terug  begin  verderprepost
[p. 145]

Twee Vrienden

[p. 147]

aant.I

In de staminee, waar hij met zijn gewone vrienden uit de buurt whist speelt, vertelt vader Balders dien avond, quasi achteloos, terwijl hij den waaier van zijn kaarten overziet, dat zijn zoon Frans - ‘ge weet wel, die gestudeerd heeft,’ - over een paar dagen zal terug zijn, uit Wenen, waar hij in het laboratorium van professor Harwig heeft gewerkt. ‘Harwig, ge hebt zijn naam al wel gehoord; een beroemdheid.’ Natuurlijk kennen ze den naam: Balders heeft er dikwijls genoeg van opgegeven. Hij verduidelijkt nog terloops: ‘Toepassing van de physico-chemie op de geneeskunde,’ en onderstreept het door even zijn benen te verzetten en de anderen met halfopen mond een ogenblik aan te gluren, als iemand die best op de hoogte is.

Ja, het is een zware opoffering geweest, dien jongen nog een jaar naar Oostenrijk te zenden, na die al zo lange medische studiën. Maar tegenwoordig moet ge naar Wenen, als ge een groot dokter worden wilt. Een spiering in 't water smijten om een kabeljauw te vangen...

Als de kaarten opnieuw worden uitgedeeld, neemt Van Veteren, de drogist, zijn pijp uit den mond, drinkt een teug faro, en spreekt: ‘Hij mag gelukkig zijn dat hij een papa heeft.’

[p. 148]

Balders wrijft zelfvoldaan over zijn sik. ‘Ge moet voor uw kinderen wat kunnen doen. Een flinke jongen; zijn broodje is gebakken.’ En na een korte stilte: ‘Hij zal wel een automobiel moeten hebben.’

Die automobiel maakt indruk. Balders staat al niet weinig in aanzien. Van armen komaf, zoon van een timmerman, heeft hij onmiddellijk na den oorlog van '70 met houthandel een aardigen duit verdiend, daarna ook met grondspeculaties en huisjesmelkerij, en is thans, in ruim vijfentwintig jaren, een rijk man geworden. Die zoon, die ‘een groot dokter’ zal worden, moet de bekroning van zijn glorie zijn.

Het uur van zijn aankomst heeft Frans niet naar het ouderhuis, maar alleen zijn vriend Mark Kervaan geseind: Mark for ever! Die is toch nummer één! En om Frans op te wachten heeft Mark zijn vacantie aan zee enkele dagen verschoven.

De trein staat nog niet stil, dat ze elkaar al tegenlachen, en bij hun omhelzing op het perron zijn ze beiden zo ontroerd, dat ze niet anders dan wat heel banale woorden zeggen. Mark wil de zware valies helpen dragen, maar Frans laat die niet los, en ze gaan dadelijk op het stationsplein in een bodega zitten, waar ze vroeger nu en dan bijeenkwamen. Daar drukken ze elkaar nog eens de hand over het tonnetje, kijken elkaar met stille blijdschap aan: het duumviraat, zoals hun makkers het noemen, is eindelijk weer aaneengeklonken.

Ze stellen vast dat ze dezelfden zijn gebleven: Frans ziet er fleurig uit, met zijn open, gulle uitdrukking, en hij zelf leest weer, op het mat-bleke gezicht van Mark, het beeld van zijn liefde: dat gezicht dat de meesten

[p. 149]

aant.lelijk achten, - met het bultig Beethovenvoorhoofd, die scherpe trekken, dien breden, bitteren mond en die invallende kin, - maar dat Frans voorkomt als het echte wezen van het genie; die ogen vooral, zacht befloerst en plots vurig doordringend, hij begrijpt wel dat die de stommelingen moeten verontrusten; en ook die stem, wat dof en moe, en dan weer vreemd snijdend.

- Iets toch is veranderd: waar is uw lang haar in den nek en uw wapperend dasje?

Ja, hij heeft slechts den donkeren haardos behouden, die zijn voorhoofd bekranst, met een weerbarstige lok die telkens, als hij wat opgewonden is, naar het oog glijdt, en die hij dan met een zenuwachtigen snok verwijdert.

- Och, glimlacht Mark, ik begon het kinderachtig te vinden, me op die manier van den bourgeois te onderscheiden: ge bewijst alleen dat ge naar hem nog omkijkt; en ten slotte zag ik er zo artistiek uit, dat ik voor een fotograafje kon doorgaan.

Ze zinspelen maar even op hun grootse plannen en de waarschijnlijke tegenkanting van vader Balders. Verder hebben ze niet veel te vertellen, ze hebben toch voortdurend hun intiemste gedachten elkaar overgebriefd. Nu is het alleen de werkelijke aanwezigheid die hen zo gelukkig maakt, inniger daar ze dadelijk van elkaar weer wegmoeten. Er wordt nog eens afgesproken, dat Frans een paar weken bij Mark in De Panne zal komen doorbrengen, zodra de zaak met vader Balders geregeld is. Mark vertrekt al in den namiddag.

Na het zien van zijn vriend voelt Frans zich vaster. Hij springt in een wagen en rijdt naar huis. Hier is

[p. 150]

het Sinte-Kathelijneplein, de Graanmarkt, de Hopstraat, hij herkent de winkels... het huis!

Fien, de oude meid, komt opendoen. Hij verbluft ze met zijn luid geroep: ‘Hier ben ik, Fien!’ geeft haar de valies over en loopt recht beneden naar de voorkeuken, waar hij zijn moeder stram van rheumatiek in haar ouden zetel weet zitten. Ze zegt eenvoudig: ‘Frans!’ en haar lippen sidderen, haar bol gezicht naar haar jongen opgeheven als om zijn blik op te drinken. Haar gerimpelde kaken hebben wel iets van een appel waar de winter over gegaan is. Frans wil aan zijn gevoeligheid niet toegeven, hij zal de warme vochtigheid in zijn ogen weerhouden. Zijn moeder, dat simpel, ongeletterd volksmens, dat van hem niets begrijpt, zij is hem toch het liefste, het enige zelfs wat hij buiten Mark bezit. Hij houdt haar soms voor een soort van heilige, - een heilige van den tweeden rang, want te benepen, te uitsluitend lijdzaam, zwijgend onder de dwingelandij van haar man, maar steeds schuchter stralend van zuivere, onbegrensde goedhartigheid.

- Jongen, jongen, zegt ze maar. En daar komt vader Balders de trap afgelopen, schudt Frans een hand, pakt hem bij den schouder. ‘Wel, kerel!...’ En na een poos: ‘Waarom hebt ge niet getelegrafeerd?’

Frans valt het op, dat zijn vader wat ouder geworden is: de fletse wangen doen onaangenaam aan in dien kloek getekenden kop. Hij houdt veel van zijn vader, maar liefst op een afstand, hij heeft te veel voor zijn strengheid gebeefd.

Het noenmaal wordt in de kelderkeuken opgediend; die ziet bovenaan op de straat uit en is de eigenlijke

[p. 151]

woonkamer; de achterkeuken blijft het gebied van de meid. Deze, een familiestuk, zit naar patriarchaal gebruik mee aan. En dan komt ook, van zijn kantoor in de Congolese Bank, de joviale Jozef, die zich op uitbundige wijze zo verheugd toont, zijn broer Frans terug te zien en hem met vragen overstelpt. Met hem kan er nog gepraat worden: hij is slechts vier jaar ouder dan Frans, leest nu en dan een boek, een roman van Zola bij voorbeeld, en kan ook wel eens een onverantwoord oordeel over buitenlandse politiek inbrengen.

Frans herkent den eigen reuk van het huis, niet te bepalen, en al het van oudsher vertrouwde rondom zich: de potsierlijke bronzen pendule met jager en herderin, op den schoorsteen, tussen de twee bonte porseleinen vazen, het snijwerk van de Mechelse eiken kasten aan weerszijden... Alles getuigt van zulk een onvervalst burgerlijken wansmaak, dat hij er, vergoelijkend, karakter in ontdekt. Hij herinnert zich, hoe hij als kind voor zichzelf historietjes onder de tafel speelde als in een kluis, waar hij zich afgezonderd dacht, en zich schaamde, wanneer een van zijn broers hem daar betrapte. En die zware zetel waar zijn moeder in zit, met een bankje onder haar voeten...

De vader bromt dat hij zich aan niets bijzonders verwachten mag: hij had maar moeten waarschuwen, dat hij tegen het middaguur zou terugkomen. Maar hij haalt toch een fles bordeaux te voorschijn, die hij met zorg ontkurkt, want hij is fier op zijn kelder, en schenkt zelf de glazen vol, gewichtig den naam en het jaar van den wijn vermeldend. Bij pozen dringt de moeder stilletjes aan: ‘Hebt ge niets meer nodig?... Neem nog wat

[p. 152]

saus... Smaakt het?...’ Frans moet van Wenen vertellen, van de koffiehuizen, van het eten, van de csárdás in den Prater... Maar geen woord over het laboratorium, om het gevreesde geschil nog te ontwijken. Het is hem een verademing, dat zijn vader verstrooid lijkt, wellicht om de ene of andere moeilijkheid in de zaak, en na het maal spoedig met Jozef weggaat.

Dan komen van zijn moeder de vragen, die ze in het bijzijn van haar man niet had durven stellen: of hij nog elken Zondag naar de mis gaat, of hij nog altijd zijn scapulier draagt? Frans jokt maar dapper, dat ze zich niet ongerust moet maken, dat is alles in orde. Zij zegent hem, en hij kust ze op haar oude ogen, wat hij nog nooit gedaan heeft.

Hij loopt het huis rond, kijkt even het eeuwig gesloten salon in, namaak Louis-XVI, waar stoelen en zetels onder hoezen slapen, en het ‘bureau’ van zijn vader, met den groten lessenaar en de boekhouding van het bedrijf. Boven zit hij weer op zijn kamertje, dat hij zo naakt mogelijk had gewenst, met effen behangselpapier. De boekenrekken, de schrijftafel met haar inktvlekken, - er is er ene waar hij altijd een verwrongen kop in herkent, - alles wat hij aanschouwt heeft zich jarenlang met zijn mijmerijen versmolten; hij heeft hier veel gestudeerd en gedroomd, en het is ten slotte zijn kamer, ondanks het armzalig uitzicht op de houtstapels en de ateliers daarachter.

In den namiddag gaat hij zijn oudsten broer bezoeken, August, die eerst zijn vader wat geholpen heeft en, voordelig gehuwd, het tot timmermansbaas heeft gebracht, nu grote werken aanneemt. Frans houdt hem

[p. 153]

voor weinig meer dan een brute; ook de vrouw is een onbeduidend wezen, nogal vrekkig, en ze hebben geen kinderen. Hij drinkt er een kop koffie en toeft niet lang.

Hij slentert wat, gaat op een van de drukste plaatsen voor een café zitten. Het is lekker warm; hij kijkt naar de meisjes, die in licht zomertoilet voorbijtrekken. Hier is zijn stad, hier zal zijn leven geplant zijn. Waarom voelt hij zich zo vreemd onder al die mensen? Waarlijk geen mooi ras; door de sleur van die idiote bezigheden verstompt! Waarom gaapt er zulk een verschil tussen hem en zijn broers? Brave lui, in den grond, maar welk verband met hem? Men kiest zijn broers niet; ook, helaas! zijn vader niet! Jammer dat Mark nu al naar De Panne is! Maar Frans heeft er hem zelf om verzocht: hij zal het gemakkelijker met zijn vader klaarspelen als die niet vermoedt dat hij met Mark gesproken heeft. En hij verschijnt nogal laat voor het souper, om alleen met zijn moeder te zijn, en zijn vader niet meer te ontmoeten, die elken avond kaarten gaat. Het zal eerst morgen gebeuren.

