|
|
|
| |
| | | |
Aantekeningen bij Literatuur
| |
Overzichten en beschouwingen
| |
blz. 499: Een inleiding tot de ‘Belgische
literatuur’
Bespreking in de
N.R.C.
(van Paul Hamélius) 25 Maart 1922, Av. A, en 1 April 1922.
blz. 499 r. 3: Ieper 1868- Luik 1922, waar hij G. Kurth (dl. III, blz. 156-157) in 1906
was opgevolgd. Een van de eerste, scherpzinnige, comparatisten in
België. Dl. III, blz. 190 en dl. IV, blz. 521.
blz. 500 r. 2: Tweede uitg. 1924 / r. 4: Cf. voetnoot dl. III,
blz. 190 / r. 20: Cf. dl. III, blz. 767, bij blz. 17 / r. 27: o.a. op 21
Jan. 1916 in de Young Men Christian Association te Londen. Cf. De stem uit België. Londen 1914-1919.
blz. 502 r. 1: Denkt aan Ruusbroec,
Hadewych, Gezelle, van de Woestijne; ook aan
van Lerberghe. Blz. 508; en 521 en vlg. /
r. 5: Histoire politique et littéraire du Mouvement
flamand, 19242, p. 3.
blz. 503 r. 1: op. cit. p. 3-4; laatste r.: jrg 1922; Febr.
blz. 504 laatste al.: zie blz. 81.
blz. 504 r. 27: Ed. 1921, p. 4, 1ste al.
blz. 505 r. 2: cf. dl. III, blz. 765, bij blz. 9. / r. 8: Cf.
dl. III, blz. 828. / r. 17: Ed. 1921, p. 4, 1ste al.
blz. 506 r. 10: Ed. 1921, p. 4, 2de al.
blz. 507 r. 27: Edm. Picard: Essai d'une
psychologie de la nation belge; 19072; Au pays des bilingues; 1923. Cf. blz. 525 en dl. III,
blz. 770; 893; dl. IV, 850.
blz. 508 r. 9: cf. blz. 574, 528, 804 / r. 26: Cf. dl. III,
blz. 169.
blz. 513 r. 7: Ed. 1921, p. 271-275; cf. dl. III, blz. 298 en
dl. IV, blz. 574 en vlg.
| |
blz. 513: De Vlaamse letterkunde van 1830 tot
1905
| | | |
Verz. W., dl. III, blz. 764. Voor de
tekstvergelijkingen, zie aldaar. Zie ook dl. III, blz. 893.
1904 - het jaar van de verschijning van A.V.'s Verz.
Opstellen I - was gekenmerkt door een felle tegenstelling
tussen de katholieke flaminganten en hun geestelijke overheid, dit naar
aanleiding van het wetsvoorstel Coremans. Het
Fondsenblad
van Gent was het zwijgen opgelegd.
Tóch kwam er verzet, b.v. te Dendermonde, en op
14 Mei 1905 werd te Leuven een algemene
monstering gehouden, naar de formule dier dagen, ‘Landdag’ geheten (cf.
Kritiek der Vlaamse Beweging
, in Verz. Opstellen I, Verz. W. dl. II, blz. 55). De liberalen van hun kant,
hadden de wind in de zeilen -
De Vlaamse Gids
, door Max Rooses geleid, steekt van
wal - en zij beriepen voor 27 Augustus te Antwerpen deze Landdag,
gevolgd door een van het Davidsfonds te Lier, in September. De Liberale
Landdag, uitgaande van de ‘Liberale Vlaamse Bond’ en gehouden in het Kunstverbond, stond onder het Voorzitterschap van Mr.
Is. van Doosselare. Zie: Handelingen van de VI. Landdag
1905, Antwerpen, Drukkerij Burton, 127 blz. Tekst op blz. 61.
blz. 515 r. 25: Doelend op de nationaal-Belgische feesten;
kenmerkend voor het strijdkarakter van deze rede.
blz. 516 r. 15: Zie III, blz. 7, laatste regel.
blz. 517 r. 20: Bedoeld zijn de pogingen van de
traditionalisten als Jan Matthijs Brans en andere leden van De Distel, zie dl. I, blz. 17; dl. III, blz. 768 en 902.
blz. 519 r. 1: Voorbeelden in Franse toespraak, zie dl. III,
blz. 32. / r. 8: A.V. doelt op de Nederlandse uitgeverij. Zijn Opstellen b.v. worden door C.A.J. van Dishoeck,
Bussum, gelanceerd (cf. III, blz. 801). / r. 23-28: Doelt op de geest,
die precies in 1905 zich manifesteerde; zie dl. III, blz. 32, 763-764;
770. / l. r.: M. Maeterlinck, Charles van Lerberghe.
blz. 520 r. 6: Zie dl. III, blz. 618 / r. 9: A.V. doelt als
verste datum op 1883, toen de taalwet De Vigne-Coremans gestemd
werd.
| |
blz. 521: La littérature belge
Franse tekst gereed gemaakt voor de Enciclopedia
italiana, VI, 1930; blz. 528-530: Belgio litteratura. Voor A.V.'s
verdere mede- | | | | werking zie Roemans'
Bibliografie
(zie Inl. van de Aant.).
Deze bijdrage werd gekozen, omdat zij quasi de enige is, waarin A.V. de
‘Belgische’ literatuur als een geheel beschouwt. Zie ook dl III, blz.
770 en 792. A.V. zoekt hier naar het bindend element, daar waar hij in
de polemische stukken zo dikwijls op tegenstellingen in het Belgisch
staatsverband moet wijzen.
blz. 522 r. 28 e.v.: Zie overeenkomsten in dl. III.
blz. 525 r. 24-27: Albert Giraud (ps. van A. Kayenbergh). Voor
de sterfdata van de Vlaamse auteurs, zie De Vl. lett. van
Gezelle tot heden, dl. III.
| |
blz. 530: Franse poëzie in de jongste halve
eeuw
Leergang in vijf lezingen, gegeven in Nederland rond 1927.
blz. 531 r. 23: Cf. K. van de Woestijne's Verz.
Werk, dl. I, blz. 173.
blz. 532 r. 11: Jean Arthur Rimbaud (Charlesville
1844-Marseille 1896) / P. Verlaine (Metz 1844-Parijs 1891) / r. 18: cf.
III, blz. 891 / r. 22: Leconte de Lisle (St Paul-Réunion
1818-Louveciennes 1894).
blz. 533 r. 16: Cf. L'art in Emaux et camées, 1895.
blz. 535 r. 5: Spleen et idéal, IV, in Les fleurs du mal.
blz. 536 r. 13: S. Mallarmé (1842-1898). L'après-midi d'un faune, 1876. - Paul Verlaine: Poèmes Saturniens, 1866.*
blz. 537 r. 24: Cf. OEuvres. compl., VII, Confessions 1895, II,
6.
blz. 538 r. 2: Antoine Watteau (1684-1721), schilder van het
klein-adellijke leven in een koloriet-rijk landschap.
blz. 539 r. 20: Cf. OEuvres, 1896
blz. 540 r. 3: Zie dl. III, blz. 931. / r. 15: Une
saison en enfer; Délires II: Alchimisme du verbe. / r. 22: Cf. Lettres de J.A.
Rimbaud, 1899.
blz. 541 r. 7: Ziekenhuis aan de Kruidtuinlaan (zie blz. 729),
thans verdwenen door de Noord-Zuidverbinding. / r. 9: te Mons. / r. 11:
1881. / r. 14: 1873, voorstelling door de feiten achterhaald, Zie
hierover o.a. H. Uyttersprot: Beschouwingen over Franz
Kafka, III in De Vlaamse Gids 1954, blz. 541.
| | | |
blz. 544, noot: cf. ‘Préface’ van P.C. voor OEuvres de A.R., Vers et proses, Paris,
1912. zie blz. 812
blz. 545 r. 5: Edmond Lepelletier drukt de bundel en geeft hem
uit te Sens, Febr.-Maart 1874, waar hij - zelf uitgewekene - het
verboden blad Le peuple souverain voortdrukte.
Lepelletier verzorgde ook de verspreiding bij vrienden en pers. Cf. Y.E.
