Reclame op de vroegste Nederlandstalige titelpagina'sYves G. Vermeulen *Vijfhonderd jaar geleden werd voor het eerst een titelpagina gebruikt om een Nederlandstalig boek te presenteren. De titelpagina werd noodzakelijk doordat de hoeveelheid boeken snel toenam. Er was een middel nodig om boeken te herkennen en een anonieme massa consumenenten te overreden een bepaald werk te kopen. De drukkers gingen de eerste pagina van het boek daarvoor gebruiken. Door de systematische hantering van bepaalde termen en door middel van illustraties werd het mogelijk in één oogopslag een indruk te krijgen van wat men voor zich had. Kennis van ‘de taal van de titelpagina’ geeft ons nu een idee hoe de diverse tekstsoorten in die tijd bedoeld waren om gelezen te worden. |
* Yves G. Vermeulen (1957) is als onderzoeksmedewerker verbonden aan de afdeling Middelnederlandse letterkunde van het Instituut voor Neerlandistiek te Amsterdam. Hij werkt aan een dissertatie over de presentatie van laatmiddeleeuwse boeken onder de titel ‘Motiveringen voor de productie van Nederlandstalig drukwerk 1477-1540’.
|
Opkomst van de titelpaginaNu ist alzo, dat op dezen tijd die schriften, mits den aard in ingenieus ende subtiele praktijke [van] den prenten, hem selven multipliceren, verbreden ende openbaren, bij manieren als dat veel schone zalige leringen ende exempelen, vanden welken luttel luiden die hoeken ende kennisse hadden, nu voort gezet zijn ende gegeven tot alzo kleine prijze. De boekdrukkunst (die ‘op dezen tijd’ ervoor zorgt dat de geschriften vermenigvuldigd worden, waardoor de mensen, die vroeger geen boeken konden kopen en daardoor een heleboel kennis niet hadden, nu in staat worden gesteld die boeken voor een klein bedrag te kopen) wordt op deze manier geprezen in 1510 in de prozaroman Olyvier van Castillen. Die boekdrukkunst, die na enkele schuchtere pogingen in de jaren zestig van de vijftiende eeuw in de jaren zeventig echt vaste voet krijgt in de Nederlanden, betekent inderdaad een revolutie in de verspreiding van teksten. Op 10 januari 1477 rolt het eerste (gedateerde) Nederlandstalige werk, de Biblen, van de Delftse persen van Jacob Jacobszoon van der Meer en Mauricius Yemantszoon van Middelburg, weldra gevolgd door andere drukken in de volkstaal van Geraart Leeu te Gouda. Niet langer is men aangewezen op het moeizaam kopiëren met de hand. De drukpers zorgt ervoor dat veel meer - en identieke - exemplaren van één tekst in een beduidend sneller tempo verspreid kunnen worden.
De kopiïst (beroepsafschrijver) maakte meestal maar één exemplaar van een tekst, hoewel er in de vijftiende eeuw ook wel schrijfateliers (scriptoria) waren, die op iets grotere schaal boeken afschreven. De kopiïst vervaardigde over het algemeen een tekst op bestelling en hij kende dus zijn publiek. De opdrachtgever wist wat voor soort tekst hij te verwachten had en ook besliste hij hoe het handschrift afgewerkt moest worden. De kopiïst liet
ruimte over voor initialen (grote beginletters) en miniaturen en het hing van de rijkdom van de opdrachtgever af hoe rijk het handschrift versierd zou worden. De afgeschreven tekst werd daarmee een uniek exemplaar en het was om die reden ook niet nodig dat de kopiïst, ter identificatie, uitvoerig de titel en de schrijver van het werk vermeldde. Hij volstond dan ook meestal met de mededeling ‘Hier begint...’ en die formulering (in het latijn: ‘Incipit...’) fungeerde dan als titel. Die incipit-titels zijn er de oorzaak van dat we bijvoorbeeld het verhaal van het leven en de lering van Jezus Christus uit het Nieuwe Testament Evangelie noemen. De Griekse aanhef luidde namelijk: ‘Archè tóe évangelion’ (= hier begint de goede tijding). Dat alles gaat veranderen met de komst van het gedrukte boek, hoewel de eerste drukkers zich aanvankelijk nog beijveren om in druk zoveel mogelijk de handschriften na te bootsen. Drukken wordt in het begin nog wel eens aangeduid als ‘schrijven met een gedrukte letter’. Men drukt op het grote folio-formaat, imiteert het lettertype van de handschriften, begint op de eerste pagina met een incipit, en alle gedrukte exemplaren worden ook nog ijverig met de hand gerubriceerd (het met rode verf aanstippen van hoofdletters, belangrijke passages etcetera). De drukkers merken echter al snel dat dit een tijdrovend en kostbaar werk is, en dat dit ook niet de manier is om een anoniem massa-publiek te bereiken. Immers, het boek is niet langer voor één opdrachtgever bestemd, maar voor een grotere groep, die voor het voltooide produkt geïnteresseerd moet worden. De mensen komen nu naar een boekhandel toe waar de boeken liggen, en ook worden ze door marskramers en venters wel benaderd. De aangeboden boeken zijn nog niet kant en klaar, ze bestaan slechts uit een stapeltje onopengesneden katernen. De klant kan daar wel even doorheen gluren, maar hij kan onmogelijk bij de eerste oogopslag zien, wat de titel van een werk is of wat voor soort werk het is. De aangewezen weg om dat te bereiken lijkt om de titel duidelijk op de buitenkant van het boek te zetten en het is ook niet verwonderlijk, dat in 1483 al de eerste Nederlandstalige titelpagina opduikt. De Haarlemse drukker Jacob Bellaart zet dan op de eerste bladzijde een korte titel (Dit is dat boec van arent Bosman) en een simpele illustratie. Het idee van de titelpagina slaat direct aan. In 1485 heeft de helft van de boeken er al een en in 1487 het overgrote deel. Daarbij gaan in korte tijd de drukkers zich ook de commerciële mogelijkheden van de titelpagina realiseren.De klant hoeft niet alleen de titel meegedeeld te worden, er kan ook geprobeerd worden hem tot kopen te verleiden via het weergeven van de hoogtepunten van de inhoud. Vooral bij verhalende teksten worden zo wat smaakmakende ingrediënten opgedist. Ook kunnen de tekst en de zorg, die besteed is om het werkje op de markt te brengen, aangeprezen worden.
Tevens gaan drukkers vanaf het begin van de zestiende eeuw hun naam en adres steeds vaker op de titelpagina vermelden. De reclamefunctie van het noemen van naam en adres is evident. De klant wordt naar de boekwinkel gelokt om daar wat te kopen, terwijl het voorkomen van de naam van een bepaalde drukker ook een waarborg kan zijn voor een bepaalde kwaliteit of een bepaald soort tekst. In de jaren twintig van de zestiende eeuw proberen de diverse overheden overigens om elke drukker te verplichten naam, adres en jaar van uitgave te vermelden, om zo de stroom van ketterse boeken
te lokaliseren en in te dammen. De drukkers omzeilen dit onder andere door het gebruik van fraaie pseudoniemen als Adam Anonymus, of minder opzichtige maar wel verzonnen namen als Peter Stesser, wat een pseudoniem is voor de ketterse Antwerpse drukker Niclaas van Oldenborch. Een andere manier om de aandacht van de koper te trekken is het in groot lettertype afdrukken van de titel of een deel ervan. Helemaal opvallend is het om de tekst - meestal de eerste regel - in houtgesneden vorm te presenteen, waarbij ook veel gebruik gemaakt wordt van vaste houtblokken. Dit zijn fraai en zwierig gesneden brokjes titel met een algemene inhoud (zoals ‘Die historie’, ‘Een seer’, ‘Een schoon’, ‘Die waarachtige’ enzovoorts). Ze worden boven de eigenlijke titel geplaatst en sluiten daar min of meer op aan. Zo'n blok kan vele malen gebruikt worden en is een echte blikvanger.
