepten de klokken, en hij draaide, draaide zonder eind, in het duister, voortgejaagd door den schrik dat hij zo in de eeuwigheid die wenteltrap zou aflopen, en nooit een uitkomst aan dien afgrond; maar hij hoorde nog duidelijk de klokken bammen en 't rumoer daarbuiten, en hij bevond zich weer op het plein, gestoten en gedragen door een onstuimigen stroom van mensen. Het tempeest van geluid scheen uit de stenen te slaan, hij voelde zijn voeten week worden van 't lauwe bloed, hij wilde zich loswoelen, hij wilde roepen, maar dat bloed steeg in hem op, het rochelde in zijn keel, hij versmachtte, en riep, riep...
...en schoot wakker, op zijn strozak, met de koorts op het lijf, zijn wijdopen ogen glariënd in de wemelende duisternis; zijn hart bonsde... maar hij hoorde nóg 't rumoer en 't klokkengedreun... 't Was geen droom... Hij was nu toch wakker, hij herkende 't gelui van verschillende torens, - neen, was 't mogelijk? Maar van heel ver kwam het doffe geraas van veel volk, en dichter-
aant.bij bromde een trommel; wie sloeg er nu taptoe op dit nachtelijk uur? Stappen ijlden door slapende straten, hij luisterde gespannen... Ja, 't volk was los, de poppen waren aan 't dansen, en de klokken, de klokken, zij sprongen over de stad heenendweer! Die verduivelde Nazarener, hij had het nu toch gewaagd! ‘Ik heb nog een mes!’ lachte Ahasverus; ja, 't was een goed vriendelijk mesje: ‘hij zal wel zien... hij zal tevreden zijn...’ En een vreemde zaligheid steeg in hem op met zulk een geweld, dat sterven of leven hem nu gelijk was, als hij maar in woesten triomf zijn wanhoop kon botvieren.
Hij was al buiten, met zijn mes in zijn vuist. De lentenacht was pikdonker, als ging het onweren. Ahasverus rilde van de killigheid, en zijn hoofd gloeide. Het gelui en getier hield aan - waar was het? Hij aarzelde een ogenblik, niet wetend waarheen. Iets van den droom werkte voort in hem en hij wilde naar den Tempel, maar nu steeg van een anderen kant en groeide een groot verward veelstemmig geschreeuw tot een wolk van lawaai.
‘Aan de Bethlehemse Poort!’ dacht Ahasverus, en zette 't op een loop. Hier en daar werd een venster opengeduwd: ‘Wat is er? - Is de vijand daar?’ Angstige slaapmutsen vroegen het elkander, riepen Ahasverus achterna. En hij maar zijn mes opgestoken lijk iets dat zot is: ‘Jongens!... de Nazarener... het stuift er...’
Neen, aan de Bethlehemse Poort was het niet te doen, het gevaarte van den ronden wachterstoren maakte er den nacht nog donkerder. De klokken bamden maar door... ‘Het stapelhuis staat in brand!’ zeiden de
aant.aant.mannen in 't voorbijijlen. En Ahasverus daarachter. ‘Geen steen op den anderen steen!’ juichte hij in zijn eigen. Maar links nu meende hij weer het geraas te horen, als een zee, en hij draafde door kromme steegjes, verdwaald, en raakte ineens in 't gewoel, op 't plein vóór het huis van Kaïphas, den Hogepriester. Het grillige schijnsel van toortsen, samengeschaard vóór de deur, danste over de koppen. Er werd geschreeuwd en gelachen en gejankt, en half dronken wallebakken drongen om maar vooruit te raken, schouder aan schouder, brullend een lied van oproer. Ahasverus stootte en brulde mee, maar ze konden niet verder. ‘Hebben ze'm vast?’ vroeg hij - ‘Of z'm!...’ grinnikte iemand naast hem, en Ahasverus keek verwonderd, want hij herkende een lelijken pagadoris uit zijn buurt, en dan tuurde hij met uitgerekten hals naar de verlichte vensters, of ze Kaïphas in hoogst eigen persoon niet naar beneden zouden smijten. Maar op dienzelfden stond gebeurde er iets, dat den asem in zijn borst deed stokken: het getier zonk en ebde weg in wachtende spanning, er golfde een grote verschommeling onder de flambouwen en het volk; opgestoken bazuinen strekten een wreed fanfare-geschal, en daar verscheen, op de hoge stoep, tussen landsknechten met pieken, de Man, Jezus de Nazarener, heel bleek en stil, met gebonden handen.
Vóór hem schreed die kleine vetzak van Kaïphas, en Ahasverus zag hoe boven zijn kinnekwabben de voldaanheid gloeide van de gewichtige tronie met de vinnige varkensoogjes. En daarachter opgeheven gebaren van priesters en farizeën in dichten drom, die jouwden en floten. Jezus bleef een ogenblik staan, zo recht als een
aant.beeld, maar ze duwden hem de trappen af, en plots was heel het plein weer een draaikolk van geluid.
‘Laat hem los!’ riepen stemmen hier en daar. ‘Ter dood! Ter dood!’ blaften andere. ‘Hij heeft toch niets misdaan!...’ En stoten en dringen; op den hoek werd er gevochten. ‘Lang leve de Koning van Jeruzalem! Oe oe! - Ter dood! - Laat hem los!...’
- Den duivel aan zijn ziel!’ snauwde naast Ahasverus een ventje met geel gezicht, ‘de zaken gaan al slecht genoeg zonder al die belhamels...’
- Maar ze zullen hem vermoorden...’ zei een jongmens met bevende lippen.
Ahasverus greep hem bij den arm als met een nijptang:
‘Hoe hebben ze hem gepakt?’
En het jongmens vertelde: ‘Op den Olijfberg... Judas heeft hem verkocht... Ze gaan hem vermoorden, och God! ze gaan...’
- Judas! een apostel! En de anderen? Zich niet verweerd?
- Wat konden ze doen? Petrus heeft er enen 'nen kap op zijn oor gegeven...
- En Jezus, had hij geen wapen?
- Wel neen, het schaap; hij heeft van zelf zijn handen uitgestoken, dat ze hem zouden binden...’
Vervloekt! 't Was Ahasverus of zijn benen onder hem wegzonken. En hij lachte een wanhopigen lach vol onmachtige razernij:
‘Lammeling! Hij had een droom, een droom, en geen zwaard om er een waarheid van te maken!...’
Hij hield nog altijd zijn mes omklemd, en roerde niet meer, den rug tegen een huis: hij zag daarginder
aant.de fakkels en de lansen vooruittrekken, omstuwd met gewoel, en het gewoel dreef langzaam mee af.
Naast het huis van Kaïphas waren nog enige wachters om een vuur geschaard, lui uitgestrekt of steunend op hun pertizanen; een paar meiden en leeggangers bleven daar koekeloeren, en in het vlammelicht kon Ahasverus het gezicht onderscheiden van Petrus, den enigen apostel die voor Jezus, op den Olijfberg, den strijd gewaagd had. ‘Van dien zal ik alles weten,’ dacht hij, en in hem stak de oude hoop weer even hare oren op: ‘Er is misschien nog iets te doen...’
Daar Ahasverus bij 't vuur kwam, zei een der meiden tegen Petrus: ‘Gij ook zijt van de bende, ge moet hier den labbekak niet uithangen, 'k heb u met den Nazarener gezien.’
En Petrus, met een onschuldigen snoet, als viel hij uit de lucht: ‘Ikke? Wat kom-de gij nu babbelen? Ikke?’...
- Ge hoort wel aan zijn spraak dat hij uit Galilea is,’ zei een andere meid. En een landsknecht kwam dichterbij en vorste in zijn gelaat: ‘Jongske, wacht eens een beetje... hebt gij niet het oor van Malchus afgekapt?...’
Petrus, met een laverenden blik die keek en ontweek tegelijk, werd opeens brutaal en riep: ‘Da's niet waar! Da's niet waar! Ge zijt zat!...’
Maar Ahasverus greep hem bij de keel en beet hem toe met schrikkelijke zekerheid: ‘Gij zijt Petrus, de visser uit Galilea, en Jezus was uw vriend, lafaard!’
- Ik heb Jezus nooit gezien!...’ kreet Petrus die blauw en groen werd.
aant.aant.Juist op dat ogenblik kraaide een haan een langen kraai met opgerekte geweldige raspstem, een schor kokeloerikoe zonder eind, dat van heel diep scheen op te rochelen als in een doodstrijd en wreed stukscheurde in een soort van duivelsen lach. Zo brak ook een lach van vertwijfeling uit Ahasverus zijn strot, want: nutteloos! dacht hij weer, nutteloos!... En Petrus, ineens los, wankelde achteruit als had de bliksem vlak vóór hem een afgrond in de aarde geslagen. Niemand dorst een hand uitsteken naar Ahasverus.