Lepelletier.: P. Verlaine, sa vie,
son oeuvre.
blz. 546 r. 24: 1881; in Lutèce (Réd. Léo
Trézenik, 1881-1883); geschreven in gevangenis te Mons (1873-'74), 3e
vers in Jadis et naguère, éd. Vanier.
blz. 550 r. 7: Silvio Pellico (1798-1850), Italiaans dichter
met bewogen politiek leven. Ging (1820) van gevangenis naar gevangenis
(Milaan, Venetië, Spielberg). De ruwe behandeling gaf Le
mie prigioni in (1832), een van de meest vertaalde werken uit
de romantiek. Met geknakte gezondheid ging P. de dood tegemoet / r. 23:
Een soort van ‘poet laureate’ à la Petrarca (zie blz. 607) maar in
non-conformistische zin; verkozen na St. Mallarmé.
blz. 552 r. 14: 1872; 1876; 1877. Cf. Les poèmes
d'Edgar Poe, Brussel, 1888 / r. 19: Joris Karl Huysmans (=
Charles Marie Georges H., Parijs 1848-1907), van Noordnederlandse
afkomst.
blz. 553, r. 19: woorden van A. Mockel.
blz. 554 r. 17: cf. OEuvr. compl. La Pléïade
1950. Planches et feuilles, 328-330; Hérésies artistiques: l'art pour tous p. 257; Richard Wagner, rêverie d'un poëte français; p. 54 en vlg.
blz. 555 r. 12: In noten bij La musique et les
lettres van M., Lecture on French Poetry te
Oxford en Cambridge (1/2.III.1894). Pléïade, OEuvres
Complètes, NRF; 1951, blz. 644-655.
blz. 556 r. 22: Cf. OEuvres complètes.
blz. 557 r. 22: Athene, 1856. Voorrede tot Cantilènes (1885-1886).
blz. 558. r. 14: Joseph Joubert (1754-1824), Pensées de J. Joubert, précédées de la
correspondance, 18837; XXI, De la Poésie,
p. 267.
blz. 561 r. 17: Pre-Raphaelite Brotherhood. Deze schilders en
literatoren beriepen zich, in 1848, op mystisch-religieuze principes, en
los van het Victoriaans conventionalisme, op de voorgangers van Rafaël.
(Leider: D.G. Rossetti, propagandist in de tweede periode: J. Ruskin).
W. Morris was hun filosoof. | | | | W. Crane (zie plaat 4) sloot
zich bij hen aan. (Zie dl. Ill, blz. 899 en IV, blz. 849).
blz. 562 r. 13-16: Jules Laforgue (zie dl. III, blz. 914);
Gustave Kahn (Metz 1859-Parijs 1936) ging door als ‘vinder’ van het
vrije vers; Francis Viélé-Griffin (Norfolk on Stader 1864-Bergerac 1937)
stichtte met Paul Adam en Bojar Lazare de Entretiens
politiques et littéraires, waarin de theorie van het vrije vers
verkondigd werd (1890-92); H. de Régnier (Honfleur 1864-Parijs 1936)
(zie dl. III, blz. 679); Emile Verhaeren (zie blz. 806); Albert Samain
(1859-1900). / r. 24: Ch. Maurras (Martigues, Rhône 1868) vestigde in de
Wereldoorlog II, trouwens daarvóór reeds, als monarchist, de aandacht op
zich. Redacteur van L'action française; Maurice du
Plessis (1864-1924).
blz. 563 r. 4-5: Cf. Remy de Gourmont: Les petites
revues, essai de bibliographie, 1900. Promenades
littéraires, I-VII, Paris Mercure de France 1904-1927. R. de G.
(Bazoche en Houlmes, Orne, 1858-Parijs 1915); bibliothecaris bij de
Bibl. Nat., ontzet voor zijn artikel (1891) Le joujou
patriotique.
blz. 567 r. 25: H. de Régnier (zie dl. III, blz. 679).
blz. 568 r. 11: José Maria de Hérédia (Cuba 1842-1906). / r.
21: G. Rodenbach (Doornik 1855-Parijs 1898) Bruges-la-morte (1892).
blz. 569 r. 24: Correspondance inédite de J.
L.; Lettres à sa soeur, verschenen in L'occident, janv.-mars, 1903. Overgenomen in OEuvres complètes de J.L., Paris, 19O2-'03; III, Mélanges posthumes, 1903.
blz. 571 r. 26: Karl Robert Edward von Hartmann (Berlin
1842-Grosslichterfelde 1906), auteur van Die Philosophie
des Unbewussten, 1869; 192312, DasGrundproblem der Erkenntnistheorie (1896, transcendentaal
realisme). / r. 27: Tristan Corbière (1845-1875).
blz. 572 r. 27: V.H. aan B. (Hauteville House, le 6 Oct. 1859),
na de opdracht van Sept vieillards en Petites Vieilles (Revue contemporaine, 1859;
overgenomen in OEuvr. posth. corresp. 1836-51, Paris
1895). Cf. L. Barthou: V.H. et B. / r. 29: cf. Camille Mauclair over L.
Mercure de France, févr., mars 1896; en Servitude et grandeur littéraires.
blz. 573 r. 24: Edmond (1822-1896) en Jules (1830-1870) de
Goncourt, cf. G. Lanson, Hist. de la litt. française,
2oe éd., blz. 1082. | | | | / r. 30: afgod van de Moabieten, tot
kwade geest verworden.
blz. 574 r. 27: Grégoire Le Roy (Gent 1862-1941).
blz. 575 r. 5: Zie blz. 541, r. 7 en blz. 729.
blz. 578 r. 23: 1887, I. Décors luminaires,
Fleur fatale (1e r., 1e str.; 1e r. 2e str.) / r.
30: 1890.
blz. 582-583: Cf. Thema's bij R. de Clercq.
blz. 583 r. 5: Cf. dl. III, blz. 898. / r. 18: dl. III, blz.
850-851.
blz. 584 r. 23 en 24: E. Verhaeren: R; p. 16 / r. 29:
waarzegger, profeet l. r.: Zie dl. III, blz. 302.
blz. 585 r. 10: Uit Six chansons de pauvre homme
pour célébrer la semaine de Flandre. Impr. chez Henry van de
Velde 1895. / r. 17: Francis Jammes (Tournay, Hs. Pyr. 1868-Hasparrin
1938)
blz. 586 r. 12: Paul Fort (Reims 1872), Trente
séries de ballades françaises, 1897-1922, éd; déf., I, La ronde
autour du monde.
blz. 587 r. 5: Anne Elisabeth, Brancovan, prinses, gehuwd:
Comtesse de Noailles, Roemeens van geboorte (Parijs 1876-1933); L'ombre des jours, 192O12, IV,
blz. 169-170). Paul Claudel (1868), Ambroise Paul Toussaint Jules Valéry
(Sète 1871-Parijs 1945).
blz. 591 r. 1-3: Cinq grandes odes, 1913, 1re
ode, Les Muses, p. 17.
blz. 592 r. 13: Jules Romains (St. Julien Chaptenil 1885);
Georges Duhamel (Parijs 1884), / r. 16: Blaise Cendrars (Parijs, 1887),
Jean Cocteau (Maisons Laffitte, 1891); André Salmon (Parijs, 1881); Paul
Morand (Parijs 1888).
| |
blz. 593: Une revue Internationale des
P.E.N.-Clubs
Pleidooi gehouden te Buenos Aires, XIVe Congres van de P.E.N. (5-15
September 1936) op 7 September; Discours et débats,
(version fr.: R. Weibel-Richard), Buenos Aires 1937, blz. 69-72 en
181-182. Voor België waren afgevaardigd Louis Piérard, Lucien-Paul
Thomas; A.V. en E. Claes. Henri Michaux was ere-gast.
Het voorstel heeft de volledige goedkeuring van het Congres niet kunnen
wegdragen. De financies schoten te kort en ‘de engel’ ontbrak (Mrs.
Monroe) om een zo subtiel idee te doen slagen. Spanje en Italië
(Marinetti) waren vóor. Engeland en Frankrijk tegen. De enen wensten
alle talen vertegenwoordigd te zien, anderen (B. Crémieux) zagen slechts
heil in éne. Duhamel op | | | | wie algemeen beroep wordt degaan,
wees redacteurschap af. Het Vlaamse centrum zou de uitvoering verder
onderzoeken.
blz. 594 r. 25: Forum, zie dl. III, blz. 932.
/ l. r.: Rotterdam.
blz. 595 r. 27: Franz de Backer, zie dl. III, blz. 742; en I,
blz. 5, mocht felicitaties in ontvangst nemen voor wat hij in een vorig
Congres, te Edinburg, reeds gedaan had.
| |
blz. 597: Plagiaten
Overgenomen uit het ‘Speciaal Kerstnummer’, 1944, blz. 12, van
Zondagspost
(Brussel). Na al wat in België, juist vóór Wereldoorlog I, te
doen was geweest over ‘letterdiefte’, was te verwachten, dat A.V.,
eveneens in verdenking gesteld, het vraagstuk-zelf nog eens onder de
loupe zdu nemen. Mogelijk dateert het stuk, althans in aanleg, van vóor
1940.
blz. 597 r. 16: Intentions and the soul of man (1908),
The critic as artist; blz. 123. / r. 23: Karl Federn (Wenen 1868), een
rechtsgeleerde-dichter, die tot specialist werd in de romaanse
literaturen (Dante) en baanbrekend werk verrichtte als comparatist
(1901-19O4). Vertaalde W. Whitman. Zie blz. 659 / r. 2 v. 0.: Richard M.