II

Dien ochtend gaat hij hem in zijn slaapkamer opzoeken. De vader is zich aan het scheren en trekt scheve gezichten om zijn huid onder het scheermes te spannen. Zo komt hij den zoon bijzonder lelijk voor, en weer veel ouder, met die twee magere pezen in zijn keel en die balken onder zijn ogen. Zijn bretellen hangen los over zijn broek.

Frans gaat zitten en legt heel kalm uit, dat hij voor-

[p. 154]

nemens is, zich voorlopig nog niet als geneesheer te vestigen: hij wenst verder aan zuivere wetenschap te doen, de praktijk zou hem daarvan afhouden, en hij is toch op weg om in die richting heel wat te bereiken, - hij spreekt van ‘uitvindingen’, - en na enkele jaren...

De vader veegt de laatste zeep van zijn gezicht en schiet uit, windt zich steeds luider op, bijtend: ‘Na enkele jaren! Na enkele jaren! Hebt ge nu niet genoeg gekost? Zuivere wetenschap! Dokter zijn, is dat geen zuivere wetenschap? Kunt ge geen geld verdienen als dokter en u in uw ledige uren met de zuiverste wetenschap bezighouden als u dat plezier doet?’

- Neen, dat is onmogelijk, klinkt het beslist.

Verdomd, het is de eetste maal dat een van zijn zoons niet voor zijn wil buigt, hem durft tegenspreken.

- Zuivere wetenschap! Zuivere wetenschap! Waar leidt u dat naartoe? Ge zijt nu vijfentwintig, ge moet voor uw brood werken... Zie eens, uw broers... Jozef heeft een magnifieke betrekking, - ze zal magnifiek worden, - en August is goed getrouwd. Gij, gij hebt mogen studeren, gij hebt het beter dan zij gehad. Dat kan zo niet voortgaan. Wat heb ik niet allemaal voor u gedaan!...

Zijn eigenliefde vooral is gekrenkt, denkt Frans. Hij kijkt naar hem niet op, uit vrees voor erger, maar verklaart hortend, dat hij wel wachten kan, dat hij later misschien aan de universiteit kan geraken...

- Ondertussen is er toch niets dat u belet, u als dokter een naam te maken.

- Nee! Nee! Ondertussen kan ik tot assistent

[p. 155]

benoemd worden in het laboratorium van professor Hagers, dat is me beloofd...

- Wat brengt dat op?

- Bijna niets, maar te Wenen heb ik willen bewijzen, dat ik met weinig leven kan, ik heb me dat opgelegd, ik heb niet meer dan een honderdvijftig frank in de maand verteerd, alles inbegrepen... Ik heb willen bewijzen dat ik niemand nodig heb...

De vader, verbluft: ‘Uw plan stond dus van 't begin af vast en ge hebt er niets van gezegd?’

Dat kan hij niet kroppen. Hij is om den tuin geleid. En hij wordt bitter, hij spot: ‘Een schoon leven! Honderdvijftig frank! Wat hebt ge dan gegeten? Dat kunt ge misschien zes of zeven maanden uithouden, maar dan? En als ge wilt trouwen?’

- Ik zal niet trouwen.

Balders, ineens verlamd, begrijpt er niets meer van, tuurt zijn zoon aan, met hangende lip, mompelt: ‘Hij is zot geworden, stapelzot!’

- Luister, zegt Frans kortaf, maar wat beschaamd: ik wil niet leven alleen om geld te winnen... Ik heb een doel... Anders zou ik ongelukkig zijn...

Nu hij zo ver geraakt is, heeft hij lust om één voor allemaal alles voluit te verklaren, er zich eindelijk van te verlossen, geheel oprecht te zijn: dat hij zich aan een ideaal wil wijden, dat het een grote tijd is, een van de grootste in de geschiedenis, dat hij naast zijn wetenschap ook meewerken wil aan het opbouwen van een beter leven. Maar hij beseft het flauw romantische van zulke woorden, die zijn vader zelfs niet vatten zou. Nutteloos! Het zou hem alleen nog kwader maken.

[p. 156]

aant.Tegenover hem staat hij als voor een muur. En toch weet hij, dat zijn vader hem op zijne wijze liefheeft, en hij wil hem sparen.

Plots springt Balders weer op: ‘'t Is zeker die verduvelde Mark Kervaan, die u dien prietpraat in den bol gestoken heeft?...’

Frans liegt dadelijk, dat daar niets van aan is: hij heeft Mark Kervaan niet nodig om te weten wat hij doen moet.

Maar Balders ziet nu heel bepaald in, dat Kervaan weer eens achter die gekke kuren zit. Wat heeft hij vroeger niet te vergeefs gepoogd, Frans met dien Kervaan te doen breken, dien pretentieuzen leegganger, socialist, communist, anarchist en wat niet al!...

Er is een poos stilte. Balders sakkert even omdat hij last heeft met den knoop van zijn boord, en trekt knorrend zijn jasje aan. Dan besluit hij den groten slag te slaan, zeker van de overwinning. Schamper spreekt hij: ‘Ge zijt geen kleine jongen meer, ge kunt doen wat ge wilt, - ik vraag u geen onmiddellijk antwoord, peins er eens over, het is geen klein ding: ge vestigt u als dokter, of ge hangt den stommerik uit, maar in dát geval moogt ge leven op hetgeen er van Wenen overschiet, als ge toch niemand nodig wilt hebben!... Van mij krijgt ge geen rooien duit meer te zien, voor mijn dood.’

Hij verlaat de kamer, sluit zonder meer, vastberaden de deur. Door zijn laatste woorden is Frans pijnlijk getroffen, dat zijn vader sterven zou, nadat hij, zijn zoon, hem ongelukkig heeft gemaakt... Maar wat kan hij doen? Zijn sociale denkbeelden, daar valt toch niets aan te veranderen. Hij zal hard werken, uit al zijn macht,

[p. 157]

en door de wetenschap beroemd worden, en dan zal zijn vader weer trots op hem zijn. Eigenlijk voelt hij zich vreemd opgelucht: hij is zo lang bang geweest voor die uiteenzetting, het is nu gedaan, en de lichte knaging aan zijn hart wordt overjubeld door den zang van zijn bruisende jeugd. Dit is nu toch bereikt: hij is vrij! Hij zal nu zelf voor zijn bestaan zorgen, van niemand meer afhangen, vrij! vrij! Er stijgt in hem een onoverwinbare wilskracht; de hele wereld, een heroïsch leven gaat voor hem open.

Hij zou nu dadelijk bij zijn vriend willen zijn.

III

Frans heeft professor Hagers bezocht; voor October is zijn aanstelling als assistent verzekerd. Hij heeft dan dadelijk een gemeubeld kamertje gehuurd en er zijn zaken laten overbrengen. Met zijn vader zijn slechts enkele woorden gewisseld, zijn moeder heeft stil en lang geweend, maar vond niets meer te zeggen. Vier dagen na zijn terugkeer uit Wenen is alles geregeld en kan hij vóór den avond in De Panne aankomen.

De villa ‘Windvang’ in de duinen lijkt hem een paradijs, en wat is vader Kervaan, met zijn hoge gestalte en zijn aristocratisch-geestigen kop in den grond toch een gulle vent! Zijn lange jas, die hij zelfs in huis altijd draagt, en het grijzend sluik haar dat zijn gezicht omlijst, geven hem te gelijk iets van een dominee en van een romantischen Duitsen professor, maar dat mag men den hoogleraar-latinist wel vergeven, en achter zijn

[p. 158]

bruske manieren, de achttiende-eeuwse sierlijkkeid, waarmee hij uiterst krasse taal spreekt, vermoedt ge spoedig een gouden hart. Zijn slimme ogen flikkeren goedig. Hij kijkt van omhoog, het bovenlijf wat schuin, en in zijn nonchalanten gang rust het gehele lichaam afwisselend op het ene en op het andere been, alsof hij aan touwtjes hing.

Ze gaan dadelijk aan tafel. Alles blinkt er, Kervaan houdt van orde en fijne luxe; de amberen wijn fonkelt in geslepen glazen, rode tulpen gloeien in een Boheemse vaas. Maar dat Sus, de oudere broer van Mark, weer niet daar is, maakt zijn vader kregelig. ‘Hij komt niet eten, zegt Mark, hij is aan den zwier met Karel Morijn.’

- Nou! Morijn of een ander... Bijzondere aanleiding tot zwieren heeft hij waarlijk niet nodig. Sus, suis, het zwijn, lutulentus sus...

Maar Kervaan meent het zo erg niet; ten slotte heeft hij zelfs een voorkeur voor den Sus, want Mark is zo gesloten; en sedert Sus aan het athenaeum les in de wiskunde geeft, hoort hij daar zoveel goeds van hem. Kervaan moet er luidop van getuigen: ‘Wie had dat van hem verwacht? Het schijnt dat hij daar de ernst zelf is, - toonbeeld, parel, aartspatroon, reine baarmoeder van alle degelijkheid! De wereld is vol rare dingen...’

Mark acht het in zijn eigen gelukkig, dat Sus er vanavond niet is: hij bederft toch de beste stemmingen met zijn vervelenden spot.

Maar de professor wordt ineens woedend, omdat de soep niet warm genoeg is. Zijn stem zwelt niet zozeer aan, zij blijft zelfs rythmisch gebalanceerd, maar de

[p. 159]

aant.vloeken, scheldwoorden en verwensingen, onuitputtelijk nieuw, slieren zenuwachtiger uit zijn mond. Het trappen op de electrische bel onder de tafel doet dikke Marie, de keukenmeid, opdoemen. Trouwens zonder haast: zij is de manieren van haar meester al zo lang gewoon en op het verwijt antwoordt ze met een onverstoorbare sereniteit: ‘Ze ís warm.’ Waarop Kervaan, met een vervaarlijken blik maar rotsvast: ‘Onverantwoordelijke meerkat, plesiosaura zonder opvoeding, 'k wou dat de duivel je de darmen uit den balg rukte met een puntig mes en er 't roet afschrapte om er kaarsen mee te maken die je ziel zullen verlichten in haar eeuwige verdoemenis, leugenbeest dat je daar staat!’

Marie is schokschouderend verdwenen en Kervaan, schielijk door den literairen draai van zijn tirade gestild, verklaart dat die soep, alles bijeengenomen, nog zo kwaad niet is. Daarna peuzelt hij kieskeurig aan zijn tarbot, - ‘fameus, die tarbot!’ - en praat maar door, vertelt met pinkend Japans spleetoog een schunnige mop, om de jongens op te vrolijken, informeert naar de studies van Frans, laat dat onderwerp gauw vallen, om naar Karel Morijn te vragen: ‘Zo? Is die uit Spanje terug?’ - Voor een maand, hij verdient daar veel geld en bezorgt vader en moeder Morijn een kleine vacantie in een pensionnetje te Sint Idesbald; die schijnen nu mekaar wat te verdragen...

- Zijt ge er dan geweest? Daar hebt ge me niets van gezegd. Zij waren heel bevriend met ons, vroeger...

