Proza. Deel VI


auteur: Albert Verwey


bron: Albert Verwey, Proza. Deel VI. Van Holkema & Warendorf / Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1922


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 7]

Houston Stewart Chamberlain: Immanuel Kant

Het is een oorspronkelijke en toch natuurlijke greep van Houston Stewart Chamberlain dat hij, in zijn Immanuel Kant, die wijsgeer niet op zichzelf maar door vergelijking kennen doet. ‘Hier’ - zegt hij - ‘toon ik u Kant, doch niet alleen, maar samen met Goethe. Let nu op hoezeer zij van elkaar verschillen of, ook wel, met elkaar overeenkomen. Na Goethe doe ik u Leonardo zien, - die met hem verwant is, o zeker, maar toch ook weer verscheiden en dan duidelijk meer met Kant verwant. Daarna Descartes en hier - geloof ik - kunt ge de geest van Kant aan het werk zien in een ander lichaam en andere verhoudingen.’ - Het is duidelijk dat ge die geest nu in breede trekken al kennen zult, zoodat, wanneer ook nog Bruno als zijn tegengestelde en Plato als zijn onsterfelijke soortgenoot u zijn voorgevoerd, de uitvoeriger bemoeiing met Kant-alleen u ten slotte vertrouwelijk dunkt.

Deze opzet heeft mij aan het boek meer geboeid dan iets anders. Er blijkt dan ook uit dat Chamberlain beeldend vermogen heeft. Hij is een zichtbaarmaker van het geestelijke. Zijn stem en zijn stijl leenen zich daartoe. Hij spreekt zoo - schijnbaar - gemakkelijk, en zoo krachtig, - hij ontleedt het ingewikkelde tot zoo weinige en zoo heldere denkbeelden, - dat de hoorder niet alleen met genoegen

[p. 8]

luistert, maar luisterend ook begrijpt, en nog niet het gevoel heeft dat door luisteren en begrijpen zijn kracht is uitgeput. Want meer dan doen luisteren en begrijpen, wil Chamberlain doen zien. Hij heeft het over menschen die geleefd hebben en zichtbaar waren, en door een groot aantal trekjes tracht hij u hun levende zichtbaarheid voortestellen, en onvergetelijk te maken.

Dat ligt alles in zulk een opzet: het boek is een zesdeelige gesprokenheid, met het doel ons denkende te doen zien.

Kant verschijnt er ons door als een man die naar binnen zag. Hij bouwde de voorstellingen in zich op met een zoo groot architectonisch inzicht, met zulk een volledigheid, en met een zoo levende helderheid, dat zij voor hem de plaats vervingen van voorwerpen en men begrijpt hoe hij de werkelijkheid missen kon mits hem maar voldoende gegevens over haar voorkomen werden verstrekt.

Dit vermogen van naar binnen zien was hoofdzaak voor Kant, die zich de wereld graag duidelijk wou voorstellen, máár... zonder gehinderd te worden door zinsindrukken.

Hij begint dan ook daar waar de Zinlijkheid de ervaringsstof gegeven heeft en het Verstand hem bewerken zal. Deze twee, Zinlijkheid en Verstand, zijn de pijlers van zijn innerlijke bouw. Is er aan die twee iets eigen? Ja, aan de Zinlijkheid de ruimtevoorstelling, aan het Verstand een aantal vaste vormen, waarin het denkt en die men zijn stambegrippen noemt. Bestaan die twee op zichzelf? Neen, onmogelijk. Zonder verstand bleef onze zinlijkheid blind; zonder zinlijkheid kreeg ons verstand niets te denken. Maar hoe houden dan die twee ge-

[p. 9]

meenschap, daar de een alleen zien, de ander alleen denken kan? Door de Tijd, die in de ruimte zichtbaar is als Duur, en in de geest denkbaar als Beweging. De Tijd is de altijd werkzame geweldenaar die het zichtbare tot het gedachte maakt en het gedachte tot het zichtbare.

Zoo is dus Kant's innerlijke bouw u duidelijk. Maar - zegt ge - nu ken ik toch geen andere wereld dan die van mijn voorstelling.

Kant glimlacht. Een andere? Welke andere? Kent ge dan nog op een andere wijs dan door uw voorstelling?

Kant schreef aldoor als man van wetenschap. Men noemt de zijne een kritische wijsbegeerte.

Maar gij houdt aan: dat ge daar niet mee tevreden zijt, dat gij niet voldaan wordt door alleen uw voorstelling, dat gij behoefte hebt aan de wereld opzichzelf.

Kant spreekt met u erover. Hij toont u aan dat wat gij een wereld op-zichzelf noemt, wel gedacht kan worden, maar dat gij, gevangen in uw voorstellingen, nooit zulk een wereld kennen kunt. Gij, uitgaande eenerzijds van zinlijkheid, anderzijds van verstand, zult altijd leven in tweeërlei van elkaar onscheidbare voorstellingen, en ééne, die overeen zou komen met ééne wereld, vindt gij nooit.

