terug  begin  verderprepost
[p. 576]

Aantekeningen bij Twee Vrienden

Voor dezen roman maakte Vermeylen niet minder dan drie - op ver van elkaar afliggende tijdstippen neergeschreven - ontwerpen. Het eerste, gedateerd begin November 1897, draagt als titel De Vrienden en was, zoals door den schrijver in zijn nawoord bij de eerste uitgave van het werk medegedeeld, reeds ‘tot in onderdelen uitgewerkt.’ Het eerste hoofdstuk, waarin de personages onder andere namen dan in de definitieve versie optreden, werd toen reeds grotendeels geredigeerd.

Het tweede plan, eveneens onder den titel De Vrienden, ontstond tussen 18 Juni en 8 Juli 1902. In een zestiental bladzijden van Vermeylen's gedrongen schrift wordt het verloop van de uiterlijke en innerlijke handeling in een tien korte kapittels omvattend schema uitgestippeld. Hierop volgt een (reeds na een tweetal bladzijden stopgezette) nieuwe redactie van het eerste hoofdstuk.

Het derde ontwerp, begonnen op 1 October 1919, en waarboven voor het eerst als titel Twee Vrienden voorkomt, bedraagt slechts iets meer dan twee grote pagina's en is in telegramstijl gesteld. Op de voorstelling van de personages volgt de beknopte maar zeer overzichtelijke en scherp geformuleerde opgave van de uiterlijke en psychologische gebeurtenissen, zoals ze zich sinds het huwelijk van Frans jaar na jaar afspelen. Tijdens het tiende jaar krijgt het verhaal zijn beslag.

Geschreven werd de roman - naar Vermeylen's eigen aanduiding in het reeds geciteerde nawoord - in de maanden Maart tot September 1941 en Mei tot November 1942.

Twee Vrienden verscheen in 1943 bij A. Manteau N.V. te Brussel (260 blz.); gelijktijdig werd een goedkope volksuitgave (224 blz.) in den handel gebracht. Een ongewijzigde herdruk werd door dezelfde uitgeversmaatschappij bezorgd in 1948.

[p. 577]

Tekstverklarende Aantekeningen

blz. 147 r. 22: faro, zoetachtig bier uit het Brusselse.
blz. 149 r. 13: snok (Zuidn.), ruk.
blz. 156 r. 15: sakkert (Zuidn.), sakkeren = vloeken, foeteren, uitvaren.
blz. 159 r. 9: plesiosaura (Grieks), dik zwijn.
blz. 160 r. 6: confituur (Zuidn.), jam.
blz. 166 r. 21: naar den dieperik gaat (Zuidn.), ondergaat, te gronde gaat.
blz. 176 r. 26: bokstaan, voorovergebogen gaan staan, om Frans toe te laten over zijn rug te springen; cf. bokspringen, het bekende jongensspel.
blz. 177 r. 12: geus of geuze, zwaar bier uit het Brusselse.
blz. 178 r. 14: gesprietel (Zuidn.), zijtakjes, twijgen.
blz. 186 r. 30: ze steken recht op het strand af, ze gaan recht naar het strand toe.
blz. 194 r. 3: gardevil (Zuidn.), politie-agent.
blz. 197 r. 16: meersen (Zuidn.), weide, grasland / r. 28: schof (Zuidn.), drijvende wolkenmassa.
blz. 205 r. 31: pecten (Lat.), kammossel, een soort schelp.
blz. 214 r. 24: naar den dieperik, cf. blz. 166 r. 21.
blz. 256 r. 13: ravotten (Zuidn.), luidruchtig stoeien, wild spelen.
blz. 264 r. 14: stomme-kloefen, lomperiken.
blz. 266 r. 23: verhakkeld (Zuidn.), gescheurd.
blz. 271 r. 13: rijker aan suggestieven numerus, aan rhythme.
blz. 272 r. 25: mijn toeren (Zuidn.), kuren, grillen.
blz. 275 r. 28: slameur (Zuidn.), beslommering, moeite en zorg, vuil werk.
blz. 296 r. 23: redekalveren, verhaspeling voor redekavelen / r. 29: bestelseling (ongewoon), systematisering.
blz. 302 r. 19: niet heel katholiek, niet deugdelijk, niet zoals het hoort.
blz. 316 r. 4: polleken (Zuidn.), klein, mollig handje.
blz. 324 r. 6: chi lo sà? (Ital.), wie weet het? / r. 25: zever in pakskens (Zuidn.), flauwe praat, onzin
blz. 334 r. 10: béguin (Frans), kortstondige verliefdheid.
blz. 343 r. 1: pensenkermis (Zuidn.), feest bij gelegenheid van het
[p. 578]
slachten van een varken / r. 4: lambiek, bier uit het Brusselse.
blz. 348 r. 6: A la disposicion de Usted! (Spaans), tot uw dienst!
blz. 365 r. 21: verwezen (verouderd), veroordeeld.
blz. 372 r. 16: het aanzien van de mensen, hier: de achting.
blz. 384 r. 15: de wezens, hier: de aangezichten.
prepostterug  begin  verder