Noi tutti siamo esiliati, viventi entro le cornici di un strano quadro. Chi sa questo, vive da grande.
Gli altri sono insetti.
(We zijn allen bannelingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overigen zijn insekten).
Leonardo da Vinci
In de embleemboeken van het eind van de zestiende eeuw verschijnt de lijmstokdrager. Hij vangt met zijn lijmstok een koekoek - een sul -, op andere versies verschillende vogels en dwergnarren. Maar hij wordt zelf opgejaagd door ‘Mucken’: door muggen en vliegen of - met een oud woord - door ‘grillen’, die hij niet van zich af kan houden. De insekten verbeelden de bevliegingen die de lijmstokman onophoudelijk steken en plagen, en zijn geest verwarren. Ze wemelen en gonzen om zijn hoofd, ze laten zich niet met de vliegemepper of met geweld verjagen. Maar met de vliegevanger - en dus: met list - wordt de zwerm weggelokt, en vastgeplakt op kijkafstand. Op andere prenten geneest de narrendokter de dwaas door uit zijn hoofd een zwerm ‘grillen’ te laten ontsnappen. De zwerm zwaarmoedige, fantastische, dwaze gedachten verziekt het hoofd, zoals insekten onder de schors de boom ziek maken. Gedachten zijn insekten, en men vangt ze op papier.
Jan Fabre tekent, hij maakt objecten en installaties, hij heeft performances gebracht en maakt theaterbeelden. Fabres ‘oeuvre’ is echter niet de verzameling van wat hij gemaakt en gedaan heeft. Het ‘Verzameld Werk’ documenteert niet een geschiedenis. Het is zèlf een compositie, een geheel dat àls geheel in elkaar gezet en getoond wordt. In elk werk en in elke tekening verschijnen, door een spel van parallellen, omkeringen, ontdubbelingen, kleine verschuivingen of herhalingen, alle andere. De werken staan los opgesteld, op kleine afstand van elkaar, maar
steeds naar elkaar gericht: ze spiegelen, elk op gebroken wijze, alle andere. Zo ook de vroege insekten-tekeningen, die slechts na tien jaar voor het eerst worden getoond: ze documenteren niet het begin van een artistieke ontwikkeling. Ze verschijnen samen met, en tegenover, nieuw werk. Het vroege werk weerkaatst het nieuwe werk en omgekeerd, het vroege werk wordt met het nieuwe werk ‘gevuld’ en omgekeerd.
Fabres ‘Werk’ is geconstrueerd als een spiegelzaal: het opent - illusoir - op een ruim quasi-universum, en verdicht - vakkundig - tot enkele beklemmende beelden, die binnen een gesloten betekenisveld gedurig van vorm veranderen en telkens opnieuw in elkaar verglijden. Precies zoals de verhalen over de Griekse of Keltische goden en helden zich eindeloos en onoverzichtelijk vertakken en elkaar kruisen, in vele variaties bestaan die stuk voor stuk onvolledig en onbetrouwbaar zijn, elkaar tegenspreken en tegelijk alle andere vooronderstellen en oproepen, maar zich samen afspelen binnen één gesloten en zelfstandige mythische ruimte, die van onze wereld is losgemaakt.
‘De spin die de wereld wilde veranderen’ en andere spinnen, gepantserde kevers en harnassen, vliegen, vlinders, libellen, elfen, vleermuizen, gevallen engelen, en ‘I need more insects’: in Fabres beeldwereld zijn de insektachtigen, vanaf het begin, nadrukkelijk aanwezig. Zoals de entomoloog flacons, glazen kokers, sardinedozen, gazen stolpen en bloempotten vult met aarde, zand, rottend hout en krengen, en als ‘ervaringsdozen’ gebruikt om de ‘kleine levende machines’ te observeren, zo toont en bewaart de kunstenaar de wereld en het leven: vastgekleefd op papier, in steriele glazen potten, in modeldozen of - uitvergroot - in de kijkdoos van de barokke theaterscène en de experimentele Bic-Art Room.
Er bestaan vele verhalen over de gedaantewisseling, over de wonderen van het instinct, over het leven der insekten. Er zijn beelden en voorstellingen bekend van de lijmstokman en de narrendokter; van de menselijke geest als spinneweb en van gedachten als hersenspinsels; van ‘vanitas’-vliegen op opengesneden vruchten, op schedels, op de hoofddoek van vrouwen, op de vlag van Lucifers leger; van insekten in en op tafelstillevens en bloemstukken. De verbindingen die Fabres beelden aangaan in het bad van de geschiedenis hebben niet de willekeurigheid van associaties, en ze pretenderen niet - zoals teruggevonden of gereconstrueerde bedoelingen of verwijzingen - ‘echt’ te zijn. Ze halen een laag van betekenissen terug die in onze verbeelding, ons zien, ons spreken verzonken ligt.