Noodzakelijk bij elkaar behoorende tegenstellingen noemt hij ze, en toont ze u, en het wordt er u helder door dat al wat ge meer omtrent een eenheid wanen mocht Geloof of Verbeelding is.

Het is een andere zijde van Kant's onderzoek - en noodzakelijk door velen gevoeld als in weerstrijd met de voorafgegane - wanneer hij een innerlijk Moeten en de Vrijheid er al of niet aan te gehoor-

[p. 10]

zamen in de mensch als feit aanneemt en het Ideaal van vrijwillige plicht-vervulling wil prediken.

Een geloof als een ander - zeggen die velen.

Chamberlain doet dat niet. En zijn heele boek is niet alleen een nabeelden van Kant's gedachten maar ook een verdedigen daarvan.

Als tegenbeeld van Kant stelt hij Bruno op. Maar hij bedoelt Spinoza. Chamberlain is een groot Jodenhater en mij, die de meest germaansche van alle namen draag, mag het veroorloofd zijn daarover zonder boosaardigheid te glimlachen. Er is in zijn werk een plaats waar hij het eenheids-gevoel van Bruno en de tweeheids-gedachte van Descartes bespreekt, en ik lachte al omdat ik zag aankomen hoe hij deze bespiegeling niet zou kunnen eindigen zonder beide brandpunten te zien saamvallen in Spinoza. Zoo gebeurde het ook, maar owaai! dat kwam anders dan ik gedacht had en van schrik zou mijn lach me haast ontschoten zijn.

‘Allereerst dit eene: ik heb bij dit schema alleen Indo-Europeërs op het oog gehad. Een man als Spinoza bijvoorbeeld is ons volslagen vreemd. Spinoza is de droomlooze man. De droomlooze man kan onmogelijk de droomvolle mannen verstaan. Zooveel te bedenkelijker is het, wanneer gene al wat hij heeft, merg en been, uit dezen trekt, zooals Spinoza dat doet. Want van de twee hoofdwerken van Spinoza heet het eene Beginselen van de Philosophie van Descartes, en het andere - de Ethica - draagt weliswaar Bruno's naam niet, maar trekt uit hem alle fundamenteele grondstellingen en wel, zooals is aangetoond, uit een nauwkeurige kennis van zijn voornaamste geschriften. Descartes en Bruno - de twee diametraal tegengestelde geesten - onder één

[p. 11]

dak te brengen is zeker een knap stuk, maar gelukken kon het alleen aan iemand die volslagen vreemd tegen beiden over stond, die hun levende persoonlijkheid in het geheel niet, maar alleen sommige formeele momenten in de bouw van hun denken greep.’

Ziedaar! Hoe dan ook verhanseld, de waarheid heeft er uit gemoeten, maar de woede van Chamberlain is nu dan ook ontoombaar. Eerst bitter wordt hij: Descartes verzwolgen door Spinoza. Jawel! ‘En wij blauwoogige blonde bloode homines europaei staan daar met open mond, staren de wijze gevoellooze Jood met verbazing aan en juichen met handgeklap hem toe voor zijn verhanseling van een grootsche wereldbeschouwing.’

Neen, gaat hij voort, het is al te erg: Descartes en Spinoza! Geloof niet de vakgeleerden die u Spinoza aanprijzen: ‘Kijk toch eens naar Descartes hoe heerlijk die zijn leven leeft! Vandaag jaagt hij met Wallenstein over de vlakten van Boheme, morgen schrijft hij een verhandeling over de akoestiek, overmorgen een blijspel, - vandaag bouwt hij een teleskoop om de hemeldiepten te doorvorschen, morgen snijdt hij dieren om het geheim van de bloedsomloop te doorgronden, overmorgen neemt hij proeven over luchtzwaarte en lichtbreking, - de eene dag vindt hij de ether uit, de andere de analytische meetkunde, de derde het schema van de bewogen lichamen; dat is een leven des levens, een onafgebroken wisselwerking tusschen mensch en natuur. Daartegenover zit de “edele” Baruch van de wieg tot het graf in zijn achterkamertje, denkt na over dat wat hij bij Descartes en Bruno gelezen heeft en stelt zich daaruit (met onvergelijkelijke vaardigheid) een weefsel van sluitredenen saam.’

[p. 12]

Ge begrijpt dat ik mijn lach weerom had. Het was er bijna een van welbehagen. Welk germaansch hart klopt niet hoog als hij hoort van iemand die op de vlakten van Boheme gejaagd heeft met (Schillers) Wallenstein, welk man van de wereld watertandt niet van de gedachte dat hij, tusschen zooveel bedrijven door, overmorgen een blijspel schrijven zou. Maar hoeveel vroolijker werd die lach toen ik bedacht dat zeker niemand onder de wijsgeeren, wat zijn leefwijs aangaat, zóózeer op de edele Baruch geleken heeft als de groote Immanuel!