Hij liet zijn mes vallen en doolde verder.
Stille klaarte had den hemel verbleekt en uit den nacht groeide geruisloos langzaam een loodgrauwe morgen. Op de stenen begonnen de karren al te dokkeren met de boerkens erop die naar de Vrijdagsmarkt kwamen. Ahasverus zag dat alles nu alsof het hem niet meer aanging, de lust om voort te leven was in hem geknakt.
De boerkens gingen met gebogen rug in kelderkroegjes een warme kom koffie slurpen, en Ahasverus hoorde hoe gebeten ze waren op dien opstoker, dien dekselsen ruziemaker; 't was zijn schuld dat de boel alweer in rep en roer stond op een marktdag.
Allengskens kwam heel de stad op de been, de winkeltjes werden geopend, men droeg de luiken binnen, en vakerige gezichten bepraatten het grote nieuws.
‘Als ze hem kruisen, dat ze 't dan maar rap vandaag aflappen,’ hoorde Ahasverus zeggen, ‘anders is het Paasfeest in den pot.’
- En de commercie gaat al zo slecht!
- De herbergiers zullen niet te klagen hebben...
aant.aant.- Ze moesten al die slimmeriken in 't kot steken... met al hun gebabbel... dat ze 'nen mens zijn zaken laten doen... dat ze 'nen mens gerust laten...
- Die vreemde ratten...
- Ze weten niet meer wat uit te vinden, den dag van vandaag...’
En tegen den baas van de afspanning ‘Den Zoeten Inval,’ die uit zijn venster lag, vertelde de barbier van op den hoek hoe Petrus - ‘'t is verschrikkelijk!’-den bol van Judas rat afgehouwen had.
Hoelang Ahasverus zo rondzwierf, hij hadde 't niet kunnen zeggen, - toen hij, weer meedrijvend met den hoop, afzakte naar het Rechthuis, waarvoor een grote menigte vergaderd was. Op een terras stond de procurator Pontius Pilatus, die een toespraak hield, met zijn deftig-grof gezicht van alle dagen, dat er maar een beetje verdrietiger uitzag, omdat ze hem uit zijn vette rust hadden opgepord.
Men zag permintelijk, dat hij zich van de zaak liefst wilde afmaken; de godsleer van de Joden was hem onverschillig, en die kraaierige priesters hingen hem de keel uit. Hij praatte, met enge gebaren, van zijn liefde voor het volk, en dat er in de eerste plaats orde moest heersen, voor de economische ontwikkeling van de stad, dat de burgers van Jeruzalem nu eens elkaar moesten verstaan en ophouden met al die harrewarrerij om wisjewasjes. Op dat woord begonnen de farizeën alweer hun ogen uit hun hoofd te blèteren, en het publiek werd maar aldoor rumoeriger. Kaïphas, die naast Pilatus over de leuning van het terras hing, schreeuwde nijdig en ophitsend naar zijn trawanten beneên. En Pontius Pilatus,
aant.een beetje uit zijn lood geslagen, liet hem op zijn beurt spreken, om het gewoel te stillen. Kaïphas, zijn gloeikop recht op zijn buik, oreerde eerst met zalvende stem, legde dan meer klem op zijn woorden, toen hij gewaagde van dien oproerling, die zich Koning der Joden waande, en van den noodzakelijken eerbied voor de Joodse èn voor de Romeinse Wet, en hij eindigde zijn redevoering met groot gedaver van rammelende volzinnen. Ja, heilig mocht men de orde noemen, maar die vreemdeling, die was juist de stokebrand, die weg moest. ‘Kruis hem! Kruis hem!’ werd er geroepen.
- Och! wat kwaad kan hij doen? schokschouderde Pilatus: 't Is maar een dromer, een intellectuele!
De schriftgeleerden, de kosters van den Tempel, de rijken, de wisselaars, de grote hansen, al degenen die Jezus in hun zaakjes belemmerd had, al degenen die een ogenblik gebeefd hadden, ze waren overal ijverig aan 't werk, tierden dat het stoof, deden bier ronddelen, beloofden gouden bergen als Christus gekruist werd. En vóór den storm trok Pontius Pilatus terug naar binnen, geprikkeld kibbelend met Kaïphas, die hem volgde in babbelende drukte.
Rondom Ahasverus zei nu iedereen het zijne:
‘Hij preekte toch tegen de Leer...’
- Als hij meer is dan wij, waarom heeft hij zich laten pakken, en geen mirakel gedaan?
- Een goochelaar...
- Hij heeft een blinde genezen op een Zondag. Treffelijke mensen werken 's Zondags niet...
- Waarom bleef hij niet koes? Waarom hield hij zich bezig met andermans zaken?
aant.aant.- Hij wilde den Tempel afbreken...
- En wat een rapalje had hij om zich, landlopers en snollen!... Dat Magdaleentje!’... En met begeerte in hun lijf vertelden ze schuine moppen van dat Magdaleentje.
- Hij trok de jongens uit hun familie...
- Hij zaaide haat onder de mensen...
- Gelukkig dat 'k er bij was! Petrus ging al aan 't kappen en kerven: hij heeft een kerel in twee gekliefd tot aan den navel... Maar 'k heb hem jandorie een peer gegeven, dat hij een appelflauwte kreeg...
- De Apostelen zelf hadden er hun bekomste van: ge ziet het wel, 't is een van zijn beste vrienden die het spelletje verbruid heeft!’
‘Ah ah!’ schimpte Ahasverus in zijn eigen, ‘ziedaar het uitverkoren volk van het Nieuwe Rijk!’ De laatste aanhangers van Jezus waren er op hun sokken vandoor gedropen, of stonden daar beteuterd en verbouwereerd, met hun mond vol tanden.
Maar lachen plots, geweldig proesten en lachen schokte uit de opeengedrongen menigte. Want Jezus was op het terras verschenen, vooruitgestoten, - en hij leek meer een vogelschrik dan een koning: ze hadden hem, ten teken van macht, een verhakkelden purpermantel omgehangen, waar zijn voeten in struikelden, en zijn hoofd droeg een kroon van doornen gevlochten, en als schepter hield hij in zijn gebonden handen een rietje. Waarachtig een goede boerde! Ahasverus lachte en tierde meê, maar 't was hem of hij zelf daar boven stond, 't was hem of hij zich zelven bespotte, of uit zijn eigen hoofd de doornen het rode zweet deden droppelen.
aant.aant.Soldatenvolk grijnsde rond den schunnigen heerser. Een rakker trok aan zijn haar, en vroeg: ‘Gij die alles weet, zeg, wie heeft het gedaan?’ Maar Jezus zweeg.
En een ander gaf hem stommelings een klets, en vroeg: ‘Profeteer: wie heeft u geslagen?’ Ahasverus voelde de oorvijg op zijn eigen kaak branden, en lachte wild met het volk mee. Jezus zweeg.
En nu werd er naar zijn aangezicht gespogen: ‘Profeteer! Profeteer!’ Het scheen Ahasverus dat hij op zijn eigen ziel spoog, en hij schreeuwde mee. Een schrikkelijk gedrang stuwde vooruit, alleman wilde er bij zijn, wilde meespelen. Vrouwen en kinderen gilden dwars door het gehuil van dat ongeduldig duizendkoppig beest, dat zich te pletter wrong tegen den muur van het Rechthuis.
Pilatus, die de ganse zwanzerij had uitgevonden, in de mening dat het publiek, na zulk een schouwspel, hem met vrede zou laten, kwam nu voor, en om te tonen hoe onschadelijk de stakker toch was, gekscheerde hij gemoedelijk, wijzend met zijn open poezele hand:
‘Is dat nu de Koning der Joden?’
‘Awoe! awoe!’ raasde het volk naar den zwijgenden man met de doornenkroon en het rietje, en ‘Awoe!’ raasde Ahasverus, ‘awoe! den koning van 't Nieuwe Rijk, den koning die een droom had, en geen zwaard om er een waarheid, een wáárheid van te maken!’
Maar de opperpriesters vreesden dat de prooi uit hun poten zou glippen: ‘Pilatus hoont de Joden!’ riepen ze overal, ‘de Keizer van Rome is onze koning!... Hij lastert den Keizer!...’ En Pilatus was weeral uit den haak, verdoofd door het gebrul, bestookt door Kaïphas.
aant.aant.‘Kruis hem! Kruis hem!’ ging het hier en daar hardnekkiger op.
