terug  begin  verderprepost

7. De schilderkunst in Frankrijk en Spanje.

In de laatste vijftien of twintig jaren van de XVe eeuw zet de zogenaamde Meester van Moulins, waarschijnlijk Jean Perréal, in Bourbonnais de overlevering van Berry en Touraine voort, maar heeft wel het meest van Van der Goes geleerd. Zijn rijpste werk, in de kathedraal te Moulins, moet van omstreeks 1498 dagtekenen (afb. 274). Zijn tinten zijn fris en hel, maar zonder rijken klank; zijn omtrekken melodisch, maar niet vrij van dorheid. Hij lijkt al meer onder Italiaanse invloeden geraakt, treft overigens niet door pakkende oorspronkelijkheid; wel door fraaie elegantie. Met zijn tederheid en zijn algemener vorm verschijnt hij wel eens als halfweg tussen Gerard David en Giovanni Bellini: zijn harmonische vrouwefiguren, met dien ronden hals en boezem en die strelende handen, hebben, hoe zedig ingetogen ook, iets van zachte

[p. 448]

zinnelijkheid aan zich, waardoor zij tot een vrijer, natuurlijker menselijkheid dan die van den Brugsen meester behoren, terwijl zij toch de grootheid en dichterlijke betoveringsmacht van den Venetiaan moeten ontberen.

Jean Bourdichon, die reeds in 1479 te Tours voor Lodewijk XI werkte, dan schilder was van Karel VIII, Lodewijk XII en Frans I, en kort voor 1521 stierf, is vooral bekend door zijn miniaturen in het Getijdenboek van koningin Anna van Bretanje (voltooid in 1508, Bibliothèque Nationale te Parijs). In zijn kunst, die naast menig flandricisme de Italiaanse wendingen ruimen toegang verleent, glijdt de bekoorlijke Franse sierlijkheid al naar een accentloze vervlakking.

In de Provençaalse ‘school’ kan ik moeilijk een eenheid ontdekken; zoals alle provinciale kunst - de Beierse b.v., - slaat ze gemakkelijk tot overdrijving over. Als haar meesterwerk geldt het Brandende Braambos, met de portretten van koning René en zijn vrouw Jeanne de Laval, door Nicolas Froment uit Uzèes (in de kathedraal Saint-Sauveur te Aix, ± 1475) (afb. 275). Zeker een imponerend stuk, waarvan het algemeen verband met de Vlaamse school niet geloochend kan worden, maar in zijn realisme toch de liefde mist, die de structuur, het leven in alle oprechtheid begrijpen wil, - die zuiverheid van uitvoering die aan Vlaams werk rijke bezonkenheid geeft, maar ook dat innig gevoel dat ons over het minder volmaakte van Duits werk licht doet heenzien. Er valt daar zeker veel interessants en moois te bekijken, en toch zit er weinig ziel in. Vóór het Brandende Braambos kan ik den indruk niet weren, dat trots de schitterende kleur, het vasthouden van veel nuchter-duidelijke

[p. 449]

werkelijkheid in de gestalten, de dieren en het landschap, trots de distinctie van de schikking en de vormen, die zoals in Italië naar schoonheid trachten, wij hier in den grond te doen hebben met kunst uit de tweede hand, die op effect uit is en het effect graag onderstreept, gemakkelijk in het ‘te veel’ vervalt.

