terug  begin  verderprepost
[p. 432]

aant.Van Geluk

 
Hoger dan schijn
 
van 't mensen-zijn
 
in grijze guurheid
 
droef neêrgebogen,
 
- vèr bóven logen
 
van levensbanden,
 
wílde ik gebouwd een hemel voor mijn puurheid,
 
als prinsekind van langverloren landen.
 
 
 
O ijsglanzige wijdte mijner landen,
 
ijslichtend licht doorschijnend als goudraggen bevend!
 
o recht, en bleek van kuisheid, herléven
 
kind! mijn krystallen ziel in mijn handen!
 
 
 
Over mijn stille handen
 
gevouwd in offerande
 
glijden lichtwaduwingen...
 
- verre herinneringen
 
suizelen rond mijn ogen
 
volzalig neêrgeloken...
 
 
 
De zilvrige misten
 
langs 't uitgewiste
 
hel verregezicht,
 
en 't water, en 't maagdenaakt morgenlicht
 
dat bloesemt in hemelse lelieperken,
 
het straalt al uit mij als innige bede,
 
't weerkaatst mijn ziel van zondagsvrede,
 
- stil opengeruist, als engelenvlerken...
[p. 433]
 
Stoeten blankvoetige dromen, zingend,
 
gaan voorbij naar omhoog, met lange gewiegel...
 
 
 
Zij schouwt, mijn Ziel, in de ziel aller dingen,
 
lachend en kalm, als in wondre Spiegels.
prepostterug  begin  verder