Hij droomt een ogenblik weg, denkt aan vervlogen dagen, toen zijn vrouw nog leefde, ze is nu haast tien jaren dood; hij heeft dikwijls met haar gekibbeld, omdat

[p. 160]

aant.ze de kinderen verwende, ze was veel te zacht met hen; maar hij schudt dat weer van zich af, en met zijn fijnen, wat weemoedigen glimlach: ‘Ja, die Karel is een brave kerel. Waarom zijt gij geen ingenieur geworden? Een advokaat raakt nu maar moeilijk aan zijn brood, om van confituur niet te reppen, en gij voelt daarbij niet veel voor het vak.’ Tot Frans: ‘Mijn jongens hebben altijd wat anders gedaan dan wat ik wenste. Ik heb hun niemendal te zeggen. Enfin!...’

Zodra het maal afgelopen is, zijn de twee vrienden blij, zich boven in de kamer van Mark terug te trekken. Alles eenvoudig-modern ingericht, meubels van blond citroenhout. De avond daalt over de duinen rondom, in de verte zijn de hemel en de zee zuiver rozig; het wordt donker, ze zitten in gemakkelijke clubzetels, bij de vertrouwelijke lamp.

En ze hebben het dadelijk weer over hun plannen. Er ontbreken nog een paar medewerkers voor het maandblad, maar hoofdzaak is, dat André Meys nu beloofd heeft, het nodige kapitaal aan te brengen om van wal te steken. Dat is nog het meest pittoreske aan de onderneming: denk maar eens, André volgt weldra zijn vader als notaris op, en hij is het, die de lont levert voor de revolutionnaire springstof! Om zich een breuk te lachen!

Maar Frans is ongeduldig, het mysteriespel van Mark te horen. Mark heeft daar wel dikwijls in zijn brieven van gewaagd, doch zonder bijzonderheden, alleen dat hij zo moeilijk vorderde; het ding moest eerst af zijn. En 't is nu af, of ongeveer, want hij is er niet tevreden mee. Hij geeft wat uitleg: hij noemt dat een mysteriespel,

[p. 161]

omdat de vorm toch aan de christelijke middeleeuwen ontleend is en sommige personages begrippen voorstellen, maar de stof heeft hij uit een Griekse mythe gehaald, of liever, verschillende legenden versmolten en voor zijn doel gewijzigd. In de oorspronkelijke mythe betekent Semelé waarschijnlijk de aarde, Zeus de bevruchtende kracht uit den hemel, en Dionysos, uit hun liefde gesproten, den wijngaard. Maar wat hij schilderen wou, is de lange opgang van Semelé naar den God, dien zij in al zijn heerlijkheid aanschouwen wil, terwijl zij toch weet, dat die heerlijkheid haar verblinden en doden zal. Stervende - dat is iets uit zíjnen koker, - baart ze Dionysos, de levensexaltatie, het geluk van de wereld.

Mark leest, de verzen even modulerend, in de grote stilte. Frans is nu zenuwachtiger dan Mark zelf, in zijn spanning laat hij zijn sigaret uitdoven. Zoals Mark daar tegenover hem zit, met zijn bleek gezicht in de schaduw, is het hem alsof hij een lichte vlam boven zijn hoofd zag. Hij volgt bewonderend dien bergtocht van Semelé naar den hoogsten droom, over alle hinderpalen heen, den angst en de uitzinnige hoop, dan de bedwelming en de verrukking in den duizeligen luister van licht, waar het leven door neergebliksemd wordt, en ten slotte de bacchische koren van een herboren mensdom.

Als de lezing gedaan is kan hij alleen vaststellen: ‘'t Is mooi? hoor! 't Is groot!’ grijpt Mark bij zijn schouders: ‘Heerlijk!’ Maar Mark legt het handschrift weg, en met gedempte stem, zijn strakken blik voor zich uit, zijn haarlok wegschuddend, zegt hij nu al zijn twijfel: ‘Ik vrees nog dat het een misbaksel is. Een onmogelijk

[p. 162]

onderwerp! En hoe de uitdrukking van onze ingewikkelde gevoeligheid, met al haar schakeringen, tot den eenvoud van een monumentaal geheel te sluiten, zo dat ook de menigte gepakt wordt? De muzikale begeleiding van Rommens kan daarin wel behulpzaam zijn, maar de verzen zelf zouden het moeten bereiken. En dan: te veel herinneringen aan Shelley, en invloed van Mallarmé op den koop toe; en die idee van de liefde die zich eerst volkomen in den dood kan verwezenlijken, die gelijkstelling van liefde en dood, dat is iets dat weer aan Tristan en Isolde zal doen denken...

... Maar men zal toch toegeven, dat ik iets groots heb gewaagd...’

- Ja! ja! ja! beaamt Frans. Herinneringen aan dit of aan dat, die zult ge bij Shelley en bij Wagner ook wel aantreffen, wat heeft dat te beduiden? Het is een meesterwerk, Mark, ge zijt er! ge zijt er bovenop!

Mark voelt zich moe. Frans, eindelijk naar zijn kamer getrokken, het hoofd gonzend als van jongen wijn, blijft nog lang in zijn bed wakker liggen, het venster open op de sterren en het verre ruisen van de zee. Hij weet nu meer dan ooit, dat hij Mark onvoorwaardelijk volgen zal.

IV

's Anderen daags zitten ze op het duin, voor de zee, stil genietend van het warm geluk, weer dicht bijeen te zijn, met al die dromen in zich, die hen nog inniger zullen verenigen, en dat vertrouwen in elkaar, dat steun en stevigheid geeft; ze voelen zich zoveel rijker, zelfs

[p. 163]

veel meer ‘zichzelf’ dan indien elk alleen stond. Wat ligt het leven nu helder voor hen! Maar het is eerst te zamen dat ze de wereld bezitten.

De zee, zover als ze zien kunnen. In de scherpe lucht hoort ge alleen de regelmatige ademhaling van de zee, met nu en dan het kort gesmoord geblaf van een golf. De verten waaien hun een zilte bries tegen, het helm ritselt zacht. Onder de zon is de glinsterende zee jadekleurig, ginder zo verijlend dat ze één wordt met een hemel van het zuiverste water. De ganse wereld is wit.

Mark heeft het weer over zijn mysteriespel.

- Ik twijfel zozeer aan me zelf niet, maar aan den tijd: we staan nog midden in een maatschappij van geldmacht, groot-industrie, mechanisatie, en al wat er mee samenhangt, sensualisme enzovoort, en vóór ons heeft het nieuwe leven nog geen vorm gekregen. We worden alleen door ons voorgevoel gedreven. Dat is ons noodlot. Ook de muziek van Tristan is ten slotte nog een troebele wijn, die benevelt; alles zo geraffineerd, van overspannen zenuwen, maar de vaste bodem, de zekerheid waar andere tijden op bouwden, die ontbreekt er, wij blijven daar verstoken van het woord dat ons geheel bevrijden zou. De schuld ligt aan Wagner niet. De gemeenschapskunst die we wensen zal eerst later mogelijk worden, als het gezamenlijke leven veranderd is, als weer een geloof de mensen aan elkaar snoert...

- Maar zij is er, de idee, zegt Frans, zij groeit, zij werkt al in vele geesten, en onze kracht is juist, dat we ons door den opkomenden vloed laten dragen. Het is wellicht nooit anders geweest, ook in die tijden die ge nu idealiseert.

[p. 164]

Ze zwijgen een poos. De eenzame zee blinkt van trillend zilver. De vleugel van een neerzwierende meeuw vangt even licht op. De minste lijn of kleur, het vluchtigste schijnsel schenkt Frans een vreugd.

Hij denkt luid: ‘'t Is vreemd, voor zovelen is de zee het onvruchtbare, - natuurlijk hebben ze alleen den mens op het oog, - en eigenlijk is er in de zee meer leven dan op aarde, overal, tot in haar diepste diepten.’

- Maar ze wekt het gevoel van het oneindige, het tijdloze: dat is juist ‘het andere’, dat de meeste mensen ongerust maakt; ze zijn daar niet thuis; om het zo maar te zeggen: ze weten, dat ze daar nooit helemaal akkoord mee kunnen gaan. De afgrond van Pascal... Hoe heet het weer? Le silence éternel de ces espaces infinis... Het is niet alleen ‘het andere’, veel meer ‘het tegendeel’, en dat is voor hen verwant met het idee van den dood.

- Ik meen, dat ze zich iets minder onveilig voelen tegenover den hemel vol sterren: misschien omdat ze de oude troostende Godsidee nooit kwijt zijn, bewust of niet.

- En wij?... Wij hebben toch ook die behoefte, aan iets te geloven, iets... - de behoefte, het eindige aan het oneindige te verbinden...

Dat is weer Mark zijn ‘metaphysica’... Frans ondervindt wel dat ze nu nog meer ruimte in hen schept, maar heeft geen trek, zich aan die richting over te geven. Hij mijmert: Ja, eenheid... het leven zelf is een geheimzinnige eenheid... Er is geen scherpe scheiding meer tussen physica en scheikunde... Waar is de kloof tussen levende en dode stof?... En de stof zelve, wellicht maar een vorm van kracht... Het mysterie is ook in het

[p. 165]

oneindig-kleine... De wetenschap begint pas... Maar ze zal ons weer gelijk maken aan de Ouden: buiten elken metaphysischen angst, het volle genot van het leven...

Ondertussen heeft Mark zijn eigen bepeinzingen geyolgd. Slotsom: ‘Het is toch een veeg teken, Frans, dat in mijn werk het motief van den dood me zo bezighoudt, feitelijk altijd aanwezig is. Voor een inluider van het Nieuwe Leven, met hoofdletters!’

- Neen, Mark, - ik heb dat soms wel in uw brieven gemerkt en er dan ook wat over geprakkezeerd: dat is een verschijnsel van de geestelijke puberteit; het is juist in de jeugd, wanneer we met ons verlangen alles willen bemachtigen, dat we 't pijnlijkst onze grenzen voelen. De Werthers van boven de vijfentwintig zijn uiterst zeldzaam.

Maar zij kunnen niet verder praten, want zij zien den Sus langs het strand aankomen, met zijn doggetje op zijn hielen. ‘Er valt haast nooit een ernstig woord met hem te spreken, mompelt Mark; buiten zijn wiskunde, waar ik geen benul van heb. 'k Wou dat ik zijn gaven bezat! Hij, hij is een geniale kop, hij heeft verstand van alles, zelfs de werkelijke kennis van de meest verschillende zaken, vrouwen, keuken, kunst, politiek, de beurs... Hij is met Jan en alleman bevriend, kamerleden, snollen, kellners, magistraten, koetsiers, baronessen, mosselwijven... Hij zou alles kunnen wat hij wil, maar hij wil niets, weet zelfs niet wat hoop is. Zijn fratsenmakerij en cynisme, dat is wel zijn natuur, maar er zit nog heel wat anders onder...’

De slungelige gestalte van den Sus komt op haar zeven gemakken de duin opgeklommen. Boven den verwarden

[p. 166]

aant.geitebaard, die de korte kin verbergt, steekt de lange neus uit, met een wat opwippenden bobbel aan het eind, en die neus, die al de bewegingen van mond en ogen schijnt mee te maken, heeft op zichzelf iets clownachtigs. Frans voelt al een kriebeling van genot. Wat een typische kerel! En de Sus is trouwens de broer van Mark!

Hij groet Frans met een sierlijk gebaar, alsof hij met een bepluimden musketiershoed wuifde, drukt hem hartelijk de hand, betoont zich uiterst lieftallig en stelt zijn doggetje voor: Socrates, een afzichtelijk beest, log op korte kromme poten, een dikken grimmigen kop met hangende kwabbels van kaken en twee haaktanden over een opgestoken lip.

