terug  begin  verderprepost

3. Tijdgenoten van Donatello.

Onder de jongere tijdgenoten van Donatello noem ik Luca della Robbia (1400-1482), een marmer-bewerker, van wiens zangerstribune reeds werd gewaagd. Daar wedijvert hij met Donatello, blijkt weker dan deze, vrouwelijker, gevoelig en zacht ernstig, met dien adel en dien trek van grootheid toch, die in geen Florentijns werk uit dien tijd ontbreekt. In het begin van de jaren 1440 gaat hij vlakverheven werk in geglazuurde gebakken aarde vervaardigen, eerst beschilderd, dan wit op hemelblauw veld (afb. 208). Die techniek stemde overeen met zijnen aard, die niet van het scherpkantige hield, en om haar prachtige decoratieve uitwerking - dat reine kleurakkoord, meelevend met het licht van den dag, brengt ineens vreugde

[p. 371]

in de grauwe straat, - genoot zij dan ook veel bijval, al werd zij later, buiten de school van Luca della Robbia, nooit volkomen teruggevonden. De liefelijkheid, het tedere gemoed, de goddelijke vrede van zijn madonna's, die ons met meer natuurlijke moederlijkheid toelachen dan die van Donatello, heeft meer tot navolging uitgenodigd dan dezes macht van onmiddellijke waarheid. De marmerhouwers, die voor de binnenversiering van de kerken zorgden, en het reliëf boven het vrijstaande beeld verkozen, waren al meer dan de bronsgieters geneigd aan bloot-decoratieve oppervlakkigheid toe te geven; maar het gemakkelijke bewerken van de malse aarde en het succes van de ‘terra cotta’ leidden nu wel tot vluchtiger uitvoering, veelmeer dan tot nauwlettende studie van de werkelijkheid, terwijl de kleur ook niet de zuivere modelering ten goede kon komen. Zo mag de invloed van Luca della Robbia wellicht ten slotte belemmerend genoemd worden voor de ontwikkeling van het plastisch vormgevoel.

De gelukkigste vereniging en onderlinge aanpassing van marmer-sculptuur en bouwkunde vinden we bij Bernardo Rossellino (1409-1464), die vooral architect was, leerling van Brunellesco: zijn wandgraf van den humanist Leonardo Bruni (± 1444) in S. Croce te Florence is het mooiste uit de Italiaanse XVe eeuw (afb. 209).

De liefelijkste echter van al die beeldhouwers in marmer blijft de jonggestorven Desiderio da Settignano (1428-1464), een discipel van Donatello. Zijn behandeling van het materiaal is uiterst kies, het licht glijdt op zeer vlakke reliëfs met subtiele schakeringen in bijna

[p. 372]

onvatbare overgangen. Al wat uit zijn handen kwam heeft een innemende frisheid, een delicate bevalligheid, figuren en bloemige versiering. Tot op een grafmonument lachen ons bij hem de kinderen van Donatello weer aan, met een onbevangen vreugd, een overmoedigen kijk naar het leven. En naast Donatello geeft hij ons in zijn madonna-reliëfs en zijn borstbeelden - het bekoorlijkste wat de XVe-eeuwse plastiek heeft voortgebracht, - datgene wat niet zozeer in Donatello's aard lag: de gratie van de jonge vrouw. Die borstbeelden, b.v. de zogenaamde Marietta Strozzi te Berlijn (afb. 210), zijn sprekende getuigenissen van de teder-sterke schoonheid die de Florentijnse renaissance-wereld eigen was, en, in louter kunstopzicht, van het Florentijnse gevoel voor de mooie lijn: slanke en veerkrachtig-gezonde meisjes, met fijnen mond en verstandigen blik, zo natuurlijk en toch door lange cultuur veredeld, en met de zachte atmosfeer van een dichterlijke jonge ziel als met een geheimen levensadem omgeven.

Toen de humanist Carlo Marsuppini overleed, de opvolger van Leonardo Bruni in het ambt van schrijver der republiek Florence, werd hem, hoewel hij ten aanschijn van den dood een verstokte heiden was gebleven, in dezelfde kerk S. Croce, tegenover Leonardo Bruni, een heerlijk wandgraf opgericht (± 1455), werk van Desiderio da Settignano (afb. 211). Deze koos zich daarbij Bernardo Rossellino als voorbeeld. Vergelijken wij nu de twee tomben, dan worden wij het verschil tussen twee tijdvakken gewaar: de ene is nog streng in haar sierlijkheid, de andere gaat al meer tot weelderige bevalligheid over.

prepostterug  begin  verder