De belangrijkste illustratiemethode is toch echter de figuratieve houtsnede, het plaatje dus. Vooral op de titelpagina's van literaire werken, heiligenlevens en populaire religieuze instructiewerkjes is die erg veel te vinden. Vaak gebruikt men ook een vast type houtsnede bij een bepaald genre teksten, wat het signaal over de bedoelde tekstsoort moet versterken. Zo zien we prenten met een leraar en leerlingen bij schoolboeken, vele soorten religieuze houtsneden (vooral Jezus aan het kruis is populair) bij religieuze teksten, keizerlijke wapens bij rechtsverordeningen, en ridders, jonkvrouwen en belegeringen bij populaire geschiedeniswerken en prozaromans (verzonnen vertellingen in proza, veelal zich afspelend in de ridderwereld en vaak gebaseerd op oude ridderverhalen).
Niet iedereen is even gelukkig met die illustraties. Omdat vrij algemeen het gebruik van plaatjes geassocieerd wordt met ongeletterdheid (vergelijk het huidige dédain voor strips), willen met name de humanisten daar niets van weten. Deze geleerden, die zich inzetten voor een gebruik van zuiver Latijn en die zich beijveren de hele cultuur van de klassieke oudheid in ere te herstellen, willen hun werken niet geïllustreerd hebben. Hoogstens accepteren zij de decoratieve houtsnede-omlijstingen van Duitse artiesten als Albrecht Dürer, Lucas Cranach en Hans Holbein, die op veel Nederlandstalige titelpagina's te vinden zijn. Ook de boeken van reformatoren, die zich tegen de beeldenverering van de katholieken verzetten, worden zelden of nooit van illustraties voorzien. Aanprijzing van warenNet zoals de aard van de illustratie (of juist het niet voorkomen ervan) de koper een idee geeft van de tekst die hij in handen heeft, zo kunnen ook benamingen en aanprijzingen die signaalfunctie vervullen. Een aantal benamingen is overduidelijk. Zo wordt een bijbel aangeduid met ‘Bijbel’, ‘Testament’ of ‘Epistelen ende evangelien’, worden getijdenboeken (gebedenboeken voor leken, ingedeeld naar de officiële gebedsuren van de dag) ‘Ghetijden’ of ‘Ghetijdenboek’ genoemd, en leveren benamingen als ‘Ordonnantien’ (rechtsverordeningen), ‘Prognosticatie’ (boekje met jaarvoorspelling), ‘Dictionarius/Vocabulaar’ (woordenboek) en ‘Herbarius’ (kruidenboek) weinig interpretatieproblemen op. Maar ook algemene benamingen lijken in het gebruik een bepaalde interpretatiewaarde te hebben. ‘Traktaat’ bijvoorbeeld slaat bijna exclusief op religieus-moralistisch informatief proza en ook de zeer populaire termen ‘onderwijzinge’ en ‘lere’ stammen bijna geheel uit de religieus-moralistische hoek. Ook de aanprijzingen, waarmee men in het gebruik bepaald niet zuinig is, verraden vaak het karakter van een tekst. Religieuze werken worden vaak aangeprezen als ‘zalig’, ‘troostelijk’, ‘devoot’, ‘geestelijk’, ‘oorbaarlijk’, ‘tot leringe’, ‘zuiverlijk’, en ‘nuttelijk/profijtelijk’, hoewel het laatste duo ook bij andersoortige informatieve teksten te vinden is. Een ander opvallend adjectief is ‘nieuw’. Dat het echt een term is om kopers aan te trekken getuigt de Antwerpse drukker Jan van Doesborch in 1504: ‘Het is doch een gemeen zegge van ouden tijden, dat nieuwigheid des mensen zin verolaast’ [= de menselijke geest opbeurt, vermaakt]. Dat gezegde is inderdaad al heel oud, want de Griekse filosoof Aristoteles onderkende
de al de aangeboren nieuwsgierigheid van de mens. Drukkers gebruiken ‘nieuw’ dan ook vaak bij werkjes waarvan de actualiteit benadrukt moest worden, zoals de overheidspublikaties, met nieuwe verordeningen en de laatste wisselkoersen van het geld, en de nieuwstijdingen (korte tekstjes met nieuws over actuele onderwerpen zoals koninklijke feesten, ruzies, veldslagen en belegeringen; te beschouwen als de voorlopers van onze kranten).