Sus komt ze halen: Karel Morijn wacht op hen, in de bodega; hij zal blij zijn, Frans weer te zien. ‘Een gelukkige vent, stelt Sus onderweg vast: hij zit met geen muizenissen in zijn hoofd, bekijkt alles van den practischen kant, blijft altijd bij zijn positieve en neemt van het leven al wat het hem maar geven kan. Deze laat zich niet bedotten als zijn vader, die met zijn uitvindingen naar den dieperik gaat: hij steekt er al zijn geld in en laat zich de resultaten ontfutselen, anderen mesten er zich vet mee.’

Veel drukte op den dijk, schuifelend geslenter op strandschoenen, in lichte kleren, flanelwit, in de zon. En voor de bodega zit Karel, bruingebrand, joviaal en vastberaden gezicht, gezond, man van de daad. Het is al een plezier, hoe zijn directe blik en zijn kalme glimlach u tegemoet komen. Dadelijk vier sherry's, in brede kelken. Hij vraagt Frans, of die nog altijd in zijn microscoop op zoek is naar het geheim van het leven; een

[p. 167]

tijdverdrijf als een ander; zijn spoorweg bouwen, daarginds, is ook iets waar men zich warm voor maken kan. En van daarginds moet hij nu ook verhalen. ‘Die Spaanse werklui, ménsen, hoor, echte ménsen, niks geen Italianen! Met al hun smeulend vuur toch even bedaard en waardig en redelijk als Hollanders. - Kom, daar overdrijft ge! - Geen idee van! Ik voel me daar als bij mijn volk; eigenlijk meer dan hier, hier heb ik heimwee naar Spanje...’

Sus bestelt vier verse sherry's. Frans heeft het leven nooit heerlijker gevonden. Zon op de zee en zon in zijn hoofd; de hele wereld is fris als een koele, blonde schuimwijn. Jonge meisjes lopen voorbij, in kleurige blouses of nauwsluitende jersey's, op den hals diep uitgesneden, sportief. Hij zal hier nog een avontuurtje moeten hebben, als te Wenen met die anmutige Mitzi, dan ontbreekt er niets meer...

Maar het wordt tijd voor de lunch. De Morijns zullen in den namiddag professor Kervaan een bezoek brengen. ‘Of ze hier nog een tijdje blijven? - Een paar weken, vooral voor mijn zus, die heeft een ferme portie zeelucht wel nodig. 't Is eigenlijk om harentwil dat ik overgekomen ben; ze heeft het niet prettig, papa en mama kunnen het bakkeleien niet laten, en zij schijnt er maar niets van te merken, steeds even lief voor beiden; maar 't is niks verkwikkelijk; zodra we terug in Brussel zijn, geloof ik niet dat ik het er nog lang zal uithouden.’

Hij verwijdert zich met flinken stap. Op weg naar de villa geeft Mark enige toelichting: mevrouw Morijn was uit een nogal bemiddelde familie; een goed hart, in den grond, maar een stug karakter; haar man, ingenieur, knappe geest, doorbraaf, maar een zwakkeling;

[p. 168]

in zijn jacht naar vernuftige uitvindingen heeft hij alles opgedaan, slimmeriken weten ze in zijn plaats te exploiteren; hij zoekt nu en dan troost in den drank; zij kan het niet kroppen, dat ze aan lager wal zijn geraakt; ze laat zich heel wat voorstaan; naarmate ze dieper in de schuld zinken, neemt haar snobisme toe, en in haar verbittering doet ze den man de pest aan, ze leven als kat en hond, en dat is wel de reden waarom Karel liefst naar den vreemde trekt. - En het meisje? - Die tracht wat te verdienen met privaatlessen in tekenen en aquarel.

- Dat maakt minder lawaai dan piano, oppert de Sus.

Ja, van die verhoudingen had Frans wel iets gehoord, ook van die zuster van Karel, indertijd, maar hij kent ze niet. ‘Zo?’ vraagt de Sus met een argelozen blik naar Mark.

De zon blakert over den duinweg. Vader Kervaan, in zijn deftige zwarte jas, roept met opgeheven armen van op den drempel: ‘Losbandige verworpelingen, schorpioenengebroed, rept u in 's duivels naam, ik sterf hier sakkermilledju den hongerdood!’

V

Aan tafel vraagt Kervaan of Karel Morijn aan het maandblad zal meewerken. ‘Daar is hem niet om gevraagd, antwoordt Mark, hij staat er ver van af, hij stelt geen belang in die zaken; het is hem genoeg het werk te doen dat hem opgegeven is en geld te winnen door de werklui in Spanje te helpen uitbuiten.’

- Nou, zegt de vader, met de uitdrukking van een

[p. 169]

ouden kwajongen, ondertussen laat ook gij u niets te kort komen, en geen van ons kan toch buiten de kapitalistische wereld, we teren er allemaal op, gij zowel als Karel Morijn.

- Maar er kan gewerkt worden om er uit te geraken...

De toon van Mark wordt bitsig, het scepticisme van zijn vader ergert hem; hij denkt: het is alleen zelfzucht; pa veracht wel den bourgeois, globaal genomen, maar ook hij doet slechts het werk waar hij voor betaald wordt, die armzalige philologie is hem een voldoende reden van bestaan, en hij verwijdert van zich alles wat zijn rust zou kunnen storen.

Sus vraagt langs zijn langen neus weg: of ze nu al een titel voor hun maandblad hebben. ‘Dat is meer waard dan de denkbeelden die ge verkondigen zult. Een titel moet een program zijn, daar hebben de mensen meer behoefte aan dan aan denkbeelden.’

Frans lacht: ja, ze hebben allerlei titels geprobeerd en verworpen; die zijn altijd te banaal of pretentieus. ‘Nu hebben we er een, die wellicht dienst kan doen: De Orde.’

- De Horde, meent Kervaan, dat past inderdaad bij den nieuwen inval van de barbaren, dien ge voorbereidt; de barbaren van onderaan...

- Neen: De Orde! Dat lijkt een grapje: de bourgeois zullen er zich eerst door laten verschalken, en in den grond beantwoordt het toch aan onze idee: de revolutie is een middel om eindelijk orde in de samenleving te brengen.

- De Nieuwe Wanorde zou eerlijker zijn, brengt Sus in het midden.

[p. 170]

Kervaan laat graag het zonnetje in het water schijnen, met de geestdrift van zijn jongen is hij eigenlijk ingenomen, hij zelf is ook zo geweest en dat gaat met de jaren wel over. Mark is nog jong genoeg om enige stommiteiten uit te halen, doch Kervaan kan niet nalaten, even de taal van de gezonde rede te spreken: ‘Een nieuwe wereld, best! Maar onze wereld is een verduiveld ingewikkeld iets geworden... Honderden problemen... Ik word er duizelig van... Ge hebt wel sociale wetenschappen gestudeerd, maar wat betekent dat? En ge zijt zelfs niet tot het eind gegaan!’

Met een bittere passie die zijn breden mond wat scheef trekt, valt Mark schamper uit: ‘Afbreken is al veel! Den geest van opstand aanwakkeren, al het voze, al het valse en rotte vertrappen, om de mensen te bevrijden, ze de naakte waarheid onder de ogen te leren zien...’

- Ho! ho! de Waar-heid! fluistert Sus, en knikt gewichtig met het hoofd en fluit eens, den vinger langs zijn neus.

- Ge moet toch weten waar ge naartoe gaat...

- Als ge dat eerst in de puntjes moet weten, dan vertrekt ge nooit... Wat we willen? Voorlopig is het voldoende, dat we akkoord gaan over al datgene dat we niet meer willen! We willen niet meer, dat het geld alleen meester is, over alles, dat de grote hoop onderdrukt wordt, uitgezogen, in ellende omkomt... dat de kleine kinderen van gebrek kreperen... dat de hele wereld onder ongerechtigheid lijdt... en verknechting... en leugen, leugen... Wat we niet willen, dat weten we bepaald...

[p. 171]

- Braaf! Wind u niet op! Maar als alles in puin ligt, wat komt er in de plaats?

- Al was het maar wat meer ruimte, lucht en licht! En wat komt er in de plaats, als ge de cholera afschaft?

- Comparatio claudicat! Of is onze cultuur een ziekte? Dan is het mensdom altijd ziek geweest. En gij zult het genezen!!

Vader Kervaan heeft een tic, wanneer hij wat driftiger praat: het plots optrekken van de linkerwang, waardoor het linkeroog tot een knoopsgat versmalt. Hij vaart zenuwachtiger uit:

- Zo redeneerden ook een eeuw geleden de mannen van de Franse Omwenteling, en wat is daarop gevolgd? Napoleon, de Restauratie! Uw vertrouwen in de natuurlijke wijsheid van bevrijde geesten is heel mooi, drommels mooi, - Jean-Jacques Rousseau!... Maar de mensen zijn beesten en blijven beesten.

- Stel dat we ons vergissen, professor, brengt Frans in het midden, dan is het toch beter zich zó te vergissen dan...

Mark valt hem in de rede: ‘Ons vergissen? Mogelijk... We geloven niet per se aan een vaste leer, we zijn geen marxisten... Maar ik zal u zeggen wat in geen geval een vergissing is: we willen op waardige wijze leven... voor een hoog doel... ik zou niet anders kunnen leven...’

De Sus, die al meermalen de fles aangesproken heeft, schenkt zich nog een glas in, laat het in de zon flonkeren: ‘Goed zo! Hoe kan een mens leven zonder dronken te zijn? - van wijn, ideeën, kunst, al om 't even; ieder naar zijn eigen aard...’

[p. 172]

Hij drinkt zijn glas in één teug leeg, en ziet er bij lange niet vrolijk uit.

Vader Kervaan, die van die woordenwisselingen niet bijster veel hebben moet, laat dromerig zijn hand door zijn zachte grijze haren varen en geeft het gesprek een andere wending door te gaan filosoferen over de laatste goede wijnjaren; het schijnt dat de bourgogne van '95 voortreffelijk is, bijzonder ‘fruité’.

Dat hedonisme maakt Mark ongemakkelijk en geërgerd sluit hij zich in stilzwijgen op.

VI

Als Karel Morijn in het pensionnetje te Sint-Idesbald terugkomt, merkt hij dadelijk dat er weer een klein drama gebeurd is. Voordat ze aan tafel gaan, brengt zijn zuster hem op de hoogte. Papa had een onschuldigen borrel gedronken, mama verweet hem dat hij ‘zoals altijd’ naar den drank rook, en merkte dat hij zich drie nieuwe kravatten had aangekocht, nogal dure. Dat is nu eenmaal een liefhebberij van hem, zo kieskeurig op zijn toilet te zijn. Hij had zich goedmoedig verdedigd: de oude was niet fris genoeg meer en als hij er drie nam kreeg hij ze tegen verminderden prijs. - En wíj moeten een cent in tweeën bijten, terwijl meneer het geld met hamers breekt, om chic te schijnen en voor de dametjes te gaan pronken! En den 15en staan we weer voor een wissel van zoveel, dien we niet kunnen betalen! Ik zal nog al mijn schone oude meubels zien verkopen, enz. enz. Kortom, de gewone geschiedenis.

[p. 173]

Aan tafel zwijgt mevrouw Morijn hardnekkig; nu en dan slechts een eigenaardig kort geblaas door den neus, een teken dat ze onder hoge drukking verkeert. Doch haar man laat het aan zijn hart niet komen. Met zijn welverzorgden baard lijkt hij Karel steeds een beminnelijke candidaat-aartsvader. Na het eten gaat hij met gerust gemoed een dutje doen, voordat hij met zijn vrouw naar De Panne tramt.

