terug  begin  verder
[p. 79]

66

We mogen van tante Berta net zo veel taartjes als we willen. Ik neem een tompouce en een prinsessentaartje en een rond gebakje met chocola erop en hagelslag aan de zijkant.

‘Dat is lekker op je boterham,’ zeg ik en ik pik met een natte vinger een paar hagelslagjes op.

‘Op je boterham?’ zeggen Britt-Marie en tante Berta tegelijk.

‘Ja, en het heet hagelslag.’ Ik zeg het Nederlandse woord, maar ik spreek het uit op zijn Zweeds.

‘Hagelslag?’ herhalen ze.

‘Ja, en je hebt ook muisjes. Die zijn wit of roze.’

Britt-Marie en die tante kijken elkaar aan of ik gek ben.

‘En er zijn babymuisjes. Die krijg je op een beschuit als er een baby is geboren. En er zit altijd een baby'tje in het zakje bij de muisjes.’

‘Die baby'tjes ken ik,’ zegt tante Berta. ‘Van die schattige poppetjes, waarvan je alleen het gezichtje ziet. Die hadden wij ook in de Eerste Wereldoorlog. Wij legden ze in de pap toen er geen amandelen meer waren. Porseleinen babietjes waren het. En wie het kreeg mocht een wens doen. Maar iemand heeft er een keer een ingeslikt en daarom zit er nu weer een amandel in de pap met Kerstmis.’

‘Bij ons zijn de baby'tjes van suiker,’ zeg ik. ‘Je kan ze opeten, maar ik doe het nooit.’

Opeens denk ik aan het baby'tje dat al sinds de geboorte van Daan in een doosje op mijn kamertje ligt. Midden in de mooiste taartjeswinkel van luilekkerland denk ik aan mijn baby'tje van suiker dat ik nooit op ga eten. En meteen heb ik geen zin meer in mijn laatste taartje. Maar wie laat er nou

[p. 80]

een taartje liggen? Tante Berta zit trouwens weer naar me te kijken. Bij elke hap die ik neem voel ik meer haar ogen dan dat ik proef wat ik eet. Er schiet ook nog een kruimel in mijn verkeerde keelgat.

Tante Berta klopt me op mijn rug en zegt ‘rustig maar’ en ze vraagt of ik wel eerder zo ver van huis ben geweest. Ik zeg nee en dan wil ze weten of ik naar mijn moeder verlang. Ik zeg weer nee. Moeder is aan het reizen met pappa. Die twee zitten bijna elke dag in de auto en ze stoppen bij alle kerken en kijken naar alle preekstoelen en schilderijen en beelden en graven en jaartallen. Ik verlang helemaal niet naar moeder. En naar mamma verlang ik ook niet speciaal. Ik woon niet eens bij haar, ik ben er wel aan gewend haar niet te zien. Het enige waar ik wel naar verlang is dat baby'tje van suiker in het doosje op mijn kamer, maar dat kan ik moeilijk tegen die tante Berta zeggen. Dat zou ik tegen niemand kunnen zeggen. Iedereen zou me een soort idioot vinden. Britt-Marie ook. Dus ik schraap mijn bordje goed schoon met het vorkje. Er mag geen kruimel en geen pliepje slagroom blijven liggen.

‘Je bent een flinke meid,’ zegt tante Berta en ze kijkt me aan of ik me groot zit te houden.

Als we afscheid nemen drukt ze me bijna plat. En dat nog wel met die taartjes ertussen en haar buik die toch al zo dik is. ‘Ajeu, ajeu, ajeu,’ zegt ze en ze klopt me maar op mijn schouderbladen. Ik voel me bij elk klopje ietsje zieliger.

terug  begin  verder