Pilatus werd kregelig. ‘We moeten er korte metten mee maken,’ dacht hij. En, niet wetend waarheen, nam hij zijn toevlucht tot den Nazarener zelf: die gedroeg zich ook al te stom, wilde geen woord te zijner rechtvaardiging spreken: hij moest verdomd maar eens bepaald uitleggen wat hij eigenlijk van zins was, dan zou 't vonnis wellicht makkelijker uitvallen; en bars wordend brak Pilatus los: ‘Kom, wees nu eindelijk eens ernstig, wees zo romantiek niet, neem de dingen zoals ze zijn... Ik heb u in mijn macht, ik kan met u doen wat ik wil, spreek...’
- Gij kunt niets op mij,’ zei Christus met den blik in zichzelven gekeerd, ‘ik bén de waarheid.’
- Waarheid... waarheid... wat is waarheid?’ mompelde Pilatus, en hij bezag met oprecht medelijden dien armen dweper, die zo deerlijk zijn zaak bedierf. Maar hij had al een anderen uitweg gevonden om er zich van af te maken:
‘Waarde medeburgers, het is een aloud gebruik, een eerbiedwaardige overlevering... een overlevering, zeg ik, die we dus trouw moeten aankleven, dat de stadhouder op het Paasfeest een gevangene loslaat: willen we dezen dan maar laten lopen?’
‘Neen, niet Jezus: Barabbas!’ riep een stem. En ‘Barabbas! Barabbas!’ was de kreet die nu overal opsteeg. ‘Barabbas!’ schreeuwde Ahasverus ook.
Die Barabbas, moet ge weten, was te Jeruzalem wel bekend, en den volke lief, als onverbeterlijke brak, lichtmis, straatslijper, zwierbol, drinkebroer, dobbelaar,
aant.aant.doordraaier, ronkelrooier, hoerenloper, voorvechter en mopjestapper.
‘Als ge ons laat kiezen,’ zei Kaïphas, ‘dan erkent ge dat Jezus ook schuldig is.’
Pilatus verloor ineens alle geduld: ‘'k Heb er genoeg van,’ besloot hij brutaal, ‘ik zit hier al den helen morgen te parlesanten, kruist hem als ge hem toch kruisen wilt, maar seffens dan, dat het uit is! En de eerste die daarna nog roert, vliegt er aan...’
Het was of een geduchte golving heel het krioelend gedrang tegen het Rechthuis omhoog wou dragen in wreed gejubel. Jezus werd weggesleept, in wanorde, en Pontius Pilatus, met ronden rug, maakte zich uit de gaten.
Voor Ahasverus verging alles nu, alsof het heel ver van hem gebeurde, alsof hij buiten het mensdom doolde, buiten het leven. Wat ze gingen kruisigen, 't was iets van den laatsten droom, die hem rechtgehouden had, maar ook die kruisiging, en alles, het stond in een droom. Alle dingen hadden het gezicht van den dood.
O, hij moest er uit, hij wilde terug in de werkelijkheid, hij wilde nog eens van dichtbij Jezus aanschouwen, om goed te voelen dat dit alles geen hersenschim was, en of het waar was dat hij, Ahasverus, nu heel alleen, heel alleen op deze wereld bleef, om al hare zielsellende, al hare leegte te torsen.
De koorts brandde in hem, hij was hees van schreeuwen, hij moest uit dat hels gewoel. Hij ging tot aan de Stadspoort, waardoor de stoet ten Kruisberg zou optrekken. In de poort was er een herbergje. Ahasverus gaf zijn laatste centen voor een glas bier, en bleef
aant.aant.buiten op een bank zitten: daar zou hij alles goed zien.
Een blinde en een lamme, die vroeger vóór de poort bedelden, en die Christus genezen had, jokten en gabberden met de bazin.
‘Ge moest u schamen!’ zei deze.
De ene antwoordde: ‘Wat kunnen wij er aan doen? - Hij heeft me mijn ogen weergegeven, 't is toch opdat ik die gebruiken zou?’ En hij begluurde de bazin met wulpsen blik.
En de andere: ‘'t Is onze schuld niet! - Heeft hij me weer gevoel in mijn handen gegeven, 't is toch om er van te genieten...’ En zijn arm omprangde de bazin, die gul lachte met opschokkende borst.
Vóór de kroeg slenterden Jeruzalemmers, hele families geeuwend van ongeduld. Niemand werkte dien dag, er was lijk een vreemde kermis-stemming in de lucht, al bleef het weer maar dof en droef. Tegen de Stadspoort neuzelde een speelman zijn liedjes, aangegaapt door het volk; en een bende kleuters, achter een roden lap aan een stok geknoopt, liep zingend voorbij met rommelpot en keteltrom. Uit alle vensters staken nieuwsgierige koppen, en op de daken zaten ook veel mensen getroppeld.
De noene-boterham was al binnen, en velen begonnen te versuffen van 't lange wachten, toen eindelijk roezemoes en fanfaregedruis in de verte opstoof. ‘Daar zijn ze! Daar zijn ze!’ En weldra verscheen de jammerlijke processie aan den draai van de Hoogstraat, vanwaar ze naar de Stadspoort langzaam afzakte.
Achter een heleboel kwajongens en straatschenders,
aant.aant.die draafden, door honden bebast, of arm aan arm op rij al fluitende voorthosten, kwamen eerst krijgers met helm en golvenden vederbos, op bont-geschabrakte paarden, en zij droegen opschriften en standaarden. En dan wat muziek, en voetvolk met spietsen, landsknechten in zware kolders, hellebaardiers, boogschutters, hulptroepen uit Lybië en Ethiopië, moren en zwarten, kortom de duivel en zijn wijf, alles wat ze op de been konden brengen. En, ingesloten door al die wrede macht, schreden voldaan de opperpriesters met Kaïphas, de schriftgeleerden, de ouderlingen, de kosters en stoelenzetters van den Tempel, de stadhouder en zijn raad, de dekens van het rijke lakengilde, de bond der geldwisselaars, de maatschappij tot bevordering van het vreemdelingen-verkeer, de Kamer van huisbazen en grondbezitters, al de dompers, pilaarbijters en japneuzen van Jeruzalem, al de gewettigde afzetters en knevelaars, al de schacheraars, al de geldhonden, al de bloed- en hersenzuigers, al de vilders en opfretters van den gemenen man. En weer soldaten en soldaten zonder eind... Wie kon er nog aan? Wie zou daar nog kikken? - Maar o! de ellendige gebroken koning, die daarachter onder het grote kruis voortsukkelde!...
De meeste toeschouwers zwegen nu, de keel toegestropt, met somber voorgevoel in het hart, of keken met koei-ogen, en dachten: ‘Hij heeft het verdiend,’ of ‘Wat kunnen we er aan veranderen?’ of ‘Hij heeft ons bedrogen, hij had ons het geluk beloofd,’ en die waren boos omdat er geen mirakel gebeurde. Maar ze durfden malkander niet meer bezien. Er waren er die begrepen dat ze kwaad gedaan hadden en daarom
aant.nijdig werden: ze riepen scheldwoorden en gooiden drek naar den man. De vrouwen beklaagden hem met stille woorden van medelijden en grezen. ‘Hij moet toch iets bedreven hebben...’ zei er naast Ahasverus ene, die een zuigend kind op den arm hield.
En Ahasverus zag den man met het kruis aanstruikelen. In zijn ziele zat de dood. Hij had alles willen vergeten, niet meer die laffe rekels zien, niet meer dat onmachtige gekerm van wijven horen. Hij dacht: ‘Daar is de woorden-goochelaar, die zijn droom niet dragen kon, de verrader die mijn droom vermoord heeft. En nu blijf ik alleen, - ik, - alleen...’ Hij herdraaide 't in zich, onverschillig voor zijn eigen pijn, onverschilligheid omsloot hem overal, als had hij nooit weer zijn armen kunnen uitstrekken. Ja, het had zo schoon kunnen worden! Maar alles was nutteloos, het leven was nutteloos... En omdat hij alleen, hij alleen dat wist, sprak er iets in hem: ‘Ik zal niet breken.’
Maar toen de Galileër de Stadspoort bereikt had, geschiedde een wonder ding.
Ahasverus stond pal, met hoge brede schouders, zijn harden blik op Jezus. Jezus viel op zijn knieën onder den zwaren last van het hout, en bezag Ahasverus met iets als een smekenden kreet in zijn ogen. Zijn wezen was bleek, bezweet, vol stof en bloed. Hij had Ahasverus herkend, en zwijgend scheen hij te zeggen: ‘Gij die mijn broer zijt, help...’
‘Waarom?’ dacht de twijfelaar, en nog eens ‘Waarom?’ met een spotlach over zich zelf en over alles. En in de enigheid van zijn hart stond het vastgegrift: ‘Ik
aant.zal den nuttelozen droom getrouw zijn. Ik zal niet wenen. Ik zal niet breken.’