Kervaan ontvangt ze uiterst vriendelijk. Indertijd waren ze buren, de twee vrouwen zagen elkaar veel en de kleine Mathilde kwam dikwijls binnengelopen, om zich die meetkundige problemen, die ze op school kreeg, - ze waren altijd zo moeilijk! - door Mark te laten oplossen. Maar Kervaan houdt bijzonder van Jan Morijn. Hij weet dat hij hem genoegen doet door dadelijk de kruik oude klare naast de kop koffie te stellen; mevrouw Morijn weigert een likeurtje en kijkt wat hooghartig rond: Kervaan moet niet geloven dat zij zich door zijn luxe laat verbluffen; en wat een rare schilderij daar, moderne kunst zeker; Kervaan is ook wel een beetje van Lotje getikt, net als haar man. Ze blaast door haar neus.

Mark en Frans verschijnen nu ook. ‘Komen Karel en Mathilde dan niet?’ vraagt onmiddellijk Mark. - ‘Ja, die liepen liever.’ Een poosje later zijn ze daar. Frans is benieuwd om het meisje: slank, een aangenaam gezicht; is ze niet prae-tuberculeus? Haar teint heeft wel iets van een rozige magnoliabloem, en haar ogen zijn grijs en stil, van een blauw zo bleek dat het eigenlijk grijs aandoet; wat maakt die ogen mooi? Wellicht alleen de glimlach van den kleinen mond; ze heeft de dunne lippen

[p. 174]

van haar moeder; die ogen passen trouwens goed bij de teint, maar wat zijn ze koel!

Mark gaat haar dat boek tonen, waar hij haar van gesproken heeft, de verzen van Edgar Poe, in de pasverschenen vertaling van Mallarmé; een kostelijke uitgave, ze zal er natuurlijk zorg voor dragen; jammer dat zij Poe niet in 't oorspronkelijk kan lezen...

- Ik versta wel een weinig Engels, zegt ze, maar Amerikaans, daar ken ik niets van.

Mark moet om die naïefheid even meesmuilen, maar smoort die dadelijk onder vlugger gebabbel: er is geen dichter waar hij meer van houdt dan van Poe, hij zou willen weten wat zij er van denkt.

Terwijl ze kalm met elkaar bij het venster keuvelen, heeft Kervaan den ongelukkigen inval, Morijn te vragen waar die thans mee bezig is. Een ontmoedigd gebaar van Morijn wil het antwoord ontwijken; zijn vrouw kijkt strak voor zich uit als kon ze daar hoegenaamd geen belang meer in stellen, en hij laat zich toch verlokken om van zijn jongste mislukking te spreken: een electrischen oven, nieuw procédé voor de behandeling van ijzererts; het is hem afgekaapt door een medewerker, een besten vriend. Hij schokschoudert even en drinkt zijn Bols uit. Waarop mevrouw Morijn zegt, dat hij nu op zoek is naar een spik-splinternieuw procédé, den koperen draad om Chester-kaas mee te snijden, ge begrijpt wat ik zeggen wil? Ze begeleidt die zouteloze grap met een mismoedigen lach.

Op dat ogenblik komt de Sus binnen, en het duurt niet lang of hij stelt voor, dat de jongelui met hem een wandeling zullen maken, wat voetstoots aangenomen

[p. 175]

wordt. Mevrouw Morijn is niet erg tevreden, want haar dochter wordt door haar streng bewaakt en in mannen mag men nooit enige fiducie hebben, ze zijn zonder uitzondering beroerde schurken; maar ze kan toch geen bezwaar inbrengen. Karel troont zijn zuster al mee, - hoe meer ze buiten de sfeer van het gezin komt, hoe beter! - en weldra slaan ze met hun vijven de richting van de bosjes in, met den onvermijdelijken Socrates, waar Sus zich nooit van scheiden laat.

De hemel is een hyacintblauwe ijlheid, waar enkele schapenwolkjes rustig op drijven. De doorschijnende verten zijn met zonneglans als op zijde geschilderd. De Sus verkondigt: ‘God heeft vandaag een klontje suiker op zijn adem laten smelten.’ In de bosjes, onder de zilvergroene dennen, sprenkelt de broeiende zon een kantwerk van warm licht, en er walmt een geur van hars en zongestoofd kruid. Op de smalle paden hebben ze zich moeten verdelen, Mathilde met Karel en Mark, Sus en Frans komen achteraan. Voor Frans zwelt de wereld van geluk.

Het haar van Mathilde is grijzig blond, wat dof, - ‘onpersoonlijk’ van kleur, denkt Frans, - maar zacht, met wazig krullend dons op den fijnen hals. Ze heeft bijzonder kleine oortjes, als rozige schelpen. Haar gang is eigenaardig. Mark heeft indertijd verteld dat ze lang ziek is geweest, een zwak gestel, en zo is er in haar lopen iets even onbeholpen, als van een kind, wat weifelend, ge merkt het haast niet, want daarbij schijnt ze toch zo licht te bewegen.

Zij kruisen een jong paar, dat zich omstrengeld houdt en er niet aan denkt, zich ook maar enigszins te schamen.

[p. 176]

aant.Frans herinnert zich: Wat was Mitzi toch een aardige meid, met die vrolijke kijkers in haar glunder gezichtje!...

Sus vraagt hem juist: of de Weense Mädel?... Frans snijdt wat op, als een don Juan, al heeft hij daar geen andere dan Mitzi gekend: ‘Zij zijn het mooiste wat God geschapen heeft, op een zomerzondag, uit Germaanse tederheid, Fransen geest, Zuiders vuur en Oosterse poëzie...’

- Dan zou Mark maar eens naar Wenen moeten gaan, meent Sus; hier wordt hij nog ziek van cerebrale perversiteit, met zijn ascese; kunt ge hem niet eventjes op het pad der ondeugd brengen? Dat zou hem goed doen, hij heeft het nodig, hij zou anders van onze familie niet zijn, de pensieroso, tenebroso!...

Het groepje gaat rusten, langs een rullen kant, op het tapijt van als verbrande dennenaalden. Mathilde dwaalt rond om wat wilde bloempjes te plukken, die ze op haar gemoireerd-duivenhalskleurige blouse speldt, en gaat dan ook braafjes zitten, simpel tevreden. Een echt kind, meent Frans, wat zal die van Poe snappen? Haar licht opstekende jukbeenderen geven haar inderdaad iets bijzonder kinderlijks.

Maar feitelijk voelen zij zich állen als stoeiende kinderen: Frans bukt zich om een gevallen bloempje op te rapen, de Sus springt fluks over hem, gaat dan ook bokstaan, maar op 't ogenblik dat Frans over zijn rug den sprong wil nemen, laat de Sus zich plat ineenzakken en ze tuimelen beiden in het zand. Zelfs Mark moet er om lachen, en lacht zeer luid. Socrates knort als een bezeten nijdigaard.

En nu wandelen ze door de polders. De welige vlakte,

[p. 177]

aant.met die verspreide witte hofjes en schel-rode daken in het groen, is nooit zo wijd geweest, de hemel nooit zo groot. Mathilde verwondert zich weer over het ‘zo snoezig’ uitgesneden rad van een gewoon madeliefje. In de natuur interesseren de vrouwen zich altijd voor het kleine, denkt Frans.

Ze komen langs de grote baan terug. Socrates is moe, Sus neemt hem op, vertroetelt hem, en dan willen Sus en Karel absoluut nog bij ‘Moeder Lambiek’ binnen, om koffie met koekebrood, maar als ze in het prieeltje zitten wordt voor hen, zonder enige afspraak, die koffie door ‘geus’ vervangen. Karel zingt van:

 
Vive le geus
 
Is nu de leus!

Sus stopt Socrates vol stukjes suiker, haalt de dolste zottigheden uit, verkneutert zich in woordspelingen zonder zin; met zijn lange armen lijkt hij in het ongerijmde te klapwieken als in zijn element. Hij klopt Mark onmeedogend op den schouder en meldt plechtig: ‘Vandaag, officiële heropening van het Verloren Paradijs!’ Mathilde vergenoegt zich met stil te glimlachen.

Frans merkt nu, dat ze ongemeen mooigevormde handen heeft, heel fijne vingeren; alles bijeengenomen is ze wel sympathiek, met die frisse stem en vooral die zonderling waterklare ogen.

Als ze de villa bereiken staat mevrouw Morijn ongeduldig te wachten. Sus, Mark en Frans brengen de Morijns naar de tram. Karel wuift met zijn zakdoek, als vertrok hij naar Amerika, en Mathilde zendt hun nog

[p. 178]

aant.haar genegen glimlach na, die haar gezicht verheldert, een wat moeden, aarzelenden en toch rustigen glimlach, dien Frans aardig vindt en Mark in zich als een geheim warm geluk opneemt. Waar heeft hij dat ergens gelezen, naar aanleiding van de Mona Lisa: de dageraad van een glimlach?

... Op zijn kamer teruggekomen ligt Sus op handen en voeten voor Socrates, wrijft zijn kokkerd tegen den platten truffelneus van den dog: ‘Zoete schobbejak, wij alleen verstaan mekaar.’ En voelt zich weer zo leeg, wanhopig leeg.

VII

Dien avond laat wandelen Mark en Frans nog even door de nu heel stille, helduistere innigheid van de bosjes. Het minste gesprietel van de takken is op de klare diepte van den hemel zuiver uitgetekend, maar de kleuren zijn dood, de avond ontneemt de afzonderlijke dingen hun eigen wezen en maakt alles vredig, Ver hoort men het suizelen en zuchten van de zee.

En dan de duinen weer; alle duinen zijn bleek van maneschijn. Een grote ster, boven de zee, glinstert als een diamant.

Het gesprek wil niet vlotten, onbeduidend; eindelijk vraagt Mark: ‘Hoe vindt ge Mathilde Morijn?’

- Een heel lief kind, ze is charmant... (Hij zei bijna: ‘een charmant gansje’, maar Mark heeft haar toch de gedichten van Poe geleend! Hij weifelt:) Niet zeer

[p. 179]

spraakzaam... Fris, maar koel... Een distinctie, die iets Engels aandoet... net uit een keepsake...

- Van moederszijde wat Iers bloed, schijnt het...

- Bijzonder intellectueel lijkt ze niet te zijn?...

- God beware ons voor intellectuele vrouwen! Wat kunnen wij met blauwkousen aanvangen?

... Neen, ze is hoegenaamd niet dom, ze heeft nogal wat gelezen; onwetend, zo ge wilt, ja... op school heeft ze nooit veel kunnen leren, ze kan trouwens niets uit boeken leren, dat gaat er niet in, maar ze heeft een intuïtie die me soms verbaast. Over mensen die ze maar even gezien heeft oordeelt ze alsof ze hun geheim karakter grondig kende, en vergist zich nooit.

- Wat zal ze dan over mij wel denken? lacht Frans. Dat is gevaarlijk!... Maar jesses, mij ook goed: in geen geval een meisje om mee te flirten.

Met ‘flirten’ bedoelt hij zeker meer, en Mark heeft het ook zo opgevat, die brutaliteit kwetst hem. Ze lopen een tijd naast elkaar zonder nog een woord.

