terug  begin  verderprepost
[p. 436]

aant.Dagen van Onmacht

I

 
De wenteling der heem'len en 't geduchte
 
Branden des wereld-adems duizendvoud,
 
'k Heb 't al bedwongen, en mij opgebouwd
 
In 't midden van de schepping die 'k bevruchtte,
 
 
 
Ik die - zoals een droomschim voor het luchte
 
Groeien des dags vergaat in zonnegoud -
 
Den dood verschroeide in 't licht mijns oogs, en houd
 
Mij pal in luister thans, en lach noch zuchte.
 
 
 
Straalglanzend gloort rust die niet einden kan,
 
En 'k droom mij eeuwig, tronend in den ban
 
Van eenzaamheid, en onbeweeglijk licht.
 
 
 
O zeeë-melodie der lieve!...
 
God van steen,
 
Hier zit ik, 't hoofd omhoog en de ogen dicht.
 
- Zacht als de dood welt in me diep geween.
[p. 437]

II

Media vita in morte sumus.
 
'k Zit onbeweeglijk in den dag die draait
 
En op de stenen vlakten licht beweegt.
 
De dagen draaien in koudklare leegt'
 
Nooit door windstroming van de zee bewaaid.
 
 
 
't Kleurloze licht, dat dezen berg omzwaait
 
Met vreemd gelaai, onroerbaar stil als zweeg 't
 
Daar buiten mij voor eeuwen, vreet en veegt
 
De vormen weg, in ijlheid vèr verlaaid.
 
 
 
En toch, tóch draag 'k versteend in mijne borst
 
De tranen van de wereld, ik die torst'
 
De kroon van wie wenen noch sterven mag...
 
 
 
Maar reeds zolang troon 'k eenzaam in de pracht
 
Van eeuwig bleken en onvatbren dag,
 
Dat 'k niet meer weet of dag dit is, of nacht...
[p. 438]

III. Zomermiddag

 
Vlij u hier onder warme schaduw,
 
En versterve in het mijmerend lied,
 
In het lied der bomen uw lied.
 
Zie hoe rein en eenzaam hun donker
 
Met het eindeloos hemelgeflonker
 
Verglijdt in de effen en langzamen vliet.
 
 
 
Ach kind, weet ik nog of ge droef zijt,
 
Weet ik nog of ge lacht of niet?...
 
 
 
Ons lachen en twijflen en wenen
 
Vervliegt in 't gestraal als doom,
 
Verbrandt als de morgendoom.
 
Het licht, kristallige bronne,
 
Vliet met de uren zo stil van de zonne...
 
Hoor 'k het licht, of den soezenden boom?
 
 
 
Licht, geuren en vormen versluim'ren
 
Tot één onbeweeglijken droom.
 
 
 
Weet ik nog of ge lacht of droef zijt,
 
Mijn ziel, over wie zich besloot,
 
Als één broeiend licht zich besloot
 
De verte en de tintelgewelven
 
Van den dag die verblindt zichzelven,
 
Onroerbaar en groot, als de dood.
[p. 439]

IV

 
'k Ben als een land dat strekt in middagzon
 
Onmeetbaar liggende akkersvlakte en deining
 
Van woud en duin, tot waar de horizon
 
Vergaat in 't licht van eigene verreining.
 
En 't evenwicht der wereld koelt den gloed
 
Van mijn verzwarend vlees en broeiend bloed
 
Tot eindloos liggende aarderust en deining
 
Van krachten die geen menshand overwon.
 
 
 
In stralenspel leeft met de jaargetijden
 
Mijn ademing, zwaar van den geur der aard'
 
En uit mijn borst gevloeid gaat blinkend glijden
 
Door 't lage land der stromen trage vaart.
 
Mijn ziel beweegt in ademing en vloeden,
 
En groeit in 't mensdom, dat toch niets vermoeden
 
Zal van mijn ziel, onwankelbaar als de aard,
 
En breder dan zijn lijden en verblijden.
 
 
 
Doch hoger dan mijn zelfgeruste vreê,
 
En dan mijn lichtdoorgloorde dampen zweven
 
- Herin'ring van welk diepvergeten wee,
 
Of voorgevoel van onbegrijplijk leven,
 
Waaruit mijne eeuwige vastheid is ontstaan,
 
In wiens geheim ik weder wou vergaan, -
 
Voel 'k over mij de reis der wolken zweven
 
Der grote wolken komend van de zee.
[p. 440]

V

 
Als een zang die langzaam en machtig wiegt,
 
Uit de verte aansuist en dan weêr vervliegt,
 
En op nieuwen wind
 
Me nauwer omwindt,
 
Hoor 'k steeds het geruis van de zee.
 
 
 
Waar ik ben... ik wandel langs zonnestranden.
 
Alleen met het ruisen der baren die branden.
 
Zachte branding die schuimt
 
Naar de guurklare ruimt',
 
Witte ontrolling van lucht en zee.
 
 
 
En de golven stijgen in zingende reien
 
Naar den groten lichtdag waar spelemeien
 
De duizend gezwinde en
 
Witvleuglige winden
 
Langs gouden wegen over de zee.
 
 
 
Ik ga door de dagen, maar overal
 
Is haar ruimte en vreemd ruisende golvenval,
 
Zij roept me als gebod
 
Van mijn eigen lot
 
Uit de stemmen der liefde, de zee.
 
 
 
Zij wenkt me uit de blikken die liefde ontsloot,
 
De blikken van vreugde en lachenden dood...
 
Een doodzang zo fris
[p. 441]
 
Als een kinderstem is
 
Zingt de bron van al leven, de zee.
 
 
 
Haar aanwezigheid houdt mijn ziele omvangen,
 
Mijn ziele zo ziek van ruimte en verlangen
 
Naar de onoverwinbare,
 
De onbezinbare,
 
De nooit-verandrende zee.
 
 
 
Wieglied, doodlied, machtig en stil,
 
Wieg mijne ziel die vertrouwen wil,
 
En vol duizeligheên
 
Nu staat zo alleen
 
Voor u die van allen zijt, zee.
[p. 442]

VI

 
O dat bepaalde steeds, dat vast als wanden
 
Steeds onbegrepen, zielloos, lag verspreid,
 
'k Omvatte en brak 't op mijne borst, en branden
 
Deed ik de wereld rond mijne ijdelheid,
 
 
 
Maar onvoldaan... 'k Schouw over dóde landen,
 
En dieper dan waar stem van glorie schreit,
 
Voel 'k mij omwonden door geheime banden,
 
Bemeesterd door wat steeds blijft ongezeid.
 
 
 
Gij die niet liegt, o nijg de groetenis
 
Van uwen glimlach, lieve, en dat subtiele
 
En reine dauw van goedheid mij verfriss'...
 
 
 
O dat 'k u voele, en me in uw blik verniele
 
Als in een zee, want hij eerst lest mijn ziele,
 
Dìe dood, die 't hoogste van al leven is.
prepostterug  begin  verder