Het is het verrukkelijke van Chamberlain dat men altijd zeker is een voor de hand liggende gedachte binnenkort door hem te zien opgemerkt. Zoo ook nu. Dat Kant nooit Koningsberg uitkwam, dat hij dagelijks op hetzelfde uur dezelfde wandeling maakte - zoodat, volgens de boosaardige Heine, de omwonenden hun horloge op hem gelijkzetten -, Chamberlain weet het te goed dan dat het hem nu niet in zou vallen. Maar wat nood: ‘slechts een enkeluiterlijke schijn zou in staat zijn ons, Kant aangaande, te doen dwalen, want natuurkunde, aard- en volkenkunde, politiek, krijgskunst waren dagelijks zijn hoofdvoedsel.’

Wij moeten aannemen dat Chamberlain voelde hoe zwak zijn zaak stond, en dat hij dáárom met ieder argument genoegen nam. Of kende hij niet de Spinoza die óók het Theologisch-Politisch Traktaat - het derde, door Chamberlain niet genoemde, hoofdwerk - geschreven heeft, de hartstochtelijke dulder en denker die aan al wat in zijn tijd gebeurde, een in waarheid verterend deel had?

Wij vinden het beminnelijk als Chamberlain van zijn ‘lieben feinen Kant’ spreekt. Wij houden het

[p. 13]

hem ten goede als hij het mogelijke doet om hem, zelfs in uiterlijke schoonheid, niet te ver achter te doen staan bij de vorstelijke Plato. Maar wanneer wij de breede schedel en het bedachtzame mondje van de Koningsberger wijze beurt om beurt vereeren en liefhebben, dan vragen wij voor Spinoza's hoogoverwelfde oog en de bevalligheid van zijn edel voorhoofd, zoo niet uw liefde, dan toch uw onderworpenheid.

Het is een verfoeielijk ding dat gij, schrijvers over dichters en wijsgeeren, altijd de eene liefhebben en de andere haten moet.

Is het nooit in u opgekomen dat de waarde van die groote mannen nooit kan gelegen zijn in dat wat gij van hen kunt meedeelen? Wij die hun denkbeelden, kort saamgevat of breed uitgesponnen, aan anderen overdoen, geven daarmee toch niets van wat hun grootheid is.

Ik moet mij bij die gedachte een oogenblik ophouden. Gij zoekt de beteekenis van een wijsgeer in zijn denkbeelden, en ge vraagt: ben ik het eens daarmee? Nu, mij schijnt die doenwijs volkomen ongerechtvaardigd. De beteekenis van een denker ligt toch, naar mijn meening, in zijn gevoel van waarheid, zooals die van een dichter, van een kunstenaar, in zijn gevoel van schoonheid, die van een zedeleeraar in zijn gevoel van goedheid ligt. De stelling blijft natuurlijk onweersproken dat in elke wijsgeer die drie gevoels-soorten kunnen - niet moeten - vereenigd zijn; maar zij verhouden zich zóó in hem dat hij beschouwd wil worden als uiter van waarheidgevoel.

Lees ik nu Kant - ik deed het sinds twintig jaar, in verschillende tijdperken van mijn leven - dan

[p. 14]

boezemt mij elk woord dat hij zegt onvoorwaardelijk vertrouwen in. Ik voel aan zijn toon, ik weet aan mijn gedachte op tal van plaatsen, dat hij schrijft wat hij als waarheid weet.

Maar nu: wat voor waarheid? Een zulke waarbij onder ieder woord een werkelijkheid verborgen ligt, een ervaring die hij, onderscheidende, voorzichtig benadert. Zijn bouwen van gedachten - door Chamberlain terecht verstaan als zijn eerste en onmiddelijke waarheid-uiting - is dit om de ervaringen heengaande, tastende, benaderende in-woorden-brengen zelf. Hij is - om een term uit de literatuurkritiek van onze tijd te gebruiken - een realistisch schrijver; maar - een realist van het geestelijke.

Heel anders nu is Spinoza. Hij is werkelijk Kant's tegendeel; maar hij is niet, zooals Chamberlain hem noemt, dogmatisch; hij is ideëel.

Ondanks alle kritiek, die hij ontwikkelde aan Descartes, ondanks het inzicht dat ons verstand van huis uit onderscheidt een noodzakelijk-samenhangende tweeheid, handhaaft hij het geloof aan een eenheid.