Frans zou graag van zijn gelukkige liefde te Wenen nader vertellen, om Mark te polsen. Maar hij komt er eerst langs een omweg toe: hoe hij het klaargespeeld heeft, met zo weinig te leven, om zich tot zijn zending voor te bereiden; in den winter op de verwarming gespaard, fel kou geleden... ‘Ik was hard voor me zelf; en dan, het goedkope vegetarische restaurant, lieve hemel!... Nou, ik zat daarom toch niet in een woestijn en voedde me niet met sprinkhanen; ik hield zelfs nog geld over voor concerten; 'k heb het u dikwijls genoeg geschreven, er is geen stad waar ge zo goed Mozart kunt horen, er blijft daar feitelijk iets van Mozart in

[p. 180]

de atmosfeer hangen; en van mijn arme guldens kon nu en dan nog een cadeautje voor Mitzi af, ze was ook niet veeleisend, in dat opzicht... en soms een soupeetje met haar, 's Zondags, op den Kahlenberg...’

Mark reageert maar niet. ‘Ge hebt altijd pret in mijn amourettes gehad, Mark, maar zo iets trekt u niet aan; ge hebt misschien gelijk, ge hebt misschien ongelijk... Ik, ik kan niet zonder. 't Is maar Spielerei, maar juist omdat het maar Spielerei is, vind ik het goed. Wat verzet, een manier van sport, dat kan geen kwaad... En zo komt althans geen vrouw ons in ons werk hinderen...’

Mark kijkt in zijn trouwe ogen, en daar zij nu zo intiem in den avond bijeen zijn, voelt hij zich gedrongen om hem alles op te biechten; en toch is er een vreemde kracht die hem weerhoudt; het is niet mooi, dat hij voor zijn vriend wat verzwijgt, maar hij kan niet anders; en dan, hij moet eerst klaar in zichzelf zien; is hij wel zeker, of dat waarlijk de liefde mag heten, de echte heilige liefde, die in hem woelt?

- Neen Frans, zegt hij eindelijk, ge weet wel dat ik niet veel lust in die Spielerei heb; of ik moest eens een buitengewoon avontuur ontmoeten, maar dat ben ik nog niet tegengekomen. 't Is vrij romantisch, maar... voor me zelf houd ik niet van dat... flirten, zoals ge 't noemt.

... Ge weet het wel, ik ben geen ijsbank; ik ken al de verzoekingen van Sint Antonius, en ik ben nog minder heilig dan zijn varken; en ge moet me niet leren, dat er hygiënische middelen zijn om niet al te zeer door erotische verbeeldingen gekweld te worden... Ik ben eens naar een bordeel gegaan, ik heb u dat niet geschre-

[p. 181]

ven, ik vond het te gemeen... Hebt gij dat al beproefd?

- Nee... niet nodig!

- Met ons baudelairisme hebben we daar soms een bijzondere poëzie in vermoed, - laat me maar zeggen: de poëzie van het ziekenhuis, - maar geloof me, het is zelfs dàt niet... het is eenvoudig smerig... ik doe het nooit meer.

... Stel nu maar, dat ik eens oprecht verliefd word... Er is geen mens, die daar niet naar verlangt... En het kan u bespringen zonder dat ge 't gezocht hebt... Stel dus, dat ik eens smoorlijk verliefd word... Het is primo uiterst waarschijnlijk dat het een ongelukkige liefde zijn zou: ik ben te lelijk...

- Kom, Mark toch!

- Och, gij ziet het wellicht niet meer, een muil als de mijne jaagt de vrouwen op de vlucht. Wie kan er iets voor voelen?... Nog afgezien van mijn humeur... Maar stel nu daarenboven - nog eens, louter hypothese, - dat de vrouw, die ik liefhebben zou, een echo op mijn liefde liet horen... zoals ik ben, humeur en muil en al... en stel daarbij dat ze niet gek is, of verdorven; enfin, dat ik haar lief genoeg zou hebben om in de allereerste plaats háár geluk te wensen, - dat is toch de enige liefde, - welnu, gelooft ge dan dat ik met al die duivels die ik in mij draag... met mijn demonische natuur, zoals ge al gezegd hebt... met al het onberekenbare in mij, dat me 'k weet niet waar kan leiden... gelooft ge dat ik niet... dat ik niet zou aarzelen? Dat ik me niet koest zou houden, om háár te sparen... met het leven dat ons wacht? We zijn bereid alles op het

[p. 182]

spel te zetten, en we zouden een onschuldig schepsel in zulk een stroom meesleuren?...

Ze zwijgen beiden. Ze zijn tot het strand gedaald en lopen op het zachte zand langs de golven, die ruisend breken en zich ritselend openspreiden, langs de eeuwig onrustige zee, in den helderen manenacht. Er steekt nu een bries op en ze geven elkaar een arm om tegen den stijven wind in te lopen. Hun harten kloppen op dezelfde maat. En ook Mark voelt zich eigenlijk gelukkig, weer meester over zichzelf, met zijn vriend tegen zich. Die nacht schijnt hun fantastisch, en toch zo klaar. Mark zegt ten slotte nog:

- Er is niets dat boven onze vriendschap gaat, Frans... Er is niets dat boven de vriendschap gaat van twee mannen, die samen een hoog doel hebben...

Dof klotst de golfslag, in een oneindige, machtige en zachte ademhaling. Ze zijn twee nietige wezens, bij die zee, in die onmetelijkheid, en voelen zich groot. Dan vraagt Mark nog:

- Maar wanneer is die toch begonnen, die vriendschap tussen ons? Ik zou 't niet meer kunnen zeggen...

Frans herinnert het zich ook niet bepaald. Dat moet in ‘de vijfde’ geweest zijn. Mark was altijd de eerste van de klas en Frans keek naar hem op als naar zijn eigen lotsbestemming. ‘Op het speelplein deedt ge niet mee, bij al die wilde jongens, ge bleeft in een hoek, ik zie nog die bank aan den kant, en ik kwam bij u zitten en we praatten samen, eenvoudig; en ik heb eens met Jules Vertommen gevochten, omdat hij u een meisje noemde.

...Ja, en toen ik zowat vijftien was, voelde ik waarlijk

[p. 183]

voor u als voor een meisje, 'k ware door het vuur gegaan... Ik was wel verslingerd op een blond ding, gouden haar en azuren ogen, dat ik tweemaal per dag ontmoette, als zij ook van de school kwam, en waar ik nooit mee gesproken heb, maar ik hield veel meer van u... Dat was “het Heilig Verbond”!

...We droegen samen een mooi geheim, waar niemand wat van raden mocht... En dan, die opstand tegen de school... die opstand tegen al de schimmel, al wat op ons drukte, tegen alles!...’

- Nou, voegt er Mark aan toe met een warmen blik, mijn ouwe mag zeggen wat hij wil: als we maar altijd opstandig blijven! En zuiver zijn, zuiver in al de verwarring!...

Ze klimmen naar de villa, zonder hun arm los te laten. Geen licht meer, vader Kervaan is al naar bed. Ze gaan stil de trap op en voor hun kamers wensen ze met gedempte stem elkaar goeden nacht. En Mark omhelst Frans, zoals toen die in het station uit den trein sprong.

- Slaap lekker, Mark!

- Wel te rusten, broer!

Mark is in zijn kamer, als in een vreemd huis. Hij staat voor het open venster. De zee ruist zacht. De grote ster in den hemel glinstert als een diamant.

Uit zijn brieventasje haalt hij een kiekje te voorschijn, Mathilde in een groep op het strand, - rank, tenger als een riet. Hij mijmert, steekt het langzaam weer weg. Niets aan te doen: hij is altijd alleen, zelfs bij Frans is hij alleen. Een gesmoord verlangen om te wenen blijft roerloos diep in hem. Een mens is altijd onherroepelijk alleen.

[p. 184]

VIII

Op zijn kamer, 's anderendaags, luistert Frans naar een opstel dat Mark voor het maandblad bestemt, een theoretisch stuk, waarin het leerstellig marxisme afgetakeld wordt. En ze moeten al dadelijk bekennen, dat hun richtingen niet geheel parallel lopen. Frans heeft zelfs lust, er met een ander artikel op te antwoorden.

Nu, dat mag wel, ze geven geredelijk toe dat het wel mag! Ze beweren toch niet, dat zij de waarheid in pacht hebben; hoofdzaak is, dat zij wáár zijn, dat zij aldus anderen leren waar te zijn en vrij te denken, dat zij volkomen onbevangen pogen de echte werkelijkheid te zien, woorden en begrippen te ‘ontbloten’, zoals Frans het uitdrukt, die te ontdoen van hun korst van overlevering, sleur, vooroordeel en leugen.

Maar ze gaan aan het redetwisten: Mark bestrijdt het historisch materialisme, voor hem wordt de wereld geleid door ideeën, die niet altijd door verhoudingen van het stoffelijke leven bepaald werden, onze wil is althans niet door die verhoudingen streng gebonden; Frans meent dat de geschiedenis, in haar hoofdbewegingen, ten slotte door de vorderingen van de wetenschap verklaard wordt.

- Feitelijk is er maar weinig tegenspraak tussen onze zienswijzen, merkt hij op; niet alleen de wiskunde eh wat er verband mee houdt, maar ook de proefondervindelijke wetenschappen volgen een zuiver geestelijken gang, een logische lijn, een ontwikkeling die niet van den economischen onderbouw afhankelijk is. Maar ge

[p. 185]

verdedigt uw stellingen op zulk een wijze, dat ge de deur openzet voor allerlei metaphysica...

Mark houdt staande, dat de wetenschap zonder metaphysica niet volledig is.

Frans weer: ‘Metaphysica is geredeneer over wat de wetenschap niet verklaart... over “het andere”, dus in den grond negatief... Acht ge dan een metaphysica van enig belang voor den socialen ommekeer?’

- De sociale ommekeer is toch alles niet!... Wat een gemeenschap de hogere eenheid verleent is een geloof... een mythologie zo ge wilt... Geen wetenschap kan het mysterie, het onuitspreekbare, geheel uitschakelen... en de idee van dat onuitspreekbare kunnen we uit den geest niet bannen...

- Zeker! Maar waarom die eeuwige zucht naar wat ze het Absolute noemen... een figuur van God... al datgene wat eigenlijk geen naam heeft? De wereld is voor mij mooi genoeg met inbegrip van al wat we niet begrijpen, zonder dat ik door dat vernufteliseren omtrent een Absolute hoef bezeten te zijn.

- Gij zijt toch ook in uw wetenschap bezeten door de vraag naar de Eenheid!

- Maar waarom moet de idee van het onbekende ons een metaphysischen of godsdienstigen angst op het lijf jagen? Dat is weer iets dat we aan het christendom verschuldigd zijn... het christendom dat ons nog in het bloed zit... In dat opzicht geef ik Nietzsche gelijk... In onzen tijd van zenuwlijders dringt meer dan ooit de genezing zich op...

- Nietzsche! Die zelf krankzinnig geworden is!

[p. 186]

aant.- Zijn overspanning heeft met de juistheid of de onjuistheid van zijn denkbeelden niets te maken!

Mark trekt de ogen op, met een gebaar dat betekent: Ik betwijfel het zeer!... Doch Frans volgt zijn idee: ‘Gij, die het zonder een metaphysica niet stellen kunt, zoudt hem den steen niet mogen werpen. Hij is de laatste die voor een gemeenschap van geesten een mythe heeft willen scheppen, en hij heeft trouwens schipbreuk geleden!

...Maar dat nu daargelaten, hij heeft ons ten minste geleerd, dat we niet als kleine kinderen een sentimentelen troost in waanvoorstellingen moeten zoeken, en dat een tragische opvatting van het leven ons waardiger en sterker kan maken... sterker ook voor de vreugd...’