Meyer (Berlijn 1860-1914), veelzijdig geleerde, leerling van Scherer,
met groot combinerend vermogen.
blz. 599 r. 11:
Van de Catacomben tot Greco
verscheen pas in 1946. / r. 27 tot 600 r. 13: Poems in prose, 1908.
blz. 600 r. 17: René Berthelot (Sèvres, S. et O., 1872),
hoogleraar te Brussel. Nam een zeer bijzondere stelling in het
filosofisch leven in. Was rationalist en wilde het platonisme in het
evolutionisme integreren, zonder zich tot Spencer noch tot de romantiek
te bekennen. Schreef aldus Un romantisme utilitaire. Etude
sur le mouvement pragmatiste (I. Le pragmatisme chez Nietzsche
et chez Poincaré; II. Le pragmatisme chez Bergson; 1913). Auteur o.m.
van La sagesse de Shakespeare et de Goethe, 1930. Zie
blz. 859.
blz. 601 r. 1: Nîmes 1840- Parijs 1897; éd. 1869.
blz. 602 r. 21: Philippe Auguste Comte de Villiers d'Adam (St
Brieuc 1840-Parijs 1889), Akedysseril dateert van
1885.
blz. 603 r. 1: Ze zijn het nu wel! Zie dl. I, blz. 468-470. /
r. 14: 1927; blz. 91, Grafschriften II
| |
| | | | | |
blz. 607: Petrarca
Lezing in het Stedelijk Museum te Amsterdam, 20 Sept. 1934.
blz. 607 r. 2: Zie blz. 193 / r.6: A.V. doelt op
Studie van de Italiaanse Renaissance in verband met
Jonker Jan van der Noot
(1899). Cf. Verz. W. II, blz. 658-659. / r.
15: Zie ook Dante, VerZ. W. dl. II, blz. 502; dl. III,
blz. 651.
blz. 608 r. 9: Zie dl. II, blz. 492.
blz. 610 r. 12: Laura de Noves (geh. de Sade; 1308-1348), van
Zuidfranse adel.
blz. 611 r. 19: Zie blz. 894 / r. 23: Cf.
J. Perk's ‘Mathilde’-krans, naar de handschriften
volledig uitgewerkt door G. Stuiveling, 1941.
blz. 612 r. 4: Jaargeld verbonden aan een geestelijke bediening
(Praebeo = aanbieden) / r. 19: Zie aant. bij blz. 644 en blz. 645 / r.
21: Bij de Mont Ventoux (1902, zie blz. 620).
blz. 615 r. 9: Via dell'Orto 22. / r. 11: Giovanni Boccaccio di
Certaldo (Parijs 1313-Certaldo bij Florence 1375).
blz. 616 r. 12: Cola di Rienzo (Rome plm. 1313-1354).
blz. 617 r. 27: De vita soletaria en De otio religiosorum.
blz. 618 l. r.: Cf. dl. II, blz. 655 (Jonker J. van der Noot).
blz. 619 r. 7: 1353-1360.
blz. 620 r. 15: De contemptu mundi libri III,
door hemzelf Secretum Suum geheten. / r. 23: Zie blz.
641.
blz. 624 r. 20: Te Bologna, 1323-1326. / Vader, notaris te
Florence, met Dante verbannen, heette in werkelijkheid Petracco di
Parenzo, naam die voor Petrarca gelatiniseerd werd.
blz. 625 r. 4: Onbekend geworden werken van Cicero en
Quintilianus werden door hem teruggevonden. / r. 5: Zie blz. 612, r. 4.
blz. 626 r. 12: Abelardus, Albertus Magnus, Thomas van Aquino,
de H. Bonaventura, Roger Bacon, Duns Scot. / r. 28: Verschenen als Rime of Canzoniere.
blz. 628 r. 1: in Le rime di Mess. Francesco.
Petrarca, Venezia 1785, tomo primo, p. 60, canzone IV, r. 4;
naar de Duitse vertaling van K. Förster (Leipzig, 1851): I, blz. 19.
Geen Nederl. vert. (zie blz. 632). / r. 14: Tomo primo, p. 308, sonetto
CXC, r. 1-4; naar K. Förster, I, blz. 206. Geen Ndl. vert, (zie blz.
632). / | | | | r. 21: Id.; p. 310, son. CXCII, r. 1-2; naar K.
Förster, I, blz. 207.
blz. 629 r. 13: Id. p. 7, Proemio, r. 12-15; vertaald in Nico
van Suchtelen, Leven en Werken van Petrarca, 1917, I,
blz. 425 en vlg.; volgens Ypes, p. 41, vertaling door Maerten Beheyt.
blz. 630 r. 14: Zie blz. 537 en vlg.
blz. 631 r. 1: Tomo secondo, p. 36, sonetto XL; naar de
vertaling van J.J.L. Ten Kate,
Dichtwerken 1862-1866
; VIII, blz. 387 en vlg., herdr. in
Uit den vreemde, 1875-1876
; dl. II, 192 en vlg. Vert. Förster 1851; nr. 237; p. 232.
blz. 631 r. 23: Id.; Trionfo della morte, capitolo
primo, p. 193, / r. 16-28; naar K. Förster, (Leipzig 1851), II, blz. 58.
blz. 632 r. 12: Het nieuwe leven (La vita nuova), II, XXIII; Adam. W.-bibliotheek 303,
1915, blz. 39; vert. van N. van Suchtelen. / r. 29: Petrarca in de Nederlanden, Amsterdam, 1934.
| |
blz. 633: Goethe
Tekst van een toespraak in het ‘Maison du Peuple’ te Brussel, op 19 Maart 1932, honderd jaar na Goethe's
overlijden. A.V. hield ook een Nederlandse rede, op 12 April,
(vermoedelijk voor Sarov, zie blz. 848), waarvan de tekst alle elementen
van de Franse toespraak inhoudt; ten slotte ging een plechtige
herdenking door in de Gentse universiteit op 25 April, waar A.V. Prof.
O. Walzel inleidde.
blz. 633 r. 11: Le Patron: gemeenzame naam voor de leider Emile
Vandervelde (zie dl. II, blz. 588).
blz. 636 r. 11: 1808; onderhoud Napoleon-Tsaar Alexander.
blz. 638 r. 11: Ostheim a/d Rhein 21.9.1780; An Lavater.
blz. 640 r. 16: Götz von Berlichingen;
ontwerp 1771; opvoering Berlijn 12 April 1774. Door Götz brak de Shakespeariaanse invloed in de dramaturgie door.
blz. 641 r. 6: François René de Chateaubriand
(1786-1848). René verscheen in 1805. / r. 2 v.o.: Urfaust.
blz. 642 r. 8: Sämtl. Werke, Jub. Ausg. in 40
Bn; Stuttgart-Berlin, 1906; Band II, blz. 59: Bedecke deinen Himmel,
Zeus... Cf. ook Band XV, blz. 11; en noten II, 291 en XV, 337; ook Goethe-Handbuch, Stuttgart 1918; III, blz. 159.
Fragment bleef onbekend tot 1878.
| | | |
blz. 643 r. 10: Baruch Spinoza
(1632-1677) / r. 23: Cf. Du bleibst doch immer was du bist. (Faust I, Ein fragment, 1790).
blz. 644 r. 8: A. Ch. von S., geb. von Schardt (Weimar
1742-Eisenach 1827). Haar echtgenoot was stalmeester bij het Hof. Ch. v.
Stein was ziekelijk, niet zeer mooi en was moeder van zeven kinderen.
Haar wezen treedt naar voren in Iphigenia (1e vorm
1779, af 1787, 1e opv. 1779, uitg. 1787) en in Tasso
(uitg. 1790, opv. 1807). Ch. v. Stein gaf gestalte aan haar desillusie
in haar treurspel Dido (1794). / l. r.: Goethe's
vertrek naar Italië, 3, Sept. 1786.
blz. 645 r. 28 en vlg.: ‘Rom, 18. Jan. 1787; An Seidel.
blz. 647 r. 14: Andrea Palladio (Vicenza 1518-Venetië 1580),
bouwmeester, opvolger van Bramante en Michel Angelo bij de bouw van St.
Pieter te Rome; ontwierp San Giorgio Maggiore te Venetië. Auteur van Quattro libri dell' archittetura (1570).
blz. 648 r. 9: Römische Elegien. In 1790
weerhielden Herder en de vrienden G. van deze uitgave. Enkel XIII
verscheen in Juli 1791 in de Neue deutsche
Monatschrift. In 1795 volgde een algemene uitgave, zonder de
veroordeelde zangen, in Schiller's Horen (1795-1797).
/ r. 16: luidt: In der heroischen Zeit da Götter und
Göttinnen liebten. Jub. uitg. 1902, I, 1; p. 156. / r. 24:
Christiane Vulpius (Weimar 1765-1816), zuster van de auteur van de
roverroman Rinaldo Rinaldini.
blz. 649 r. 1: Cf. Faust, II, 5, Chorus
mysticus. / r. 10: Johann Christoph Friedrich von Schiller (Marbach a/d
Neckar 1759-Weimar 1805), / r. 15: A.V. doelt op de samenwerking voor de
tijdschriften Horen en Musenalmanach. Het succes bleef uit. Beiden besloten de afzijdigen
te straffen in hun Xenien: het auteurschap is moeilijk
te achterhalen, daar pentameters en hexameters door beiden werden
geleverd. / r. 22: 1796.
blz. 650 r. 4: Goethe wijdt zijn vriend een In Memoriam in Epilog zur Glocke. (Zie noot bij r. 10 van blz. 649).
blz. 651 r. 1: Georges Cuvier (Montbéliard 1769-Parijs 1832),
natuurkundige, die op dertienjarige leeftijd Buffon door had; In de
‘Académie’ bevocht hij fel Et. G. Saint Hilaire (Etampe 1772-Parijs
1844), leerling van Lamarck (invloed van het milieu op bouw van het
wezen), bioloog uit Napoleons gevolg; reeds hoog- | | | | leraar in
de dierkunde van de gewervelde dieren - de eerste - in 1793; onderwees
daarna te Parijs vergelijkende zoölogie. Niet te verwarren met Isidore
Geoffroy Saint Hilaire (Parijs 1805-1861). / r. 5: Westöstlicher Divan (1891). G. leerde het Oosten kennen langs
Hâfiz om (14e eeuw) door J. von Hammer (1812-1813). r. 17: Minna
Herzlieb (Züllichau 1789-Görlitz 1865), huwde Prof. H. W. Walch. / r.
