terug  begin  verderprepost

3. Het principe van den samenhang.

Het zij dus we verstaan, veel is er dat zich door de kunstgeschiedenis niet bereiken laat: het centrale wezen van elke kunstdaad, en hetgeen van ieder kunstwerk een enig iets maakt; en het strikt-persoonlijke in het werk van eenzelfden kunstenaar, en die onzichtbare stroom, waar eenelks innerlijke wereld uit opwelt, en die geheime, levensaamtrekkende en leven-scheppende kracht, die, de binnenste ziel van een genie ontschoten, overspringt, vroeg of laat, naar een andere geniale ziel en dan weer een andere, zolang de droom, die de hoogste werkelijkheid van het mensdom is, door het mensdom gedroomd wordt: dat alles ligt buiten de ‘wetenschap’. Maar, indien wij ons alleen aan het voor wetenschap grijpbare houden, merken we toch in de opeenvolging van de kunstwerken een onafgebroken verband, doorlopende draden; we merken in groepen van kunstwerken, naar de streek of het tijdperk, overeenstemmingen, die wij, als ze een ineensluitend geheel vormen, een ‘stijl’ noemen; we merken nog op- en neergaande rythmen, die onder in ander opzicht verschillende omstandigheden bij

[p. 17]

herhaling voorkomen, net als de curve van jeugd, volwassenheid en ouderdom, en aldus weer nieuwe vergelijkingspunten tussen verschillende stijlen laten ontdekken: wat de werken in dezen of genen zin gemeen hebben, dat is onderwerp van de geschiedenis.

Ik zei het reeds, de enkeling staat nooit geheel buiten de gezamenlijke beweging; zijn geest en zijn uitdrukkingswijze zitten altijd in zekere mate vast aan de cultuur waar hij uit opgroeit; is hij een gezonde natuur, dan spreekt hij zichzelf geheel uit, met al het eigene èn algemene dat zijn persoonlijkheid uitmaakt; hij steunt op het gemeenschappelijke om tot de volle ontplooiïng van zijn persoonlijkheid te geraken; en oefent zijn werk, niet alleen door de wondere energie die de harteslag van alle kunst is, maar door den bijzonderen vorm dien zij daar aangenomen heeft, verder invloed uit, dan is het een bewijs dat het samenklinkt met iets dat ook bij anderen aanwezig was, door zijn uitwerking hangt het weer samen met het gemeenschappelijke. Het is de taak van de geschiedenis, op te sporen hoe al die tekenen van verwantschap, als ze van belang blijken, aan elkaar gesnoerd zijn. En gelukt het haar wellicht, dat gelijkaardige terug te voeren op gelijkaardige voorwaarden van ontstaan en groei, dan ontsluiten zich voor haar verhoudingen van ruimer betekenis.

Met het oog op hetgeen zich niet en hetgeen zich wel door kunstgeschiedenis bereiken laat, wat is dan hoofdzaak, voor het beeld dat we van de ontwikkeling ontwerpen willen? Om onze samenhangslijnen te hebben, moeten wij in bepaalbare karaktertrekken van de kunstwerken op het min of meer voortdurende letten, dat werk

[p. 18]

aan werk verbindt naar de wijze van een wordingsverloop; en om onder de bepaalbare samenhangslijnen de voornaamste te hebben, moeten wij die karaktertrekken uitzoeken, welke het meest beantwoorden aan het wezenlijke zijn van kunstwerken. Wie dieper naar oorzaken tasten wil, kan zich dan nog afvragen, wat een kunstbloei, hoe die ook zij, mogelijk heeft gemaakt, waarom zijn trekken zó zijn, waarom zijn lijnen zó lopen en niet anders, waarom de ontwikkeling nu eens trager en dan weer rasser haren gang gaat.

prepostterug  begin  verder