Zijn lippen bleven gesloten, zijn blik bleef hoog en hard. Maar almedeens zag hij niets meer dan de ogen van Christus, zweet en bloed schemerden weg, hij zag niets meer dan de stille doordringende ogen, die zuiverend het aangezicht verhelderden. Ja, dat was zijn broer; ja, hij zag het nu wel: die had ook iets dat in hem donker gloeide, iets waar hij geen weg mee wist, een eeuwige onrust; hij zag het daar als in een afgrond, maar boven die diepte sidderde een onvatbaar licht, als een glimlach, een zegen... Ahasverus voelde de zachte vlam van die ogen zijn hart verbranden.
En sedert hij dat gezien had bleef het in hem branden, meedogenloos, onblusbaar, en hij moest Christus volgen, zijn broer. En geheel de schrikkelijke passie moest hij meelijden: zíjn vlees was het dat doorboord en op het kruis genageld, zíjn mond die vol edik en gal gestopt, zíjne zijde die doorstoken werd. Toen Jezus' moeder in onmacht zonk, scheurde ook zijn hart, maar niet slechts een zoon beweende hij. En toen het volk, bekropen door vrees en wroeging, wegvluchtte onder den droeven legen hemel, eer Hij daarboven zijn laatsten snik gaf, er bleven alleen nog wat soldaten die om zijn mantel dobbelden, en een wolk omfloerste zijn voorhoofd, hij riep: ‘O Vader, waarom hebt gij mij verlaten?’ toen zocht de blik van Ahasverus zijn geliefden blik, en zij vergingen samen in dezelfde zee van wanhoop, waar dan de verwinnende, de onbegrepen glimlach van Christus weer boven gloorde.
En toen alles volbracht was, ijlde Ahasverus weg,
waarhenen wist hij niet: hij wist alleen dat hij nooit meer zou rusten, en gaan en gaan zou, zonder einde, - zonder einde.
Hij ging, het hoofd naar de asgrauwe aarde gebogen; de hemel daarboven was er niet meer voor hem, hij wilde niets meer zien. Maar onafwendbaar brandde in hem de zachte vlam van Christus' blik.
En hij haatte dien blik. O had hij hem mogen vergeten, zijn borst openscheuren om den gloed daarbinnen dood te wringen!... Vergeefs! Hij ging met die onbegrijpelijke pijn door de lege wereld, en in heel zijn wezen was er een lust om niet meer te zijn.
Ja, niet meer zijn! Maar... sterven, - wat is sterven toch moeilijk! Hij kon niet meer willen, - niet denken, dat was 't enige wat hij wilde. Er was ook een geheime vrees in hem nu... hij wilde niet meer denken.
Het licht van de dagen en het duister van de nachten wisselden in gestadige wenteling boven hem. Hij ging, sliep een onrustigen slaap van enige uurtjes, en ging dan verder, ene hand geklemd op een knuppel, de andere wroetelde steeds in zijn borst, of omprangde soms zijn voorhoofd als stak hem daar een doornenkroon. Hij ontweek eerst de dorpen, at vruchten of wortels, en ging maar altijd door, zonder weten, verloren.
Zo beende hij berg op en berg af, door zon en wind, over de onmeetbare banen der wereld. Hij doolde wel
aant.eens dagen lang in heiden en wouden, om dan uitgehongerd weer af te zakken naar de valleien waar de mensen wonen. En daar bedelde hij, moedwillig grommend, als een beer die onder de zweep moet dansen. Met zijn mager wezen waar de harde kijkers in glommen joeg hij de vrouwen schrik op 't lijf, ze reikten hem een boterham en trokken gauw weer haar kinderkens binnen. Hij dankte niet, en ging verder voor de herberg staan, waar, in de lommer bij 't kegelspel, de pachters hun pijp zaten te smoren, de hand rustend aan den schuimenden kroes. Zij waren schuw voor zijn lange en onbeweeglijke schaduw, en schoven voorzichtig op, dat die hen niet raken zou. Hij sprak geen woord, maar zijn hoekige gestalte voorspelde ziekte, hongersnood en erger plagen misschien. En in zijn ogen stond een stomme vraag, die ze liever niet wilden zien. Voor Ahasverus voelde men zich ongerust, zonder juist te weten waarom, - gelijk bij 't vallen van de avond-enigheid, als de mens over het korte leven nadenkt, en wat daarbuiten ligt.
En hij ging, hij ging. Soms, als vreesde hij zich zelf, voelde hij zich weer gejaagd om onder veel mensen te zijn, verloren in een menigte. Zo liep hij eens dagen lang met een leger mee, langs de wegen. De oorlogsknechten werden wild van 't eindeloze trekhielen en bedreven allerlei baldadigheid op het platteland, speelden de meesters, stieten met hun piek de boeren voor zich uit, eisten spek met eieren, oud bier en jonge meiden. Ten slotte in een grote stad gekomen, sloegen ze aan 't muiten en plunderen. Ze renden als wilde beesten brallend door de sombere straatjes, vielen met hele troppels de winkels der Joden binnen, en smeten dan de lijken door de
aant.vensters. De grond was rood en zwart van 't bloed, men vocht tot in de kerk, en Ahasverus zag er smekende vrouwen en bloeikens van kinderen afsteken, als ware 't om de leute. Maar het schrikkelijkste scheen hem nog, dat zijn hart zelfs niet beefde: gebeurde 't in een verren droom? Waren dat mensen, die moordden of stierven? - Toen een geweldige orgie over al dien dood aan 't branden ging, vluchtte hij weer verder, want midden in 't gewoel was hij nog alleen, - hij was altijd moederzielalleen.
Hij stond buiten het mensdom, en bleef toch een mens, niets dan een mens. Hij stond buiten den tijd der mensen, en voelde toch dien tijd knagen in hem. Hij zag overal den dood en het leven aan den strijd, zonder einde. Hij zag tempels in stinkende knekelhuizen veranderd, waar in vollen dag hyena's jankten; hij zag, waar vroeger de woestijn lag, een stad haar hoge muren en torens verheffen. Hij zag nieuwe volkeren opdoemen en andere verzinken. Hij was de onverschillige en toch lijdende getuige van het nutteloze bestaan dat op en af gaat, sterft en verrijst om weer te sterven. Hij ging van land tot land, onbevredigd; wat hij ook tegenkwam, het kon zijn hart niet vullen, hij wilde verder, verder. En hij wist het wel, in het diepst van zijn geweten, dat zijn verlangen eeuwig was, - dat eeuwig de vlam was, die zijn ziel verschroeide.
Hij zag in Egypte de Sfinx: een soort van kanker vrat aan haar aangezicht, en ze was reeds half in het zand verzakt; ze scheen moe van in het niet te kijken. ‘Uw tijd is uit,’ dacht de Wandelaar, ‘nu komt de mijne.’
aant.Hij zag het land waar de bomen met hun kruin in den grond groeien, en met hun wortels in de lucht. Daar lopen de mensen op hun hoofd; ze krijgen er eksterogen op hun schedel en draaienissen in de voeten; en zij eten met hun achterste, wat menig geleerde niet geloven kan. Maar Ahasverus had al lang ondervonden, dat er niets waar of onwaar mag heten.
Hij zag ook het land waar 't een loffelijke daad is, zijn ouders af te maken eer dat ze taai worden, en ze in te zouten voor den winter. Dat smaakt nogal lekker, zeggen ze, als ge 't eens gewend zijt. Ahasverus deed niet als de onervaren toerist, die zich over alles verbaast, want hij had al lang ondervonden, dat er niets goed of kwaad mag heten.
Hij zag volkeren die den vrede prezen, andere die van niets wilden weten dan van oorlog en bloed. Zo was ieder op zijn manier gelukkig of onvoldaan, en hield al 't overige voor gekheid. Hij zag een stam in Afrika, die zich liet regeren door woud-bavianen. Hij zag er die wierook brandden voor geklede poppen, of voor een kapstok met een hoed op, en andere weer die hunne uitwerpsels aanbaden. En allen waren overtuigd, dat zij alleen de goddelijke wetten bij 't rechte eind hadden.
Hij zag het land der luis-mensen: die leven spiernaakt in een dal dat als een ketel is, en aanbidden niets, maar liggen den grondigen dag op hunnen buik, hunne ogen half-toe verloren in een vadsigen droom zonder vorm. Met de nagels krabben ze in de aarde naar hunnen kost, en kennen geen ander festijn dan wormen en ongedierte. Als het regent verduiken ze zich in holen. Ahasverus, van op een steile rots, zag juist
aant.aant.onder hem zulk een luiwammes zitten, en spuwde er op: het logge ding kroop wat verder als een pad, en toen Ahasverus nog eens spuwde roerde het niet meer. Rond den avond zochten ze traag elkander en gingen dicht tegeneen zitten, en daar begon er één een angstig uitgerekt gehuil door zijn schorre keel te jagen, waarop twee drie anderen en dan een ganse kudde daar beneên in de dumstering meebeugelden, zo droef en verlaten, dat Ahasverus het nooit meer vergeten kon.
