terug  begin  verderprepost

2. De oude Donatello.

Nog is Donatello's loopbaan niet ten einde. Hij overleed eerst in 1466. De daden die hij tussen zijn zeventigste en zijn tachtigste jaar volbracht getuigen van zijn onverzwakten drang, van de frisheid zijner waarneming, van de innerlijke noodwendigheid die hem altijd naar nieuwe veroveringen jaagt, belettend dat hij in herhaling of verstrakking zou vervallen. Dat werk uit zijn laatste levensdagen heeft weer, bij denzelfden grondtoon, een ander uitzicht, vertolkt een andere stemming.

[p. 396]

De rustige harmonie is opnieuw verbroken. Hartstochtelijker stemmen klinken er uit op, woeste dissonanten soms. Hier beseffen wij, hoezeer de antieken slechts één motief in zijn werk zijn geweest: dat verdwijnt nu wel niet, maar blijft beperkt tot versiering. De geest van de oudheid wordt overwonnen door den christelijken, - de schoonheid van de vormen moet weer wijken voor de volstrekte uitdrukking van het gemoedsdrama.

Voor de Doopkerk te Siena maakt hij een bronzen Johannes den Dooper (thans in den dom), wreed in de woestijn verwilderden asceet met geraamte-handen, verschrikkelijk onder zijn ruige dierenvacht, - voor de kathedraal te Florence (thans in de Doopkerk) een houten S. Magdalena (afb. 232), die als de nog verschrikkelijker zuster van dien Johannes verschijnt: nooit, zelfs niet in zijn hevigsten naturalistischen tijd, was Donatello zo ver gegaan in de roekeloze weergave van het leed, de ellende, de lelijkheid. In dat uitgemergelde lichaam, in dat masker zonder tanden, dat onder zijn vuile haarklessen als uitgeteerd door tranen, reeds uitgevreten is door den dood, leeft alleen nog de vlam van de pijnlijkste, traanloze smart, met de oude biddende handen het laatst menselijke in dat rauwe beeld dat de stof en alle aardse vreugd verloochent.

Doch toen Donatello zijn tragische Judith-groep, de Onthoofding van Holophernes voor den binnenhof van Cosimo's paleis goot (thans in de Loggia dei Lanzi), - een zonderlinge, eigenlijk niet geslaagde samenstelling, die niet alleen van alle zijden kan bezien worden, maar eerst begrepen wordt als men ze van alle zijden beziet, - toen liet hij op het driekantig voetstuk de meest uitgelaten

[p. 397]

bacchanale razen, het schrilste contrast zoekend met het bloedig bedrijf van de moordenares. Hij schijnt zich nu in dergelijke tegenstrijdigheden te vermeien, terwijl hij zijn eigenaardige uitdrukkingsmacht met zijn overmoedigen durf tot het uiterste drijft.

Ik laat hem hier naar een van zijn allerlaatste werken beoordelen. Voor de kerk van Cosimo de' Medici, S. Lorenzo, ontwierp hij de twee rechthoekige, met bronzen reliëfs gesierde kansels. Leerlingen hebben er zeker een hand in gehad, en sommige stukken werden eerst een eeuw later uitgevoerd. Maar iets als de Afneming van het Kruis (afb. 233) draagt in hoofdzaak het kenmerk van Donatello. De in zich afgesloten compositie heeft plaats gemaakt voor een onbegrensd spel van krachten dat buiten de lijst heengolft. De overwonnen strijder ligt uitgestrekt op den schoot van de Moeder, die als versteend hem met haar bevende handen nog vasthoudt, hem star beschouwt, in haar onuitsprekelijke droefheid verzonken, terwijl rondom krankzinnig huilende vrouwen, jongeren, Romeinse krijgers, allerlei gedaanten dooreenwarrend roeren, in verbijsterde drift, als in den scherpen droom van een visionnair. En boven het christelijk treurspel, symfonie van ongetoomd of door gebed veredeld leed, loopt een heidense fantasie van centauren, stoeiende amoretti, leven dat naast de wanhoop en den dood weer fris opschiet. Dat alles trilt en beweegt en schreit en lacht onder de zenuwachtige hand van een die zich spoedt, omdat hij de onontkoombare verlamming nabij weet. Niemand had ooit zo vrij zijn eigenmachtigen scheppingslust uitgevierd. Het antieke evenwicht, de heldere kalmte, het streven naar af-

[p. 398]

gewogen schoonheid is lang vergeten, hier woelt een geest die alleen nog zichzelf uitspreken wil met het vurige woord van het gevoel dat in hem brandt.

