terug  begin  verderprepost

3. Het Turijns Getijdenboek.

Pol de Limbourc en zijn broers hadden wellicht pas het illumineren van de ‘Très riches Heures’ gestaakt, toen, buiten Italië, de laatste stap gedaan werd, de artistieke omwenteling voltrokken, een nieuwe, brede baan geopend, in de ‘Très belles Heures’, die in 1904 zo rampspoedig verloren gingen in den brand van de Bibluoteca nazionale te Turijn. Het enige wat er van overblijft is een kleiner fragment, uit de verzameling van prins Trivulzio te Milaan thans naar de Turijnse bibliotheek overgebracht.

De ‘Très belles Heures’ hadden eerst den hertog van Berry toebehoord, maar waren nu in de handen van een anderen bezitter overgegaan, naar alle waarschijnlijkheid zijn neef Willem van Beieren, graaf van Henegouwen en Holland. Er zijn klemmende redenen om aan te nemen, dat de miniaturen, door dezen besteld (een deel van het Turijns getijdenboek), van ± 1417 dagtekenen, het stervensjaar van graaf Willem, en uit het atelier kwamen van de grondleggers der Vlaamse

[p. 300]

school, de (uit Maaseyck afkomstige) gebroeders Hubertus en Johannes van Eyck. Deze miniaturen vielen duidelijk te onderscheiden van die, welke in hetzelfde handschrift van andere meesters en van leerlingen waren.

Over datum en toeschrijving wordt getwist. Sommige geleerden wensen die bladen verder in de eeuw te stellen. Natuurlijk ook, daar zij zozeer op den tijd vooruit zijn. Maar, afgezien van andere argumenten, moet ik wel doen opmerken, dat ook later in de eeuw die reeks niet minder op den tijd vooruit zou zijn, en het wonder niet minder wonderbaar. De deugdelijkste hypothese lijkt me nog deze te zijn, dat wij hier een geniaal schepper voor ons hebben, den oudsten broer, Hubertus van Eyck, die in 1426 stierf en van wien wij de verdere, korte ontwikkeling bezwaarlijk kunnen volgen. Ik mag er ook nog nadruk op leggen, dat de enkele bladen uit Milaan niet voldoende zijn, om over heel het werk te oordelen, en dat onder de kunsthistorici, die over het Turijns Getijdenboek schreven, er slechts drie zijn, die het origineel gezien hebben, - tot welke bevoorrechten ik het geluk had te behoren, - en dezen gaan akkoord: dat legt wel enig gewicht in de schaal.

Want in de reproductie gaat onvermijdelijk datgene verloren, wat juist de betekenis van de verrassendste onder die bladen uitmaakte: de kleur deed er veel meer, dan eenvoudig de omtrekken in te vullen, - de tekening bestond er haast niet meer op zichzelf, maar door het spel van lichten en toonwaarden; de schilderij was soms, picturaal gedacht, hoofdzakelijk uit kleurschakeringen opgebouwd. Het kwam zelfs voor, dat er tot een impressionistische techniek werd overgegaan, met on-

[p. 301]

verbroken naast elkaar aangebrachte kleurvlekjes en stippelingen.

Er mag beweerd worden, dat, op kleine schaal, de moderne schilderkunst in het Turijns Getijdenboek een aanvang nam.

Het is maar weinig, als men zegt dat de formules geheel aan kant werden geschoven, dat natuur-observatie het bezielend geloof geworden was, waarmede men ter ontdekking van de wereld uittoog, niet meer zoekend naar ideale fraaiheid van vormen, zoals vaak nog in het getijdenboek te Chantilly, maar alleen naar karakter; naar de wetenschappelijk juiste gedaante van ieder ding, b.v. van de verschillende soorten van wolken; naar waarheid, die elk onderdeel kenmerkte en van de samenstelling zelve het levensprincipe geworden was. Ja, alle vraagstukken, waar het atelier van Pol de Limbourc zich aan toewijdde, werden nu vrijer, met spontaner greep, met stouter durf, met meesterlijker kunnen opgelost. Maar uit die oplossing - en dit was de daad, die de rijkste toekomst opende, - heeft de miniaturist van graaf Willem alle gevolgtrekkingen in ‘schilderkunstigen’ zin afgeleid. Wat bij zijn beste voorgangers en tijdgenoten nog maar een vermoeden was, werd bij hem tot stellige ervaring: namelijk, dat de geest van de kleur het licht is, de ‘toon’ een innige verbinding van kleur en licht, die ‘toon’ het wezen zelf van de schilderkunst. De uitbreiding van de naturalistische opvatting bracht hem er toe, de wereld der verschijningen waar te nemen, als staande in de atmosfeer, vorm en kleur omgeven en gewijzigd door lucht en licht, en in die atmosfeer - wat