21: Die Wahlverwandtschaften (1809). Woord behoort
sedert 1775 (Bergmann) tot Duits taaleigen. / r. 25: Marianne von
Willemer, geb. Jung (Linz 1784-Frankfurt a/M 1860), huwde haar
pleegvader. Bezongen als Suleika in Westöstlicher
Divan. / r. 29: Ulrike von Levetzow (Leipzig 1804-Triblitz, Tsj.
Slov. 1899).
blz. 652 r. 3: Trilogie der Leidenschaft
(1823). / r. 7: Entsagung.
blz. 653 r. 4: Toespeling op Schillers Ode an die
Freude, Thalia, Bd I, 1787, slot van Beethovens IXe. / r. 17:
cf. Slot, blz. 835.
| |
blz. 653: Edgar Allan Poe
Uit Aus fremden Zungen, IX, 1899, Heft 19, blz.
911-912. Vulgariserend tijdschrift zonder in het Gartenlaube-genre te vervallen.
blz. 653 r. 23: Niet eens in zijn eigen kleding!
blz. 656 r. 7.: het volkomen ophouden van het bewuste bestaan /
r. 28: o.a. door de vertalingen van Charles Baudelaire; (1856-57).
blz. 659 r. 6: 3de ed. 1881-1883, I-IV.
| |
blz. 659: Walt Whitman
Wij kennen van A.V. drie teksten over Walt Whitman - de ‘universeelste
dichter’ zoals A.V. hem kenschetste in dl. III -: de versie voor het Kunstverbond te Antwerpen op
14 Jan. 1910* (volgens noten van A.V. ook gebruikt voor de
‘Philologische Studentenkring’ te Gent op 26 Nov. 1924, de
Volkshogeschool aldaar, 21 Dec. 1926, en het Algemeen Nederlands Verbond
te | | | | Brussel op 1 April 1927), van welke versie ook het klad
bestaat; en deze, een latere Franse tekst van 14 Feb. 1914, gelezen voor
het Onderwijzend personeel van Brussel. Zie dl. III, blz. 896. Zoals de
teksten voor ‘Beeldende Kunsten’ werd deze evenmin persklaar gemaakt. Al
te korte zinnen volgen staccato op elkaar.
blz. 659 r. 20: Voor deze vertalingen, zie dl. I, blz. 539; plus vier
verzen teruggevonden in de Nederlandse (Antwerpse) lezing.
Toen ik mijn studies begon, beviel me de eerste stap zo wel,
Het zuivere feit der bewustheid, deze vormen, de kracht der beweging,
Het minste diertje, de zintuigen, het zien, de liefde,
De eerste stap, zeg ik, hield me zo in ontzag en beviel me zo wel,
Ik kon niet verder, en wenste ook niet verder te gaan.
Maar ik talm daar en blijf er den helen tijd, het uit te zingen in
extatische zangen.
De vreselijke twijfel omtrent de verschijningen,
Het onzekere van alles, dat we wellicht bedrogen worden
... (Dat alles maar verschijningen zijn,
en het werkelijk iets nog moet gekend worden,
en dat géén mens er iets van weet) ...
Maar al die vragen worden beantwoord door hen die 'k liefheb,
Als hij dien ik liefheb wandelt met mij, of zit nevens mij een
helen tijd, me houdend bij mijn hand,
Als de subtiele lucht, het onvatbare, de zin die door geen woorden
en geen rede begrepen wordt, ons omgeeft en doordringt,
Dan ben ik geladen met onuitgesproken, onuitspreekbare wijsheid,
ik zwijg, ik wens niet méér,
Ik heb geen antwoord op de vraag der verschijningen of de
vraag der zelfheid aan gene zijde van 't graf,
Maar ik wandel of zit onverschillig, ik ben voldaan,
| | | |
Hij die mijn hand in de zijne houdt, heeft me volkomen voldaan.
3.
O mij! O leven! en al de vragen die altijd terugkeren,
De sleep zonder eind der trouwelozen, de steden vol zotten,
(En ikzelf die altijd met mezelf overhoop lig, want wie is zotter
En ogen die smeken om licht, en de armoedige dingen, en
de strijd aldoor hernieuwd,
En de armoedige gevolgen van alles, de ploetrende, vuile
menigten die 'k zie rondom mij,
De lege en nutloze jaren van sluimer, en ikzelf met dat alles
En de vraag zo droevig die aldoor terugkeert: Wat goeds in dat
Dat gij hier zijt, - dat leven bestaat en zelfheid, -
Dat het machtige drama zijn gang gaat, en gij er aan bijdragen
4.
Kaptein, o mijn Kaptein! We hebben ons reis volbracht!
Het schip heeft allen storm weerstaan, de prijs wordt thuisgebracht,
De havenzang, de klokkenklank, ik hoor het volk dat
juicht,
De ogen volgen de kloeke kiel, het schip zo grimmig en stout,
O de bloedende dropp'len rood,
Waar op het dek ligt mijn Kaptein,
Kaptein, o mijn kaptein, rijs op en hoor 't gelui,
Rijs op, voor u de vlag die zwaait, voor u 't bazuingeschreeuw,
Voor u de kransen en't gebloemt, voor u die stranden vol gedrang
Het roept u daar, het wuivend volk, u zoeken aller ogen, -
Hier, Kaptein, lieve vader,
Is het geen droom, dat op het dek,
Gij neervielt, koud en dood?
| | | |
Mijn Kaptein geeft geen antwoord, zijn mond is bleek en stil,
Mijn vader voelt mijn arm niet meer, - geen leven meer, geen wil,
Het schip ligt veilig geankerd thans, zijn vreeslijke reize is uit,
Het is gedaan, het komt nu aan, 't loopt binnen met zijn buit,
Juicht op, O stranden, en klokken, luidt!
Maar ik, in bittren nood,
Bewaak het dek, waar ligt mijn Kaptein,
blz. 659 r. 2-v.o.: 1909, traduction intégrate par Léon Bazalgette. Reeds
enkele verzen verschenen door bemiddeling van Jules Laforgue (La Vogue); F. Viélé-Griffin (Les
entretiens); Laurenze Jerrold (Le magazine
international) en H.D. Davray (La Plume en
L'ermitage).
blz. 665 r. 28: 1889. / l. r.: Zie blz. 814.
blz. 667 r. 7: Drumtaps, 1865.
blz. 668 r. 21: R.N. Bucke: W.W., 1883.
Werkte mede aan Complete Works, R.N. Bucke, Th. B.
Harned, H.L. Traubel, K. Federn (zie blz. 597), die Leaves
of Grass, vertaalde, 1904.
blz. 669 r. 10: Also sprach Zarathustra
(1883); IIe deel, 7. / r. 25: Cf. blz. 653 en blz. 835.
blz. 671 r. 14: Voltaire: Epître á l'auteur du
nouveau livre des trois imposteurs, 1771.
blz. 673 r. 10 en vlg.: Cf. vertaling Léon Bazalgette, die niet met deze overeenstemt. Vertaling A.V.? / r. 10:
in ed. 1909, blz. 211; l. r. blz. 63.
blz. 674 r. 12-13: Zie dl. I, blz. 539 en vlg. / r. 27: Zie dl.
I, blz. 552.
| |
blz. 676: Gerhart Hauptmann.
Uit de Revue universitaire, 1891-1892, blz. 67-72,
194-201. G. Hauptmann (Salzbrunn, Silezië 1862-Agnetendorf 1946), - zie
voetnoot blz. 676. Met Vor Sonnenaufgang, brak het
naturalisme in Duitsland door (1ste opv. te Berlijn, 20 Oct. 1889)
blz. 676 r. 10-13: Hendrik Ibsen (Skien 1828-Oslo 1906) / August
Strindberg (Stockholm 1849-1912), onderging sterk invloed | | | | van Nietzsche / Björnsterne Björnson (Kirkne, Osterdalen 1832-Parijs
1910), luchthartig voorvechter van het realisme in Noorwegen, Nobelprijs
1903 / Alexei Theofilakt Pissemski (Vetlonga-Kostroma 1820-Moskou 1881),
auteur van toneelstukken en romans over het boerenleven en de
provincialistische kleinstad. Tijdschildering als bijv. in Boïartschina (vrije liefde), Mille Ames
(1856, zeden vóór de afschafiing van de lijfeigenschap) / Alexis
Antipovitch Potjechin (Kinechina-Kostroma 1820-St. Petersburg 1908),
stond met zijn broer Nicolas Antipovitch (1834-1896) in de
bevrijdingsstrijd van Rusland. Zijn drama's werden dikwijls verboden.