Door het zo vet mogelijk zetten van het woord ‘nieuw’ in de titel begrijpt de klant dat hij moet hollen om dit laatste nieuws te pakken te krijgen. Voor de drukkers is het bittere noodzaak zoveel mogelijk klanten aan te trekken, omdat de concurrentie van collega-drukkers bij dit soort teksten moordend is. LiteratuurAls dan blijkt dat drukkers allerlei interpretatiesignalen op de titelpagina zetten, is het ook mogelijk om te kijken welke functie men de literatuur toedenkt. Nu is ‘literatuur’ een begrip dat, ook tegenwoordig, met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gehanteerd moet worden. In de middeleeuwen is er nauwelijks een genreleer bekend. Hoogstens wordt er in Latijnse werken, die de literaire theorie tot onderwerp hebben, gefilosofeerd over het onderscheid tussen epiek, lyriek, tragedie en komedie, maar dat soort onderscheidingen zijn voor de literatuur in de volkstaal nauwelijks relevant. Jan van Boendale stelt in zijn ‘Hoe dichters dichten zullen ende wat zij hanteren zullen’ (uit de veertiende eeuw) wel onder andere, dat de dichters van ‘hystorien’ niet aan de waarheid mogen tornen (een idee dat overigens stamt uit de diverse welsprekendheidsleren geschreven rond het begin van de jaartelling en dat gedurende de hele middeleeuwen bekend is), maar hij geeft ons geen idee wat ‘literatuur’ is of zou moeten zijn. Toch wordt er traditioneel binnen de complete Middelnederlandse boekproduktie een groep ‘literatuur’ onderscheiden. Veel houvast biedt zo'n indeling niet. Wie bijvoorbeeld kijkt naar de categorisering die Nijhoff & Kronenberg in hun Nederlandse Bibliographie van 1500 tot 1540 maken, ziet dat de afdeling Literatuur uit zo ongeveer alles wat rijmend en verhalend is bestaat, terwijl men er ook nog instructiewerken, opgesierd met voorbeeldverhaaltjes (exempelen), kan vinden. Het is nog maar de vraag of een middeleeuwse lezer dezelfde functie zag in uiteenlopende werken als de Souterliedekens (een bundel religieuze liederen) en Van Jason ende Hercules (een spannend verhaal vol wonderbaarlijke avonturen). En dan nog blijft de vraag: welke is die functie dan? Een blik op de titelpagina's van ‘literaire werken’ kan ons meer leren. Een eerste groep die in het oog valt, bestaat uit zeer kleine werkjes, die allemaal duidelijk de titel ‘gedichte’ dragen, zeer vaak in combinatie met de aanprijzing ‘nieuw’. Dat laatste moet ons de ogen openen: ze zijn sterk verwant met de eerder besproken nieuwstijdingen. Beide soorten teksten worden vanaf 1527 en masse geproduceerd. ‘Nieuwe tijdingen’ venellen in proza en ‘Nieuwe gedichten’ op rijm (waarschijnlijk om ook voorgedragen te worden) over het wereldnieuws. Daarmee vertonen deze werkjes een heel andere functie dan de bundels, die zowel geestelijke verzen als rederijkersverzen bevatten. In plaats van met ‘gedicht’ wordt de poëzie hier als ‘liedekens’ of ‘refereinen’ aangeduid. De meeste bundels, waaronder de eerder genoemde Souterliedekens, herbergen religieus getinte liederen die voor de samenzang bestemd waren. Afgezien van een enkel rederijkersspel - die worden tot 1540 heel weinig gedrukt - bestaat de afdeling Literatuur verder alleen nog uit een grote restcategorie, zeer divers van samenstelling, die gemakkelijkheidshalve als ‘Prozaromans & Volksboeken’ wordt aangeduid. Maar binnen deze categorie vallen, op zijn minst, twee groepen te signaleren met een te onderscheiden geïntendeerde (dat wil zeggen: door de drukker / uitgever / vertaler / schrijver bedoelde) functie, respectievelijk een moraliserende en een verhalende functie. Aan