Boven, op den berg, was de Stad der Wijzen: die veegden hun sandalen aan alle tijdelijk goed, en hun gezicht scheen steeds verhelderd door hemelse gedachten, als een stil licht dat door een albasten vaas zou blozen. Zij waren heel zacht van omgang, en vreesden het sterven niet, maar men voelde iets als berustend heimwee in hun glimlach.
Toen Ahasverus daar wat later weer voorbijkwam, vernam hij dat een flink stuk van den Berg der Wijzen, na een bizonder nat seizoen, zoetjes was neergeschoven in het dal, zo dat heilige en luis-mens nu broederlijk vereend lagen, driehonderd voet onder den grond. Ahasverus bleef er wat mierennesten kapot trappen, maar leutig was dat eigenlijk niet, en met walg trok hij naar elders.
Zo vond hij, zeventien mijlen boven den zuiderwind, en dan rechtsom en dwars vooruit, nabij den berg van boekweitebrij, waar men de wolken met een plakleer vangt, het wijdvermaarde Luilekkerland vol geneugten en wellustigheid. De bomen zijn daar van suiker en hangen vol louter konfijt, de huizen worden in peperkoek gebouwd en bedekt met honingtaartjes en eiervladen.
aant.aant.Ge kunt er den godgansen dag rijstpap met zilveren lepels eten, en er suizen allerwegen beekjes van gouden schuimwijn, zoete mee, hypocras, geuzenlambiek en dobbel oudenaards. Als ge het ambrozijn beu zijt steekt ge de hand uit naar de gebraden kiekens die tot uwen dienst rondlopen, of ge snijdt een schel hesp van de glundere viggetjes, die altijd het mes gereed in de bil dragen. Elk uur slapens brengt een stuiver op; ge moet maar denken: ‘Herteken wat lust ge?’ het appetijtelijkste waar ge van dromen kunt staat voor u, en 't is alles brassen en zwieren en slampampen wat de klok slaat.
‘Ik speel mee!’ zei Ahasverus, want het scheen wel dat die stralende vraten en lorejassen zich door geen nutteloos gemijmer den duivel lieten aandoen. En 't was me een leventje! én smullen! én lepperen! én vivanons! - maar 't maakte hem weeps en wee, zijn maag was gauw van streek, en daar vloeide geen wijn die zijnen dorst geheel blussen kon. ‘Wij Luilekkerlanders,’ zei er een, ‘genieten van 't leven, omdat we ons niet bekreunen om de onsterfelijkheid der ziel.’ - ‘Of ge niet geruster zijn zoudt,’ vroeg Ahasverus, ‘als de onsterfelijkheid van 't lichaam uw deel was?’ Want hij merkte hoe de schrik in hun buik sloeg, als zonder waarschuwing Mager Heintje onder al die vette zuipzappen trad om er enen zijn broodstraatje toe te nijpen; en als het lijf dan spoedig onder den grond werd gestopt, lijk een rottende spons gezwollen van overrijpe sappen, dan was 't ‘allelujah!’ bij de pieren, maar ‘och arme!’ daarboven...
't Ware te lang u van de naalde tot den draad te vertellen wat Ahasverus op zijn menigvuldige reizen
aant.aant.nog allemaal zag. Maar hoe meer hij zag, hoe dieper werd de vreselijk ijle klove in hem. Want het was dát niet, dát niet wat hij hebben moest, de dingen die hij zien en grijpen kon hadden niets te maken met hetgeen hij hebben moest, dingen en mensen stonden daar als een spel van tegenstrijdige krachten, een nutteloos gedoe zonder samenhang of zin, met den stommen dood daarachter; en in den grond kon hem heel die rommelzoo van een schepping toch niet schelen, daar hij zich iets anders wist: hij was alleen van zijn soort, de uitverkoren verstoteling, en vond nergens een rijm op de stem daarbinnen die hem voortdreef.
Het ongelooflijkste, zodra de nieuwigheid er af was, scheen hem gewoon, en de lamme alledaagsheid van de hele uitgebreide wonderbare wereld hield hem besloten, zoals vroeger zijn benepen kelderken te Jeruzalem. Hij voelde dat zijn lot in hem leefde, sterker dan de dood, en 't was hem of hij een eeuwigheid in zich droeg, maar hij bleef toch onherroepelijk een mens, met zijn pijnlijk peuterend hoofd, met zijn bloedende voeten slepend op de stenen, met zijn twee onmachtige handen die niets konden pakken dan een weinig stof dat sterven moest. Hij was geen God, - zelfs geen Duivel! - en een eeuwigheid zelve, waar geen andere klaarte dan het wisselend troebel licht der aarde doorscheen, docht hem ook een gevangenis, waar hij in ronddraaien zou met eentonigen stap. Hij had zo een voorgevoel, dat hij alles weten kon, vroeg of laat, alles bezitten wat de wereld draagt. Vroeg of laat zou hij alles smaken wat een mens smaken kan, vreugde, leed, liefde, wellust, alle geneugten, alle ervaringen van de vijf zinnen; vroeg of laat kon hij
aant.aant.alle levens kennen en meeleven. Sedert hij wist dat niets dat brandende in hem verdoven mocht, was het mogelijke voor hem verduizendvoudigd, maar juist daarom wilde hij 't onmogelijke. Hij kon van den enen hoek van de wereld naar den anderen lopen, en dáárom droomde hij van... wat daarbuiten ligt, daarom was niets hem begeerlijk, dan het onnoembare dat hem verscholen en gesloten bleef. Wat gaf hij om heel dien verbrokkelden baaierd zonder doel en betekenis? En als één wrange vrucht hem niet lusten wou, wat waren hem dan een millioen wrange vruchten? De tijd en alle aardse dingen waren zijn, maar hij verlangde toch, heviger dan ooit, hij verlangde het enige wat hij niet zien kon.
Hij wilde niet weten dat hij dát verlangde, hij had alles, alles willen vergeten. Dien blik van Christus, die hem zacht verschroeide, dien vooral had hij moeten vergeten. Dat gelukte hem wel eens, maar nooit voor lang, helaas! Want de hemel zonder begin of einde, met het stilzwijgend gefezel van de onbereikbare klare sterren, - en het heenendweer eeuwig heenendweer wiegend dofdonderend geruis van de eenzame zee, - of soms maar de opschietende zang van een leeuwerik, het helder-vurig gekweel van een nachtegaal in de donkerte, het riep alles in hem weer den gloed wakker, de vlam van een begeerte naar iets dat hij vermoedde, dat hij niet zeggen kon, en dat hij nodig had.
Maar hij wilde er niet aan denken. Eens dat hij somber een dorp doortrok werd hem een aalmoes gegeven door ene vrouw, die 't gezicht had van ene die veel geleden heeft, en ze scheen niet bang voor hem;
aant.aant.ze meende dat hij een beêweg deed en zei stil: ‘In den naam van God dien ge zo ver gaat zoeken...’
- Ik zoek den Duivel!’ vloekte Ahasverus.
Maar de stem suisde voort in hem: ‘In den naam van God dien ge zo ver gaat zoeken...’ Hij had die stem willen vermoorden, hij had zijn ogen willen uitrukken om die ogen van Christus niet meer te zien, hij had willen sterven om dat verlangen te vernietigen in den afgrond van zijn ziel.
‘Ik zoek den dood,’ dacht hij, - maar van heel diep kwam een twijfel, dien hij niet weren kon: 't was niet waar, hij zou niet breken... En waarom bekroop hem een zonderlinge vrees nu, voor den dood, - als had hij nooit gehéél kunnen sterven?...
‘Wat ik zoek bestaat eenvoudig niet,’ grijnsde hij dan weer, en bespotte zijn eigen, maar hij ging, hij ging zonder ruste.
Zo trof hij een pelgrim aan, op de lange wegen; onder den breden vilthoed met schelpen bezet flodderde de reismantel, waarop een bedelzak en een kalebasfles wogen. 't Was een knokige gestalte, die zonder haast voortslofte, en in 't gaan zakte 't lijf regelmatig op 't een en dan op 't ander been; de vent scheen niet meer door zijn wil gedreven. Toen de twee schaduwen naast elkaar wandelden keek hij niet op. Hij murmelde tussen zijn tanden: ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt...’ en men hoorde de dikke beiers van zijn rozenkrans stillekens rotelen.