[p. 302]

niet anders zeggen wil dan: in den toon, - de eenheid van de schilderij te zien.

Dat hij dit volkomen zou bereikt hebben, zeker niet: maar hij heeft het beginsel verkondigd, waarnaar de moderne schilderkunst zich richten zou, tot het impressionisme toe.

Op de oudere bladen te Chantilly was de kleur nog die van de echte miniatuur, vooral decoratief, gekozen om haar eigen schoonheid; in de kalender-beelden werd ze een der middelen tot totale uitdrukking van werkelijkheid en stof; in het Turijns Getijdenboek, zonder iets te offeren van haar diepte, van haar klankrijken glans, integendeel winnend aan soepelheid en tevens aan stofuitdrukkend vermogen, bracht zij het bovendien tot samenstemming van tonen in en door het harmonische licht.

Ik wil hier slechts op één voorbeeld wijzen: de Landing van graaf Willem te Veere, begroet door zijn dochter Jacoba van Beieren, na een storm waaraan hij als bij mirakel ontsnapt was (afb. 161). Men vergeet gemakkelijk den archaïschen God den Vader in zijn ronde glorie, voor dat landschap, zo waar, zich uitstrekkend tot den verren horizon, met zijn asblonde duinen, en allerlei microscopische figuurtjes - men onderscheidde zelfs hun schaduwen! - bezig op het strand, waar de Noordzee tegen aansterven komt. Zullen de XVIIe-eeuwse Hollanders hun land eigenlijk anders zien en verheerlijken? Hier werd zelfs de indruk van een vluchtig ogenblik raak vastgezet: in de zware schaduwen en het doorbrekende licht, in het rollen der baren en het geglimmer der zee, in heel het leven van de lucht, voelt ge dat er een storm gewoed heeft, en dat die pas over is.

[p. 303]

Onderaan loopt een fries, het Gezicht op de Polders, dat ons nog meer verbaast: want daar is niets anders meer dan ‘het landschap’, met de mensen er ín, de poëzie van de oneindige vlakte, zonder de minste stijlconventie, zelfs niet de perspectivische conventie van den hogen gezichtseinder en het hellend terrein, - een brok natuur, eenvoudig en groot, vol ruimte van vochtigparelig licht.

Uit enkele bladen van het Turijns Getijdenboek, die meer ‘getekend’ zijn, en die men wellicht aan Jan van Eyck zou mogen toeschrijven, blijkt nog dat naast de constructie van de ruimte ook die andere onontbeerlijke kennis meer en meer bemachtigd werd: de constructie van het menselijk lichaam.

Waarschijnlijk vallen in deze periode reeds de vroegste werken van den zogenaamden Meester van Flémalle, doch het lijkt me geraden, die in het verband van het volgende hoofdstuk te behandelen.

De zuiver picturale veroveringen van het Turijns Getijdenboek hebben geen onmiddellijke gevolgen gehad. Maar het mag gezegd worden, dat de ontwikkeling thans aan de voortdurend vrijer en persoonlijker wordende schilderkunst de middelen had verschaft, die zij tot het vertolken van de werkelijke wereld behoefde, en haar tevens gebracht tot bewustheid van wat haar eigen wezen was en haar eigen gebied. De voornaamste aanwinst voor het schilderij als geheel, is dat de vlakke-figuren-stijl nu beslist overwonnen is door wat ik den ruimte-stijl zou noemen, het aanschouwingsbeeld op het begrip van de eenheid der ruimte berustend.

prepostterug  begin  verder