de hand van termen, die bekend zijn uit de religieuze werken, zoals ‘tractaat’, ‘met exempelen’, ‘zalig’, ‘van trooste’, ‘profijtelijk’, ‘met leringe’ en ‘zuiverlijk’, is een aantal teksten te isoleren. Het betreft hier werken die gemoraliseerde verhaaltjes bevatten (zoals de Gesta Romanorum) of gemoraliseerde fabels (zoals de Esopus), of gemoraliseerde drama's zijn (zoals Elckerlijc en het bijbels drama De verloren zone), dan wel zedekundige traktaten zijn gelardeerd met verhalen (zoals de Mellibeus en de Spiegel der deucht). Deze, en andere, teksten wijken weliswaar af van de puur religieuze instructiewerken, omdat ze veel meer verhalende elementen bevatten of zelfs geheel verhalend zijn, maar voor de middeleeuwse lezer is het toch heel duidelijk, dat deze teksten expliciet geformuleerde levenslessen bevatten. HistorieDat is niet het geval bij teksten met een verhalende functie. Hier wordt vooral gedoeld op de zogenaamde prozaromans, die veelal de benaming ‘historie’ in de titel voeren. Dat is een tamelijk problematische term, omdat de aanduiding ‘historie’ zich in het vage overgangsgebied tussen waargebeurde en verzonnen verhalen bevindt. De geschiedschrijving is van oudsher een gewaardeerde wetenschap. De prologen van geschiedeniswerken wijzen
erop, dat in de geschiedenis namelijk een grote schat aan levenswijsheden te vinden is. Men kan zich spiegelen aan de daden van de dappere helden en wijze koningen (wat vooral voor de bestuurders een praktisch aanwendbaar nut is), men kan veel leren over andere culturen, landen en religies, en men kan de oorsprong van de eigen cultuur herkennen, waarbij schrijvers niet zelden hun best doen om de familieverwantschap van een contemporaine vorst met de al dan niet mythologische held uit het verhaal aan te tonen. Het begrip ‘historie’ slaat in het begin op deze zo hoog geprezen officiële geschiedschrijving, maar vanaf de twaalfde eeuw gaan de ridderromans en heiligenlevens zich ook met deze term tooien en nemen zij dezelfde authenticiteits-pretenties aan. De officiële geschiedschrijving wordt steeds vaker anders benoemd. Men gaat daarvoor termen als ‘cronike’ of ‘fasciculus temporum’ gebruiken (eigenlijk: ‘bundeling der tijden’, hetzelfde als kroniek dus). Het begrip ‘historie’ verbreedt zich dus en gaat iets betekenen als: een avontuurlijke vertelling van een held (ridder, heilige, jonkvrouw, enzovoorts) en zijn of haar lot, een min of meer fictief verhaal uit de poëtische overlevering, dat, volgens de middeleeuwse boekproducenten althans, wel heel wonderbaarlijk lijkt maar toch waar is. ‘Wonderlijk’ en ‘waarachtig’ zijn dan ook veel voorkomende termen op de titelpagina, naast onder andere de aanprijzing dat het verhaal ‘genoegelijk’ is en meestal een korte aanduiding van de hoogtepunten van het verhaal. De Mariken van Nieumeghen bijvoorbeeld is een ‘waarachtige ende een seer wonderlijke historie’. Overigens komt het aanprijzen van het hoge waarheidsgehalte van teksten al eerder voor dan de tijd van de boekdrukkunst: in oudere middeleeuwse werken wordt vaak geclaimd (en naar later is gebleken regelmatig ten onrechte), dat het verhaal uit een oude bron komt. Ook de beginregels van Karel ende Elegast zijn illustratief: ‘Fraaie [= mooie of vrolijke] historie ende al waar, mag ik u tellen hoorter naar’. Het benadrukken van de waarheid is bedoeld om de lezer/koper ervan te overtuigen, dat er niet een of ander verzonnen verhaaltje aangeboden wordt. Daarentegen fungeert de term ‘wonderlijk’ juist als publiekstrekker naar de andere kant; gesuggereerd