Op de hoogvlakte van de realistische renaissance, en naast al het grote dat daar volbracht werd, doen zich, vooral na 1460, de tekenen van een nieuwe geestesgesteldheid voor: men begint minder van het steil-ernstige of het heldhaftige te houden dan van het aangenaam-fraaie. De strenge stijl wordt getemperd door sierlijke bevalligheid. De hooggestemde opvatting van vroeger gaat door den band afnemen: de kunst komt het gewone leven nader, de uitdrukking wordt mededeelzamer, gemoedelijker. Naast Donatello: Desiderio da Settignano; naast Van der Goes: Memlinc; naast Piero della Francesca of Mantegna: Benozzo Gozzoli.
Wanneer omstreeks 1475 die strekking zich uitbreidt, treedt de XVe-eeuwse renaissance in haar laatste phase. De vaardigheid heeft nog toegenomen, maar de bezielende geest verliest aan kracht. Of liever: zoals in het leven van elken stijl biedt die laatste phase een zeer samengesteld aanschijn: het oud-gewordene en het nieuwe in wording lopen door elkaar, de ebbe vermengt haar wateren met die van een wassend getij. Of om het anders te zeggen: midden in de ver-wording schieten kiemen van her-wording op, die het rijzen van een nieuwen
Europesen stijl aankondigen. En tussen dat alles in, tussen verzwakking en wedergeboorte, zijn er nog genoeg kunstenaars die, zonder den bodem van de realistische renaissance te verlaten, het gezonde evenwicht van hun grote voorgangers gestand doen: ik hoef er geen nadruk op te leggen, dat een karakteristiek zoals ik hier van het tijdvak poog te geven, in zeer globalen zin moet opgevat worden.
De tekenen, waaraan wij erkennen dat de XVe-eeuwse stijl op het neerhellend vlak geraakt is, hebben zelf meer dan één uitzicht. Vooreerst, enige vermoeienis, het teren op het verworvene, het verzaken van de eerlijke naturalistische waarneming voor een gemakkelijker en wel eens slapper vormgeving, - gedeeltelijk gevolg van den vooruitgang zelf: men krijgt de technische vraagstukken nu geheel onder de knie en dat moedigt de virtuositeit aan. Doch daarnaast ontwaren wij de meer positieve kenmerken van dien bijzonderen smaak, die het verloop van elke kunst-ontwikkeling afsluit: in dit geval, het overdrijven van al wat de XVe eeuw haar stijl-karakter gaf, - hyper-ontleding, die de kalme compositie breekt, losser maakt of overlaadt, met een voorkeur voor verdeelden, puntigen, gekartelden vorm, tengere geledingen, spitse gebaren, - ‘vlammen-stijl’ die zich in kronkelende lijnen vermeit, - ‘maniërisme’ dat daarin het decoratieve zoekt, - ‘barok-kunst’ die alle bedoelingen onderstreept, tot het te verfijnde of het te zware, en waar zij niet in week sentiment verflauwt, de beweging opzweept tot ongebreidelden hartstocht.
Doch daartegenover, midden in die onrust van uiteengewerkte delen, zien wij tevens, hier en daar, het
andere groeien: een trachten naar meer gesloten samenstelling, naar stillere massa's, naar verbinding der rythmen tot een organische eenheid, naar de waardigheid van rijken eenvoud, kortom naar een kunst, die alle instincten onder de wet en den geest ordenen wil. Dat zal, omstreeks 1500, de ‘hoge-renaissance’ worden, de ‘klassieke’ bij uitnemendheid. Wat ik in de kunst van ± 1450-1480 klassiek noemde, was het volmaakte binnen de perken en naar het wezen van de realistische renaissance; wat ik in de kunst van ± 1480-1500 klassiek noem, is principieel van anderen aard, behoort al tot het wezen van den nieuwen, XVIe-eeuwsen stijl, die niet meer aan de verbijzonderde werkelijkheid blijft hangen, maar uit die werkelijkheid de norm te voorschijn wil halen.
Tegelijkertijd wordt op het eind van de XVe eeuw ook nog in anderen zin de kunst van de XVIe voorbereid: het colorisme, het samenstellen door middel van de toonwaarden der kleur, schept te Venetië de mogelijkheid van een zuiver ‘picturale’ schilderkunst.