‘Warm!’ sprak Ahasverus, die dorstig was en naar de buikige fles gluurde.
Onder den rand van den hoed keek het oude wezen
aant.aant.op, met een doden blik die in een grote oogkas zat en zei:
‘...Geheiligd zij uw naam...’
- Een zeupken zou me deugd doen, man.
-...Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel...’ antwoordde de pelgrim.
Ahasverus greep naar de kalebas en zoog een langen teug, maar de pelgrim prevelde maar door en herknabbelde zijn gebed zonder op iets te letten. Ahasverus werd het vreemd te moede, dat docht hem een schim beladen met een schrikkelijk geheim, en hij vroeg met onzekere stem:
‘Man toch... leeft ge?...’
Maar de pelgrim keek nog eens op als een goedige sul:
‘...Verlos ons van den kwade,’ en met diepe ademhaling: ‘Amen.’ Daarop viel zijn blik weer naar den grond, en hij herbegon van voren af aan op een anderen beier.
‘Niet veel afwisseling in zijn gesprek,’ dacht Ahasverus, maar hij volgde hem toch op een afstand, aangetrokken door den dompelaar, die ook maar altijd ging als zonder doel, en sedert jaren misschien zich geheel en gans suf gepaternosterd had; en die werd hem als een ver beeld van hemzelf, waar de dood, de onmogelijke dood hem uit tegensarde.
O, kon hij maar, telkens en telkens hetzelfde gebed herhalend, langzaam en koppig en zeker zijn geest in het niet doen verzeilen! Het kereltje ging met een stap van ‘'k zal er wel komen,’ en toen hij 's middags, altijd vaderonzend, zijn benen uitrekte onder een schaduwrijke linde, viel hij gauw in slaap, als een on-
aant.aant.schuldig wicht, heel zachtjes ronkend. Ahasverus bezag het doodse gelaat, waar rust zonder rimpels op lag. Nijdig trok hij dan verder, alleen.
Maar geen gebed kon hem over de lippen, en hij telde zijn schreden, honderd, en weer honderd, tot duizend en twee- en drieduizend. Doch terwijl waren zijn zinnen aan wat anders bezig, - aan wat er dien Vrijdag gebeurd was... - hij kón zijn gedachten niet doen zwijgen, hij kón het beeld van den gekruisigde in zich niet verpletteren, en woedend begon hij dan te vloeken, altijd denzelfden vloek neerhamerend op maat met den stap van zijn voeten, tot die rammeiend zijn hoofd verdoven zou.
Maar eindelijk moest hij weer wreed over zich zelven lachen. ‘Ik ben een kind,’ dacht hij, ‘een onnozel klein kind!’
De avonddampen vervaagden het land gemengd met den langgerekten rook van wat groeze-vuren, die smeulden. 't Was overal zo eenzaam, verlaten en vol avond-geur. ‘Waar zal ik nu belanden?’ peinsde Ahasverus uitgeput. Weldra herkende hij de lage strodaken van een dorp, met stallen en schuren; toen hij het pleintje om de kerk bereikte, begon in de gesloten huizen het vriendelijke licht te branden. Hij trok een herberg binnen, waar boeren bij een paar kaarsen rondom een ton zaten te kaarten, en vroeg bier, en dronk stilzwijgend, nurks, de ene pint achter de andere. Het was nu maar moedwillig zuipen om zijn geest te verstompen, om te vergeten, om voor enkele uurtjes dood te zijn. Maar het duurde heel lang eer hij beneveld raakte; toen kwamen enige triestige zatlappen spotgrijnzend aanklinken, en ze brulden altijd hetzelfde slepend liedje,
aant.aant.hun aangegloeide tronies naar elkaar hellend. Daar lag een zabberaar tegen Ahasverus hem lisptongend en zeverwenend te zagen met een verhaal van zijn wijf, dat twintig jaar geleden van de pip gestorven was. Ahasverus wilde meetieren, maar zakte weer somber ineen, en dronk... 's Anderdaags werd hij wakker op een mesthoop. Hij zwabberde verder, ging nog wat in een gracht ronken, schoof dan weer een kroeg binnen, en dronk. Zijn hoofd deed hem zeer, hij zag alles door een waas. Brutaal sloeg hij zijn centen op den toog, lampette dat zijn ingewanden er van brandden, brak glazen en werd buitengevochten. En zo nog eens de baan op, zwankelend van kaveetje tot kabberdoes, of tussenbei snorkend met zijn gezicht tegen de aarde.
Tot hij, ontnuchterd, weer het licht zag, weer het leven in zich voelde, en walgend erkende dat zijn koppigheid maar kinderspel was, - dat er iets was dat hij niet vergeten had, iets dat hij nooit vergeten zou. En in hem leefde het geheime vuur, onblusbaar.
‘Hoe zou iemand kunnen sterven,’ dacht hij, ‘die zo geweldig den dood begéért?’
't Was tegen den avond weer, en hij was zo moe. Wat baatte het nog, zijn armen uit te strekken? - en naar wien, naar wát geroepen?... Hij ging gebroken op een steen zitten, aan den rand van een groot en somber woud, terwijl de deemstering grauwend steeg uit de vlakten; het suizend gezwijg der aarde sprak tot het zwijgen van den hemel, alleen in de verte klepte een klokje; er slenterde ook eens een herder voorbij, die zijn gedweeë schapen naar hun stal dreef, en hun getrappel in het stof maakte het stille gerucht van den zomer-
aant.regen. Het was zo vreemd wat er in Ahasverus omging, en dit scheen wel een andere avond dan gewoonlijk. Hoe lang had hij nu gelopen? Hij wist het niet, wellicht waren de jaren als uren voor hem geweest, lijk of hij gewandeld had in een droom, die zijn wil overtrokken had, maar van zijn duidelijker heimwee nu langzaam wegnevelde. Zijn hart was aan stukken, maar ook zijn verlammende onverschilligheid was als gebroken, en uit de verlatenheid van zijn geest richtte zich treurend iets op, dat hij maar niet doden kon, en dat zijn bewustzijn was. O die gloed weer, die brandende gloed daar binnen!... Het gevoel dat het leven in hem toch voortgroeide en van onder al het puin onverbiddelijk opschoot, en daarbij de al te zoete innigheid van dien avond, het maakte zijn pijn nog scherper dan ze ooit geweest was. En hij dacht:
‘Ach! waarom heb ik den gekruisigde bezien? Dien middag juist, vóór ik hem zag, had ik zo licht kunnen sterven!’
Hij besefte wel dat het nu niet meer mogelijk was, dat de gewone dood der mensen den honger van zijn uitgedijde, zijn willende ziel helaas! voortaan niet verzadigen kon. Hij droomde van een bovenmenselijk vergaan dat tegelijk de wereld zelf zou vernielen, een dood die als een vloek zou zijn over... over dat andere, zonder naam, dat hij verlangde, dat hij niet bereiken mocht en dat hij haatte, dat hij niet kennen wou, - een dood die als een gespuw zou zijn op de geheimenis die hem lijden deed. Hij had met bei zijn handen den hemel op zijn hoofd en op alles willen doen instorten... Neen, 't was te gek! hij wilde niet weten dat er een hemel was,
aant.hij kleefde toch voor altijd aan dees' harde korst... En hij viel wanhopig op zijn knieën, zijn klauwen grijpend in den grond: hij wilde die grond zijn, hij wilde de stof zelve zijn, hij had zich in millioenen en millioenen stukken willen verdelen om te leven in alle dingen, - en zijn ziel niet meer te voelen! om het sap van de bomen te zijn, het bloed van het warme dier, het water van de stromen, de rots en de lucht, het eeuwig gisten van de aarde.
De stille vloed van den nacht had zich over het ganse land gespreid, maar de diepten van den hemel bleven als een spiegelklare zee. En Ahasverus, gebukt onder de verdoemenis van die oneindigheid, vluchtte in het woud, - in de groene donkerte.
Het woud was vol fluisteringen en vreemd gesidder, waar Ahasverus tastend doorging. De grootste bomen stonden er als reuzen, bemost, en zoveel eeuwen oud dat ze 't nutteloze spreken verleerd hadden. Boven de doorzichtige lovergewelven vermoedde men telkens andere lovergewelven, als waren er twee drie wouden boven elkaar, en alom, tussen de takken van bleker groen, die even beefden als met vele bijna roereloze vleugeltjes, verdwaalde de blik door heimelijk spel van schaduwen tot in zwarte holen van verward groeisel.
