terug  begin  verderprepost
[p. 451]

De XIVe tentoonstelling van ‘L'Essor’

Zeker, deze tentoonstelling opent geen dier onbetreden banen waarvan, in onze overgangsperiode, zo graag - en zo onbepaald - gesproken wordt. Zeker, hier en daar pronkt de sarrende verwaandheid van onbeduidende lijsten die niet veel gemeens hebben met Kunst. Maar doorgaans heerst er leven in ‘l'Essor’, gematigde jeugd - maar jeugd. Bloed vloeit er nog in de aderen: de ‘jongeren’ van weleer steken niet hun vlag in den zak, en vrolijk kleppert ze nog in het zonnelicht. De algemene indruk, dit jaar, is heel bevredigend. Belangwekkende, iets belovende pogingen, en zelfs drie of vier zeer opmerkelijke gewrochten.

Wat men voor alles ontwaart is het ontzaglijk ‘carton’ van J. Deville: Le Cycle passionnel, naar Dante.

Zich op het rood achterplan aftekenend, en voortgezweept door een vuurwind, dwarrelt een ineenstrengeling van lichamen, een opeenstapeling van uitgerekte armen en gewrongen benen en ontwrichte rompen, - lippen die kussen met hysterische woede, tanden die in het vlees bijten, monden die huilen, ogen waardoor vizioenen van wellust en dood schichten, - en, al de spieren uitgerekt, pijnlijk overprikkeld, al de zenuwen lijk koorden gespannen, rollen de verdoemden henen in den kolk hunner driften.

De gedachte is geniaal, en zeker moet men de edele trotsheid eens kunstenaars bewonderen, die hoger wil zweven dan de meesten, en... met Dante durft kampen, Maar, ach! grote onderwerpen brengen bijna steeds

[p. 452]

kleine werken voort. Wij bekennen dat er in dit carton beweging is, vlucht, ‘envergure’. Ongelukkiglijk, nevens een hier en daar prachtige plastiek vinden we grove, onvergeeflijke tekengebreken, en te veel ‘vulsel’. Al is men ‘Essoriaan’, te gauw opvliegen kan gevaarlijk wezen. Laten dan de lauwerkransen van Jef Lambeaux, J. Deville niet slapen? Erger nog: Deville gaat niet enkel - onbewust waarschijnlijk? - dien meester na: zijn Cycle passionnel kan beschouwd worden als een ‘pastiche’ in den trant van Wiertz. Moge toekomend jaar de kunstenaar iets ten toon stellen dat hij zelf - en op eigenaardige wijze - ‘gevoeld’ heeft. Dat zal een beteren indruk maken dan de overgrote, gedrochtelijke en zo banaal wijsgerige doeken van den ouden Leonard.

Nog al plaatsnemend ook, de Allégorie des Pleurs van Ciamberlani. Beweenlijk inderdaad. Van denzelfden schilder verkiezen we de twee Maagdenhoofden, zeer kenmerkend en zonderling aantrekkelijk.

Naar Leo Frederic bovenal gaat de bewondering, lijk voor twee jaar. Die heeft zijn weg gevonden, en ‘doet stil voort’. Zijn elf kooltekeningen zijn reeds gekend: heel het epos van het Koren, ideaal gevoeld, ontegenzeggelijk, - en zo realistisch weergegeven. Hier bedaard in den gezelligen familiekring, daar somber, hardnekkig, zo zijn waarlijk de boeren: kinderen van den grond, struis gebouwd, brutaal, gierig, stijfhoofdig, - heerlijke beesten! Die ruwe maskers zeggen met gezonde kunst den strijd tegen de stugge Aarde.

Frederic's landschappen, fijn geschilderd, als beglazuurd, met een loffelijk trachten naar meer licht, geven blijken van nieuwen vooruitgang. De Zegenaar is

[p. 453]

ronduit prachtig. Op het achterplan, ‘gefignoleerd’ als een horizont der Gothieken, tekent zich het gezicht des ouden apostels sterk af, wat gebukt, met treffende wezenlijkheid: de hoge steern, waarop een karig haar neerkruipt, schijnt een spreuk der Heilige-Schriftuur te bedenken, de lippen herkauwen een gebed, en de gerimpelde hand is gereed om met een breed gebaar zegens rond te zaaien.

Wat meest de ogen aanlokt is de Beek - een meesterwerk van naïveteit, eenvoudige bevalligheid, fraaien zwier: hand in hand plassen naakte kinderen, rozig en fris, met poezele armen en konen als appels, in een kabbelende beek, die van rots tot rots neerglijdt. En zij zingen het murmelend en bedarend lied van het water.

