De karakteristiek van de cisalpijnse beeldhouwkunst, zoals die in het vorig hoofdstuk werd gegeven, geldt in hoofdzaak ook voor deze periode.
In de Nederlanden gaat de belangstelling vooral naar de kleine plastiek van de uitgesneden altaarstukken, eerst met geschilderde panelen verbonden en zelf eng met schilderkunst verwant. Het voortreffelijkste te Hakendover bij Tienen, van ± 1432, met aardig waargenomen en sierlijk levendige figuren.
In Bourgondië en in de aangrenzende streken wordt de Sluterse traditie van de steenplastiek voortgezet, zoals voornamelijk blijkt uit verscheiden indrukwekkende graftomben, en talrijke madonna's, gedost in ruime, veelvuldig-gekreukte gewaden, burgerlijk-rijkelijk, welgedaan, realistisch van uitdrukking, vol hartelijkheid. Maar sedert het midden van de eeuw doen zich duidelijker de tekenen voor van de overwinning van het Franse gevoel voor schone maat op de zware en felle bewegingsmotieven van Sluter's school. Die ontspanning van den vorm merken wij vooral in dat deel van Frankrijk, dat midden in de stormen Frankrijk gebleven was, en waar wij toen ook de mooiste ontwikkeling van de
schilderkunst kunnen gaslaan: het Loirebekken, Touraine en meer zuidelijk gelegen gewesten. Getuige de graftombe van Karel I, hertog van Bourbon en Agnes van Bourgondië, door Jacques Morel uit Lyon, in de kerk te Souvigny bij Moulins (1448-1453): de bewerking is er leniger dan bij Sluter en Van de Werve, maar die malse virtuositeit weet gekunsteldheid te vermijden, en de geest is er kalmer, al meer Frans zou ik zeggen, zonder toch iets van zijn grootheid te verliezen. Die Loire-school reikt tot in Auvergne, waar de stenen H. Maagd in de Eglise du Marturet te Riom, omstreeks denzelfden tijd, in haar klare en rustige gratie bij de ‘Bourgondische’ madonna's reeds afsteekt. Zelfs Bourgondië mocht aan die nieuwe stroming niet ontsnappen: al breidde zich allerwegen die dramatischer vroomheid uit, die, zoals in Duitsland, bevrediging zocht in Pietà's en Passie-tonelen, toch vertonen al ± 1454 de volplastische stenen beelden van de Graflegging te Tonnerre een tot dan ongekende rustige grootsheid.
Enige invloed van Bourgondië op de Duitse plastiek valt moeilijk te loochenen. De ‘weke’ stijl, die nog aan laat-gothische stemming beantwoordt, blijft daar zeker de meest gangbare, maar bij populaire, soms pakkende directheid maken de zwevende houdingen plaats voor meer stevigheid en vastheid, en die stijl neigt steeds meer naar die vlezige volheid, die Bourgondische madonna's kenmerkt, en naar rijkheid van schilderachtige effecten. Als bijzonder typische voorbeelden van schilderachtigheid wijs ik op de H. Maagd in het koor van S. Sebald te Neurenberg (uit de jaren 1430), het graf van aartsbisschop Konrad von Daun te Mainz
(† 1434), den Christophorus naast het rechterportaal van S. Sebald (kort voor 1442) (afb. 128).
Uit de naamloze schare treedt Hans Multscher naar voren. Hij was ook schilder, werkte te Ulm sedert 1427 en stierf in 1467. Het voornaamste wat wij van hem nog bezitten, enigszins de bekroning van zijn werk, is het onder zijn leiding ontstane grote in hout gesneden altaarstuk, waarvan de fragmenten over verschillende plaatsen te Sterzing in Tyrol verdeeld zijn (1456-1458). Vergelijken wij dit met schilderijen van twintig jaren vroeger, die hem toegeschreven worden en waar verder sprake van zijn zal, dan moeten wij een belangrijke evolutie vaststellen: het wild expressieve, bijna barbaarse, is tot kloeke slankheid veredeld. Met invloed uit Vlaanderen valt wellicht te rekenen. Maar vooral de Madonna (in de Pfarrkirche te Sterzing) heeft als geheel een echt Duitse, - Duits in anderen zin weer dan de schilderijen - een muzikale dichterlijkheid (afb. 129).
Maar bij al het belangrijke dat zij aanbiedt komt de cisalpijnse beeldhouwkunst toch een zeer ondergeschikte betekenis toe in de ontplooiing van den eigenlijken renaissance-geest. Italië neemt hier de eerste plaats in.