Van daar kwam nu overal de volle nacht uit, terwijl alle dingen hun adem inhielden, om geen gerucht te wekken. Alleen heel heel hoog ruiste gebladerte, waar misschien de maan over scheen; soms piepte een vogel, die half in slaap iets vertelde. Het duister deed Ahasverus deugd, en ook dat alles weer een droom geleek.
Voorzichtig trad hij verder, de grond daalde aldoor
aant.aant.naar diepere zonken, waar de lucht zwoel was van wilde, vochtige, broeiende geuren, en de stilte onrustig, als was ze één grote zucht die er uit wilde en niet kon. Vele nauw-hoorbare geluidjes bobbelden en kristen in de donkere warmte, - dieren leefden daar en waren zeker aan 't paren. Er sprongen er weg nevens hem, en 't klein hout kraakte onder hun loop. Dan begon ineens een hert van liefde te schreeuwen, ergens in de eenzaamheid van een diepte. Ahasverus luisterde gespannen: - niets meer, 't geklop van zijn bloed, bijna tot in zijn keel, - weer het droevig geroep, - andere herten antwoordden in het duister, - dan een galop die in de verte aldoor onduidelijker werd, - dan niets meer...
Maar ritselend zeeg een gewemel van maneschijn daar beneden op de zilveren siddering van een meer, en aan den rand, in de neerpulverende blauwigheid, ontwaarde Ahasverus een naakte vrouw, die half gestrekt in het ondiepe water haar gezicht spiegelde, en zij zong een slepend liedje van harbalorifa, waar geen zin aan vast te knopen was.
Ahasverus sloop dichter, om te begrijpen. De zang brak af, de vrouw keek even om, maar scheen Ahasverus niet te merken. Zij schommelde traag heenendweer; spelend als een kind hief ze haar handjes vol water dat neersijpelde in 't licht als parelende belletjes, - 't was of ze die aan de maan wilde wijden, - en terwijl hield ze haar hoofdje achterover gebogen en kwetterde wat onzin in vogelentaal. Daarna geen geluid meer, alleen nog het geschilfer van het manelicht op het donkere water.
De stilte woog op Ahasverus en hij riep vals-lachend
aant.aant.naar het aardige ding, zonder zelf te weten waarom. Zij keek van terzij, het hoofd schuin, als een schuwe vogel die weg gaat vliegen.
Ahasverus kroop voorzichtig bij, door de struiken, en bleef op een afstandje loeren. Na een poos scheen de meermin hem weer te vergeten, het beven van een pijlkruid of een plompeblad had haar verstrooid, en ze droomde nu, al luisterend naar den nacht en den maneschijn, de jonge borst vooruit, die zachtjes ademde. Het licht dat om haar zuivere leden trilde zonder stralen was een onvatbare donzigheid, een dauw, een wazig iets, als een gedempte muziek die heimelijk door een andere speelt, - twee suizelingen van muziek die elkaar zoeken en toch niet durven aanraken.
Ahasverus stak het hoofd op, zijn ogen zegepraalden: ‘Ik heb ze!’ en hij sprong toe. Maar fft... ze was onder water en weg... Veel verder hoorde hij haar schateren, dat heel het bos er van klonk.
En Ahasverus stond daar met lege handen. De nacht werd heel groot van pijnlijke stilte.
‘Oe... oe!’ riep eindelijk de lokstem, met een schalks vooizeken.
Ahasverus verroerde niet, al brandde de lust in zijn lijf; nors in zich zelf gesloten, deed hij of hij nooit van meerminnen had gehoord; alleen zijn blik leefde in zijn somber wezen; want hij zag de goddelijke blankheid van het poezele wonder traagzaam naar hem toe zwemmen, achteloos en als luierikend; om haar handen en de golving van haren rug gleed soms fosfoorgeglimmer; ze keek naar Ahasverus als een pruilend kind dat toch glimlachen wil.
aant.Toen ze dicht voor hem wiegelde scheen ze weer anders: haar vlees had de kleur van zonvergulde witte druiven, haar zwart haar stond als een helm en viel neer in wilde kronkeling, haar ogen waren harde stenen vol donkere wisseling van glansen; en die ogen riepen hem, riepen hem, maar Ahasverus verroerde niet.
Toen zong ze voor hem dezen zang:
‘Gij hebt me gezocht, en hebt me gevonden, het kon ook niet anders. Al wilt ge 't niet weten, mij hebt gij begeerd, mij begeert gij.
Want ik ben het goddelijke dat men bezitten kàn.
Ik ben de boom des levens. Mijn vruchten smaken niet naar goed of kwaad, zij hebben den smaak van het goddelijke.’
Zij zweeg een stonde, en haar gedachten schenen naar andere toverspreuken af te drijven:
‘Ik heb u nodig om geheel gelukkig te zijn.
Ik sluimer daar beneden in koele kamers, waar de uren geen uren meer zijn. Daar groeien allerlei vreemde schelpen, en smaragden zo schoon als de avondhemel. Ik speel er in bosjes van traaglevende planten die wiegelen in de stille stroming.
Maar ik denk er aan u, ik kan er niet slapen, ik heb u nodig, de eeuwigheid is niets zonder u.
Kom, - ik weet meer, ik zal u meer tonen, waar ge niet van dromen kunt:
Ik ken den weg naar grote grote zeeën, zonder einde. Ik laat mij zwieren door 't gegolf dat zwalpt, en schreeuw van vreugde als ik omhooggezwaaid het vluchtige schuim kan vangen in mijn handen.
De golven en ik, we verstaan elkander zo goed! Zij
aant.nemen den vorm aan van mijn lichte lichaam, en ik, ik ben menigvuldig als zij.
Mijn ogen alleen, zie in mijn ogen, de hele zee is er in. O ge weet niet hoe schoon, het eerste beven van den dageraad in de diepten der zee!
Ge weet niet hoe schoon, zich te mengen met het doorzichtige water dat als de hemel is, en zich grijpen laat en u grijpt, het bleke water, het vloeiende levende water.
Ik strek mijn armen uit, ik voel het wonder van mijn leven, mijn bloed zingt hetzelfde als het zingende water.
In 't water houd ik den wind vast en de zon, ik drink het licht, ik neem alle dingen in mij op, ik ben als éne bloem waar de zon en alle dingen in leven.
Mijn handen, mijn borst vol jubelende begeerten, mijn lippen, mijn ogen, ze zijn niets meer dan een kreet, een zucht, een zang van het water en alle dingen, zij zijn de zang van het brandende leven dat altijd nieuw geboren is.
Maar u alleen heb ik niet, u alleen heb ik nodig, want alles wat in mij is verlangt naar u, mijn geheimste schoonheid dringt naar u...
Alles zal ik zijn voor u, het leven van al wat leeft, de klaarte van het licht is in mijn eeuwig vlees, al de zonnige dingen van den dag en de schaduwen van den innigen avond, en ook de nacht, dien niemand meten kan, en waar de tijd in stilstaat.
Dat onze verlangens in elkander smelten, we zullen onze zielen niet meer voelen.
De wereld zal in ons vergaan, we zullen de goddelijke zee zijn en het goddelijke licht.’
Zij had zich tot voor hem gewrongen, met de kalme lenigheid van een prachtig dier, en hield zijn lenden omgord, hief haar gezicht naar zijn gezicht; hij had met bei zijn handen haar hoofd gegrepen, haar neusvleugels trilden, haar ogen raakten hem aan, en hij hoorde uit haar vochtige lippen dat gefluister dat hem machtiger dan de donder scheen:
‘Ik ben te gelijk extase en dood.’
Ahasverus boog woest over hare ogen, naar haren mond, een grote schreeuw was in hem opgesloten die door zijn keel uitbrak, hij viel op haar als op een prooi, en aaneengestrengeld streden ze den wreden strijd met sombere wulpsheid.
Hij zag ze niet meer, zijn hoofd gedoken in den nacht van heur haar, geklemd in heur armen, hij voelde alleen die zwoegende borst en de levende heerlijkheid van dat lichaam aanzwellen tegen hem als wanneer een grote zucht door de zee vaart, - te vergeefs wilde hij dat kronkelend lichaam geheel vasthouden in één greep. En zij riep:
‘Breek mij, omvat mij, slorp mij op in u...’
En hij: ‘Ik druk u op mij, ik druk u in mijn vlees, maar ik heb u niet, ik heb u niet in mij...’
- Voelt ge mijn leven? voelt ge mijn bloed? Verteer me, verteer me, ik wil in u vergaan...
- Ik wil in u vergaan...
- We zijn als twee vlammen die elkaar verslinden...
- Ik kan niet... ik kan niet...
- Ik wil sterven door u... O, we sterven samen...
- Mijn mond plettert uw mond als een vrucht, maar ik voel uw ziel niet...
- Voelt ge heel het leven, brandend in mijn borsten, mijn mond, mijn alles!... Meer! meer! Ik heb u nog niet...