Thema's: La voix du peuple n'est pas la voix de Dieu
(1853), Les nobles pauvres (1859); van N.A. Potjechin:
La misère du jour. / Ernst von Wildenbruch
(Beyrouth 1845-Berlijn 1909), dramaturg uit de oorlogsgeneratie 1870-71
(Heldenliederen), met historische belangstelling. Pathetisch van toon,
handig in de plankentechniek. Auteur van Spartacus
(1873), Christopher Marlow (1885); roman: Der Meister von Tanagra (1885), Die Quitzows
(1888) grootste succes. / Arno Holz (Rastenburg 1863-Berlijn 1929), met
Johannes Schlaf (Querfurt 1862-1941)* voorvechter van Duits
naturalisme, laureaat der letteren; wellicht de meest persoonlijke
lyriker van de tachtiger jaren; auteur van het thesiswerk Die Kunst, Ihr Wesen und Ihre Gesetze (1890-92); scherp
satyriker ook in zijn drama's. Kon zich gemakkelijk parodiërend in
andermans stijl hullen. / Ludwig Anzengruber (Wenen 1839-1889) wordt als
auteur van dorpsverhalen voor de vertegenwoordiger van het genre -
evoluerend naar het realisme - gehouden. Hoofdwerken zijn Der Schandfleck (1877), Der Sternsteinhof
(1884). / Hermann Südermann (Matzicken, O. Pruisen 1857-Berlijn 1928),
gedurende vele jaren als auteur en dramaturg het type van het
romantisch-naturalis- | | | | tisch burgerdrama, nog verwant met
het realisme (Voss, Dumas, Sardou); om zijn figuur (zijn baard!) en
schepping werd zware strijd geleverd door de jongere, poëtischer
ingestelde generatie. Auteur van Die Ehre (Ned. Magda, drama, 1884), Frau Sorge,
roman, (1887), Der Katzensteg (1891), Dramatische Werke (1923). / r. 22: Carl Bleibtreu (Berlijn
1859-Locarno 1928), auteur van Revolution der
Literatur (1885), het programma der vroegnaturalisten. Toch schuilt
in hem nog iets van de oude pathosromantiek. / Konrad Alberti (ps. van
Konrad Sittenfeld), (Breslau 1862-Berlijn 1918). Reizend toneelspeler,
later secretaris van het Berlijnse Centraal-theater. Eén van de
hartstochtelijkste voorvechters van het naturalisme in Duitsland; maakte
er Zola bekend. Zie noot bij blz. 679 r. 8-9. / Richard Voss
(Neugrave-Pommeren 1851-Königssee 1918), auteur van een sentimenteel
naar het uiterlijk gericht oeuvre (Ullsteinbücher!), behandelde in
fantasie-aard ook grensverhalen. Autobiografie Aus einem
phantastischen Leben (1920).
blz. 677 r. 19: Alexandre Dumas jr. (Parijs 1824-Marly-le-Roi
1895). La Dame aux Camélias (Marguerite Gauthier) werd
wereldsucces; als roman 1848, als toneelstuk 1852; als opera La Traviata (Verdi, 1853). / Victorien Sardou (Parijs
1831-1908) handig toneelman, beoefende vooral het amusementstheater met
enigszins politieke inslag, auteur van Rabagas (1872)
en met Emile Moreau van Madame sans gêne (= la
maréchale Lefèvre) 1893. Zijn Tosca ging in het
opera-repertorium over (Puccini, 1905; libretto Giacosa en Ilica).
blz. 678 r. 5: Paul Bourget (Amiens 1852-Parijs 1935): Auteur
onder veel meer van Le disciple (1889) en Essais de psychologie contemporaine (1883-1885). Tegenpool van
E. Zola. (Cf. L'Etape, 1902). / r. 12: Fedor M.
Dostojewskij (Moskou 1821-1881).
blz. 679 r. 7: André Antoine (Limoges 1857-1943); bediende bij
een gasmaatschappij; stichtte te Parijs het Théâtre
libre (1887) om de jonge realisten een degelijke kans te gunnen. In
1897 vestigde hij het Théâtre Antoine aan de Boulevard
de Strassbourg en liet alle nieuwe dramaturgen van alle nationaliteiten
aan woord; leidde van 1906 tot 1913 Odéon, werd ten
slotte criticus. / r. 8-9: Freie Bühne 1889, Freie Volks- | | | | bühne 1890, Neue Freie Volksbühne uit de vorige ontstaan.
blz. 680 r. 3: Oskar Blumenthal (Berlijn 1852-1917), auteur in
samenwerking o.a. met Kadelburg, van een serie vrij goedkope
lachsuccessen van Europees repertorium; schrijver van Im
weissen Rössl (1898), Grosstadtluft (1891).
Leverde ook polemische en satirische theaterkritiek. / r. 4: Gustav von
Moser (Spandau 1825-Görlitz 1903). / Franz Edler von Schöntau (Wenen
1849-1913), hoofdregisseur van Weense, Berlijnse en Dresdener theaters.
Werkte samen met von Moser en Kadelburg. Auteur o.a. van Der Raub der Sabinerinnen (1885), Der Herr
Senator (1899). / r. 11: Paul Lindau (Maagdenburg 1839-Berlijn
1919); zeer bedrijvig journalist en publicist. Intendant van beroemde
Hoftheater van Meiningen. Als dramaturg epigoon van Dumas en Sardou.
Kenmerkte zich door eigen conversatietoon en reislectuur-stijl. Ontweek
elke problematiek. / r. 14: Otto Brahm (Hamburg 1856-Berlijn 1912).
Auteur van Kritische Schriften (1913-1914) en
monografieën (over von Kleist en Schiller). Theaterdirecteur, stichter
en leider van de Freie Bühne (1889). Zie blz. 679, r.
8-9 Enthousiast verdediger van de nieuwe literatuur-stijl à la Ibsen en
à la Hauptmann.
blz. 683 r. 5: Haeberlin ? / r. 11 Personage uit De Wilde eend van H. Ibsen. Evenzo Gregor Werle: r. 23.
blz. 685 r. 21: Coupeau figuur uit Zola's Rougon-Macquart; Mortensgaard figuur uit Ibsens Rosmersholm; Relling, blz. 683, r. 11, r. 24: Oswald Alving,
hoofdfiguur uit Spoken van Ibsen.
blz. 686 r. 9: Friedensfest, 1890.
blz. 688 r. 1: Einsame Menschen, 1891.
blz. 690 l. r.: anangkee: dwang, natuurrecht, noodlot.
| | | |
blz. 697: Hadewych et son amour.
Op 7 December 1917 hield A.V. voor de Assistance
discrète au Concert Noble (Brussel) een lezing
over Ruusbroec l'admirable. Met een paar andere
lezingen (zie Lijst van handschriften, blz. 930) | | | | staan we
hier voor de actie van Vermeylen tijdens de
oorlogsjaren en sourdine gevoerd. Cf. La Renaissance
d'Occident van October 1938 (blz. 7-22).
Daar de verhandeling aanleiding werd tot de Nederlandse tekst
gepubliceerd in dl. II (zie blz. 474 en vlg. en 925), althans voor zover
Ruusbroec-zelf betrof, volgt hier - in originele versie - de destijds
ook voor de inleiding tot Ruusbroec
(Tentoonstelling Koninklijke Bibliotheek, Brussel, 1932) opgeofferde
tekst met de vertaling zoals A.V. die van Hadewych maakte. (cf. ook Hadewych d'Anvers, poèmes
des béguines; trad. du néerlandais par le Fr. J(ean) B(aptiste)
P(orion) Paris, Ed. du Seuil, 1954).
blz. 697 r. 1: de hier gebrachte tekst sluit aan bij de inleiding tot
Ruusbroec, dl. II, blz. 475, r. 21.
blz. 698 r. 26: Hist. de Belg., p. 323 / r.
27: Cf. dl. III, blz. 170. / r. 29: Cf. dl. III, blz. 60. /
blz. 699 r. 10: Cf. dl. III, blz. 170 en noten. / r. 12: A.V.
denkt aan Herman Teirlinck: Ik
dien; er is ook nog libretto van J. Gondry, muziek van R.
Veremans.
blz. 700 r. 6: Wij schrappen in de originele tekst de
karakteristiek van mysticisme (blz. 9 tot 11), omdat zij in Nederlands
voorkomt, dl. II, blz. 475, r. 10 v.o. tot blz. 479 r. 4 v.o., en
hernemen de originele tekst op de plaats waar A.V. voor zijn Nederlandse
lezing van 1932 een samenvatting gaf. (blz. 479, r. 3. v.o. tot blz.
450, r. 4). / r. 14: Zie dl. III, blz. 170 en verder J. van Mierlo:
De Letterkunde der Middeleeuwen
, 2de herziene en vermeerderde druk 1949.
blz. 701 r. 4: Zie noot hiervoor. / r. 11: Mogelijk doelend op
12e lied, 6e str. in Strofische gedichten. / r. 14:
Hooglied van Salomo. / l. r.: Sapho of Sappho,
VII-VI vóór J.C. Rivale van de dichter Alcaeus.
blz. 702 r. 1: Ste. Theresia, hervormde Karmelieten-orde. Avila
1515-1582. / r. 4: Strofische Gedichten, opn. uitg. J.
van Mierlo, 19e lied, XIII en 34e lied II. / r. 15: Middelmaat
(middelmatisme) zie dl. III, blz. 893 en IV, blz. 507. (Cf. Mengelgedichten; XVIII, 226-228 / r. 21: Strof.
ged.) XXI; vers 36.
blz. 704 r. 17: Cf. dl. III, blz. 767, bij blz. 17 e.v.
| | | |
| |
blz. 705: Matthijs de Castelein en Lucas de
Heere.
