terug  begin  verderprepost

2. Grenzen van de kunstgeschiedenis.

Nadat ik aldus het goed recht van de kunstgeschiedenis, zoals ik die opvat, verdedigd heb, wil ik even onderzoeken hoe zij te werk kan gaan.

Het blijkt vooreerst, dat de kunsthistoricus tegenover zijn onderwerp niet koud zal staan, als de natuurvorser tegenover een kristal of een plant. Elke uiting van den kunstgeest heeft iets eigens, de ene dekt niet wiskundigjuist de andere. Nu hebben al de verschijnselen, die in het veld van zijn studie passen, voor den kunsthistoricus niet dezelfde betekenis. Hij brengt op den voorgrond wat hém het belangrijkste lijkt: de keuze

[p. 15]

en de rangschikking zijn dus nooit vrij van enige willekeur. Maar zelfs indien zij dat wèl waren, - en gesteld, wat vanzelf spreekt, dat de stof naar de regelen van de nauwlettendste kritiek getoetst werd, - dan nog bleef wat de natuurvorser een ‘streng-wetenschappelijke’ behandeling noemt, op ons gebied buitengesloten.

Want wat is de kern van de verschijnselen, die de kunstgeschiedenis in hun ontwikkeling beschrijven wil? Het is, om een heel ruim woord te gebruiken, dat na het voorafgaande hier niet misverstaan zal worden, de ideale opvatting die de kunstenaar in beeld bracht. Maar de samenhang van de ideale opvattingen is een onderaardse stroom, die door de zielen ruist, welks macht en wendingen door wisselwerking van duizendvoudige krachten bepaald worden; nu en dan slaat er een golf uit op, een schuimkuif in het licht: maar de stroom zelf onttrekt zich aan onze waarneming, wij zien alleen aan de oppervlakte enkele van zijn uitwerkingen.

En deze zelf nu, de kunstwerken: ieder is zeer samengesteld en toch één, door de onverklaarbaar persoonlijke daad die er leven aan schonk. Die eenheid kunnen we alleen door aanschouwing kennen, we kunnen ze soms door andere kunst - de kunst der woorden, - min of meer vertolken. Maar zodra wij het werk in een ontwikkelingsgeschiedenis willen invoegen, moeten wij het ontleden, en zodra wij het ontleden ontsnapt ons die geheime eenheid, die er het leven zelf van uitmaakt, - kleur en lijn zijn slechts haar middelen, - en wij hebben niet meer het zuiver verschijnsel voor ons.

Wij moeten er dus genoegen mee nemen: kunstgeschiedenis is niet meer dan een benadering van de

[p. 16]

waarheid. Doch, omdat we nu duidelijk beseffen, welke haar grenzen en haar tekortkomingen zijn, hoeven we toch niet het bijltje er bij neer te leggen: met die benadering laat zich zeker nog wat aanvangen. Het is al veel, als enige golftoppen ons de algemene richting van den stroom aangeven. Een landkaart is een onvolkomen beeld van het land zelf, maar wijst er ons althans den weg. Trachten we te zien, welke leidraad door de geschiedenis het minst gebrekkig zal blijken.

prepostterug  begin  verder