De foutenzifters zullen vinden dat soms een vreemde geelachtige kleur met de vlezen wordt vermengd, dat de perspectief niet onberispelijk is, dat de vormen hier en daar wat opgezwollen schijnen. Maar het geheel is zo lief! En hoe schoon de wichthoofdekens met de grote, reine ogen! Men hoort de golfjes suizelen, de kinderen kwelen, de vogels zingen, en men voelt de druppelen die ronde beentjes bespatten.

Amédée Lynen toont ons o.a. een reeks fantastische tekeningen, in den trant der bekoringen van St.-Antonius. Zijn gedrochten zijn de ijselijke, griezelwekkende microben niet van Odilon Redon - een meester in dat vak. Zij stammen af van Callot en de oude Vlaamse schilders, en zijn plezierige kwanten van monsters die een burgerlijk huis in rep en roer stellen: in 't horloge kleppen zonderlinge wanschepsels, den dood der uren, de strijkijzers kampen met woelige woede, alle potten

[p. 454]

en kannen flikkeren op de kachel een vervoerende mars, een kandeleer cancaneert, gebraden kiekens lopen verschrikkend uit den oven, een konijn, in angstige houding, springt uit den ketel, en henen vliegt een lange guirlande van gewiekte worsten. Alles leeft. Hebt ge die kleine tekening bemerkt: kleren tegen een wand afhangend, met een afgrijselijke schaduw? Daarin roert nog iets van den bezitter; de pijpen der broek zijn zonderling fantastisch, en werken ontrustend op het gemoed. Wij mogen ook die trap niet vergeten, een oneindig lange keldertrap, beschemerd, van boven, door een glijdend licht, en waarop twee uitgemergelde katten, met een hels profiel, miauwen.

Lynen's humor wordt scherper in Arme Aarde! een woelend en krioelend zinnebeeld onzer eeuw, - kwintige compositie lijk Breughel ze minde.

In de laagte van een diepliggenden grond daalt het grijsachtig licht neder. Daar gooit de Fortuin haar rinkelende schijfjes rond. - En 't is er een aanwoekeren van onbeduidende gezichten, waaronder onbeduidende breinen moeten verwijlen, - de grote menigte. Nevens een goochelaar, die het volk plechtig aanspreekt, met begeleiding der donderende dikke trommel, trekt een processie voorbij, den stap geregeld op het rythmisch aanheffen der hymnen. Het socialistisch vaandel, door een helleveeg gezwaaid, wappert met bloedige weerschijnen boven de koppen, en daarachter ontwaart men, nog onbepaald, een heel leger dat opkomt, de hoofden gebukt, onverzoenlijk, - een kiemend geslacht. Fatsoenlijke heertjes, in hun kleren ‘geworst’, kussen lichtekooien; danseressen schaterlachen, den steern achteruitgebogen,

[p. 455]

dikbuikige burgers strekken zich uit in een rijtuig. Ziehier nu het stille geluk: brave lui die een lambik lepperen, bedaarde vissers die een kurkje doen dobberen. Joden schacheren geld; afgematte zwoegers knagen een korst brood. Hier, huizen, die naar de philisterse platheid rieken, met plaatsen als putten; daar, kazernen waarin soldaten op rij binnentreden - is het leven ook geen kazerne?... Op een helling, soort van bolwerk, lopen de onverschilligen, de zorgelozen, dronkaards die voortwankelen, zatte vrouwen die dansen, vraten die zich zonder schaamte ontlasten. En verder nog, hoog boven de fabrieken en de ontuchtskoten pronkt hoogmoedig een kerk of een burcht, in den hemel doorkruist met de spinnewebben der telegraafdraden, verpest door den stinkenden rook der stoomtuigen. Aan de kimmen: de zee, waarop zonderlinge schepen wegvaren naar ‘elders’, naar een andere aarde die het heimwee droomt, achter de rozige vlammen van den zonnenondergang. En overal, door het gedrang en het getier, wandelt stilzwijgend, geniepig glimlachend, de Dood, somtijds zijn zeis alleen boven de hoofden uitstekend. Bij hem heeft hij een broer gevonden, de kunstenaar die aan zijn zijde, in 't midden van het krielend leven, trots en droevig onze eeuw beschouwt, die rottige en verdrietelijke eeuw door het ‘Mufflism’ almachtig beheerst, en waarin hij, vergeten, zich op zijn plaats niet meer voelt.

Het decoratief drieluik van J. Dierickx (Amour déçu: Rêveuse-Fataliste-Morte) bezit een zekere grootheid in de uitvoering. Die vrouw, geheimzinnig rechtstaande, als een marmerbeeld, in de dromen der duisternis, heeft een zeldzame en eigenaardige kracht.