Verschenen te Amsterdam. Soc. d'imprim. Holland, 1920
als La Renaissance et les rhétoriqueurs néerlandais Mathieu
de Casteleyn, Anna Bijns, Luc de Heere. Bespreking in
Museum
, 29e Jrg, 5, 1922, blz. 106-107.
blz. 705: Sjoerd Eringa, hoogleraar te Brussel; Nederlander van afkomst,
die promoveerde te Amsterdam op thema La proposition
infinitive simple et subjective de la prose française depuis
Malherbe, werkte te Rotterdam en te Parijs
blz. 707 r. 1: In ‘
De conste van Roriken
’, 1571, Str. 52. / r. 11: Jean Molinet (geb. in de
Boulinais-overl. te Valenciennes 1507);
blz. 707 r. 25: Clément Marot (Cahors 1495-Turijn 1544), cf. dl. II, blz.
662. Zijn invloed (uit Ballades en Rondeaus) werkte na tot in de 19e eeuw. Voor vraagstuk an sich
zie J. Vermeer - in J.
van der Noot : Bosken - Theater,
inl. en aant. W. A.P. Smit, 1953, waar
uitgemaakt wordt, dat Ronsard werd nagevolgd. Zie ook
De Gids
, Aug. 1954. / Mellin de Saint-Gelays (Angoulème 1491-Paris
1558), kreeg van Frans I de abdij van Reclus (Troyes) toegewezen;
schreef een klare, doorzichtelijke poëzie; bestreed Ronsard.
blz. 708-709:
Refereynen
; opdracht aan Adolphe de Bourgogne. Hof en Boomgaard 1565.
blz. 708 r. 29: Cf. dl. II, blz. 662-663.
blz. 709 r. 13: Cf. dl. Ill, blz. 92.
| |
blz. 709: Toespraak op Rodenbachfeest te
Roeselare
Onder de teksten, die A.V. aan de gestalte van A.R. wijdde - aan de
gestalte meer dan aan de dichter en dramaturg - blijft er één van
betekenis: de toespraak bij de onthulling van Blauwvoet-gedenkteken te
Roeselare op 22 Augustus 1909.
Die samenkomst (zie Verz. W. dl. I, blz. 15) is voor de
periode 1909-1914 (zie dl. III, de Hogeschool-beweging blz. 151-360, de
Kunstdag te Gent, 16 Juli 1911 en Conscience's
Eeuwfeest 1912) en voor later een historisch feit geworden, geboren als
zij was uit de wil tot eenheid en samenhorigheid.
A.V. geeft aan zijn gevoelens lucht, als hij in
De Amsterdammer
nr. 1679, 29 Augustus 1909, zijn verslag aldus inzet:
| | | |
‘Afkeer van holle deklamatie, die geen daad kan worden,
heeft me menigmaal stilletjes thuis doen blijven, wanneer de
Vlamingen in kantate stemming, een standbeeld inhuldigden en er
schetterden met “het roemrijk verleden”. Maar nu heb ik wel den
indruk, dat er bij de Rodenbachfeesten, l.l. Zondag, te Roeselaere,
waarlijk iets gebeurd is. Aan dien onvergetelijken
dag kan ik alleen met dankbaarheid terug denken, voor de schone
aandoening die hij me gebracht heeft. De geestdrift was zo oprecht
en geweldig, stijgend uit de diepte van 't gemoed, duizenden en
duizenden verenigend, dat men zichzelven geheel vergat in die zee
van opgetogen volk, en men voelde ineens het ideaal, dat allen
bemachtigd had, als het wezenlijkste dat bestond. Daar heb ik nu,
duidelijker dan ooit het besef gehad van hetgeen de “volksziel” is,
als ze groot voelt. En dat was het werk van dien jongen student, nog
een kind bijna toen hij stierf, - van dien jongen dichter: 't zijn
ten slotte alleen dichters, die zo iets vermogen! Had hij nu mogen
neerkijken op die scharen, hij had zijn droom herkend, maar ditmaal,
na dertig jaren, geworden tot een werkelijkheid: “Vlaanderen
herleeft!” Wat een ogenblik, toen de doeken van 't standbeeld
neervielen, en de jeugdige slanke gestalte daar rees, in de lucht
den vogel opwerpend die een symbool geworden is van opstand en
vrijheid; aller harten gingen mee met de schone beweging dier lijn,
men voelde waarlijk de siddering in het volk, en ik zie nog die
edele figuur van pastoor Verriest, den ouden meester van Rodenbach,
fier en de ogen vol tranen, die scheen te zeggen: “Ik groet u, mijn
kind!” - Hij was de enige niet die weende...
Ja, Rodenbach's gedachte is nu waarlijk tot vlees en bloed
geworden, bij honderden en honderden, de besten der natie.’
Het woord namen in 1909, behoudens A.V. (R. en den bloei der
Vl. letterkunde): Frans van Cauwelaert (Freiburg): R. en de studentenbeweging; L. van Puyvelde (Gent): Het wezen van R. Noot op het programma: Geen andere
aanspraken worden toegelaten.
Even zij er aan herinnerd, dat A.V. dat jaar op tournee is gegaan met een
lezing over A. R., die in het Verz. W. moest
wegvallen, maar die an sich een gesloten eenheid vormt, waarin veel van
wat A.V. zijn hele leven lang vóór en na 1909 heeft bezig gehouden, met
innigheid vertolkt staat. Hij sprak te Oostende
(24 Januari 1909), te Groningen (Genootschap
Dicendo Discimus, 5 Maart | | | | 1909), te Brussel (22 April 1909; hernomen aldaar op 13 December
1913). Zie blz. 928.
Te Groningen zette hij zijn spreekbeurt aldus
in: ‘Laat me u dan eerst nog (na een dankwoord) vragen: Gelieve 't u, er vrede mede te nemen, dat ik spreek
zoals ik gebekt ben: ik ben nogal Vlaams gebekt, en al geld ik als
“jongere” (A.V. is dan 37), ik ben toch reeds te
oud om daaraan nog iets te veranderen. Wij, Vlamingen, zijn nu
langzamerhand uw gesproken Nederlands gewoon geworden; misschien
komt er een tijd, wie weet, dat ook uw oren ons gesproken Nederlands
natuurlijk zullen vinden... Wilt me intussen vergeven, dat mijn
aksènt (sic) wat meer spanning van uw aandacht moet vergen.’
Het besluit van de lezingen van dit jaar luidde: ‘Geen heeft
die belofte [die Rodenbach inhield]
vervuld. Maar ik wil deze voordracht niet op een toon
van mismoedigheid sluiten. Er is zoveel na Rodenbach gekomen, waar
we trots mogen op zijn. En er zit nog zoveel kracht in 't Vlaams
volk, kracht die zich opwerkt met den onweerstaanbaren drang naar 't
leven. Ik geloof in het leven. Ik geloof dat geen greintje schoon
leven ooit verloren gaat. En ik denk stil bij mezelven: wie weet,
misschien zit hij hier al, in deze zaal, de dichter dien we
verwachten, de dichter de schepper van drama's die Rodenbach voor
zijn volk wilde worden. Misschien zit hier al de ene of andere
stille jongeling, die niet veel zeggen zal, maar die naar mij
luistert met blinkende ogen, omdat ik van die hoop spreek, die in
hem het voorgevoel van zijn toekomstige grootheid gewekt heeft, het
onbekend schone dat in hem te wachten lag. De geest der schoonheid
zij met hem - en met u allen, die ik bedank voor de aandacht die gij
mij geschonken hebt.’
In de lezingen las A.V. voor:
Macte animo, Ter Waarheid, Hoe glanst, Stoet, Die
Zwane, Klokke Roeland
.
blz. 713 r. 15: Leo van Puyvelde (Sint Niklaas 1882)
Kunsthistoricus, hoofdconservator op rust van de Koninklijke Musea te
Brussel. Auteur van
Alb. Rodenbach en de Blauwvoeterie
(1908). Zie blz. 904. r. 25: Cf. Een
standpunt; Verz. W. dl. II, blz. 406.
blz. 715 r. 17: Het vraagstuk staat nog steeds gesteld. De
laatste levensmaanden en -dagen zijn als het ware in nevel gehuld.
blz. 716 r. 14: Cf. Verz. W. dl. III, blz.
657 en 903.
| | | |
| |
blz. 717: Prosper van Langendonck.
A.V. was Prosper van Langendonck op zeer
bijzondere wijze toegedaan. (Zie blz. 820 Dankwoord). Geen gelegenheid
liet hij voorbijgaan om over hem te getuigen, zo aangedaan was hij in
hem de mens ontmoet te hebben, die over de tegenstellingen heen (geloof,
overtuiging, condition humaine, enz.) bereid was voor de ene en
ondeelbare cultuur te leven.
Tekst gelezen te Antwerpen: 10-11-1923.
