terug  begin  verderprepost
[p. 32]

Mappamondo

Bladeren in perspectieftekeningen is kijken naar lichte, doorzichtige, etherische ruimtes. De dingen die in die ruimtes worden uitgezet zijn omhulsels, ze zijn gemaakt van transparante vlakken, de stippellijnen lopen er dwars doorheen, ze zijn als begrepen voor ze bestaan, ze verbergen niets. Wanneer een homogene, continue ruimte bedacht wordt en haar verdeling op een wereld wordt gelegd, maakt ze die doorzichtig en kenbaar. Elk punt is exact bepaalbaar, alles heeft zijn plaats, en elke plaats - tot in het oneindige - heeft zijn naam: er zijn zoveel namen als er nummers zijn.

 

De eerste vertrouwdheid met de wereld is een kamer, een huis, een boom, een berg herkennen, en weten hoe men van het ene naar het andere punt - voor een kind: naar huis - kan gaan. Wie de weg kent, kan niet verdwalen. Primitieve kaarten zijn wegbeschrijvingen: ze beelden niet de wereld af maar schematiseren een traject. Maar Anaximandros, zegt een oude tekst, ‘durfde het als eerste aan om de bekende wereld op een tafel te tekenen’. Zijn kaart toont niet een weg maar toont de wereld. Anaximandros wou niet laten zien hoe men moet lopen, maar tonen wat hij wist, waar de wereld ligt of hoe hij verloren is gelegd. Zijn verlangen om, in een afbeelding, de wereld te overzien en te begrijpen is gedurfd: het is gevaarlijk en overmoedig om de wereld goddelijk, vanuit den hoge - vanuit een toren, als een vogel, vanop een berg - te willen overzien. Pascal schrijft dat de mens, wanneer hij tot inzicht komt en beseft dat hijzelf en het kooitje waarin hij is opgesloten - het universum - verdwaald zijn, leert de aarde, de koninkrijken, de steden en de huizen, en zichzelf op de juiste waarde te schatten. ‘Qu'est-ce qu'un homme dans l'infini?’ De wereldkaarten zijn - met Peirce - dominant iconisch: het zijn gelijkenissen van wat men gezien heeft en kent, ze zijn gemaakt van ervaringen. Ze hebben randen, waar het onbekende begint, waar nog niemand heeft gereisd.

 

Het rooster van lijnen dat op de wereld-op-landkaarten geprojecteerd wordt is geen icoon maar een symbool. De lijnen volgen geen contouren, ze zijn kleurloos, punten zijn geen afbeeldingen maar voorstellingen. Het rooster is een systeem dat a priori de notatie van alle punten bevat, zoals het alfabet a priori alle

[p. 33]



illustratie

[p. 34]

woorden bevat. Het coördinatensysteem brengt, op het moment dat het wordt uitgezet, in één klap het hele universum in kaart, stelt het onherkenbare en het onontdekte - de woestijn, de zee, de lucht, de ruimte - onmiddellijk voor als niets-in-vakjes. Het coördinatensysteem heeft geen randen, het loopt breukloos in alle richtingen, kent a priori alles, is niet door het onbekende omgeven. ‘Le temps du monde fini commence’ (Valéry). De vakjes worden ingevuld, zoals de perspectieftekenaar a priori kijkt en vervolgens de lichte, diafane ruimte gelijkmatig verdeelt en vult.

 

De Mappamondo (1966-1968) van Pistoletto is geen sculptuur maar een verhaal: ze toont iets wat met de wereld is gebeurd. Die lijnen zijn ooit op de wereld gelegd, ze zijn erop gemodelleerd, ze staan gespannen zoals ringen op een ton. Maar de wereld is - en elk van de woorden die men kiest heeft een eigen klank, vertelt de geschiedenis op haar manier - ingekeerd, of verschrompeld, of uitgeblust, of versteend. De oppervlaktes zijn verdampt, de binnenaarde is verdicht en is (opnieuw) kern geworden. De tijd en het leven zijn verdwenen en er is niets meer om in kaart te brengen. Het lijnenspel is hol, is een lege jas aan een kleerhanger. Het rooster houdt niets meer vast, wat overblijft is uit het midden gevallen en is dicht, opaak, en zwaar - een dood hemellichaam.

 

In de etherische, virtuose perspectiefruimtes lossen zelfs de lichamen op. De figuren die in die ruimtes geplaatst zijn, die uit het raam kijken, die stappen of staan, buiten- of binnengaan, hebben iets mysterieus en zelfs onheimelijks, maar niet omdat ze iets verbergen. Ze lopen licht en zijn doorzichtig. Ze werpen nauwelijks een schaduw af, ze zijn leeg zoals mannequinpoppen. Ze zijn onbegrijpelijk omdat er in abstracte ruimtes en geconstrueerde lichamen niets te verlangen, te doen of te voelen - en dus: niets te begrijpen - valt. Er is evenwel één type van beelden dat hierop een uitzondering maakt en, met en in de perspectiefruimte, datgene laat zien wat wordt uitgesloten: het tactiele, het concrete, de tijd. De liggende figuur en in het bijzonder het lijk (dat nochtans, in verkorting getekend, méér nog dan de staande figuur geconstrueerd wordt) blijft opaak of wordt opaak. Het niet-invoelbare, krachteloze, dode lichaam ligt tegen de vloer gepletst, en toont een kracht die de lichte, zwevende lichamen niet kennen. Het is gewicht, en het vallen en de zwaarte verraden de werkzaamheid van een kracht die de vergeestelijkte, perspectivistische ruimte verstoort en onwezenlijk verklaart. Het lijk van Vredeman De Vries is de ‘rest’ van het perspectief, zoals de dode bol het overschot is van de wereld.

[p. 35]



illustratie

prepostterug  begin  verder