Wij bereiken den tijd, dat de persoonlijkheid in de kunst opzetten komt met de brede kracht van een wassend getij. Dicht bij elkaar rijzen de grote individuen: te Siena, Jacopo della Quercia (1374-1438); te Florence, naast Nanni di Banco en Brunellesco, Lorenzo Ghiberti (1381-1455) en degene die ze allen overtreffen zou, Donatello (± 1386-1466).
Twee stijlen dingen nog om den voorrang: tegenover Jacopo della Quercia en Donatello, blijft Ghiberti, minder dan zijn tijdgenoten begerig om de vormen van de werkelijkheid te beheersen, in den grond trouw aan de laat-gothische bevalligheid, al heeft hij die ook met fijnen smaak tot nieuwe harmonie verheven.
Wij hebben zijn bedrijvigheid gevolgd tot ± 1424. Zijn vermaardste gewrocht is de derde, de oostelijke deur van het Battistero (1425-1452). Men vrage bij hem niet om het scherpe begrip van het karakter, noch om het sterke gevoel voor den innerlijken bouw van de figuur: hij vermeit zich liever in aangename calligrafie. Bij de herschepping van de mens-gestalte naar den renaissance-geest hadden de schilders eerst de beeldhouwers nodig; maar nu de schilderkunst in het gehele West-Europese beschavingsgebied op hare beurt zulk een hoge vlucht nam, merken wij bij Ghiberti den meest beslisten terugslag: zijn bas-relief is gans gericht op schilderachtigheid. Doch, wat een gratie in zijn schoonheid! En mag zij nog met de gothiek samenhangen, die schoonheid doet zich nu klaarblijkelijk voor als het doel zelf dat den kunstenaar voor ogen staat. In dien zin heeft een geleidelijke ontwikkeling ons gevoerd tot de wereld van de renaissance. De sierlijkheid van de laat-XIIIe-eeuwse Fransen gaat hier van zelf, langs Andrea Pisano heen, in hellenistische elegantie over.
Maar vooral om zijn samenstelling komt Ghiberti een mooie plaats onder de kunstenaars uit dien tijd toe. Men beschouwe b.v. de geschiedenis van Jakob en Ezau (afb. 130); niet in het uitwerken van het kenmerkende in iedere gedaante zit zijn kracht, men wordt eerder
ingenomen door de liefelijke verbeelding, de lenig slingerende lijnen, - ik wijs o.m. op de van achter geziene figuren van een vrouw links, van Ezau in het midden, - en dan bewondert men vooral de zo luchtige en toch vaste schikking. Verscheiden episodes zijn hier op een enkel tafereel - een schilderij in brons, - samengebracht: de geboorte, het gesprek van Izaäk met Ezau, Jakob's zegen, enz. En trots dien primitieven vertellingslust is het geheel toch gebonden, door weloverwogen verhoudingen in de lijnen en massa's der groepen en door de verruimende architectuur op den achtergrond. Geen mindere dan Rafaël zou zich later dergelijke compositiekunst te nutte maken.
Onder Donatello's tijdgenoten is er slechts één, die waarlijk als zuiver beeldhouwer denkt, als man voor wien de eigen taal van de volumen uitgangspunt en hoofdzaak is, en die zich in dat opzicht met den meester meten kan, zo hij hem niet overtreft: Jacopo della Quercia. De enige waarlijk grote beeldhouwer buiten Florence.
Hij komt ook uit de gothiek voort (de bijzonder dichterlijke Sienese gothiek), en zoekt voeling met de oudheid, maar brengt met zich een eigen sterken wil mee, een eigen zin voor het hecht plastische, een vastberaden greep naar het ware, - hoedanigheden die nauw verwant blijken met die, waaruit een nieuwe kunst in Bourgondië was opgerezen. De graftombe der mooie, jonggestorvene Ilaria del Caretto (begonnen in 1406) (afb. 131) is een der zuiverste gedichten die men ooit den dood heeft toegewijd: als omwasemd met schoonheid, verinnigd en verheerlijkt door een groot en fijn gevoel, dat
geheel in het kiese werk van den beitel is overgegaan. Aan de antieken zijn alleen uiterlijkheden ontleend, en tot een doordringende studie van de lichaamsvormen is Jacopo della Quercia hier nog niet gekomen: dit mag men noemen laat-middeleeuwse kunst, waarin de weekheid van voorheen, door verhevener, klaarder gratie overwonnen, tot ziele-melodie veredeld werd.
Maar het iets later ontstane bisschopsbeeld in de kapittelzaal van de kathedraal te Ferrara, dat den meester op aannemelijke gronden toegeschreven wordt, heeft dezelfde struise dramatische kracht in houding en uitdrukking als de rouwklagers van Sluter en Klaas de Werve. En in de grote bas-reliefs van de fontein, die Jacopo op het forum-plein van zijn geboortestad mocht oprichten (1414-1419), zien wij dan den kunstenaar tot volle rijpheid geraakt. Men beschouwe een brokstuk als de Wijsheid (afb. 132), thans in het Dom-museum overgebracht: niets meer van de opgeschoten tengerheid der gothische verhoudingen, geen slap neerzijgende schouders meer, maar brede, vlezige vormen, duidelijk zichtbaar onder het eenvoudig en harmonisch-kledende gewaad. Van antieke beelden wellicht heeft Jacopo nu geleerd, hoe hij door beweging van arm en hoofd den bouw van het lichaam als iets levendigs kon suggereren. En uit het gelaat is alle giotteske conventie verdwenen: vol en rond heeft het het eigenaardig uitzicht, de persoonlijke uitdrukking van een portret.
Tot een nog plastischer gevoel van de vaste lichamelijkheid is hij dan gekomen in het bronzen reliëf van de doopvont in S. Giovanni te Siena, voorstellend Zacharia in den Tempel (afb. 133). Besteld in 1419, werd het eerst
in 1430 gegoten. Jacopo heeft hier zeker den invloed ondergaan van Donatello's Dans van Salome (1425). Bij den Sienees is er echter nog meer eenheid en concentratie, en vooral: hoeveel machtiger is de vorm als massa gezien, zonder iets silhouetachtigs aan zich, wat een forsheid van accenten, wat een zwaarte in die helden-gestalten, die werkelijk ín de ruimte staan: zij maken er deel van uit, zij vullen ze; zulk een gevoel der ruimte in het reliëf had de oudheid zelve niet gekend.
Het laatste werk van Jacopo della Quercia is de marmeren versiering van het hoofdportaal van S. Petronio te Bologna, hem in 1425 toevertrouwd, maar bij zijn dood in 1438 onvoltooid gebleven. De Schepping van Eva (afb. 134) kan ons een idee geven van dien struisen, door-en-door plastischen stijl, die steeds aan monumentale grootheid wint, en in zijn eigenwillige persoonlijkheid, zijn gespannen, saamgedrongen kracht, zijn diepgevatte zielsuitdrukking en tragischen ernst, van verre herinnert aan Giovanni Pisano maar reeds Michelangelo aankondigt.