In 1466 werd Donatello begraven in S. Lorenzo, dicht bij de plaats waar Cosimo de' Medici rustte.

Hij is de machtigste leven-bedwinger geweest uit dien leven-bedwingenden tijd, de XVe-eeuwse renaissance; de veroveraar van de plastische wereld; de veelzijdigste beeldhouwer wellicht die ooit de stof bezielde: hij heeft de plastiek met zulk een menigvuldigheid van uitdrukkingsmiddelen, nieuwe vormen en rythmen en samenstellingen verrijkt, dat met hem eigenlijk haar moderne grootheid begint. Zijn invloed werd nog versterkt door het geluk dat hem, die aan zoveel verschillend materiaal een zo indrukwekkende taal gaf, een tachtig jaar lang en tot het einde toe scheppenslustig leven beschoor. Hij had die zelfstandigheid, die diepte van persoonlijkheid, die aan alles de geheime kracht van het zelf-ervarene meedeelt, maar daarbij den stelligen, klaren blik, die de dingen ziende ze tevens kent. Er was in hem die gezonde eenheid in wisselwerking van ziel en wereld. Daardoor komt het, dat hij steeds dezelfde is en zichzelf nooit herhaalt. En daarop steunt ook zijn eenvoud. Man uit het volk, heeft hij altijd iets van den goeden werkman behouden, wars van het kunstmatige, het theoretische, het gevoelige; maar een genialen werkman, die, niets anders erkennend dan zijn gemoed en de natuur, met verheven ernst en energie het wezenlijke in de meest uiteenlopende verschijningen heeft willen vasthouden: de frisheid van het jonge vlees, het slappe of verdroogde vel van den ouderdom, de instinctieve kindervreugd, den

[p. 399]

heldhaftigen drang en de wrange ellende van het menselijk bestaan, het treurspel dat aan woesten waanzin grenst en de kalmste helderheid, het schone en het lelijke, het heidendom en het christendom... Alles altijd vol merg, zelfs de gratie. Alleen voor de bijzondere lieftalligheid van de jonge vrouw schijnt Donatello minder oog te hebben gehad dan zijn meeste tijdgenoten; hij verkiest het kinderlijke van het heel jonge meisje, of de vrouw met het grote, sterke hart, dat al weet wat het leed is en de daad.

Zulk een kunstenaar werkt als de natuur zelve, steeds en tegelijkertijd ontledend en samenvattend. Maar het behoort ook tot de natuurlijke geschiedenis van den geest, dat hij in zijn krachtigste groei-periode meer geneigd is tot de zoekende, uiteennemende studie, en dat later het synthetische vermogen overweegt. Eigenlijk merken wij in de ontwikkeling van Donatello hetzelfde verloop als ons herhaaldelijk in de algemene ontwikkeling van de stijlen treft. Eerst werkt hij zich op aan het voorbeeld van wat anderen vóór hem hebben voortgebracht; maar weldra bezit hij de vereiste vaardigheid en luistert alleen naar de grote leermeesteres, natuur; wil het karakter van ieder ding begrijpen, alle levensvormen bemachtigen. Doch haar veelzijdigheid dwingt hem weer naar het verband te vorsen, naar de wet der verschijnselen, terwijl in zijn eigen gemoed dezelfde ‘afklaring’ plaats heeft: dat is de klassieke tijd van vereenvoudiging, evenwicht en harmonie. Daar kan hij bevroeden wat een kunst die den ordenenden geest gehoorzaamt, aan de oudheid hebben zal. Maar het leven staat niet stil, en op dat klassieke volgt dan de barok; hij schiep meer van uit de samen-

[p. 400]

bouwende verbeelding, nu wordt de ziel een zelfheerlijke macht, die alle regels en normen versmaadt voor hare innerlijke waarheid alleen, de vaste, geslotene lijn weer breekt voor den oneindigen droom.

prepostterug  begin  verder