Over Prosper van Langendonck bestaan, behoudens de afscheidstoespraak,
(zie blz. 907), nog twee teksten: één van November 1921, een korte; en
één, een rede, uitgesproken bij de onthulling van de grafsteen ter ere
van Prosper van Langendonck (9 Juli 1923), toen ‘in stillen eenvoud’
‘alleen de eerste vrienden en bewonderaars verenigd waren rondom hem,
die ons zoveel schoonheid geschonken heeft uit de diepten van de ziel’.
De grafsteen werd ontworpen door bouwmeester van Huffel, de beeltenis
door Jules Lagae. A.V. stelde zijn toespraak onder het geleide van de
door hem herhaaldelijk aangehaalde versregel: ‘O Weest mij goed gij die
mijn vrienden zijt...’. Het thema, gaande over ‘de strijd tussen de nare
werkelijkheid des levens en de hunkerende begeerte naar onmogelijk
geluk, het eeuwig konflikt van het aardse en het goddelijke, van de
menselijke beperktheid en den oneindigen droom’, sluit op: ‘Dit graf zal
het Vlaamse volk heilig zijn’.
blz. 717 r. 15: Cf.
Van Gezelle tot
... (cf. Verz. W., dl. III, blz. 650).
blz. 719 r. 14: Ook Giacomo Leopardi (1798-1837) beïnvloedde
V.L. / l. r.: Cl Verz. W., dl. III, blz. 891.
blz. 720 r. 5: Cf. Verz. W., dl III, blz.
892; 894.
blz. 721 r. 9: Cf. Verz. W.,. I, blz. 14 en
17, III, blz. 620 en 902. G. Schmook onderzocht het aandeel dat de
dichter in de activiteit van ‘
De Distel
’ heeft gehad. Lezing Kon. Vl. Acad. voor Taalen Letterkunde
(1951). Zie reeds
Nieuw Vlaams Tijdschrift
, 1951, blz. 544 / r. 16: Cf. dl. III, blz. 903 / r. 27: Cf. dl.
III, blz. 903.
blz. 722 r. 9: A.V. doelt op de uitgave van de
Wereldbibliotheek
Werk van Prosper van Langendonck
. / r. 29: Prosper van Langendonck was te Brussel de schakel tussen West-Vlaanderen en Brabant. Hij
zorgde er als katholiek voor, dat Hugo Verriest
| | | | vertrouwen kreeg in en aanhoord werd door de Van Nu en Straks-ers.
blz. 723 r. 27: Cf. Verz. W., dl. III, blz.
617.
blz. 724 tot blz. 729: Cf. Albert
Westerlinck:
P. van Langendonck; diagnose van een ongeneeslijke
ziekte
, 1946. Te Brussel, debatteerden A. Westerlinck en R. Herreman
(Paleis voor Sch. Kunsten; Debatten van het Kunst- en Cultuurverbond) om
de betekenis van Prosper van Langendonck als
dichter.
blz. 729 r. 10: Cf. dl. IV, blz. 43. Het is nodig hier de
gemoedsuitstorting over te nemen, die A.V. zich bij de baar liet
ontvloeien, op 10 November 1920; overlijden 7 November. Prosper van Langendonck... Het ware me niet mogelijk thans de
woorden te spreken waarin hij geheel herleven zou, zoals wij hem
zien, en zoals hij nu de toekomst ingaat. Wat zijn hoge geestesdaad
geweest is, wat zijn doorslaande betekenis was in de geschiedenis
van die heerlijk zich opwerkende nieuwe Vlaamse wereld, dat zal in
andere omstandigheden beter kunnen gezegd worden.
Voor hen, die hier rondom den dierbaren dode geschaard zijn,
is zulks niet nodig; zij voelen zoals ik, dat de eenvoudigste uiting
van droefheid de enige passende is, en we zouden hem op dit ogenblik
liefst in de stilte van ons hart herdenken, indien we toch niet
beseften, dat hij niet heengaan mag zonder deze getuigenis van onze
verering en van onze liefde. Ik kan den vriend niet scheiden van den
dichter, het is een stuk van ons eigen leven dat ten grave wordt
geleid, maar ik wil me wenden tot de glorie waartoe hij nu
herschapen wordt. Dat smartrijke, dat zo diepe en zo ruim menselijke
hart heeft nu de rust gevonden van den dood, al wat van zijn leven
een dikwijls zo bitteren strijd maakte, is in eens achter hem
weggezonken. Er blijft alleen het wonder van zijn innerlijke
schoonheid. Zij die hem gekend hebben zoals ik, weten dat er in dat
zwak gestel een edele kracht was, die hem altijd recht hield en ten
einde toe ongetemd bleef en ongerept. Dat zuiverste zelf staat nu in
het licht der eeuwigheid. Zorgen wij, dat ons volk het lere kennen,
dankbaar bewonderen, en beminnen.
blz. 729 r. 17: Zie verder M. Roelants:
Herinneringen aan P. v. L.
1915-1919; blz. 30 en vlg. in
Schrijvers, wat is er van den
| | | |
mensch
, Brussel, 1943 / r. 30: Cf. Verz. W. dl. III
en A. Verwey: Verz. W. Ged. I, 1911, 55.
| |
blz. 730: De Starkadd-vertoning.
Artikel voor
Nieuw Leven
(N. R., II, 1909, blz. 232-236), maandschr. onder red. van A.
Herckenrath, G. van Hecke, R. Kimpe, F. van Hecke, en R. Verdeyen), bij
de eerste wederopvoering van
Starkadd
op 19 April 1909 in de Minard te Gent.
blz. 730 r. 6: Cf. dl. II, blz. 117 en 131. / r. 15: ‘Vlaamse Vereniging
voor Toneel- en Voordrachtkunst’, gesticht kort voor Kerstdag 1908. Zie
dl. III, blz. 924 (bij blz. 718) en IV, blz. 734.
blz. 733 r. 12: Edward Burne Jones, Engels schilder en
illustrator (1833-1898); accentueerde in de Prae-rafaëlitische richting
(zie blz. 876) het verfijnde karakter van Botticelli. / r. 22: Brussel,
15 en 16 Maart 1899; Frans Belgische kritiek meende een Skandinaafs stuk
voor zich te hebben! (Cf. Hanootzri in
De Jonge Kater
, I, 17-19 Maart 1899). Ook te Amsterdam was Starkadd gegaan, zonder succes,
met Louis Bouwmeester in de hoofdrol en Willem Rooyaards als Froth,
1900. Zie voor details L. van de Putte in
Herdenkingsavond Dr. J.O. de Gruyter 26 April
1949, toen Starkadd nogmaals gespeeld werd.
blz. 734 r. 1: Starkadd is één van de
lievelingsspelen van Dr. de Gruyter gebleven. Van 1909 tot 1912 speelde
Dr. de Gruyter Starkadd nog zesmaal (Gent (2×),
Leuven, Brussel, Antwerpen, Aalst). Na 1918 kwam hij er opnieuw mee te
voorschijn. / / r. 6:
Adonis
, woud-spel; fragment Bosvoorde 1907. Zie Verz.
W. dl. II, blz. 147 en 874. Fragment in
Groot Nederland
1910, II, blz. 39;
Elsevier's Maandblad
1910, II, blz. 269. r. 7: Zie III. 924.
Philoctetes
(vertaling van J. van Leeuwen jr.) opgevoerd in het
buitenverblijf van de Heer en Mevrouw Ameye te Louise-Marie bij Ronse,
op 20 Augustus 1909 (zie blz. 903. Cf. L.
Jagenau in
Dietse Warande en Belfort
, 1911, nr. 10.
| |
blz. 735: Een oordeel over de Vijfjaarlijkse
prijs 1905-1909.
Enquête van
De Boomgaard
, 1911, (zie dl. III, blz. 905). Dejury bestond uit voorzitter
E.H. Jan Bols, secretaris Gustaaf Segers verslagschrijver Prof. Dr. C.
Lecoutere, leden Prof. Willem de | | | | Vreese, Jan Bouchery. De
beslissing werd bij meerderheid van stemmen genomen. Prof. de Vreese stond Buysse voor. Dl. II, blz. 83 (1890-1895) en blz. 299
(1895-1900).
blz. 736 r. 2: Karel Lecoutere,
Vlaams filoloog (Antwerpen 1865-Knokke 1921); studeerde te Leuven, Bonn (Franck) en te Leiden (Verdam). Zijn
Onomasticon op persoonsnamen van de
Middel-Nederlandsche Letterkunde
(1904) steunt op circa 100.000 citaten. (cf. Grootaers Jaarboek
KVA 1944). Auteur van
Inleiding tot de Taalkunde en tot de geschiedenis van
het Nederlandsch
(1915); 3de verbeterde en vermeerderde druk door L. Grootaers;
19486.
blz. 737 r. 8: Staatsblad, 16-17 Aug. 1911, blz. 4735-4746.
blz. 738 r. 9-11: Voor de auteurs zie dl. III
Van Gezelle tot heden
. Leo Meert (St. Niklaas 26 Aug.
