terug  begin  verderprepost
[p. 495]

11. De jonge Leonardo da Vinci.

Leonardo da Vinci is de bekroning van al het streven der XVe eeuw. Geen heeft in dezelfde mate de klassieke renaissance voorbereid en ingeluid.

Het mag zelfs gezegd worden, dat hij met het H. Avondmaal, ± 1498 voltooid, reeds tot de XVIe-eeuwse kunst behoort. Ik wens dan ook dat werk eerst in het volgende boek te behandelen, mede met Leonardo's persoonlijkheid, en me thans te bepalen tot enkele mijlpalen op den weg die naar de hoogvlakte leidt.

Geboren te Vinci bij Empoli in 1452, als natuurlijke zoon van een notaris der Florentijnse Signoria en een boerenvrouw, had hij een voortreffelijke opvoeding ontvangen. Leerling van Verrocchio, in wiens atelier hij o.m. Botticelli en Perugino ontmoette. Reeds bij het begin van zijn loopbaan beseft men de betekenis van het nieuwe dat hij bracht: in Verrocchio's Doop van Christus (± 1472, Uffizi) (afb. 318), zijn enkele brokken van zijne hand en tussen het aandeel van den meester en dat van den leerling gaapt een essentieel verschil. Kenschetsend voor Verrocchio en den stijl van den tijd zijn b.v. de droog-scherpe omtrekken van de rotsen, de zinken palm, de bijna dansende houding van Christus, de ver-gedreven ontleding van de spieren bij den woestijnbewoner; de linkerhand lijkt bijna een anatomisch praeparaat. Leonardo erkent men aan het wazige van de verte, - maar het leerrijkst is de vergelijking tussen de twee engelen.

Beschouwen wij den engel van Leonardo, links (afb. 319), dan weten wij ineens wat er aan de kunst van de wetenschappelijke problemen-liefhebbers ontbrak. Hoe

[p. 496]

zullen wij het noemen? Het is het onbepaalbare, de geheimenis die het wezenlijkste van de kunst uitmaakt, de geest van de schoonheid, in opperste gratie. Al wat andere Florentijnen uit dien tijd voortbrachten wordt zo nuchter, naast dit ene dat den zegen der genade heeft ontvangen, de lichtheid die het opheft uit den ban van de aardse klei.

Wanneer Pollaiuolo de beweging schilderde, suggereerde hij reeds wat buiten het vluchtigste ogenblik eigenlijk niet bestaat, wat het naturalisme alleen niet bereiken kan, wat ten slotte door de verbeelding wordt gevormd; iets van de innerlijke eenheid, van het leven der stoffelijkheid. Maar in dat leven laat Leonardo de lichtende sprank van den geest vallen, en de eenheid van zijn engel-gedaante komt geheel uit de geestelijke verbeelding, zij is binnen-in-hem aanschouwde werkelijkheid. Daar begint een kunst, die tegenover de broksgewijze samenstellende, realistische van de XVe eeuw, klassiek mag heten.

Die engel is daar als een vogel, die zich even heeft neergezet. Wij voelen den vorm dadelijk als rythmus. Men proeve dat muzikaal-synthetische b.v. in het fijn en teder gezicht. Het brave kinderkoppeken van Verrocchio blijft er proza naast: met de nauwgezetheid van een goed ambachtsman getekend, ieder onderdeel duidelijk droogjes afgelijnd, aan ieder onderdeel zijn vaste schaduw gebonden. Bij Leonardo, het vloeiende, de subtiele overgangen, het heimelijke spel van het licht als een bovennatuurlijke zachtheid glijdend en stil dansend om de ogen en het zijige haar, in het ontluiken van den blik en den glimlach, - overal de gedempte be-

[p. 497]

geleiding die fluistert tot de ziel wat woorden niet zeggen kunnen, ik weet niet welk hemels voorgevoel. De eenheid der voorstelling is hier de algehele doorgeestiging van den vorm.

Maar dit mag vroegrijpheid heten van een genie, dat in zijn wezen zelf muziek was, harmonie, en in dien tijd nog alleen stond.

