Wat Italië aan beeldhouwkunst in die tijden aanbiedt, moet hier wel achteraan komen. Dit kan menigeen misschien bevreemden: zo stralend is de luister van de renaissance in de XVe en de XVIe eeuw, dat velen, niet heel lang geleden, nog geneigd waren Italië te beschouwen als de uitverkoren moeder van de Europese kunst - voor zover althans
deze bij een modern mens voor heuse kunst mocht gelden, - en de ‘herleving der oudheid’ als de toverkracht, die bij de geboorte behulpzaam was. Het wil me echter toeschijnen, dat zowel die herleving der oudheid als het aandeel van Italië in de algemene ontwikkeling van de sculptuur, gedurende de XIIIe en zelfs nog in de XIVe eeuw, van ondergeschikt belang blijven.
Feitelijk is daar weinig dat ons bijzonder aantrekt, vóór die merkwaardige poging in Campanië, voornamelijk te Capua, ± 1240, die het werk van één mens was, den groten Hohenstaufen-keizer, Frederik II: vernuftig bewonderaar van de oudheid, liet hij antieke beelden in zijn Capuaans paleis overbrengen en wakkerde tot navolging aan. Zo ontstond rondom hem een wereldlijke kunst, die zich welbewust bij de oudheid aansloot en heidens schoon tot verheerlijking van den Duitsen keizer dienen liet. Aan haar zijn de eerste vrijstaande beelden en de eerste portret-busten te danken, die Italië sedert den ondergang van het Romeinse rijk voortbracht. En uit die school kwam de vermaarde beeldhouwer, dien men wel eens als den inluider van de renaissance begroet en die althans voor de eerste scheppende ‘persoonlijkheid’ in Italië mag doorgaan: Nicolaas van Apulië, vooral bekend onder den naam die hem na zijn werkzaamheid in zijn tweede vaderland te beurt viel: Nicolà Pisano.
Te Pisa verhief zich zijn eerste werk van betekenis (1260): de marmeren preekstoel in de Doopkerk. Steunend op zes zuilen, draagt hij boven de kapitelen en in de hoeken der bogen een koor van evangelisten, profeten en sibyllen, terwijl in de vijf vakken van de
leuning de geschiedenis der zaligmaking wordt verhaald, van Christus' geboorte tot het Laatste Oordeel. De lichamelijke volheid en malse ronding van de vormen, de snit en de drapering van de gewaden, de samenstelling en de techniek doen onmiddellijk denken aan de reliëfs van Romeinse lijkkisten. Onder de profeten prijkt zelfs een naakte god, een Hercules. De bouwstijl van den preekstoel herinnert aan Franse gothiek, maar in het beeldwerk aanschouwen wij een echte weeropleving van de Romeinse kunst. Te Pisa zelf had Nicolà Pisano modellen gevonden: de paarden op de Aanbidding der Wijzen werden overgenomen van een vaas, die thans nog in het Campo Santo te zien is; de H. Maagd die de Koningen uit het Oosten ontvangt, gesluierd als een matrona (afb. 65), borgde haar houding, kleding en wezenstrekken van een Phaedra, op een lijkkist die daar ook nog bewaard wordt.
Maar het volstond niet, dergelijke voorbeelden voor ogen te hebben: om zich aldus den stijl van het Romeinse reliëf eigen te maken, was een lang geoefend meesterschap vereist, en dat bracht Nicolà Pisano met zich uit de Campanisch-Apulische school, welke insgelijks antieke beeldhouwkunst met Franse bouwvormen samenvoegde. Wonderbaar is het gemak, waarmee Nicolà Pisano zich in die sedert acht eeuwen dode taal weer uitdrukt. Het ware trouwens verkeerd, enkele figuren daargelaten, hem slechts als een ‘navolger’ te beschouwen: veelmeer dan eenvoudig na te bootsen, heeft hij met een onbetwistbare oorspronkelijkheid zich iets van den geest der oude modellen eigen gemaakt. En eerst door hem werd in Italië de beeldhouwkunst weer tot een levende spraak,
een buigzaam vertolkingsmiddel van het gemoed. De edele majesteit van koppen als die der Drie Koningen en der Madonna moest in Toskane aandoen als het opdagen van een nieuwe wereld. Waar ook de voornaamste bestanddelen van zijn kunst vandaan komen, wat hij verder rechts of links aan Lombardisch of Byzantijns werk nog ontleend mag hebben: door den plastischen rijkdom, de ruime grootheid van de samenstelling, het dramatisch doorvoelen van het onderwerp, gaat Nicolà Pisano verder dan alle overleveringen, en hij blijkt ten slotte een persoonlijkheid. In tonelen als de Kruisiging en het Laatste Oordeel breekt hij met de gewone voorstellingswijs: er is daar een streven naar natuur, beweging en accent, dat men te vergeefs bij zijn Italiaanse voorlopers of tijdgenoten zoeken zou.