- Mijn aderen breken, heel mijn leven breekt in u... O zachte bittere dood!...
- Voelt ge den dood stijgen, als een water? Voelt ge u verspreiden en vergaan, opgedronken door den wellust?
- Zwijg, zwijg stil, laat me los... O bittere dood, die geen dood is!... Mijn ziel blijft branden in mij...
- Ik laat u niet los, ik wil uw ziel...
- Mijn ziel blijft branden in mij... Verteer me, of ik verworg u!
- Nog! nog! elk deeltje van mijn lichaam zal een nieuw feest van waanzin worden!’
Het was of hij ze verstikken wilde tegen zijn borst, doch haar blik daagde hem nog uit, in het donker, en hij voelde hoe ze hem naar de diepte trok.
‘Ik ben nog wat ik was... Het schuim van genot en pijn is gelijk zout in mijn mond...’
- Neem mij, word een vlam in mij, neem mij... ik zal u leren wat meer is dan alle geneugten...
- Onmachtige razernij!... Uw afgrond is niet groter dan mijn afgrond...
- Ah, ge kunt maar bijten, beest!...
- Bijt maar, bijt... Ge kunt mijn ziel niet uitdrinken, lamme harpij!...
- Beneên, beneên!... waar alle licht vergeten is...
- Uw dood is een leugen... Mijn vlam zal uw dood verteren...
- Ik sleep u mee, ik moet u hebben... Bezie mij... ontsnap me niet!...
- Ik zal uw verlept vlees verpletteren in uw modder... Uw dood is een leugen,... uw ogen zijn een leugen, uw domme vlees-ogen... O, de uwe, Christus! Christus!...’
Een onmenselijke kreet gilde door het woud, de meermin wrong nog een ogenblik haar bloedige handen, terwijl ze als dol in haren arm beet, en zonk terug in den nacht.
Ahasverus lag alleen, hijgend, in die donkere doodsheid vol rottende vijvergeuren. Zijn hart woog zwaar in hem, als een te rijpe vrucht: er bleef hem niets dan walging over, en haat. Waarom leefde hij nog? Waarom had hij dien naam geslaakt? Waarom kon hij dien niet uitspuwen voor altijd?
En langzaam nu, met zacht windgebeef in de kruinen en ontwakend vogelgepiep, kwam de vochtige grauwte van den morgen en dan de morgen zelf, vreselijk in zijn stilte, een licht dat zonder haast maar onafweerbaar groeide, de velden van de ruimte innam en door het dichtste lover iets van zijn klaarte liet neersijpelen. En met dat licht groeide in Ahasverus de angst.
Dieper nog, dieper het woud in! In den groenen nacht...
Maar hij wist het wel nu, dat hetgeen hij vluchtte in hemzelf was; hoe hij zijn borst ook openreet, het leefde daar, als het vreselijk stille licht van twee ogen...
En een folterende vraag was uit zijn gebroken ziel opgerezen:
‘Als er NIETS ANDERS is, waarom dan uw razernij?’
Wanhopig trachtte hij niet meer te denken, maar de vraag stond daar, en hij moest wel haten, hij kon niet
aant.anders meer, met een haat die het wezen al had van den dood. En hij bleef den helen dag gedoken ergens in een hol, neergehurkt, als een dier dat schrik heeft.
Zijn hoofd deed zeer, zijn keel was droog, de koorts brandde in hem; in zijn mond voelde hij nog als een flauwen smaak van bloed, die hem de meermin herinnerde.
Hij joeg haar beeld weg, hij wilde alles, alles vergeten, maar andere visioenen kwamen op, soms dooreengemengd en dan weer wreed duidelijk ineens.
Hij zag die stad in vuur en vlam, waar de landsknechten aan 't moorden waren; hij zag de ogen van een stokouden man, die niet meer schreeuwen kon, en 't mes in de keel kreeg; hij zag een vrouw op haar knieën, haar kindeken tegen de borst, bijna in haar krimpend lichaam gedrukt, ze riep: ‘God, o God!’ tegen den woestaard die op haar indrong, en 't onnozel schaap in hare armen werd op een piek gestoken, en 't bloed spoot tot op 't gezicht van Ahasverus...
Ja, die moeder, riep naar... IETS ANDERS... Denken de mierkens, die men doodtrapt, ook soms daaraan? Dat kind had toch niets misdreven, ze martelden het zonder reden, en het leed nutteloos. Zo was 't ook overal: blinde bloeddorst, nutteloos leed! Ahasverus draaide daarrond, met een geheime, geniepig loerende tevredenheid: er was iets in dat hem deugd deed. Wreed zijn zonder doel, was dat het goddelijke niet? En stikte dat niet in het bloed, 't geen die mierkens van mensen God noemen?
't Was alsof hij het lillend vlees van dat kindeken aanraakte met zijn vingeren, die beefden. Een duivelse
aant.aant.lach wilde uit hem, maar hij kon zelfs niet meer lachen. En uit zijn hol gekropen stond hij in den nacht te glariën, op handen en voeten, en voelde den waanzin in zich stijgen, en dacht: ‘Zo is 't goed!’
In het woud was alleen nog hier en daar een troebel groen licht, als diep onder water, en daar schenen trage vormen in te bewegen. Ahasverus hoorde stemmen tot hem komen zonder menselijken klank, maar die hij soms meende te verstaan, al waren ze verward en vluchtig. Zo begon de nacht vreemd te leven, met het slappe vleugelgeklap der uilen en allerlei geluid van dieren, die in 't wild kreupelhout elkaar zochten. Wat ze riepen was hem bijwijlen duidelijk, maar hij vergat het seffens: het waren als kreten uit hun vlees, door andere kreten, even onsamenhangend, gauw weggewaaid. Heel het volk van het woud was rondom hem aan 't ontwaken. Wolven liepen voorbij op zachte poten, en hij voelde hun klammen asem; een slang trok langzaam haar koude ringen over zijn hand; het gestruik kraakte onder het zwaar lijf van een everzwijn, dat lastig uit de neusgaten blazend zich tegen een boom kwam wrijven, en Ahasverus rook den warmen reuk van zijn zweet, en dacht: ‘Zo is 't goed!’ Hij proefde tevens weer dien bloedsmaak in zijn mond, en dacht: ‘Zo is 't goed!’ En toen het gehele woud aan 't rumoeren ging, en hij alom gestamp en gebries vernam van bronst en zeerdoend genot, begon hij mee te huilen, zonder te weten waarom, als een beest dat te veel onuitstaanbaar leven in zich heeft, en 't pijnlijk uitstorten wil.
Nu was 't alsof al wat lopen, vliegen of kruipen kon rondom hem krielde en wriemelde. Drommen kleine
aant.diertjes zwermden lijk bieën, wrongen zich lijk wormen, besprongen elkaar in paringswoede en verbeten elkaar. De magere werden ingezwolgen door de vette, de vette gestoken door de vlugge. Er waren er als vliegende puntjes die alles doodden wat ze aanraakten. De liefde zelf was een strijd. Dooreengestrengeld vochten eenhoorns, slangen, griffioenen, overgrote spinnekoppen en onbekende gedrochten, machtig gewapend voor de bevruchting en den moord, met roeden als rode dolken en aan weerszijden van hun muil grijparmen met tanden bezet als zagen. Allen werden nu dronken van stomme begeerte en vernielingszucht, er waren er die zichzelf verscheurden, met druipende kinnebak, en 't bloed der geboorten vermengde zich met het bloed van den dood. De schreeuw van die moeder en dat onschuldig kind, in de vlammende stad, schreeuwde uit alles thans. De bomen zelf zag Ahasverus lijden, de knoppen sprongen open met een smartelijken zucht, de vruchten barstten kermend en spreidden het zaad in 't wild, het sap liep als een verterende gloed onder de schors, en overal was het leven niets meer dan een pijnlijk vuur dat nieuw gewas hier wassen deed en het daar weer verschroeide: branden om opnieuw te groeien, groeien om opnieuw te branden, leven en dood waren één brand die ook in de aderen van Ahasverus kookte. Maar hij kon niet meer opstaan, hij kon niet meer huilen, hij liet zich vallen met het gezicht tegen den grond, het scheen hem dat hij in de aarde vastgroeide om nooit meer, nooit meer te verroeren, en 't lijden van die aarde voelde, al dat lijden zonder zin, terwijl onafwendbaar over hem de loop der parende en strijdende dieren ging,
en de schreeuw van het brandende woud, dat schreeuwde: ‘Eeuwig! eeuwig! eeuwig! eeuwig!...’
En 't schrikkelijkste was hem, boven die Hel, de ogen van Christus, die over hem weenden.