Kunst is vertolking van een aandoening, die zich in het scheppen van een haar gelijkwaardig werk wil uiten, van een blijvend ‘evenbeeld’, dat de eenheid van een eigen leven hebben zou.
Die zieledrang kan een mindere of meerdere maat van bewustheid bereiken; hij kan zichzelf tot doel hebben, of, b.v. in de bouwkunde, naar aanleiding van andere opdracht te voorschijn komen; zijn uitgangspunt kan gevonden worden in de bewegingen van 's kunstenaars innerlijkste gemoed of in de aanschouwing der wereld buiten hem: maar in elk geval is het kunstwerk een huwelijk van den geest met gegeven vormen, die hem slechts middel zijn, een doordringing van gegeven vormen door het psychische wezen. Of nu de kunstenaar tracht naar heldere rust van zichzelf genoegzame harmonie, die aan een eeuwige wet van schoonheid doet denken, - of hij het karakter der dingen uitdrukken wil, het noodwendige van de gewichtigste trekken, waar de zuivere volheid van het waargenomene in uitgesproken wordt, - of hij zonder op wat anders acht te slaan zijn eigen menselijkheid uitstort: altijd heeft kunst denzelfden grond; en altijd heeft ze dezelfde uitwerking op ons, verheffing en verrijking van het levensgevoel:
daar is haar bijzondere zending en hoogste nuttigheid.
Kunstgeschiedenis nu beschrijft de opeenvolging in den tijd van wat op kunstgebied werd voortgebracht. Maar na het verzamelen en toetsen van zijn bouwstoffen wil de echte geschiedschrijver er toch iets meer van maken dan een catalogus, waarin de verschillende werken op een rijtje eenvoudig naast elkaar geplaatst zijn: hij wenst er orde in te brengen, perspectief, zo dat het minder typische ondergeschikt blijve aan het hoofdzakelijke, en we met geringer moeite de grote richtingen ontwaren, er den samenhang van speuren; en nu kan hij zijn samenhangslijnen op allerlei wijze tekenen, naarmate hem in de kunstwerken de ene of andere soort van karaktertrekken belangrijker voorkomt: doch waar het hem, zoals hier, om een zeer ruim overzicht te doen is, zal hij het beginsel van zijn ordening niet in bijkomstigheden zoeken, maar in datgene wat tot het kernwezen zelf van kunstwerken behoort, zo dat we tenminste iets merken van het noodzakelijk verband dat werk aan werk schakelt, stijlen ontstaan en vervallen laat.
Straks zal ik uiteenzetten, waarom de taak van de ‘ontwikkelingsgeschiedenis’ niet volkomen vervuld kan worden, en dat de oorzaak van de verschijnselen waar ze zich mee bezighoudt nooit geheel te ‘verklaren’ is. Streven wij er alleen naar, de zaken zo voor te stellen, dat het verloop van de geschiedenis ‘natuurlijk’ schijne. Zoveel als althans doenlijk is; want men moet er zich dan nog voor wachten, op de feiten enigen aandrang uit te oefenen: ik wijs hier slechts op één tastbare moeilijkheid, namelijk sommige ondelgbare leemten in de kennis van de feiten zelf, daar vele kunstwerken, en
wel eens groepen van kunstwerken, verdwenen zijn.
Ik ben zo stout te beweren, dit zij voorop gezegd, dat kunst-geschiedenis in de eerste plaats... geschiedenis van de kúnst hoort te zijn. Ik betwist niemand het recht, kunstgeschiedenis te beschouwen als een onderdeel van en een bijdrage tot de zielkunde of de algemene geschiedenis, - zeker is zij ons uitstekend behulpzaam in het begrijpen van de tijden en den mens zelf, beter dikwijls dan wat anders, daar de kunst openbaring is van diep-stromende, grotendeels onbewuste neigingen. Maar met geleerdheid alleen blijft ge er buiten staan; het begin van alle kunstgeschiedenis kan slechts kunstaandoening zijn, gewonnen in de onbevooroordeelde aanschouwing, die in het kunstwerk louter opgaat. En wat mij betreft, zie ik daarin ook liefst het einddoel van de kunstgeschiedenis, houd deze voor een middel om uit kunst menigvuldiger zin te lezen en aldus het geluk, dat kunst ons geeft, te vermeerderen; want boven alle wetenschap stel ik die communie met den in goddelijke roering herscheppenden geest, dat verheerlijkte levensen mensheidsgevoel.
Maar ik druk er dadelijk op, dat historische kennis ons bij het genieten, het begrijpende liefhebben, doorgaans zeer van pas kan komen. Ge hoeft maar te kijken, wordt wel eens gezegd: dat is niet altijd waar. Zeker is aangeboren kunstgevoel vóór alles nodig en meestal voldoende om de onvergankelijke ziel van een werk te vatten. Maar nu zal ik eerst opmerken, dat kunstgevoel een heel bijzonder iets is, dat, wil het niet te onbepaald blijven, ontwikkeld moet worden, b.v. een zekere educatie van het oog vereist, en dat kunstgeschiedenis
hierbij van dienst kan zijn, door de aandacht langs de meest uiteenlopende scheppingen te leiden, den blik door vergelijking te verruimen. En dan, een kunstwerk is ook een bijzondere belichaming van het kunstgevoel, een verschijnsel bepaald door al de krachten die tot zijn vorming hebben bijgedragen, en dat dus altijd min of meer samenhangt met den tijd en de omgeving waarin het geboren werd; zoals de oorspronkelijke voortbrenger van schoonheid niet een zuiver begrip is, in het ijle zwevend, maar een deel van zijn wereld, een samenstel van eigen aard èn veel dat hij met zijn medemensen gemeen heeft. Buiten hun persoonlijke zelfheid verschillen een Giotto en een Jan van Eyck door de sfeer waar ze in ademen, de manier van zien en de uitdrukkingsmiddelen die mogelijk waren op het ogenblik dat elk van die schilders in de keten der eeuwen inneemt. Wie zich van hun werk volkomen rekenschap wil geven, moet het dus eerst op zijn plaats stellen.