En dan keer ik mij tot die onverwachte Pietà die uit het godshuis te Villeneuve bij Avignon in het Louvre gekomen is (afb. 276): een der meest aangrijpende schilderijen uit de XVe eeuw. Op een gouden grond, waartegen, aan een kant, alleen de torens en tinnen van Jeruzalem als in zonsondergang donkeren, staat de geweldige groep, de strenge silhouet der Moeder het gehele bovenlijf uitstekend boven den horizon, op haren schoot het stijve, mager-zenuwige, uitgerekte lichaam van den Gekruisigde; aan weerszijden, beelden van leed over hem gebogen, Johannes en Magdalena. Waarom is het dode hoofd, dat nog gloort van avondlicht, bij dien mens, die niets dan mens is, zo goddelijk? - Geen bijkomstigheden, slechts enkele accenten; slechts de naakte droefheid, die binnenin schreit, met een woesten hartstocht, te diep om ze uit te schreeuwen. Links knielt de begiftiger, beenderige boeren-pastoor met steenrood gelaat. De gestalten, de smartelijke gezichten, de sprekende handen, zijn als uit hout gehakt voor een volks-calvarieberg, en de meester schuwt niet een vereenvoudiging van lijnen en vlakken waardoor zij als symbolische waarde verkrijgen. Wie zou dit aan onbehendigheid gaan toeschrijven, als hij maar torso, handen en voeten van Christus gaslaat? In al zijn wilden drang behoudt het werk een edele voornaamheid. Tegenover het bezadigd nette van

[p. 450]

Froment, tegenover het vernuftig geestige van den illuminator Fouquet en de meesters uit de beminnelijke Touraine, ineens het roekeloos zekere, groots van doorwoeld gemoed. Deze gaat recht op den man af, zegt alleen het wezenlijke, maar met zulk een bijtende kracht, dat ge 't nooit meer vergeet. Men zie maar hoe de kop van den priester gebouwd is, hoe het modelé er met stoute, harde vegen in vastgelegd is, met dat karige haar dat uit den schedel wast en er in schamele klesjes op ligt; of de manier waarop het priesterkleed als een groot geheel is gehouden, hoe levendig van kleur in zijn ongebroken witheid. Wie schilderde aldus in dien tijd? Wie had er zulk lenig-vrijen, breden penseeltoets, onstuimig en onfeilbaar? Wie heeft er zulk een ontzaglijken ernst van ziel in de schilderwijze zelf doen overgaan? Want hier is niets van lege kunstvaardigheid, maar overal het onvervalst instinct van het genie. Dit is niet Vlaams, niet Italiaans, niet Frans; al staat het veel hoger dan al wat ons uit het toenmalige Spanje bekend is, gaat men om de sombere energie van het godsgevoel aan het land denken, dat eens Zurbaran zou voortbrengen. Men mag dit werk wellicht in de buurt stellen van Bartolomeo Bermejo, waar ik straks van gewagen zal. Wij weten alleen, dat koning René, wiens zoon de kroon van Aragonië had aangenomen en in 1471 te Barcelona stierf, in het herenhuis dat hij te Avignon bezat omstreeks 1476 Spaanse schilders gebruikte.

In Spanje wint de Vlaamse kunst nog aanzienlijk veld. Een hele school, waarvan het centrum Salamanca was, mogen we Spaans-Vlaams noemen. Het Vlaamse krijgt er nu en dan een scherper, wilder karakter,

[p. 451]

bloedige tonelen zijn niet zeldzaam; we zullen dat wel aan het Spaanse temperament mogen toeschrijven. - Te Valencia zien we dan tegen het eind der eeuw verse invloeden uit Italië zich uitbreiden.

De Vlaamse schilders bleven nog zeer gewild onder Isabella de Katholieke, die er verscheidene in haren dienst nam; in het laatste vierdedeel der eeuw reikte hun invloed tot Cordoba en Sevilla. En uit Cordoba kwam dan een van de belangrijkste Spaanse meesters, Bartolomeo Bermejo, die in het koninkrijk Valencia en te Barcelona ging werken, waar hij ook wel enige italianismen moet geborgd hebben. Er is van hem, in het museum te Vich, een Heilig Gelaat van Christus, met doornen bekroond, bezweet en bebloed: dweepziek lijder, verschrikkelijk in zijn woestheid, - het meest kenmerkende beeld van het Spaans geloof onder de ‘Katholieke Koningen’ Ferdinand en Isabella. Als gevoel lijkt het me wel enigszins verwant met de Pietà te Villeneuve.

prepostterug  begin  verder