De bus rijdt weg voor onze neus. Dan gaan we maar liften terug. We steken onze armen de lucht in voor een grijze auto met een allene meneer erin. Hij stopt en moet toevallig net langs onze aanlegsteiger.
Britt-Marie en ik gaan samen op de achterbank zitten. We zakken lekker weg in de zachte kussens. Het lijkt wel een taxi. Maar de meneer aan het stuur is geen taxichauffeur. Hij hoeft geen geld. Ik zie zijn gezicht in het spiegeltje. Hij beweegt de hele tijd zijn mond alsof hij iets wil zeggen, maar hij doet het niet. Hij schraapt zijn keel, zijn lippen gaan van elkaar, nu komt het, maar nee, zijn mond gaat weer dicht, net als bij een vis die even naar lucht heeft gehapt.
Wat zou hij willen zeggen? Misschien iets over het weer? Dat er vandaag een fris windje staat? Of iets over mij? Zou hij aan me kunnen zien dat ik uit een ander land kom? Zou hij willen weten uit welk land? Ik kan het hem zo vertellen. ‘Ik kom uit Holland’ is zo makkelijk als wat. Maar ik zeg het niet. Britt-Marie zegt ook niks, We zitten alle drie de hele rit te zwijgen.
Eindelijk stopt de auto voor onze steiger. De meneer stapt uit. Wij ook. We schudden zijn hand. ‘Tack,’ zeggen we. ‘Tack, tack,’ zegt hij terug. En dan nog eens: ‘Tack, tack tack.’ Alsof hij ons moet bedanken omdat wij mee wilden rijden. Hij buigt zelfs even met zijn hoofd. Britt-Marie maakt een knieknik voor hem. Ik natuurlijk niet. Maar ik blijf wel aan hem denken. Ik ben bang dat het mijn schuld is dat hij niks zei. Ik zag hem de hele tijd in het spiegeltje kijken. En ik zat steeds maar in mijn neus te peuteren. Er
zat zo'n naar korstje, heel hoog, en ik probeerde aldoor het eruit te krijgen, maar het lukte niet en dan veegde ik mijn vinger even af aan die zachte stof van de bank. Ik dacht er niet bij na terwijl ik het deed, maar nu weet ik het weer precies. Ik zat maar in mijn neus, ik kreeg het maar niet weg, dat ellendige korstje.
Misschien zag die meneer wel in zijn spiegeltje dat ik mijn vinger telkens aan zijn fluwelen bank afveegde, misschien zat hij daarom zijn mond de hele tijd te bewegen. Het kan best zijn dat hij straks aan zijn vrouw vertelt dat zijn hele achterbank vol neuspeuter zit van een meisje uit een ander land. En dan vraagt zijn vrouw natuurlijk uit welk land, maar dat weet hij niet. Wat een geluk dat hij niet weet dat het Nederland is. Als hij het wel wist dan zouden ze nu met zijn tweetjes denken dat Nederlanders altijd in hun neus peuteren en hun vingers zo maar ergens afvegen. Naar Nederland kan je beter niet gaan, zouden die twee tegen elkaar zeggen, want daar wonen viezeriken.