En toch dunkt me de daad van Nicolà Pisano voor de beeldhouwkunst niet zo vruchtbaar als over 't algemeen wordt aangenomen. De gevolgen, die men van een ‘wedergeboorte der oudheid’ verwacht, bleven eigenlijk uit: er komt die ‘wedergeboorte’ m.i. niet méér betekenis toe dan dergelijke pogingen in den zogenaamden Salomo en de Visitatie te Reims (of den Dood van Maria te Straatsburg?) mag toegemeten worden. De Campanisch-Apulische school, in 't leven geroepen door den wil van een caesar, stierf uit met hem, en in Toskane kon die ‘renaissance’ evenmin aarden: zij was daar de droom van één schepper, - en hij zelf bleef zijn droom niet lang getrouw. In de laatste reliëfs te Pisa, de Kruisiging en het Laatste Oordeel waar ik daareven van gewaagde, merkt men al een drang en een drukte, die van andersoortige neiging getuigen. En kort daarop dan, aan
den preekstoel in den dom te Siena (1266-1268), waarbij Nicolà Pisano zich door anderen, o.m. zijn nog jongen zoon Giovanni liet helpen, is de eurythmie der lijnen, het beknopte, overzienbare van de compositie vergeten, ieder vak is overvuld met episoden, de slankere figuren gaan zich te buiten in hevige gebaren, het dramatisch geweld neemt toe, er wordt meer plaats ingeruimd aan hetgeen het volk kon aangrijpen, tot in den Moord der Onnozele Kinderen b.v. verbeelding en werkelijkheidszin volkomen vrij spel krijgen (afb. 66).
Franse invloed is hier onmiskenbaar: menig motief kan geen andere herkomst hebben, - wat niemand bevreemden zal, die weet dat in dien tijd de Franse ridderromans in Noord-Italië werden nagedicht, de Provençaalse poëzie in Zuid-Italië voortbloeide, Brunetto Latini, Dante's meester, zijn voornaamste werk in het Frans schreef, en de gothische bouwstijl, getuige de kathedraal te Siena zelf, in Italië zegevierend doordrong. In den Pisaansen preekstoel is het trachten naar vormschoonheid overheersend: te Siena het trachten naar waarheid, bewogen handeling, krachtige uitdrukking van de gedachte. De navolging der oudheid is dus alleen een ‘eerste manier’ van Nicolà Pisano, hij slaat weldra een gans andere richting in. De kalme en statige adel van zijn eerste werk blijkt in den grond die van een kunst, waarin de vorm een waarde op zichzelf heeft, zonder noodzakelijk verband met de vormscheppende gedachte. De navolging der oudheid was voor Nicolà Pisano niet meer dan een uitgangspunt, zoals de navolging van Byzantijnse ivoren voor romaanse en vroeg-gothische beeldhouwers. Maar daarna kwam die gothiek, die de
eerbiedwaardigste patronen aan kant schoof om eigen opvatting uit te spreken; naar die gothiek zal Nicolà Pisano nu steeds meer gaan luisteren, en zelfs den barok van de late gothiek voorbereiden. Dan zoekt hij niet meer de grote, rustige lijn, maar den vorm die geboren wordt uit het gevoel, die slechts een werktuig van het innerlijk-doorleefde is. De weg gaat hier dus niet, zoals al te dikwijls wordt beweerd, van een ‘barbaarse’ gothiek tot de zuiverheid van de antieke schoonheid, maar juist andersom, van het volgen der ouden tot den zelfstandigen gothischen geest.