Insekten hebben geen beenderen, ze worden in vorm gehouden door hun buitenkant, en een aantal van hen wisselen van gedaante. Tekenen is niets dan metamorfose: de handbeweging wordt een lijn, de lijn is een lintworm, de worm wordt achtergrond, figuur, teken. De lijnen worden een web, het spinnelijf wordt een gloeilamp of een kogel. De kringen in de vleugels van de vlinder worden, ondersteboven, de ogen van de uil. Libellen hebben glazige vleugels, ze dansen op het water; het zijn waterjuffers, dansende elfen, naakte meisjes. De larvale vormpjes in een reeks vroege tekeningen worden de uitgesneden en afgestripte witte stroken in de grote, bic-blauwe vlakken. Lijnen zijn blauwe schaduwen zijn vleermuizen zijn vogels. Kevers eten bladeren, bladeren wandelen als kevers, en de kevers plakken op een blad van ijl blauw.
En tegelijk houden insekten onveranderlijk hun vorm, ze herhalen steeds hetzelfde leven, ze hebben geen geschiedenis en ze zien of kennen ons niet. Het zijn monsters en robotten, kleine afdrukken van de oertijd, in serie vervaardigde exemplaren. Ze leven in een tijd en een ruimte die we slechts van bovenaf kunnen bekijken, en niet in de menselijke wereld kunnen opnemen. De buitentijdelijkheid, de volledige verwisselbaarheid van de soortgenoten, de afgrondelijkheid van het kleine, en de volstrekte onmogelijkheid om die wereld van binnenuit te zien, maakt het insekt tot een vlak waarop wat voor ons tijdeloos is, als sprookje of als mythe moet verschijnen. Een tekening van vechtende kevers is nooit een portret. Er zijn geen personages, begaan met hun eigen lot; er is geen psychologie, geen intrige, geen anekdote. De wereld der insekten wordt, wanneer hij bekeken of getoond wordt - in het werk van Jan Fabre, in de tien boekdelen met Herinneringen van Jean-Henri Fabre, de eertijds befaamde Franse insektenkenner - onmiddellijk het Théâtre de la vie, het toonbeeld van Het Leven Zelf. Geweld, liefde, dood, ontbinding, arbeid, orde, discipline, wreedheid, angst en schoonheid verschijnen er onvermengd en elementair, in primitieve kracht, als zelfstandige grootheden. In de blik op de wereld der insekten wordt de natuur vanzelf Theater, en wordt het theater Natuur.
Blaise Pascal heeft geschreven over de onvoorstelbaarheid van het universum en over ‘la disproportion de l'homme’ - over de ‘mateloosheid’ van de mens. ‘Tout le monde visible n'est qu'un trait imperceptible dans l'ample sein de la nature. Nulle idée n'en approche, nous avons beau enfler nos conceptions au-delà des espaces imaginables, nous n'enfantons que des atomes au prix de la réalité des choses’. De oneindige blauwe vlakken en wanden, de geblauwde objecten en ruim-
tes van Fabre stellen het universum niet voor, ze brengen niets in kaart, ze hebben geen ‘schaal’. Het blauwe vlak is immens groot, het is een hemel. Maar het wordt dikke blauwe mist wanneer bekende figuren - een deur, een vogel - doorschemeren. Voor de kever die over het blad trekt is het blauw oneindig, maar zijn wijdse hemel is voor ons een afgrond. Wanneer de monochromen leeg blijven, beelden ze de pure, oneindige ruimte af die aan niemand toebehoort, en waarin al wat wij zijn en wat ons aangaat, waarin ‘ce petit cachot’ waarin de mens is opgesloten, ‘j'entends: l'univers’ - onze weckpot - samen met alle andere werelden verloren ligt. ‘Car enfin qu'est-ce que l'homme dans la nature? Un néant à l'égard de l'infini, un tout à l'égard du néant, un milieu entre rien et tout, infiniment éloigné de comprendre les extrêmes; la fin des choses et leurs principes sont pour lui invinciblement cachés dans un secret impénétrable.’