wordt dat er spannende en bijna ongelofelijke verhalen verteld worden. De drukker Jan van Doesborch realiseert zich die wervende functie terdege als hij in 1521 zijn Jason-editie op de markt brengt: ‘Van Jason ende Hercules. Die wonderlike vreemde historien. Hoe dat die edel vrome Jason gewan dat gulden vlies. Ende van noch veel wonderlijke avonturen die Jason met die schone Medea hadde. En voort vanden alder sterksten Hercules, die wonderlijke feiten van wapenen in oorlogen dede, doe hij Troje twee reisen [= twee maal] destrueerde. Ende hoe hij vacht tegen vreemde wonderlijke beesten die hij al verwan. Ende 'tis genoegelijk ende wonderlijk om te horen lezen.’ De vermelding ‘horen lezen’ kan de lezer verwonderen. Gerefereerd wordt aan de, langzaam verdwijnende, voorleescultuur (de meeste middeleeuwse mensen konden zelf niet lezen), die plaats maakt voor een leescultuur. Vermeldingen zoals deze, uit de Jason, laten zien, dat dat proces in 1521 nog lang niet voltooid is. De diverse hier opgesomde termen, samen met uiterlijke kenmerken als fraaie houtsneden met ridders, belegeringen en jonkvrouwen en de vele (deels) in hout gesneden titels, maken van deze groep teksten een duidelijk herkenbare categorie. De koper/lezer weet dat hij met deze historiën (waaronder ook een aantal populaire geschiedwerken en een aantal heiligenlevens vallen, die min of meer dezelfde geïntendeerde funktie hebben) iets in handen krijgt, dat heel prettig leesbaar is, ja waarin hij zich zelfs kan verwonderen over de spannende belevenissen van de held, hetgeen niettemin toch niet echt onwaar is. Op deze wijze verleidt de drukker de lezer tot kopen. Duidelijke taalDe hier gemaakte observaties ten aanzien van de presentatie van teksten door middel van de titelpagina mogen duidelijk maken, dat er altijd teveel met twintigste-eeuwse ogen naar de middelnederlandse boekproduktie is gekeken. Alles wat rijmt en/of verzonnen lijkt, is op één hoop gegooid en tot de literatuur van de late middeleeuwen gebombardeerd. Wanneer we beter kijken naar de manier waarop teksten aan de lezers en kopers worden aangeboden, kunnen we snel vaststellen, dat het aanbod van teksten heel gedifferentieerd is en dat de drukkers er van a les aan doen om de identificatie van het stapeltje onopengesneden katernen in het laatmiddeleeuwse boekwinkeltje voor de koper te vergemakkelijken. Als we het stof van de eeuwen eraf blazen, dan blijken de middeleeuwse boeken al aan de buitenkant een hael duidelijke taal te spreken. LiteratuuropgaveDit onderzoek, dat mogelijk is gemaakt door een subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek, bracht al eerder een publikatie voort op dit terrein: Yves G. Vermeulen, ‘Een schoon historie. De presentatie van nederlandstalige literatuur 1477-1540: De titelpagina’. In: Spektator 12 (1982-3). p.249-269. Verwante observaties vindt men in H. Pleij. ‘Is de laatmiddeleeuwse literatuur in de volkstaal vulgair?’. In: Populaire Literatuur. Amsterdam, 1974. p. 34-107. In algemenere zin zijn aan te raden R. Hirsch, The printed word: its impact and diffusion (primarily in the 15th-16th centuries). London, 1978, en C.F. Bühler The fifteenth century. The scribes. The printers. The decorators. Philadelphia, 19622. Voor een overzicht van de begintijd van de boekdrukkunst en de gevolgen daarvan voor het intellectuele leven leze men het imposante, maar ook omstreden, werk van Elisabeth Eisenstein, The printing press as an agent of change. Communications and cultural transformations in early-modern Europe. Cambridge, 1979, 2vols. |