[p. 456]

Bij Omer Dierickx vindt men zulke eigenschappen niet. Zijn Klaverveld is nochtans te bemerken: de avond, die met nadenkende plechtigheid nederdaalt, en rolt, baar bij baar, over een rozige bloemenzee.

De stoutste vertegenwoordiger der jongste richting is Leo Dardenne, die... op de halsbrekende jacht naar het nieuwe verloren loopt. Wij hechten niet meer waarde dan nodig aan het ‘procédé’ der sponsschildering, en willen er niet over haarkloven, - enkele Vingtisten, als Theo Van Rijsselberghe en Jan Toorop, maakten het zich te nutte in indrukvolle doeken. Maar onder het gewemel der gekleurde vlooitjes waarmee Dardenne zijn schilderijen bespikkelt, leeft geen gedachte, geen gevoel, en zelfs niet al te veel licht. Wie zekere zijner koperetsen eertijds gezien heeft, vindt het Bain des Gosses ronduit slecht. Zijn meeste landschappen staan niet veel hoger. Zou hij reeds verdrinken in stelsels, die aan enige sterken alleen gelukken?

‘L'Essor’ heeft nog een aanhanger der nieuwe formulen aangetroffen, een ‘luminist’, geloof ik, - om een van die afkerige uithangborden der kunstkappeltjes te gebruiken. Omer Coppens ziet klaar en doordringt met helder licht zijn zeegezichten - wezenlijkheid door dromerige ogen bekeken. Lijk Robert Picard, de jongste der XX, mint Coppens ‘dekleur voor de kleur’, enzwemt soms wat te veel in het blauw (heeft men bemerkt hoezeer de aankomelingen nu van blauw en paars houden?) Maar hij bezit een vasten, eenvoudigen penseeltrek. Zijn hemelen hebben een groots karakter; zij trillen en tintelen, en geven den indruk - men zal mij die gewaagde schatting vergeven - van een muzikale schilderij.

[p. 457]

Zoveel goeds hebben we niet te zeggen voor de andere landschapschilders hier vertegenwoordigd. Zij treden allen zeer stilletjes voort in den gebaanden weg, en houden zich wijs, - als kinderen wien men Zondagskleren aangetrokken heeft, en die zich niet meer durven verroeren uit vrees hun rechtgeplooide broek te scheuren. Geen uitstekende oorspronkelijkheid bij François en Le Bon. Adolf Hamesse is noch beter noch slechter dan te voren: steeds dezelfde herhaling derzelfde themas. Banalitas banalitatum! Viandier is goed, een weinig mat somtijds, maar nogal persoonlijk van toon. C. Wolles alleen belooft veel. Hij bezit behendigheid - te veel behendigheid misschien? - en een waren kunstzin die rijpen moet. Waarom, hier of daar, een wat zwaren trek beknibbelen? Eigenschappen van het beste allooi verooeden wel die nalatigheden. Zijn landschappen zijn ferm geschilderd, en liefelijk samen. De beginneling van heden zou morgen wel een meester kunnen zijn.

Fichefet wil eenvoudig wezen en wordt lomp. Zijn naakte vrouw die in een stillen avond op het mos droomt heeft zonderlinge ‘getruffelde’ tinten. Het achterplan, wat vet ‘gekamd’, is log, te stoffelijk, zonder het mysticism dat zekere avondschemeringen van Millet, - Fichefet's meester, dunkt ons - zo indrukvol maakt.

Alex. Hannotiau voelt zich meer aangetrokken door de droeve hoekjes van het dode Brugge en het stilzwijgend half-donker der begijnhoven, waar de zielen, als leliën, langzaam verslensen in de eenzaamheid. Zijn ‘Calvaire’ is doordringend treurig. Hannotiau heeft de juiste tonaliteit van gevoel, maar zijn penseel is zo onfeilbaar

[p. 458]

niet als bij X. Mellery, die ons onlangs zijn evocatieve ‘Begijnhoven’ toonde.

P. Georges kiest zijn onderwerpen in het grijs wereldje der grijze werkplaatsen. Zijn nederige helden weet hij fijn te typeren, zonder declamatie, en zelfs met een zekere luim. Het Coin intime is oprecht: op zijn naakt kamerken, een schilder aan het werk, - maar geen romantieke kunstenaar, met leeuwenmaan en diep blauwe ogen. Neen: een goede kwant, in den langen grijzen kiel; hij voltooit zijn gewrocht; en de moeder heeft voor een ogenblik haar keuken verlaten om het kunstwerk van haar zoon te bewonderen. Alles met onmisbare waarheid daargesteld.