- Die tragische opvatting kan sterker maken voor de vreugd... voor iets dat hoger staat dan wat gewoonlijk vreugde heet... Maar dat geldt alleen voor uitverkorenen, 't is geen geloof dat de mensen aan elkaar verbindt...

- Maar een geloof dat de mensen aan elkaar verbindt, boven al het materiële, dat wordt niet gemáákt, Mark, dat weet ge zo goed als ik, dat groeit uit het gezamenlijke leven zelf. Laat dat aan het leven over... En ondertussen raad ik u, nu maar liever wat te gaan wandelen...

Beneden komt Sus zich met den suffigen Socrates bij hen voegen. Dat belemmert de verdere discussie. Sus spreekt echter niet, hij ziet er vandaag tamelijk somber uit Frans verwondert er zich niet over: Mark heeft hem toch uitgelegd, hoe Sus telkens slingert tussen vlagen van onpeilbaren weemoed en uitgelaten dwaasheid.

Ze steken recht op het strand af en daar slaat Mark vanzelf de richting van Sint-Idesbald in, langs de een-

[p. 187]

tonige zee. Slechts enkele kinderen die schelpen zamelen; de hemel is laag bedekt, er waait een zure wind die de woorden uit den mond afsnijdt. Maar ze moeten toch weer in hun geredekavel vervallen: Frans heeft het nu over wat anders in het opstel van Mark, hij vindt dat hij te veel naar een uiterst individualisme overhelt, wellicht onder den invloed van Elisée Reclus, dien hij in den laatsten tijd herhaaldelijk te Brussel ontmoet heeft. Protest van Mark: Reclus is een zeer boeiende persoonlijkheid, maar zijn gedachten zijn weinig meer dan gevoel.

- Alle Reclus op een stokje, oppert Frans, juist de ingewikkelde samengesteldheid van het moderne leven, de menigvuldiger betrekkingen van elke menselijke cel met een oneindig aantal andere, dat brengt een voortdurende inkrimping van 't individualisme mee, ten gunste van het saamhorigheidsgevoel. De nieuwe bouwkunst is daar reeds een beeld van...

- Maar daar zit geen tegenstrijdigheid in: naarmate de saamhorigheid veld wint, zal ieder mens zich in zijn wereld vrijer voelen. En het komt nog op wat meer aan: Reclus zei me kortgeleden toch iets dat me getroffen heeft; hij zei: Het kwaad is niet, dat de ene zoveel meer bezit dan de andere, maar dat hen dat belet, elkaar lief te hebben...

Sus heeft nog geen woord gelost. En nu komen hun op het strand Karel en Mathilde te gemoet. Mathilde begroet ze met haar lieven, stillen glimlach, ze ziet er kouwelijk uit, een sjaal om hoofd en hals, en ze reikt een hand met die lichtelijk aarzelende onbehendigheid van iemand die niet uit eigen aandrang iets van zich geeft. Haar ogen hebben dezelfde kleur als de zee, grijs;

[p. 188]

groenig, blauwig grijs? Ge kunt er niets in lezen; goed dat er die glimlach toch is!

Maar de stemming van gisteren heeft afgedaan. Er gaat wat onverschillig gepraat heen en weer. Sus verklaart: ‘Die heren waren net bezig, den toekomststaat op te bouwen naar een kersverse formule, het nieuwste snufje: Hebt elkander lief!’

- Als ik me niet vergis, heb ik dien kostelijken raad al ergens gehoord, insinueert Karel.

- Misschien in een zekere Bergrede van een zekeren Tolstoi? vraagt Sus.

Mark wil voor Mathilde niet bespot worden, nors schudt hij zijn haarlok terzij, scheldt den Sus voor idioot; na enkele ogenblikken neemt hij afscheid en trekt met Frans de duinen in.

Mark zwijgt, woedend op zichzelf. Waarom heeft hij zich weer opgewonden, zich daardoor prijsgegeven? Hij moest zich beter in bedwang houden. Maar uit hoogmoed bekent hij het zich maar half.

Doch Frans merkt eindelijk op: ‘Dat was zo erg niet, wat de Sus daar zei, hij is nu eenmaal zo, ge trekt u dat toch niet aan...’

- Akkoord! lacht Mark, zo juist dacht ik net hetzelfde; ziet ge wel, we hoeven niet te spreken om mekaar te verstaan...

En met een tikje weemoed: ‘We kunnen mekaar geen verrassingen meer bezorgen...’

Hij weet wel dat het niet waar is: heeft Frans dan nog niets vermoed van hetgeen er in hem omgaat, zijn liefde voor Mathilde? Dat verdriet hem, maar hij kropt het op: ‘De Sus lijdt feitelijk onder zijn cynisme; er

[p. 189]

is geen mens die meer dan hij behoefte heeft aan genegenheid, al zal hij dat nooit toegeven.’

Mark moet zich inhouden om met zijn vriend niet over Mathilde te praten; maar Frans, die enigszins nieuwsgierig omtrent haar begint te worden, is hem voor: ‘Ik vraag me af, of Karel en Mathilde zich ooit kwaad maken; Karel heb ik nooit kwaad gezien...’

Mark gaat daar gretig op in: ‘Karel kan wel eens heel brusk zijn, maar zijn zuster is de gelijkmoedigheid zelf, de effene rust, altijd helder... Ge kunt nooit raden dat ze ongelukkig is; misschien is ze 't ook niet... Dat is geen leven, met haar ouders... Maar ik meen ten slotte dat ze wèl gelukkig is: ze heeft zich eens voor altijd aan haar ouders opgeofferd, denkt nooit aan zichzelf, aan geen andere toekomst voor zich, daar hoort heel wat stille moed toe.

...Ik benijd haar evenwicht; ze bezit een gave die bij vrouwen uiterst zeldzaam is: gezond verstand; in den hogeren zin van het woord natuurlijk!’

Frans antwoordt eerst niet; dat Mark nu gezond verstand zo in ere houdt, bevreemdt hem wat; en Mark, aan zijn kant, begrijpt niet dat Frans zo weinig bewondering voor Mathilde over heeft; dat zal wel van zelf komen, wanneer hij ze beter kent...

- Ieder is gelukkig op zijne wijze, zegt Frans. Rondom ons nemen ze allen genoegen met een klein leven. Mathilde in haar cirkeltje - nu ja, dat is een vrouw, - maar Karel gaat geheel op in het werk waar hij zijn kost mee verdient, uw vader in zijn uitgave van Rutilius Claudius Namatianus, al weet hij toch, dat slechts een paar collega's in dien Rutilius-met-den-lintworm-

[p. 190]

naam enig belang zullen stellen. Zulke vreugden zijn niet voor ons weggelegd.

- Herinnert ge u, toen we Carlyle lazen, Heroes and Hero-Worship? Maar toen hadden we reeds tot het heldhaftig leven besloten, Carlyle bracht alleen een bevestiging; we hebben gekozen!

...En nu moeten we er voor betalen: het gehele offer van ons zelf brengen, van zeer veel dingen gewillig afzien, ons totaal vrij maken van alles; ons van alles ontdoen wat we ontvangen hebben: zuiver! Ons aan niets of niemand laten binden, aan ons zelf eerst denken in die mate als ons doel het eist; en moeten wij daartoe ondergaan, ge kent het vers van Jacques Perk:

 
Zo hem de dood in dezen stond versloeg...
 
Wat nood? Hij heeft genoten 't hoogst genot

- Maar we zullen wij niet ondergaan, Mark, jongen! roept Frans. We zullen verdomd niet ondergaan!

En hij prangt Mark bij den schouder: ‘Gelijk pastoor Verriest zegt: Er zijn nog schone dagen in het Oosten!’

Door de duinen gaan ze naar de villa terug. Daarboven gekomen zien ze weer de zee die zich uitspreidt. Met wellust drinkt Frans den fellen wind die zijn bloed opjaagt.

IX

Er druilt een fijne regen, en de twee vrienden zitten binnen, elk met een boek: Frans had niets anders meegebracht dan een kleine bloemlezing uit Walt Whitman,

[p. 191]

en die verzen zijn voor Mark een openbaring; niet minder voor Frans het jongste werk van Edward Carpenter, Love's Coming of Age, dat Mark hem warm aanbevolen heeft. En de geestdrift slaat voortdurend van den een op den ander over. Dat ze daarbij telkens elkanders naam uitspreken, - ‘Hoor eens, Frans... - En dit, Mark!...’ - geeft hun een aangenaam gevoel, dat ze nog nader bijeenbrengt.

En dan legt Frans een volledig plan van studie voor, dat hij voor zichzelf heeft opgemaakt. Buiten zijn biologische onderzoekingen, die natuurlijk de eerste plaats innemen, is er zoveel dat hij nog binnenhalen moet: zich in de nieuwe physica verdiepen, die verandert al onze opvattingen van stof en kracht, het ganse beeld van de wereld; van de grote wijsgerige stelsels weet hij weinig meer dan wat hem in de universiteit voorgekauwd werd, hij moet die uit de bronnen zelf leren kennen; en op het stuk van sociale wetenschappen ontbreekt hem bijna alles; en dan verder de hoogste literaire genieën, die hij geheel onder de knie moet krijgen, de Grieken, Dante, Shakespeare, Goethe, en een aantal mindere goden... Er moet ook eens gelegenheid gevonden worden voor een grote reis, te zamen, in Italië...

- Wat een geeuwhonger! schertst Mark. Maar Frans toch, in tien of vijftien jaren raakt dat programma niet uitgevoerd!

- Mark, ik voel me thans gebouwd voor athletische verrichtingen! Zes uren slaap zijn me voldoende! Dat programma behelst alleen het allernoodzakelijkste! Zeker, men ziet nimmer of nooit het eind, maar het plan

[p. 192]

heeft toch zijn voordeel, om zich niet te laten afleiden.

- Ja, Frans!... Ik heb dat ook doorgemaakt, ik had meer tijd dan gij met uw laboratorium; de concentratie dringt zich wel van zelf op.

Zonder het uit te spreken, vermoedt Mark dat van al die kennis uit boeken heel wat gemist kan worden; dat is de hoofdzaak niet, hoofdzaak is de directe aanvoeling met het leven; en is die wel mogelijk zonder de liefde, van man tot vrouw?...

Frans vindt het jammer, dat Mark tot midden September aan zee blijft, want hij heeft al lust om te Brussel zijn geregeld werk aan te pakken. Eerst zal hij toch nog een week echte vacantie nemen, far niente, zoveel natuur mogelijk opslorpen, en dan aan den gang!

Het weer klaart weer op, brede lappen glanzend blauw worden uit de wolken gescheurd. ‘Wat lopen, Mark?’ - ‘Neen, Frans, ik moet nog aan Semelé knoeien, dat laat me niet los, het mag zo uit mijn handen niet...’

Hij sluit zich op. Frans wandelt langs den dijk en verveelt zich. De Panne is vanmiddag onuitstaanbaar: de Zondag heeft ongelooflijke drommen stadsmensen uitgestort, ook de bosjes en de duinen zijn niet veilig meer. Frans weet niet beter dan voor de bodega een tafeltje te bemachtigen en naar het bewegend geslof te kijken. Armzalig mensdom! Wat heeft het huidige leven het lelijk gemaakt! De zee is een decor geworden.

