terug  begin  verderprepost
[p. 356]

XII. De hoogste bloei

1. Inleiding.

In haar geheel genomen is de eerste helft van de XVe eeuw een voortdurende stijging naar wat beschouwd mag worden als het ‘klassieke’ tijdperk van de vroege renaissance. ‘Klassiek’ noem ik hier dat tijdperk, waarin de bijzondere wil van een stijl - in dit geval: meesterschap over de natuurvormen, - geheel verwezenlijkt is, de eigen karaktertrekken van dien stijl tot volle ontplooiing zijn gekomen, de daartoe geëiste uitdrukkingsmiddelen door de kunst beheerst worden, doch vóór dat virtuositeit het mooie evenwicht tussen inhoud en vorm stoort. Het gevolg is dan, dat de spanning van het streven zich in rustiger harmonie kan oplossen.

Die periode is voor de plastiek vroeger ingetreden dan voor de schilderkunst; de plastiek was toch eerder de wegen van de renaissance opgegaan, en haar reinste glorie kan, in ronde cijfers, tussen 1440 en 1460 gesteld worden. In de schilderkunst wordt na het midden der eeuw de eindelijke vervulling aangekondigd door het late werk van Rogier van der Weyden, Domenico Veneziano, Petrus Christus, Dirk Bouts; zij triomfeert dan met de fresco's van Piero della Francesca te Arezzo (± 1465), die van Mantegna te Mantua (1474), de Aanbidding

[p. 357]

der Herders van Huighe van der Goes te Florence (± 1476), verlengt zich in werken, die tot beter overzicht van de persoonlijkheden, in een volgend hoofdstuk hun plaats moeten vinden, als de eerste Aanbidding der Wijzen van Botticelli (± 1478) of b.v. wat Melozzo da Forlì tussen 1470 en 1480 heeft voortgebracht; en gaat dan, door den laat-XVe-eeuwsen ‘barok’ heen, uitmonden in een nieuwen groten stijl, die aan wezenlijk andere doeleinden gehoorzaamt: die van de ‘hoge renaissance’, de ‘klassieke’ bij uitnemendheid, in het begin der XVIe eeuw.

prepostterug  begin  verder