terug  begin  verderprepost

3. De bloeitijd (± 1110-± 1140).

Het kenmerk van den stijl der zuiver-romaanse beeldhouwkunst ligt hierin, dat zij de architectuur ondergeschikt is; zij is de dienares van de bouwvormen, wordt gebruikt om het portaal kleur en accent te geven; de figuur moet zich naar dien eis plooien, desnoods ten koste van de waarschijnlijkheid. Tevens is die kunst dienares van een theologisch gerichte godsdienstigheid. In 't algemeen beantwoordt het geschilderd of gebeiteld beeld niet aan de vreugd om het zien van een werkelijkheid, het gehoorzaamt niet in de eerste plaats de vormen van de natuur: het moet alleen het teken zijn van een andere wereld, van een bovenzinnelijke abstractie, en erkent geen andere wet dan die van haar geestelijke beduiding.

Het lijkt ons wel een vreemd rijk, waarin die beelden ons voeren: naast de fantasie van versieringen, die tot strenge schema's worden herleid en waarin soms allerlei monsters zich door oosters rankenwerk heenwringen, doemen epische visioenen uit de Apocalypsis op en de verschrikkingen van den Laatsten Dag, als de onverbiddelijke Rechter zich over de mensen opricht.

Te Moissac wordt een plastiek van grote afmetingen

[p. 66]

toegepast op al de delen van het portaal, - boogveld, bovendrempel, middelstijl, deurposten, - zo dat zij er een aaneensluitend geheel uitmaakt. Angstwekkende apocalyptische voorspelling: een Heerscher van bovenmenselijke macht troont tussen de symbolen van de evangelisten en twee engelen, omgeven van de vierentwintig fel bewegende ouderlingen. Elementen van verschillende herkomst zijn te onderscheiden: de leeuwinnen van den deurpijler zijn oosters, de ornamenten van den bovendrempel hoofdzakelijk Gallo-Romeins, en voor de figuren heeft de beeldhouwer waarschijnlijk gesteund op ivoor- of metaalwerk. Maar in de zonderlinge kracht van het timpaan worden wij een stout en hoogwillend streven gewaar, en de twee gestalten die tegen den leeuwinnenpijler aangebracht zijn (op de afbeelding onzichtbaar) verrassen in haar bovenmate verlengde vormen door een buitengemene fijnheid van modelering, die met het spel van het licht rekening weet te houden.

In Bourgondië kwam de stoot van de ijverige Clunisiaanse orde. Aan het portaal van de kathedraal te Autun (± 1130), waar het Laatste Oordeel door de ongelooflijk gekunstelde en toch kies-gevoelige omvormingen van de figuren treft, en aan het ongeveer gelijktijdige portaal van de heerlijke kerk te Vézelay (afb. 15), die de vereerde relikwieën van de heilige Magdalena bewaarde, - het boogveld vertoont een symbolische voorstelling van Pinksteren en de verspreiding van het Woord onder de vreemde volkeren, - werden andere modellen gebruikt, namelijk miniaturen. Daar de vormen van éne kunstsoort in een andere worden omgezet, wordt de vertaling vrijer. Vooral te Vézelay neemt de beeldhouwer menige

[p. 67]

bijzonderheid uit zijn omgeving over, geeft in plastischer reliëf menigvuldiger beweging en physionomische gemoedsuitdrukking. In dat eigenaardig mengsel van oude conventies en jeugdigen drang zijn de minste openbaringen van nieuw leven het bespieden waard.

prepostterug  begin  verder