Om toch iets te doen zou hij wellicht aan Mitzi kunnen schrijven. Hij beloofde dat, maar welk belang heeft het nog? Hij zal ze toch nooit terugzien. En uiterst waarschijnlijk heeft ze hem nu reeds vervangen, toch

[p. 193]

voelt hij de behoefte om zich eens heel lief te tonen. Het blad papier ligt al voor hem, en ineens:

- Pampoes!...

Het is toch Pampoes die daar aankomt! Zijn ‘minneken’ van vroeger, als uit de lucht gevallen! Geen twijfel, ook zij heeft hem herkend, springt dadelijk tot bij hem, zit met glinsterende ogen tegenover hem. Getater zonder eind: ‘Sedert wanneer zijt ge terug?’ enz. Wat zal ze gebruiken? Ze houdt den voorbijslierenden kellner op: ‘Donnez-moi un baiser!’ Frans verneemt dat die ‘baiser’ een soort van cocktail is. Goed: deux baisers! Haar warme stem ratelt maar door, met korte lachjes, haar hazelnoot-ogen lachen mee, ze is zo gelukkig hem terug te vinden: ‘Lelijke jongen, waarom hebt ge me laten zitten? Oui, odieusement plaquée! - Nou, en ik! Odieusement cocufié!’

Haar vrolijke blik zweeft even in het ijle weg: ‘Och ja! maar wat heeft dat te betekenen? Met dien andere, dat was geen liefde... Tu as beau parler, chéri: aan de telefoon verdiende ik toch niet genoeg om te leven, en mijn moeder daarbij, dat moet ge begrijpen. En het heeft ook niet lang geduurd... Gij hebt waarlijk niet te klagen, gij hebt het beste deel gehad...’ En in groten ernst voegt ze er aan toe: ‘Car toi, je t'ai aimé pour moi-même.’

Hij doet het haar herhalen; ja, 't is wel zó dat ze 't gezegd heeft: pour moi-même! Frans kan haar heilige onschuld niet genoeg bewonderen, uit den mond der kinderen verneemt ge soms de diepzinnigste waarheid. Pampoes begrijpt zelfs niet waarom hij het uitproest.

- En hoeveel liefjes heb je sedertdien wel gehad?

[p. 194]

aant.Ze telt op haar vingeren, snaaks, alsof ze met haar berekening in de war raakt, schudt dan het kopje en zweert stellig: ‘Op het hoofd van dien gardevil daar, mar één, dien zelfden, en die ook heeft me laten schieten... Maar wat hebt gij allemaal te Wenen uitgehaald...?’

De zee blinkt; het gewemel van al die lui leeft in heldere kleuren. De Sus loopt voorbij en groet met een medeplichtigen glimlach. Wat Frans weer denken doet aan een kostelijke les van dien wijze: houd u alsof ge altijd geloofde wat vrouwen u op de mouw spelden, ze zijn zo heerlijk gestemd als ze menen dat ze u beetnemen.

Pampoes trekt een snoeperig snoetje, haar volle lippen bedelend uitgestoken: ‘Ben ik veranderd?’

- Neen, heus niet, wellicht nog fraaier geworden.

Dat luchtige, donkerblonde haar dat ‘opschuimt’, naar hij zegt, dat ronde gezicht met de vlug opkijkende ogen, en die gulzige mond... Hij moet zichzelf wel bekennen, dat haar manieren wat al te parmantig zijn, en dat het korte neusje alle distinctie mist, maar wat is het geheel toch vriendelijk! Hij noemde ze eerst Telefauna, daar ze aan de telefonische centrale werkzaam was, maar om haar poezele vormen was ze spoedig Poes geworden, vandaar Pampoes, Pampoezeken. Hoe heeft hij ze bijna kunnen vergeten? Ze hebben toch mooie uurtjes beleefd!

Ze zegt strelend: ‘Chéri!’ en het is net of ze gisteren nog samen waren. Om de parenthese te vullen halen ze allerlei herinneringen op, van: ‘Weet ge nog?... En dien anderen keer?...’ Hoe ze kennis gemaakt hebben in de tram; en de wandelingen naar de vijvers van Groenendaal; en toen hij haar, nu juist een jaar

[p. 195]

geleden, een ‘villégiature’ in een Hollandse badplaats beloofd had, ‘een stille badplaats’, om niet op te vallen! En hij had ze naar Philippine aan de Schelde gebracht, dien mosselput, waar het pension volle twee gulden florijn daags beliep, en had haar wijsgemaakt dat ze aan zee waren, de sloeber!

- Maar met wien zit ge hier nu, Pampoezeken?

- Met een vriendin, we hadden drie dagen verlof, en morgen moet ik al weg, en denk eens, we hadden mekaar al eergisteren kunnen ontmoeten!

Frans laat horen dat die vriendin waarschijnlijk een knevel draagt. Protest: ja, haar vriendin, die heeft haar jongen mee, maar zij zelf, zij heeft er geen, hoe zou ze hier anders alleen lopen? En het bewijs: ze hoopt wel - dit met een kwijnend verlokkende stem - dat Frans ze vanavond niet alleen zal laten?

Dat spreekt vanzelf! Het spreekt zodanig vanzelf, dat hij van haar nu moeilijk scheiden kan en bij Kervaan iets te laat aan tafel verschijnt.

- We dachten dat ge verloren waart, zegt de professor. Maar de Sus, ge merkt al aan zijn bobbelneus dat hij een grapje zal uitflappen: ‘Nee, nee, un jeune homme bien fait n'est jamais perdu.’

En met een blik naar Mark: ‘Wie den allerkortsten weg zoekt om het evangelie van Tolstoi in practijk te brengen zal niet gauw verloren lopen.’

- Flauw! murmelt Mark; de aardigheid vindt geen andere echo.

Na het eten brengt Frans, met enkele woorden, zijn vriend op de hoogte. Mark had vanavond graag met hem zijn wijzigingen aan zijn dramatisch gedicht be-

[p. 196]

sproken, maar zegt daar niets van, en vol toegeeflijkheid - een beetje vaderlijk uit de hoogte, lijkt het Frans, - raadt hij hem, er maar dadelijk vandoor te trekken en den sleutel niet te vergeten. Wat Frans niet tweemaal moet gezegd worden.

Met Pampoes spoedig uit het gonzend gewoel naar de bosjes toe. Het blauwig manezilver voelen ze als een zegen over zich. Het is begonnen met een zaligen kus, die hun monden lang aan elkaar snoert. Ze lopen stil; zij kwettert wat met gedempte stem; hij houdt ze onder haar schouder vast omklemd, de hand op haar jonge borst, en zij hangt letterlijk aan hem, heft haar gezicht naar hem op, om kussen, kussen. Op een donkere plek bij struiken zijgen ze bedwelmd neer, zij drukt hem tegen zich, het hoofd willoos achterover, met een zenuwachtig lachje, en terwijl hij haar verovert stijgt in hem het geluk, haar lieve ogen onder haar wimpers te zien wegsterven.

X

Als hij thuiskomt zit alleen de Sus nog op, leest een Anatole France bij de Bols-kruik, en schenkt Frans ook een borrel in. Hij wil hem aan het praten krijgen, maar het lukt niet, tegenover den Sus blijft Frans vanavond ongemeen achterhoudend.

- Omne animal post coitum triste, bromt de Sus tussen zijn tanden en slaat weer zijn boek op.

Zodra hij te bed ligt zinkt Frans in een diepen slaap zonder dromen. Maar na luttel uren schiet hij wakker,

[p. 197]

aant.een flauw vermoeden van schemering begint eerst het duister te doorschijnen, en hij gaat al voor het open venster naar den hemel kijken en de verre, magisch suizende zee. Hij kan den lust niet weerstaan om dadelijk weer naar buiten te lopen, de geboorte van den dag mee te leven, als een jong paard de ruimte in.

Zonder geluid naar beneden, een paar grepen rode kersen uit een schaal in zijn zak gestoken, dan door de vestibule vol nacht en voorzichtig de deur achter zich op het doodse huis dicht. Daarbuiten, in den heel vroegen morgen, is de stilte anders: ge hoort ze werkelijk, het is een stilte met even gesloten vleugels. Frans ademt gretig de lucht van de wijdte in, haar koelheid ontvangt hij als een doop op zijn voorhoofd en zijn handen.

Weldra de onafzienbare vlakte van de vochtige meersen, glazig-groen. Er ligt als een dunne sluier van aarzelende klaarte over de aarde gespreid, een diffuze herinnering aan maneschijn; het groene gras ziet ge als door een donkeren bril, maar het wit van de halfverdoken hoevetjes trekt al licht aan zich. En een paarse wonde splijt de leigrijze lagen op den horizon, het koude azuur van het Oosten daarboven verbleekt geleidelijk van stille illuminatie, brandt dan met oranjegoud de hemel-zee open, fel zindert glanzend schuim en breekt borrelend op langs een bres van de gladuitgestrekte wolken; eindelijk priemt een straal, steekt door het wegdrijvend schof, en onweerstaanbaar stijgt de zonnebol als het roodgloeiende hart van de wereld.

Op een mijlsteen gezeten laat Frans zich het zuurzoet bloed van de kersen smaken en aanschouwt hoe het

[p. 198]

leven van het glorierijke licht de ganse schepping doorsiddert. Het is hem alsof de sappen van de aarde zelf in zijn lichaam overgaan; het lover rilt onder den adem van den nieuwen dag, daarginder zingt ineens luider de zee.

Naar de eenzame duinen terug; daar ontkleedt hij zich gauw, loopt naakt als een jonge sater in de zon naar de bruisende baren toe, zwemt met veerkrachtige slagen tot waar de brede schommeldeining hem opneemt. Een poosje lui op den rug gevlot, het killige zout op zijn lippen, den hemel in zijn ogen, dan door het vloeiende onvermoeibaar vloeiende geklots heengeworsteld. God! wat is het heerlijk, naakt te bewegen, en te, zien, te grijpen, te ademen, te zijn!

Er is nog niemand op het strand; alleen de rust van den blonden zonneschijn. Prettig, op de gemakkelijke strandschoenen over het zachte zand te lopen. Als Frans ‘Windvang’ weer bereikt, gaat hij eerst in de keuken om een kop hete koffie, waarvan hij genietend den geur opsnuift, proevend met slurpende teugjes, terwijl de dikke Marie hem met open mond aankijkt. En dan dadelijk bij Mark, die, in pyama op den rand van het bed gezeten, het gehele wonderlijke verhaal nu horen moet. Frans laat zijn opgetogen stemming liever achter humoristische vormen schuilgaan, bewierookt de nimf Telefauna, zijn godin, ‘het aardigste scharreltje dat ge dromen kunt, ze liegt als elke andere en blijft toch in al haar doen onbevlekt oprecht!’ - beschrijft in rythmisch proza hoe hij de ontwaking van de schepping heeft bijgewoond, hoe zijn albasten lichaam door de duizenden soepele armen van Thetis omhelsd werd onder de kuise zoenen van Phoebus Apollo...

[p. 199]

Mark moet er goedhartig om lachen, en in den grond benijdt hij zijn vriend: ‘Frans, gij zijt een gelukkige kerel!’

Frans raadt het mismoedige van dien zin en voelt de behoefte om zich tegenover Mark te verdedigen: ‘Dat het me gelukkig maakt, bewijst dat het goed is! Intens leven, Mark, en gezond zijn! De natuur is gezond, en Pampoes is de gezonde liefde!’

- Liefde! oppert Mark, eerbiedig asjeblieft de wenselijke gepastheid der woorden!

- Nou ja! Maar wat ik daar liefde noem is juist wat wij nodig hebben. En de Sus, met zijn ‘Omne animal’ enz., die wee