1880), Auteur en actief flamingant, die mede de grondslagen legde van
het Vlaams Economisch Verbond; hij maakte zich verdienstelijk ten tijde
van de incidenten rond de wereldtentoonstelling te Gent, 1913. / Pol Selens geb. Antwerpen 17 Maart 1876,
eertijds leraar Nederlands bij de Norm. voor Onderw. te Antwerpen.
blz. 739 r. 23: cf. L'art moderne 4 Oct.
1891; r. 27: Voorstel ingebracht bij de Ver. van Letterk. (zie blz. 755)
door Stijn Streuvels, Victor dela Montagne en Jules Persijn.
| |
blz. 740: ‘De Schandpaal’ van C. Buysse
Bespreking in
Vandaag
, 5 Nov. 1929, nr. 18, blz. 400-401. Behoudens de algemene
karakteristiek over Buysse in de literaire overzichten brengt het
Verzameld Werk
van A.V. geen situering van Buysse's figuur. Cf. echter het
Buysse-enkwest van De Boomgaard (1911).
De hier geboden tekst komt in grote trekken overeen met het artikel uit
de reeks opstellen in
Universum
, November 1934, blz. 826-830 (zie blz. 840) gepubliceerd, waar
twee novellen zijn toegevoegd aan het betoog,
Louis
en
Twee oudjes
.
| |
blz. 745: Fernand Toussaint van Boelaere
Inleiding tot de
Analytische bibliographie van en over F.V. Toussaint
van Boelaere
door R. Roemans, met
literair-critische beschouwingen van A.V., H.
Robbers, D. Coster, R. Herreman en een verant- | | | | woording van F.V.T. v. B. Overdr. uit
Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse
Academie voor Taal- en Letterkunde
, Gent, 1936.
F. Toussaint van Boelaere, Anderlecht
1875-Brussel 1947.
blz. 745 r. 7. Cf. Ik houd van het proza... van Lodewijk van Deyssel, in
Over literatuur
(over Netscher), X, Verz. W., 3de Druk IV,
1920, blz. 80 / r. 13: Deze formulering komt haast bij alle critici
voor! Was André de Ridder de eerste toen hij
ze op T. v. B. toepaste, naar aanleiding van
Landelijk Minnespel (De Boomgaard
, Mei 1911, blz. 350)? Zowel K. van de
Woestijne (N.R.C., 20 Dec. 1924) als L.
Monteyne (Vlaamse Gids,
XIII, nr. 10) gebruikt het epitheton. / r. 15: André Breton
(Tinchelray, Orne 1896), theoreticus van het surrealisme; schreef zijn
Manifeste in 1924. Publiceerde met Philippe
Soupault Les champs magnétiques van 1921 af / r. 18:
Fernand Toussaint. Vermoedelijk gaat het over Jef Toussaint, toneelschrijver (Brussel
1867-St. Joost ten Node 1934).
blz. 746 r. 9: Cf. dl. II, blz. 379; 1907.
| |
blz. 746: Lode Baekelmans.
Toespraak ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Lode Baekelmans, uitgesproken te Antwerpen in
de Nederlandse Schouwburg (Kipdorp) op 26 Februari 1939. Filip de
Pillecijn en Leo J. Kryn, namen daar nog het woord.
blz. 746 l. r.: Titel van F. Nietzsche (Werke 7),
waarin zijn uitspraken over ‘Herren-Moral und Sklaven-Moral’. Cf. dl.
III, blz. 643.
blz. 749 r. 13: zie dl. III, blz. 699.
blz. 751 r. 3: zie dl. III, blz. 618; dl. IV, blz. 530.
| |
blz. 751: Claes-zijn-Witte
Toespraak in het Paleis voor Schone Kunsten, Brussel,
op 5 Mei 1929.
blz. 752 r. 11: Mijol-Club, zie dl. I, blz. 42. / l. r.: Te
onderzoeken boekhandels-succes en cultuur-conjunctuur. Cf. G.W. Huygens:
De Nederlandse auteur en zijn publiek
, 1946. Voor Conscience zie G. De Groote en J. De
Schuyter,
Hendrik Conscience en zijn uitgevers
, 1953.
| | | |
| |
blz. 755: Vijfentwintigste verjaring:
Vereniging van Letterkundigen
Wie in 1911 tot voorzitter van de in 1907 gestichte Vereeniging van Letterkundigen werd verkozen zat ook de
plechtigheden ingericht ter gelegenheid van de XXVe verjaring voor: 1)
te Antwerpen op 25 Juni 1932, in het Huis De
Beuckelaer (nu het ‘Archief en Museum, voor het Vlaamse Cultuurleven’);
2) te Brussel, 26 Juni 1932 (in de Koninklijke
Bibliotheek), de tentoonstelling Zuid-Nederlandse letterkunde gewijd;
3) eveneens te Brussel, waar op 26 Juni 1932 een Academische zitting werd
gehouden in het Paleis voor Schone Kunsten: de katholieke Antwerpse
essayist Jozef Muls (zie dl. III, blz. 905)
handelde over Vlaams proza; de spreekbeurt door de linkse Vlaanderse
dichter R. Herreman over Vlaamse poëzie moest
door gebrek aan tijd (zie dl. III, blz. 929) wegvallen;
4) nog te Brussel op 26 Juni 1932, waar ten slotte het Feestmaal gehouden
werd.
blz. 755 r. 8: Prosper Arents, letterkundige
en bibliothecaris te Antwerpen (Borgerhout 1889), zeer gewaardeerd om
zijn kennis van de Franse literatuur en om zijn Rubens-bibliografieën.
Zie ook dl. III, blz. 801.
blz. 756 r. 22: Zie blz. 812
blz. 757 r. 17: Victor Tourneur (Verviers 1878) bekend als
numismaat; was tot 1948 secrétaire perpétuel van de Koninklijke
Belgische Academie. / r. 24: Frans Schauwers (Mechelen 1896), thans
conservator van de oude drukken in de Koninklijke Bibliotheek / Louis
Lebeer (Mechelen 1895) kunsthistoricus, thans conservator van het
Prentencabinet (Brussel) Frederic Lyna (Kapellen bij Glabeek 1888)
handschriftkundige, conservator van het Handschriftencabinet, daarna
hoofdconservator van de Koninklijke Bibliotheek tot 1953 / Albert van Hoogenbemt (Mechelen, 1900) auteur
van o.a.
De stille Man
(1938), secretaris van 1923 tot 1945.
blz. 760 r. 4: Cf.
Het Boek in Vlaanderen
, Antwerpen 1932. Bijdragen van F.V.
Toussaint van Boelaere en Herman
Robbers. Karakteristieken over de voorzitters: V.A. dela Montagne, P. van
Langendonck, Herman Teirlinck,
A. Vermeylen. Verder in
Mededelingen van de Vereniging van Letterkundigen
, verslag | | | | van F. Smits (Med.; 7
April 1954). / r. 26: James Anthony Froude (Darlington 1818-Salcombe
1894), hoogleraar te Oxford, behoorde aanvankelijk tot de
Newman-gemeenschap, (zie dl. III, blz. 888), doch sloeg rond de
vijftiger jaren de rationalistische richting in. Verzorgde de literaire
nalatenschap van Carlyle en publiceerde Reminiscences,
een levensbeschrijving, en de brieven van Mrs. Carlyle.
blz. 763 r. 3 v.o.: Cf. dl. II, blz. 608.
blz. 764 r. 5: Herman (Johan)
Robbers (R'dam 1868-A'dam 1937). Romancier. Publicist met grote
invloed; ontplooide activiteit om het schrijversvak te doen waarderen en
honoreren (Berner-conventie). Een van de stichters van de Nederlandse
Vereniging van Letterkundigen (1905). Maakte zich bovendien als
hoofdredacteur van
Elsevier's maandblad
buitengewoon verdienstelijk, door ook Vlaamse auteurs aan te
moedigen (o.a. L. Zielens). Een beminnelijke
figuur trouwens.
blz. 764 r. 8: Pieter Cornelis Boutens (Middelburg 1870-'s-Gravenhage 1943), grootmeester van het moderne Nederlandse vers
/ r. 11: Frans Bastiaanse (Utrecht
1868-Amsterdam 1947), dichter en auteur van een
Geschiedenis van de Nederlandsche Letteren
(met bloemlezing, waarin ook Vlamingen een plaats vonden)/
Frans Mijnssen, (Amsterdam 1872-Baarn
1954). Toneelrecensent. Schreef toneelstudies. Vertaalde Schnitzler.
|
*Cf. Renans
Vie de Jésus (1863) en L'avenir
de la science; (geschr. 1843; uitgeg. 1890).
*Daar werden naar het voorbeeld van
Les Grandes Conférences ook Nederlandse lezingen gehouden. Vermeylen opende de rij. Volgden: architect
H.P. Berlage, Karel van de Woestijne,
M.J. Brusse, Willem Royaards en Hugo
Verriest.
*Cf. Bl. 673. In Fr. vertaling I,
23.
**Cf. Bl. 673. In Fr. vertaling, I,
164.
*Hamlet-Schetsen (1889). Evolueerde daarna naar een lyrisch
impressionisme (1892-1900) met mystieke inslag. Schreef monografieën
over Whitman (1897), Verhaeren (1905), Maeterlinck (1896), Novalis
(1905). Leverde een kritiek op Taine (1906). Sedert 1923 bestaat een
J. Schlaf-Gesellschaft te Querfurt.
|
|