Ook door natuurlijkheid en humor onderscheidt zich de Cantine van William Jelley. Zijn Peintre en bâtiments is wel de Brusselse ‘blaftûreklascher’. De andere studiën van Jelley zijn te zien.

E. Van Gelder is sedert lang bekend in dat ‘genre’. Hij slentert de straten door, zoekt er zijn beminde ‘voyous’, en weet met geest hun schilderachtige houding te schetsen. Van Gelder's typen - reeds gezien, verleden jaar, in zijn bijzondere tentoonstelling - blijven soms, wel is waar, niet heel verre van de caricatuur. Maar hebt gij dien ‘Meulekesverkoper’ bemerkt, met zijn heimelijk slechte ogen? En, op het eenzaam dorpskerkhof, dien dronkaard, in Zondagskleren, met de doorwroete uitdrukking van zijn aangezicht? Gans een drama leest men in dat tafereeltje. En die ‘Epaves’, zeggen ze niet het smartelijk leven der ‘windhappers’, die de straten doorzwerven, met het klik-klak der gapende laarzen op het steenpad, den buik gewrongen door den honger en den genever, het brein ledig, onmachtig?...

[p. 459]

Bemerken wij nog den Blinde van Herm. Neuhaus, den gekenden Job van Lévèque, en de Fleurs de Ciel van Ant. Lacroix, die in de verslenste doffe kleut van een dromerig landschap - nogal lomp - lompe kinderen ‘plakt’ met een gothieke naïveteit. Spijtig dat we nu zo bitter weinig Geloof hebben! Onze tijd is een ondeugende kerel, dien men, ach! niet meer bedriegt met zulke eenvoudige onschuld. Zelden ontluiken ‘Hemelbloemen’ in de gaarden onzer dromen. Het mysticisme is het satanisme geworden, in die eeuw waarvan Rops - voor steeds - het pijnlijk afbeeldsel met brandende etsnaalden gegraveerd heeft.

Leo Herbo is altijd even zuiver, afgelikt en conventioneel. Met het altijd zelfde ‘procédé’ heeft hij de altijd zelfde portretten op het doek gebracht. Hij maakt er zoals een pasteitjesbakker pasteitjes kletst: zij komen allen uit denzelfden vorm.

Vergelijk daarmede den bronzen penning van Samuel, die zo ferm en uitdrukkend Juliaan Dillens daargesteld heeft; het borstbeeld van L. Delmer, door Lagae, den portretpenning van E. Slingeneyer door Juliaan Dillens. De moedige voorzitter van ‘l'Essor’ dient nog bewonderd voor zijn Bernard Van Orley, het model van het marmeren standbeeld dat op den Kleinen-Zavel zal geplaatst worden. De St.-Victor is een schone studie van het naakte. Melancholia: een... aantrekkelijk marmeren figuurtje, tevens fijn en krachtig.

Buiten die meesterwerken wordt de beeldhouwkunst karig vertegenwoordigd hier. Waarom gesproken van dat philistersbeeldje in burgerwachtskleren - o Bouvard! o Pécuchet! - of van de verschillige ‘Dianas’,

[p. 460]

of van enige andere horlogesieraden? Dit herinnert ons nog een groot decoratief paneel van Edward Duyck (wij vallen terug in de schilderkunst!) Nevens sober geverfde, nogal goede portretten, stelt hij een al te poncieve ‘Diana’ ten toon. Dat geeft den indruk van het reeds honderdmaal geziene, van het regelmatig en plat academiewerk. O, die correcte lijnen! en dat belachelijk sluiertje, dat de gelubden der Kunst immer aan het hypogaster hunner godinnen doen wapperen! - alsof de ware Kunst niet boven alle vernepen ‘betamelijkheid’ zweefde. En die eentonige vleeskleur! Waarom het leven niet bekijken, het hedendaags leven dat rond ons krioelt, met zijn krankzinnige en zo scherpe poëzie? Waarom daarin geen voedsel zoeken, en er hedendaagse gewrochten uit kneden, en zijn penseel in het woelig hart van zijn tijd steken? Voor de Kunst lijk voor alles is stilstand dood. Moge dus ‘l'Essor’ voorttreden, en niet verschrikt deinzen vóór wat guur, vurig, stout, geweldig kan wezen, - en ze voor immer ingebalsemd laten, zij die de afgedragen kleren der Academiën rond hun magere lenden werpen, vunzigriekende gemeenplaatsen uitgraven, eeuwenoude wijzen op hun orgel malen en sedert lang geknabbelden kost opdissen.

 

1890

prepostterug  begin  verder