Het geloof? - Ja, waarom dan niet. Als Kant zijn moeten en zijn vrijheid opstelt, is hij ook een geloovige, en dat hij door zijn kritiek zulk een onmetelijke en door zijn geloof zulk een geringe invloed gehad heeft, ligt niet aan de domheid van zijn lezers, maar daaraan dat hij een groot kritikus was en een klein geloover. Zijn waarheid was die van de realistisch-aangelegde voorzichtig alle werkelijkheden beproevende geest, niet die van de groote Overtuigde.

Maar een scherpzinnig kritikus èn een groot Overtuigde was Spinoza. ‘Zijn latijn’ - schreef ik vroeger - ‘heeft een fijne en heldere stelligheid.’ De

[p. 15]

klank en de boog van zijn latijnsche volzinnen - herhaal ik hier - heeft zulk een heldere en edele stelligheid, dat elke ons als een straal van wit licht het gevoel van zijn waarheid overdraagt. ‘De waarheid is in onze geest evident’ schreef hij, en ieder woord dat hij schreef is daar de verklaring van.

In dit verband moet ik ook iets zeggen over zijn veelgesmade ‘ordine geometrico’. Geen negentiendeeeuwsch handboek dat daarover niet een schimp bevat, geen vereerder zelfs die in de afkeuring van die geometrische schrijfwijs niet gewillig meegaat. Maar ik doe het niet. Evengoed als Chamberlain van Kant's architectonische zeg ik van deze mathematische saamstelling: de vorm is de waarheid.

Zeker, Spinoza wist ook wel dat redeneer-kunde iets anders is dan wiskunde en dat gedachten geen cijfers zijn. Maar nochtans heeft hij door zijn vorm onmiddelijk de aard van zijn waarheid uitgedrukt: dat zij namelijk klaar was als wiskunde.

De werkelijkheid wordt benaderd, de idee wordt gedemonstreerd. ‘Ordine geometrico demonstrata.’ Ziedaar Kant en Spinoza, de realistische en de idealistische wijsgeer, neven elkaar gesteld.

Het komt mij voor dat Chamberlain over Goethe - wiens rijk tegenover de binnenwereld van Kant als die Welt des Auges geteekend wordt - een bizonder gelukkig hoofdstuk geschreven heeft.

Zijn les over het ontstaan van de analytische geometrie bij Descartes is een meesterstuk van heldere en vereenvoudigde voordracht.

Zijn opstel over Plato is rijk, al heeft hij moeite ons de idealistische grieksche wijsgeer als zoo uitsluitend met Kant verwant te doen aannemen. Wat er bizonder in treft is de raad aan wetenschappelijke

[p. 16]

natuuronderzoekers gegeven, nevens de begrippen kracht en stof ook dat van het leven (in de zin van organisch leven) in hun systemen op te nemen. Chamberlain is van aanleg een door-en-door proef-onder-vindelijk geleerde, voor wie het experiment aan het begin en de mathesis aan het einde staat. Daarom juist doet het goed hem te zien lachen met de ‘verkapte spontane generatie’ die in het geloof aan een leven uit kracht en stof ligt opgesloten. Gij komt niet uit, roept hij: hoewel ook ik vind dat ieder levensgebeuren op zichzelf mechanisch moet kunnen verklaard worden, zeg ik u: het leven is een eigen beginsel dat voor de zinnen gestalte is en doelwerking heet voor het verstand.

Voor ons, nog leekiger leeken dan Chamberlain, lijkt een natuurkunde die nevens kracht en stof, bij de gratie het leven in zal smokkelen, altijd nog een onnatuur. Wij beginnen met het leven en zien dan wat er overblijft.

Maar hier nader ik - zooals bij de lezing van dit boek op veel andere plaatsen - de grens van mijn weten. Indien iemand, dan heeft de schrijver van dit opstel Houston Stewart Chamberlain te danken voor zooveel kennis, zoo bevattelijk voorgesteld. Een zoo kundig leek te zijn vond ik altijd iets zeer begeerlijks. ‘Ein Laie spricht zu Laien’ zegt deze; laten wij, hoorders, dankbaar zijn dat tusschen Laie en Laie zulk een onderscheid kan bestaan.

Het behoeft niet gezegd te worden dat een zoo krachtig en bekwaam en bloedrijk schrijver ons dit alles niet pour l'amour de nos beaux yeux heeft aangedaan.

Hij wil ons zijn arische, germanistische, antisemitische overtuiging instorten. Niet minder dan

[p. 17]

de eenzijdige natuuronderzoekers zijn de socialisten hem onaangenaam. Een soort onkerkelijk geloof, een toekomstige geestesbeschaving, voor hem in Kant voorspeld, wil hij de strijd doen aanvaarden met geesteloosheid en priesterschap.

Dit is alles wel. Wij erkennen de edele aandrang. Maar wij hebben de dam die hij terwille van zijn eigen stroom op ons gebied heeft opgeworpen dáár niet kunnen dulden waar hij ónze stroom storen zou.

 

1906.