Wat hij in den Doop van Christus voor één figuur gedaan had, dat welluidende en samenluidende van alle rythmen, wij vinden het, ongeveer tien jaren later, toegepast op een grote compositie: de onvoltooid gebleven Aanbidding der Wijzen, in 1481 besteld (Uffizi) (afb. 320). De energie der beweging, die had hij van Pollaiuolo geleerd (de dravende en steigerende paarden op den achtergrond komen uit diens S. Sebastiaan, afb. 282), maar zonder iets van haar kracht te verliezen heeft ze aan lenigheid gewonnen. En het nieuwe is nu, dat bij een karakteristiek vol verscheidenheid, de sterke accenten altijd opgenomen zijn in de samenstemming van een wel-gebonden groepering, de delen schijnen uit het geheel geboren te worden. De compositie strekt zich niet uit naar links en rechts, in het vlak van het schilderij, zij is naar de diepte toe boogvormig rond een middelpunt geordend. Zoals in Pollaiuolo's Sebastiaan, zal men zeggen: maar hoe kinderachtig, droog symmetrisch was zij daar, en toch hoe los en ijl; - hier draait een symfonie van rythmische massa's rond de gratie der jonge vrouw, de schoonheid die ze bestraalt. Leonardo bracht de geheimenis van den Geest.

Het blijkt nu, dat men dien Geest nog niet ten volle begrijpen kon. Nadat Leonardo in 1482 naar Milaan ver-

[p. 498]

trokken was en geen nieuwe daden van hem op Florence meer inwerkten, werd de beweging en de samenstelling van zijn schets der Aanbidding wel nagevolgd, maar zonder dat wonder van rijk leven in evenwicht dat er de ziel van uitmaakte. De tijden waren niet rijp.

Te Milaan stelde hij zijn veelvuldige talenten ter beschikking van Lodovico Sforza, en bleef er tot in 1499, toen Sforza vóór de troepen van Lodewijk XII de wijk nemen moest. Leonardo stond te Milaan, niet het minst als krijgsingenieur, haast uitsluitend in den dienst van den tyran. Hij werkte er jaren lang aan het ruiterstandbeeld van den vroegeren hertog Francesco, dat nooit uitgevoerd werd. Van den beeldhouwer is niets tot ons gekomen: wij moeten ons hier bij zijn schilderwerk bepalen.

Welke schilderschool vond Leonardo te Milaan? De Umbriër Bramante, die later de beroemde bouwmeester zou worden, had er sedert 1474 iets van de visie van Melozzo da Forlì gebracht. Vincenzo Foppa (± 1427-± 1515) (12) neigde reeds naar wat chiaroscuro in zijn fijn grijs koloriet (zie zijn Madonna met engelen en heiligen, van 1475, in de Brera te Milaan). Zo werd Leonardo te Milaan enigszins voorbereid. Maar of hij van een Foppa nog wel iets te leren had?

De Madonna in de Grot (Louvre) (afb. 321), is wellicht het beste voorbeeld van hetgeen hij omstreeks 1490 wilde en vermocht. In den stijl laat zich nog menige trek uit het Quattrocento aanwijzen: de talrijke, zorgvuldig uitgevoerde bijzonderheden, de grillig hoekige lijn van de rotsen, de scherpe plooien van de gewaden. Maar de eigen schoonheid van Leonardo en van den aankomenden

[p. 499]

tijd is hier bijna volgroeid, in de samenstelling, waarvan het beredeneerde schema tot gevoelig zachten rythmus wordt, - in het stil getover van het chiaroscuro, het teder ineenvloeiend hel en donker, dat de vormen omwasemt en modeleert, gezweef van klaarte en schaduw die elkaar zoeken, muzikale begeleiding die de eenheid van de compositie steunt en milder maakt, er harmonie uit den geest aan geeft, want de weifelende schemering is er eenzelfde droom als de gratie der gebaren en die glimlach die even geboren wordt en waar men een ziele-dageraad in vermoedt. De rol van het chiaroscuro is hier al een geheel andere dan bij Van der Goes.

Daarna ontwierp Leonardo het werk, dat zijn triomf en meteen de eerste grote affirmatie van de klassieke renaissance zijn zou: het Avondmaal in S. Maria delle Grazie te Milaan.

Hij sloot daarmee de kunst van de XVIe eeuw open. De ganse eeuw, met haar veelvuldige pogingen in verschillende richting, had bouwstoffen aangebracht; vóór zij ten einde was gaf hij de synthese, de vervulling van alle beloften, - buiten het zuiver picturale, de kleur, wat het aandeel van Venetië was. Nu mocht het glorievolle rijk van de klassieke kunst beginnen, met te Venetië den jongen Giorgione naast den bejaarden Bellini, te Florence en Rome, Michelangelo en Rafaël.

prepostterug  begin  verder